zondag 21 mei 2017

Verongelijkt in het paradijs. 'Heren van de thee' van Hella Haasse


In Heren van de thee verlaat Hella Haasse de fictieve wereld van Nederlands-Indië en stort zij zich op het werkelijke leven van Nederlanders 'in de Oost'. In het bijzonder het leven van Rudolf Kerkhoven en zijn thee- en kinineplantages in Gamboeng. Een prachtige historische roman die je laat wegdromen in de natuurpracht van Indonesië en laat verwonderen over het bijzondere - in alle betekenissen van het woord - leven van de Nederlanders daar. 

De hernieuwde kennismaking met het werk van Hella Haasse leidde eerder tot het achtereenvolgens lezen van en schrijven over Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Met name Sleuteloog maakte grote indruk en leidde ertoe om een andere roman over Nederlands-Indië te lezen: Heren van de thee. In markante tegenstelling tot Oeroeg (1948) en Sleuteloog (2002) is het in 1992 uitgegeven Heren van de thee een historische roman met wortels in de realiteit. Het is het levensverhaal van Rudolf Kerkhoven die - in lijn met zijn (prominente) Nederlands-Indische familie - naar Gamboeng vertrekt om daar een bestaan op te bouwen in thee en later ook kinine. Deze Rudolf Kerkhoven is niet de vrucht van de fantasie van Haasse, maar heeft daadwerkelijk bestaan. Hoewel nadrukkelijk een historische roman heeft Haasse zich gebaseerd op het familiearchief en geeft daarmee een bijzondere inkijk in het leven van Nederlanders in het voormalig Nederlands-Indië. Van de eerste dag in 1873 tot de laatste dag in 1918 verhaalt Haasse over de verbondenheid van Rudolf Kerkhoven met het fascinerende land. Natuurlijk komt ook de periode tussen 1869 en 1873 waar de jonge Rudolf zich gereed maakt voor zijn vertrek en bezoeken tussendoor aan het vaderland, maar centraal staat het leven in en rondom Gamboeng. Een leven dat enerzijds bol staat van de indrukwekkende natuurpracht van het leven aldaar, maar ook de vaak kleinzerigheid van relaties tussen mensen en binnen families die net zo vervelend kunnen zijn in een Vinexwijk als een sprookjesachtige omgeving zoals Indonesië.

Eigen schuld of tegenwerking?
Want continu knaagt er iets bij Rudolf. Zijn ouders hebben Ardjasari, een plantage in de Preanger op Java maar lijken de jonge Rudolf telkens te weerhouden om zijn bestaan daar op te bouwen. Wanneer hij uiteindelijk de reis naar Nederlands-Indië onderneemt, kan hij niet wachten tot het weerzien met zijn ouders en daarmee zijn nieuwe leven. De verrassing is daarom groot wanneer hij eerst uitgebreid zijn intrek dient te nemen bij de (aangetrouwde) familie en zo Batavia leert kennen. In de Nederlandse beau monde leert hij zijn toekomstige vrouw kennen, de in de kolonie geboren Jenny Roosegaarde Bisschop. Wanneer hij dan eindelijk zijn toekomst tegemoet gaat, blijkt dat hij een andere plantage in Gamboeng moet bestieren. Weliswaar prachtig gelegen, maar ook afgelegen het succesvol uitventen van een theeplantage vraagt veel van Rudolf. Met Jenny en een toenemend aantal kinderen - waar helaas de dood niet afwezig is -maakt hij het beste ervan en is - althans in zijn ogen - succesvol. Wanneer het voor zijn ouders en dan met name zijn vader tijd is om de teugels over te geven, is het zijn broer August die er met de hoofdprijs vandoor gaat. Tegelijkertijd raakt Rudolf steeds meer in onmin met zijn (aangetrouwde) familie die tevens deels aandeelhouder zijn van Gamboeng. Het aparte aan Heren van de thee is dat Haasse de verschillende perspectieven de revue laat passeren en het niet noodzakelijkerwijs zo is dat het duidelijk is of Rudolf niet zo goed is als hij zelf denkt te zijn of dat er sprake is van (actieve?) tegenwerking. Die spanning kleurt deze historische roman, maar maakt het uiteindelijk ook lastig om helemaal op te gaan in het karakter van Rudolf. Want is het een aansteller of een hardwerkende man wiens succes hem niet gegund wordt?

