dinsdag 4 juli 2017

Nog één keer terug naar het Witte Huis van Richard Nixon


Over Richard M. Nixon is al dermate veel geschreven dat het de vraag is of er eigenlijk nog wel iets nieuws over hem te zeggen valt. Daarbij zijn er nog zoveel andere presidenten die de nodige aandacht vragen. Niet in de laatste plaats de huidige bewoner van het Witte Huis. Bob Woodward keert met The Last of the President’s Men terug naar het Witte Huis van de president die hem journalistieke onsterfelijkheid bracht. Geen nieuwe 'smoking gun' maar zeker wel een verdieping van de enigmatische figuur Richard Nixon.

Het is inmiddels meer dan veertig jaar geleden dat Richard Milhouse Nixon (1913-1994) als eerste en enige Amerikaanse president tussentijds aftrad. En hoewel het alweer bijna vijfentwintig jaar geleden is dat Nixon overleed komt hij nog met regelmaat langs in het huidige politieke discours van de Verenigde Staten. Meestal wanneer een nieuw schandaal – in navolging van het Watergate-schandaal – tot een ‘-gate’ wordt verheven, maar zeker ook in vergelijking met één van zijn opvolgers. De komst van Donald Trump doet veel commentatoren denken aan Nixon. Niet zozeer in stijl of resultaten, maar vooral met het oog op een mogelijke impeachment van Trump. Dat lijkt nogal voorbarig, maar het plaatst Nixon weer behoorlijk in de aandacht. Op één punt lijken de 37e en de 45e president nogal op elkaar: de relatie met de pers. Daar waar Trump – onder andere via zijn Twitter-account – zijn minachting voor de pers breed etaleert, was dit in het Witte Huis van Nixon ook niet bepaald een feest der liefde waarbij de publicatie van de Nixon-tapes diezelfde minachting inzichtelijk maakte. Een zeer publiek moment daarbij is de persconferentie die Nixon als verliezend kandidaat voor het gouverneurschap gaf waarin hij zich fameus liet ontvallen “you don’t have Nixon to kick around anymore, because, gentleman, this is my last press conference”. Het presidentschap van Nixon is zo blijvend fascinerend omdat de profane Nixon van de tapes en de cover up van de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij – in het Watergatecomplex te Washington D.C. – dezelfde Nixon is die een duurzame opening naar China mogelijk maakte. Een opening die hem zowel een spreekwoord (‘It takes Nixon to go to China’) als een opera (‘Nixon in China’ van John Adams) opleverde. Een fascinatie die nog altijd leidt tot nieuwe boeken waaronder recent een biografie van de hand van John A. Farrell en dus ook de man die het Watergate-schandaal aan het licht bracht, het lot van Nixon bezegelde en zichzelf onsterfelijkheid gaf: Bob Woodward. 

Een outsider in het Witte Huis
Samen met Carl Bernstein stond Bob Woodward (1943) aan de basis van de (langzame) val van Richard Nixon door hun berichtgeving in de Washington Post. Berichtgeving die mogelijk was door Deep Throat, de mysterieuze informant die Bernstein en Woodward op het spoort zette van het Watergate-schandaal. Samen schreven zij hierover de boeken All the President’s Men (1974) en The Final Days (1976). Pas in 2005 werd bekend dat de mysterieuze Deep Throat de nummer 2 van de FBI was: Mark Felt. Dit leidde in 2005 nog tot het boek The Secret Man waar Woodward het verhaal van Deep Throat vertelt. Vanaf het presidentschap van George H.W. Bush (1989-1993) is Woodward chroniqueur van Bush en diens opvolgers en zijn Woodward’s boeken steevast terug te vinden op de bestsellerlijsten. Tien jaar na zijn boek over Mark Felt keert Woodward (voor de laatste keer?) terug naar het Witte Huis van Nixon. Ditmaal via de minder bekende, maar daardoor niet minder betekenisvolle Alexander Butterfield (1926). Toen Nixon in 1968 de verkiezingen had gewonnen en voorbereidingen trof voor zijn intrede in het Witte Huis, zat Butterfield ver weg van de actie in Australië waar hij als luchtmachtofficier aan de vooravond van een mogelijk indrukwekkende militaire carrière stond. Mogelijk omdat nog een aantal jaren in Australië die carrière zou knakken. Een actieve rol in de Vietnamoorlog of een functie in het Witte Huis zou hem op de snelweg naar succes brengen. Gelukkig voor hem bleek dat een sleutelfiguur in de Nixon-campagne en daarmee één van de nieuwe machthebbers in Washington een oude bekende van hem was: H.R. “Bob” Haldeman. Ze hadden op dezelfde universiteit gezeten, in dezelfde studentencircuits gezeten en hun beider vrouwen waren vriendinnen die nog altijd contact onderhielden. Een brutale brief leidde tot een gesprek en uiteindelijk een aanbod om assistent van Haldeman te worden (die de rol van Chief of Staff had) en daarmee deputy assistant van de nieuwe president. Daarmee werd Butterfield één van de weinigen die al niet behoorde tot de inner circle van Nixon, maar wel een belangrijke post in de directe nabijheid kreeg. En dus een outsider in het Witte Huis. Een status die tot in het bizarre tot uitdrukking zou komen. 