De liefde voor Nederlands-Indië
Deze ambiguïteit geldt overigens niet voor de liefde die de hoofdrolspelers (en overduidelijk Haasse als schepper van Heren van de thee) voor Nederlands-Indië voelen. Juist ook de wijze waarop Haasse de wereld van toen én de natuurpracht beschrijft, maakt dat Heren van de thee zo geslaagd én gelaagd is. Er is overigens ook wel wat kritiek geweest op het feit dat Haasse in deze roman alleen maar oog heeft voor de koloniale kant en amper voor de oorspronkelijke inwoners zelf. Hoewel die kritiek op zich te begrijpen is, is dit het verhaal van Rudolf Kerkhoven dat symbool staat voor talloze Nederlanders die hun geluk zochten in die nieuwe wereld. Juist die ontzettend Nederlandse verhoudingen in een tropisch klimaat en de verbondenheid met de weidse natuurpracht maken Heren van de thee tot een bijzondere historische roman. Een roman die ook duidelijk maakt waarom het graf  van Rudolf Kerkhoven in Gamboeng ligt, de plek van zijn dromen en decepties, maar uiteindelijk zijn plek.  

Lees hier 'Driemaal Hella Haasse: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders'.

In 1992 verscheen 'Heren van de thee' van Hella S. Haasse bij Querido. Het boek is in diverse drukken en als eBook verkrijgbaar. Deze recensie is gebaseerd op de 56e licht herziene druk uit 2008 in de serie hardcover-edities van het Verzameld Werk van Haasse waar Querido in 2006 mee startte. 

zaterdag 20 mei 2017

Intense 'Parade' van het NDT kruipt onder je huid


Nederlands Dans Theater
Parade

Crystal Pite: The Statement
Crystal Pite: Parade

NDT1
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Net als vorig seizoen sluit het Nederlands Dans Theater af met een intens programma dat onder je huid kruipt. Ook dit maal spelen clowns een hoofdrol, maar in tegenstelling tot Clowns komt de intensiteit van het avondvullende programma Parade tot uiting in een oorlogstheater én de perverse bureaucratische werking van damage control. Vrolijk is anders, indrukwekkend des te meer. 

Over smaak valt te twisten, maar kunst is pas succesvol wanneer het je op de een of andere manier raakt. Door te interesseren, emotioneren of anderszins. Twee producties tijdens het vorige seizoen van het Nederlands Dans Theater (NDT) wisten overtuigend te raken. Het verontrustende Clowns van choreograaf Hofesh Shechter waarin de euforie van een groep clowns – bij voorbaat al naargeestig - omslaat in geweld tegen het individu of groepen van individuen. Met als gevolg een verontrustende en hypnotiserende spiraal van geweld en euforie die nog lang na denderde in je hoofd. Enkele maanden daarvoor maakte The Statement van Crystal Pite evenzo indruk. Ditmaal stond de druk van een vergadering die een gezamenlijke verklaring moest opleveren centraal. Een verklaring met als doel om ‘the situation’ te bezweren zonder ooit duidelijk te maken wat het voorval inhield. Als onderdeel van het avondvullende tweeluik Parade is The Statement in de reprise gegaan. Een reprise waar duidelijk wordt het gecreëerd is als partnerstuk van het in 2013 in première gegane Parade dat speciaal voor dit programma is vernieuwd en het tweeluik compleet maakt.

Spreken door dans
De Canadese Crystal Pite (1970) is sinds 2008 associate choreographer bij het NDT en brengt met Parade niet alleen een avondvullend programma, maar een programma dat volledig één is. Dus ditmaal geen één of meerdere pauzes tussendoor, maar bijna anderhalf uur een hoogmis ter ere van de oprichter van het dansgezelschap Kidd Pivot. Terwijl het net een jaar geleden is dat The Statement in première is gegaan, is het geweldig om deze (nu al) klassieker opnieuw opgevoerd te zien. Maar is de euforie nog steeds zo groot nu het verrassingselement verdwenen is? Die verrassing bestond er vooral uit dat een op voorhand moeizaam uitgangspunt zo fascinerend uitpakt. Ga maar na: de choreografie is gebaseerd op een vergadering die tot doel heeft tot een gezamenlijke verklaring om de schade van een niet nader geduid voorval te beperken. Een choreografie op slechts de gesproken tekst van auteur en theatermaker Jonathan Young minimaal ondersteund door muziek van Owen Belton. De heerlijk bureaucratisch-absurdistische teksten als “I’m here to get a statement explaining how your department acted independently’. ‘It’s the only way forward’ en ‘We were tasked with making this conflict. We were tasked’ worden door de vier dansers door hun bewegingen bijna letterlijk gesproken. Een surrealistische ervaring die bij de herneming en zonder het verrassingselement nog even sterk en bijzonder is en daarmee een compleet eigen plek neemt binnen het repertoire van het NDT. 


Conflict als oorlogstheater
De combinatie met de vernieuwde versie van Parade lijkt op het eerste gezicht vreemd. The Statement speelt zich af in een volledig steriele wereld van bureaucratie en het afschuiven van schuld terwijl Parade een conflict tussen twee culturen in een grensgebied als uitgangspunt neemt. Een conflict tussen een groep clowns en een fanfareband. Een ontlading van geweld die start en eindigt met een eenzame clown die aan het begin van Parade uit een tentje onder een sterrenhemel kruipt en een Portugese fado zingt. Steeds meer clowns komen uit het tentje dat een eerbetoon lijkt te zijn aan de klassieker om zoveel mogelijk clowns in een Mini te krijgen. De opbouw van hun wereld wordt ruw verstoord door de komst van een fanfareband en een verbeten strijd is het gevolg. Symboliek is daarbij nooit ver weg en Pite creëert een realistische doch mystieke wereld door bijvoorbeeld rubberen kippen te laten dansen en een oplichtende hamerhaai letterlijk de revue te laat passeren. Ergens halverwege verschijnt een anonieme figuur die met de stem van Jonathan Yooung wel erg bekende zinnen uitkraamt. Dan wordt het duidelijk dat het conflict uit The Statement (“We were tasked with making this conflict”) het conflict tussen de clowns en de fanfareband betreft. Wat volgt is een variatie op The Statement maar dan wel absurdistisch aangezien ditmaal de uitvoering geschiedt door een poppentheater. Zo creëert Crystal Pite niet alleen haar eigen karakteristieke stijl, maar door de combinatie en correlatie van deze twee werken een op zichzelf staande wereld die het publiek er steeds verder in trekt. Een wereld waar dans overigens niet altijd dominant is en wellicht voor liefhebbers van de dans van het NDT tot wat vraagtekens leidt, maar desalniettemin een grote impact heeft en daarmee zo onder je huid kruipt. Een programma dat niet voor de faint-hearted is, want vrolijk is anders. Maar wel een voorbeeld van succesvolle kunst, kunst die raakt. 

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT1-programma ‘Parade’ bestaat uit de choreografieën ‘The Statement’ en ‘Parade’ van associate choreographer Crystal Pite en toert van 18 mei t/m 15 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 18 mei in het Haagse Zuiderstrandtheater.

zondag 7 mei 2017

Concert 28 april 2017: Twee violisten, één vioolconcert in Edinburgh


Scriabin: Rêverie
Prokofjev: Vioolconcert Nr. 2
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 6 Pathétique

Sergej Krylov (viool)
Nikolaj Znaider, Royal Scottish National Orchestra
Usher Hall, Edinburgh

Het Royal Scottish National Orchestra bracht met overtuiging een volledig Russisch programma. Niet in de laatste plaats door dirigent Nikolaj Znaider en violist Sergej Krylov voor wie deze muziek een tweede natuur is. En dat Znaider met name bekend staat als eminente violist en minder als dirigent, leidde tot spanning vooraf maar pakte uiteindelijk bijzonder goed uit. 

Bewondering kan het beste uit iemand halen, maar ook verlammend werken. Tussen deze hoop en vrees leefden Sergej Krylov en publiek in de aanloop naar het concert van het Royal Scottish National Orchestra (RSNO) in hun thuisbasis Usher Hall in Edinburgh van vrijdag een week geleden. Want het RSNO werd geleid door Nikolaj Znaider. Znaider is sinds 2010 actief als dirigent, maar staat toch vooral bekend als eminent en veelgevraagd violist. De Deens-Israelische Nikolaj Znaider won in 1997 het prestigieuze Koning Elisabeth Concours en kan bogen op een indrukwekkende discografie. En net als Jaap van Zweden heeft Znaider ervoor gekozen om zich als dirigent te manifesteren. In tegenstelling tot de aankomende dirigent van het New York Philharmonic blijft hij daarnaast gewoon optreden als solist. Dit tot grote bewondering van Bill Chandler, de concertmeester van het RSNO. In de pre-concert talk was Chandler lyrisch over de gastdirigent van het RSNO. Zeker omdat Znaider nog niet zo lang daarvoor gesoleerd had bij de Wiener Philharmoniker en zijn volgende klus als solist al weer wachtte. Diezelfde bewondering kwam terug in de bijdrage van Sergej Krylov (1970) die ook even zijn opwachting maakte bij het voorprogramma. De zeer aimabele Krylov maakte duidelijk dat ondanks het feit dat Znaider een jongere violist is hij hem als een mentor ziet en zeer onder de indruk is van zijn kunnen. En hoewel beide violisten goed met elkaar over weg kunnen, legde dit natuurlijk wel een lichte hypotheek op de uitvoering van Prokofjev's Vioolconcert Nr. 2. Want hoeveel ruimte heb je nog als solist wanneer de dirigent het stuk waarschijnlijk beter kent dat jijzelf? Toch was die vrees niet heel gegrond aangezien de concertmeester van het RSNO duidelijk maakte dat het orkest zeer onder de indruk is van de muzikaliteit en de techniek van Krylov. Belangrijker is misschien wel de vraag of een uitmuntende solist ook automatisch tot een goede dirigent leidt. 

Onbekend terrein
Znaider koost voor zijn Schotse primeur als dirigent voor een volledig Russisch programma met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski. Het bleek ook een primeur voor het orkest te zijn, want Rêverie, het allereerste orkestrale werk van de minder bekende Russische componist Alexander Scriabin (1872-1915), bleek volledig onbekend terrein te zijn voor de dames en heren van het RSNO. Het stuk hadden ze niet eerder gehoord of gespeeld. Dat viel overigens niet op in de puike uitvoering die Znaider bij het orkest ontlokte. Daarmee maakte dit korte werk meteen duidelijk dat Znaider geen onverdienstelijk dirigent is. In het Tweede Vioolconcert van Sergej Prokofjev (1891-1953) maakte hij duidelijk dat hij die avond de dirigent was en niet de solist. In dit Vioolconcert laat Prokofjev zijn melodieuze kant zien, maar vraag t tegelijkertijd veel van de solist. De woorden van de concertmeester van het RSNO bleken spot on te zijn aangezien Krylov indruk maakte met de uitvoering van dit vioolconcert. Een muzikale genegenheid tussen dirigent en solist was evident en zorgde voor een uitstekende uitvoering van dit technisch moeilijke concert. Liefhebbers van de Romantische pracht van bijvoorbeeld het Vioolconcert van Tsjaikovski zullen dit werk wellicht minder waarderen, maar een belangrijk werk voor viool is het zeker. Krylov bleek niet alleen de sympathie, maar ook de waardering van het Schotse publiek te hebben en trakteerde op een heerlijk toegift: Caprice Nr. 24 van Paganini (zie ook de YouTube hieronder van een eerdere uitvoering door Krylov). 

Volbloed Russisch  
Na de pauze stond Znaider er helemaal alleen voor met Tsjaikovski's overbekende Zesde Symfonie, de Pathéthique. Hoewel niet volledig melancholisch, is de typering - van de hand van de broer van Tsjaikovski - zonder meer toepasselijk. Niet in de laatste plaats omdat Tsjaikovski enkele dagen na de premiere van dit werk in 1893 stierf. Dat laat onverlet dat het werk veel momenten van triomfalisme kent, met name het opzwepende derde deel. In de pre-concert talk gaf Bill Chandler al aan dat het niet ongebruikelijk is dat de mars van dit deel leidt tot applaus bij het publiek en juichte dit vooral toe. Zijn woorden bleken niet aan dovemansoren gericht aangezien in Usher Hall na het einde van dit derde deel her en der zeker applaus te horen viel. Het weerhield Znaider er niet van om door te stomen naar het vierde en laatste deel dat - heel ongebruikelijk voor een symfonie - in een treurig maar zeer emotioneel adagio eindigt. Hoewel het RSNO natuurlijk niet behoort tot de beste orkesten ter wereld, werd er deze avond puik en met overtuiging gespeeld. En dat was te danken aan twee grote solisten wier muzikaliteit en techniek het orkest inspireerden en waarbij Znaider toonde een verdienstelijk dirigent te zijn met groot gevoel voor (Russische) muziek. 

Sergej Krylov in diens Paganini-toegift (bij een ander concert):


Wekelijks concerteert het Royal Scottish National Orchestra in thuisbasis Usher Hall in Edinburgh. Op 27 april 2017 voerde het RSNO - onder leiding van Nikolaj Znaider en met medewerking van violist Sergej Krylov - een volledig Russisch programma uit met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski uit. 

zaterdag 6 mei 2017

Star Wars: de vertrouwde terugkeer van Thrawn


In de donkere jaren na de eerste Star Wars-trilogie wist sciencefiction-schrijver Timothy Zahn de Star Wars-fans te verblijden met een verhalenreeks rondom de ingenieuze Grand Admiral Thrawn. Een karakter dat ongekend populair werd, maar door de komst van The Force Awakens opeens geen onderdeel meer uitmaakte van de officiële Star Wars-continuïteit. Met Thrawn wordt die fout hersteld en blijkt de terugkeer van Thrawn meer dan vertrouwd. 

Een waarschuwing vooraf. Alles wat nu volgt is een onbeschaamd juichverhaal over de bijdrage van Timothy Zahn aan het Star Wars-universum van een diehard Star Wars-fan. Heb je niks met Star Wars ga dan vooral iets anders lezen. Maar heb je ook maar enige affiniteit met het universum van George Lucas bereid je dan voor op een geweldig weerzien met één van de meest fascinerende karakters in het Star Wars-universum. Een karakter dat – tragisch genoeg – door het succes van The Force Awakens naar een galactisch verdomhoekje leek te zijn verwezen. De prequel-trilogie – The Phantom Menace, Attack of the Clones en Revenge of the Sith - was helaas een wisselend succes waarbij alleen het derde deel een beetje in de buurt kwam van de originele trilogie. Met hulp van J.J. Abrams is met het superieure The Force Awakens de filmfranchise nieuw leven ingeblazen en is een nieuwe stortvloed aan nieuwe Star wars-films en andere initiatieven gaande. Het evenzo succesvolle Rogue One is daar een prachtig voorbeeld van. 

Van Expanded Universe naar Star Wars Legends
Om het Star Wars-vuur tussen de oorspronkelijke trilogie en de prequels brandend te houden, ontstond een uitgebreide canon aan Star Wars-verhalen. Met de overname van Lucasfilm door Disney kwam niet alleen de ruimte om een nieuwe trilogie te filmen, maar werd tegelijkertijd – nogal rigoureus – besloten om deze zogeheten Expanded Universe los te koppelen van de officiële Star Wars-canon en slechts onder de noemer van Star Wars Legends te continueren, maar feitelijk uit te faseren. Dit betekende het einde van Grand Admiral Thrawn, één van de belangrijkste en populairste karakters uit de Expanded Universe. Gelukkig heeft Thrawn zijn rentree gemaakt. Eerst via de nieuwe animatieserie Star Wars Rebels waar hij in het recente derde seizoen zijn opwachting heeft gemaakt, maar nu ook door een nieuw boek over Thrawn van de hand van de meester zelf: Timothy Zahn. 

De introductie van Thrawn
In 1991 maakte Thrawn, de buitenaardse militaire strateeg met de felle rode ogen en blauwe huid voor het eerst zijn opwachting. Het was namelijk de start van de meesterlijke Thrawn-trilogie van de hand van sciencefiction-schrijver Timothy Zahn (1951). Heir to the Empire (1991), Dark Force Rising (1992) en The Last Command (1993) vinden plaats vijf jaar na Return of the Jedi. Het Keizerrijk is verslagen en de voormalige rebellen – waaronder natuurlijk Luke Skywalker, Leia Organa Solo en Han Solo – besturen de Nieuwe Republiek. Gevaar dreigt echter door de restanten van het Keizerrijk die worden aangevoerd door één van de legendarische door de Keizer aangestelde Grand Admirals waarvan gedacht was dat deze militaire topstrategen allemaal gedood of opgepakt waren. Daarbij werd buiten de enige buitenaardse Grand Admiral gerekend: Thrawn. De trilogie was zo meeslepend dat hordes fans – waaronder deze - lange tijd hoopten dat juist deze trilogie de basis zou vormen van een derde serie Star Wars-films. Zahn wist daarbij de aandacht voor Thrawn levend te houden door een tweedelige Hand of Thrawn-cyclus die bestond uit Specter of the Past (1997) en Vision of the Future (1998) die plaats vinden vijf jaar na de Thrawn-trilogie. In enkele andere verhalen van Zahn zou Thrawn wederom zijn opwachting maken, waaronder in de verhaallijn van de geweldige PC-game Tie Fighter. Die verhalen waren – op Tie Fighter en het boek Outbound Flight (2006) na - meestal van mindere kwaliteit, maar de kracht van het personage bleek onverminderd. 

De comeback van Thrawn
Thrown met zijn eerdere 'Watson': Kapitein Pellaeon
Met de opwachting van Thrawn in Star Wars Rebels en nu Thrawn maakt deze fan favorite zijn comeback binnen de formele canon. En hoe! Timothy Zahn’s Thrawn kent een andere opzet dat zijn andere Thrawn-boeken. Hoewel er een rode draad zit in het boek mist het een centraal avontuur dat de Star Wars-films én de eerdere Thrawn-boeken karakteriseert. Thrawn is vooral een origin-verhaal en de beschrijving van de coming of age van onze geniale vriend met de rode ogen. Thrawn speelt zich af tussen Revenge of the Sith en A New Hope en sluit af net voor de gebeurtenissen van Star Wars Rebels. In Thrawn wordt hij niet alleen geïntroduceerd, maar volg je zijn carrière die uiteindelijk uitmondt in zijn benoeming tot Grand Admiral. Het verhaal beslaat daarmee vele jaren waardoor een echte spanningsboog van één compact avontuur ontbreekt. Dit lijkt een tegenvaller en maakt het boek soms wat fragmentarisch. Toch is juist de geslaagde plaatsing van Thrawn binnen het nieuwe Star Wars-universum één van redenen waarom het boek – met name voor Star Wars-fans in het algemeen en Thrawn-adepten in het bijzonder – zo aansprekend is. Want Zahn heeft het voor elkaar gekregen om de terugkeer van Thrawn volledig vertrouwd te laten voelen. Het karakter is grotendeels hetzelfde waardoor deze Thrawn herkenbaar is binnen zowel de nieuwe Star Wars-canon als de Star Wars Legends en zo een link tussen beide universums biedt. Het origin-verhaal is – met een twist – nog altijd hetzelfde: Thrawn wordt door officier Voss Parck gevonden op een planeet in de zogenaamde Unknown Regions en teruggebracht naar de Keizer op Coruscant waar de carrière van Thrawn start. Ook het achtergrondverhaal dat zijn thuiswereld – de Chiss Ascendancy – zich opmaakt voor een allesbepalende strijd tegen een groot gevaar voorbij de Unknown Regions is intact gebleven. Net zoals zijn oorspronkelijke Chiss-naam Mitth'raw'nuruodo. 

Het genie van Thrawn wordt pas duidelijk wanneer hij gekoppeld is aan een soort pupil. Een Watson voor zijn Holmes. In de oorspronkelijke trilogie was dit kapitein Pellaeon. Die rol is nu weggelegd voor een ander interessant karakter: ensign Eli Vanto. Net zoals Thrawn is hij afkomstig ver buiten de kernwerelden van het Keizerrijk en wordt dus – in iets mindere mate aangezien hij niet buitenaards is – net als Thrawn met de nek aangekeken in het racistische Keizerrijk. Zijn carrière loopt samen met Thrawn op en in de avonturen die zij meemaken blijkt op de achtergrond de mysterieuze misdadiger c.q. rebel Nightswan een grote rol te spelen. 

Door dit alles is de terugkeer van Thrawn vooral een vertrouwde terugkeer en biedt het perspectief op nieuwe boeken met Thrawn in de hoofdrol. Het blijft een groot gemis dat de Thrawn-canon na Return of the Jedi eigenlijk niet meer telt en dus ook nooit meer basis kan zijn voor een nieuwe filmreeks, maar dat Thrawn toch weer onderwerp is van nieuwe verhalen maakt veel goed. 

Op 11 april is ‘Thrawn’ van Timothy Zahn verschenen bij Century. Een Nederlandse vertaling staat (vooralsnog?) niet in de planning. Tevens beschikbaar als eBook. Deze bespreking is deels gebaseerd op een eerdere blog over de fascinatie voor Thrawn en is tevens verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 9 april 2017

Driemaal Hella Haasse: 'Sleuteloog', 'Fenrir' en 'Huurders en onderhuurders'


Ruim vijf jaar geleden overleed Hella Haasse, de grande dame van de Nederlandse literatuur. Bekend vanwege haar Indische en historische romans, maar tegelijkertijd lijkt haar naam bekender dan de literatuur die zij geschreven heeft. Een hernieuwde kennismaking daarom met  Haasse via drie (willekeurige) romans: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders

De Nederlandse naoorlogse literatuur is lange tijd gedomineerd door de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Veelal volgde daarna als snel de naam van Hella S. Haasse.    Na de dood van Harry Mulisch in 2010 (Hermans overleed al in 1995 en Reve in 2006) was zij nog de enige levende representant van een trotse en wereldwijd bekende Nederlandse literaire traditie. Nog geen jaar later overleed ook Haasse en eindigde een tijdperk. Geroemd bij haar dood maakte toenmalig staatssecretaris voor Cultuur Halbe Zijlstra zich sterk voor het spreken over de Grote Vier. Ook collega-auteur Cees Nooteboom ergerde zich aan "dat gekakel over de Grote Drie" en vond dat zij de allure had die haar toegang gaf tot het literaire Pantheon van Nederland. Opvallend daarbij is dat hoe bekend we ook allemaal nog zijn met deze schrijvers hun werk verder weg lijkt dan dat het relatief recente overlijden doet vermoeden. Zo wordt De Avonden van Gerard Reve amper nog gelezen terwijl de recente Engelse vertaling The Evenings tot uitmuntende recensies in het buitenland heeft geleid waardoor een nieuwe Nederlandstalige editie binnenkort het licht ziet. 

Haasse is vooral bekend geworden door haar romans over Nederlands-Indië (Heren van de Thee, Oeroeg en Sleuteloog) en haar historische romans (Scharlaken Stad, Een Nieuwer Testament en Het Woud der Verwachting) en minder vanwege haar contemporaine romans. Juist hierdoor zou het kunnen dat het werk van de in 1918 geboren schrijfster minder courant geworden is. Want de interesse voor in ieder geval de koloniale geschiedenis van Nederland is weleens groter geweest. 

Vorig jaar was ik in de nieuwe boekhandel Grand Theatre Breda. Dit prachtige rijksmonument dat voorheen diende als theater en bioscoop is nu de thuishaven voor liefhebbers van boeken. Een mooie toevoeging op het toch al heerlijke Breda en zonder meer een aanrader. Op wat voorheen het balkon was, is de ramsj te vinden. Ik trof daar een behoorlijk aantal exemplaren van de in 2006 door Uitgevrij Querido gestarte uitgave van een stemmige hardcover-editie van het verzameld werk van Haasse. In 2014 verscheen de laatste uitgave in deze reeks. Door het toevallige bezoek aan Grand Theatre Breda keerde ik naar huiswaarts met Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Tegelijkertijd leek deze vondst ook symbool te staan voor een schrijfster die - althans op dit moment - minder courant lijkt. De afgelopen weken heb ik achtereenvolgens en met veel plezier deze boeken gelezen. Daarom hoog tijd voor het (opnieuw) onder de aandacht brengen van een literaire grootheid wiens stem - alleen al vanwege ons verleden in Nederlands-Indië - gehoord moet worden. 

Sleuteloog (2002)
Door Sleuteloog wordt de unieke bijdrage van Haasse aan de Nederlandse literatuur meteen duidelijk. Net als haar debuut Oeroeg en De Heren van de Thee is het Nederlandse koloniale verleden in Nederlands-Indië het leitmotiv. Met haar prachtige Indische romans levert Haasse een grote bijdrage aan de gevoelswereld over een periode die grote invloed op onze geschiedenis heeft gehad, maar tegelijkertijd steeds minder deel uitmaakt van het collectieve geheugen. Eén van de mogelijke redenen waarom het werk van Haasse minder in trek is. Hoewel na het verschijnen van Sleuteloog in 2002 nog wel het nodige van Haasse is gepubliceerd, was dit de laatste grote roman en tegelijkertijd publiekstrekker - winnaar van de NS Publieksprijs van 2003 - van haar hand. 

Sleuteloog staat niet bekend als de beste Indische roman van Haasse maar was voor mij een prachtige inleiding op haar oeuvre op dit vlak. Haasse kenmerkt zich door een prachtig, maar vooral ook helder proza. Een herinneringsroman waar de inmiddels bejaarde Herma Warner door een journalist wordt benaderd of zij informatie heeft over de mensenrechtenactiviste Mila Wychinska. Het blijkt de pseudoniem van haar Indische jeugdvriendin Dee Mijers. Door het verzoek van deze Bart Moorland worden herinneringen ontsloten over haar tijd in Nederlands-Indië. Een structuur van brieven van Moorland gevolgd door herinneringen van Warner leidt tot een intrigerende roman die een inkijk geeft in een verloren wereld. Een wereld die voor Warner gesymboliseerd wordt door een prachtige antieke ebbenhouten kist waar de tastbare symbolen van die tijd zijn opgeslagen. De sleutel is al jaren zoek waardoor Warner moet vertrouwen op haar herinneringen. De toegang tot de "feiten" van die tijd bevindt zich achter het voor haar ontoegankelijke sleuteloog. 

Voor lezers die (nog) onbekend zijn met het oeuvre is Sleuteloog een meer dan prima inleiding. Niet voor niets roemde De Volkskrant Haase's Sleuteloog als 'kroon op haar oeuvre.

Fenrir (2000)
Toen Fenrir in 2000 verscheen was het onderwerp van lichte sensatie omdat het voor het eerst in jaren was dat een nieuwe roman van de hand van Haasse verscheen. Een roman die historisch was noch met Nederlands-Indië van doen had. Fenrir is een contemporaine roman die minder geslaagd is als Sleuteloog maar desalniettemin fascineert. In Fenrir - de mythologische wolfzoon van de Noorse god Loki - staan wolven en neonazisme centraal. Dit alles verbonden door de journalist Matthias Crone en de sterpianiste Edith Waldschade. Crone is weliswaar journalist maar is gefascineerd door wolven en werkt aan een wolvenencyclopedie. Bij toeval komt hij erachter dat de befaamde pianiste Edith Waldschade op haar landgoed in de Ardennen een privé-wolvenkamp houdt. Een landgoed dat toebehoorde aan haar vader die enige bekendheid genoot als germanist en volkenkundige. Deze specialisatie - in de tijd van de Tweede Wereldoorlog - maakte hem verdacht en verzamelpunt voor neonazi's en extremistische sympathieën. Uiteindelijk belandt Crone op het landgoed en landt midden in een familiedrama van Edith, haar zus en een mysterieuze man die een familielid blijkt te zijn. Uiteraard komt dit alles tot een dramatische apotheose. Een apotheose die overigens anders verloopt dan je op voorhand zou denken en daardoor zowel verrassend als verwarrend is.

Op het eerste gezicht lijkt Fenrir een poging van Haasse om door te dringen tot het detective-genre. Maar dan wel de meer literaire variant waar ieder antwoord in de regel tot meer vragen leidt en veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Daardoor bevredigt Fenrir niet volledig omdat niet helemaal duidelijk wat Haasse met deze roman beoogt. Toch fascineert Fenrir van begin tot einde en toont dat Haasse meer is dan een (Indische) historica. 

Huurders en onderhuurders (1971)
Het laatste boek uit deze volstrekt willekeurige bij elkaar gebrachte reeks van Haasse-romans is net als Fenrir één van haar contemporaine romans. Huurders en onderhuurders verscheen in 1971 en heeft eigenlijk een huis als hoofdpersoon. Een huis van rond de eeuwwisseling aan het Amsterdamse Vondelpark. Frits Dupels, een getroebleerde ambtenaar bij het Ministerie van Culturele Zaken, belandt via zijn leidinggevende die van hem af wil als huisbewaarder van dit huis. Samen met zijn vrouw Dora bewonen zij dit huis en verzorgen zij de verhuur ervan voor de huiseigenaar die zich op afstand bevindt. Het leven van het echtpaar draait volledig om het huis waarbij Frits zich steeds meer verliest in een kleinere wereld een megalomaan masterplan dat de wereld zal veranderen. Voor de eenzame Dora komen de onderhuurders als geroepen. Door in hun leven te graven kan zij zich onttrekken van haar eigen weinig gelukkige leven. Spil van de onderhuurders is de frauderende Lilian Hornkes die een 'bondje' sluit met een leraar die eerst een kamer betrekt voor het geven van naschoolse les. Een schrijfster completeert het gezelschap terwijl de huiseigenaar zich op de achtergrond beweegt. Door de alwetende verteller krijg je een inkijk in de verschillende levens, de samenhang ertussen die voor velen noodlottig zal uitpakken.

Huurders en onderhuurders was het laatste boek in deze reeks en gek genoeg is de volgorde van deze reeks ook exemplarisch voor de waardering. Naar verluidt was dit boek één van de favorieten van Haasse terwijl Fenrir en met name Sleuteloog evenwichtiger en sterker zijn. Dat laat onverlet dat het wederom een mooi voorbeeld is van de krachtige en heldere schrijfstijl van Haasse die nog altijd aanspreekt en verdient om gelezen te worden. 

Het oeuvre van Hella Haasse en deze besproken boeken in het bijzonder zijn - in diverse edities - nog altijd meer dan goed verkrijgbaar. Ook als eBook. 

zaterdag 8 april 2017

Meer dan klassieke muziek voor dummy's. 'Alles begint bij Bach' van Merlijn Kerkhof


Met Alles begint bij Bach weet Merlijn Kerkhof op aanstekelijke wijze zijn liefde en enthousiasme voor klassieke muziek over te brengen. Een boek dat niet alleen een welkome en toegankelijke inleiding is, maar ook een tijdig pleidooi is voor al het moois dat klassieke muziek kan bieden. Alleen mag bij een eventuele herziene druk het kaftdesign - dat nog het meest doet denken aan een schreeuwerige reclamefolder van de Media Markt - achterwege gelaten worden. 

“Hij maakt er levend weefsel van, met rode blosjes en broeierige plooien, onderhuidse trillingen en kippenvel. Merkwaardig, hoe je kunt juichen bij toefjes tuba en het stofgoud van een glissanderende harp” en “Tegelijkertijd verbrokkelde het eerste deel bij gebrek aan psychologisch bindmiddel. Veel ambacht en weinig Freud is niet per se een nadeel in een metier dat zich soms verliest in gesnotter". Zomaar fragmenten uit respectievelijk een cd-recensie en een concertbespreking van een collega-recensent van Merlijn Kerkhof. Het mooie, bijna poëtische gebruik van de Nederlandse taal schrikt potentiële liefhebbers van klassieke muziek eerder af dan dat het een nieuw publiek aanspreekt.  Tegelijkertijd versterkt dit het vooroordeel dat klassieke muziek 'ingewikkeld' is en 'zeker niet voor iedereen'. De recensies van schrijver, journalist en muziekcriticus Merlijn Kerkhof (1986) zijn daarentegen lezenswaardig en toegankelijk. In zijn stukken voor De Volkskrant verlaat hij gebaande paden en brengt hij - ook door langere artikelen te schrijven met een andere insteek - klassieke muziek iets meer in de mode. Van het jureren van de mooiste stukken van de vergeten componist Telemann tot waarom de beste klassieke pianisten nog altijd uit Rusland komen. De bijdragen van Kerkhof lees ik - en vast velen met mij - met plezier. Om zijn liefde voor de klassieke muziek voor een groter publiek te etaleren en tegelijkertijd het publiek ervoor te vergroten én te verjongen, levert Kerkhof zijn eerste boek af: Alles begint bij Bach. De ondertitel ‘wat je moet weten over klassieke muziek’ maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een muziekgeschiedenis op hoofdlijnen om lezers te verleiden op ontdekkingstocht te gaan door de klassieke muziek. 

Niet alleen voor beginners
Merlijn Kerkhof
Aangezien – oneerbiedig gezegd – dit vertaald zou kunnen worden naar ‘klassieke muziek voor dummy’s’ rijst natuurlijk de vraag waarom een bespreking van dit boek juist op dit cultuurblog verschijnt. Net als Kerkhof hoef ik niet van de waarde van klassieke muziek overtuigd te worden. En net zoals Kerkhof constateer ik dat het nog redelijk gaat met de klassieke