Verdieping van de al bekende Nixon
Want bizar is het goede woord voor het gevoel dat je bekruipt bij het lezen van de weergave van de eerste dagen van Butterfield. Woodward kent Butterfield al langer en een groot aantal lange (opgenomen) gesprekken vormen de basis voor dit boek. Butterfield had ooit de ambitie om zelf een boek te schrijven over zijn tijd met Nixon, maar laat het nu dus over aan Woodward. Het is een relatief compact boek geworden (niet meer dan 190 pagina’s) waar je geen weekend voor nodig hebt. Het aardige aan het boek is dat het niet echt een nieuw hoofdstuk toevoegt aan wat al bekend is over Nixon, maar het is zeer zeker een verdieping. In detail wordt duidelijk gemaakt dat Nixon een bijna autistische houding had in het Witte Huis waardoor het uiteindelijk nog best lang duurde voordat Butterfield formeel kennis maakte met Nixon. Een kennismaking die in een ijzingwekkende stilte plaats vond en – in de woorden van Haldeman – gedwongen op het verkeerde moment plaats vond. Want dat beeld zet zich meteen in The Last of the President’s Men: een president die zoveel moeite heeft met het vertrouwen van “nieuwe” mensen dat wanneer iemand op een verkeerd gekozen moment wordt geïntroduceerd het mogelijkerwijs het einde van diens carrière betekent. Wat volgt is een ontluisterend beeld van de gang van zaken in het Witte Huis onder Nixon die niet zozeer onbekend was, maar wel verdiept wordt. Hoewel Butterfield beschikt over tal van (geheime) dossiers uit die tijd is er verder geen echte 'smoking gun' behalve een memo over het verloop van de Vietnamoorlog waarop Nixon in grote letters had gekalkt dat die inzet niets maar dan ook niets (“Zilch!”) had opgeleverd. Dat weerhield hem er vervolgens niet van om nog grotere bombardementen te laten uitvoeren. Na herverkiezing van Nixon – na de inbraak in het Watergate, maar voor het echt ontbranden van het schandaal – verlaat Butterfield het Witte Huis om aan de slag te gaan bij de Amerikaanse luchtverkeersleiding als Federal Aviation Administrator. Hij maakt dan geschiedenis door in een verhoor voor de Watergate-commissie het bestaan van het opnamesysteem in het Witte Huis te onthullen. Een onthulling die Nixon uiteindelijk fataal zou worden. 

The Last of the President’s Man is een heerlijk tussendoortje voor liefhebbers van de Amerikaanse politieke geschiedenis en het Nixon-tijdperk in het bijzonder. Het brengt geen nieuwe inzichten, maar het brengt wel aanvullende verdieping. Daarbij heeft Woodward zijn gave voor een meeslepende vertelling niet verloren want het verhaal van Alexander Butterfield leest als een rijdende trein. Een trein die kaarsrecht en zonder remmen de afgrond toesnelt en fascineert als een hert in de koplampen. 

Foto: Wikimedia Commons

In oktober 2015 is ‘The Last of the President’s Men’ van Bob Woodward verschenen bij Simon & Schuster, ook als eBook. Een paperbackversie is sinds oktober 2016 verkrijgbaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen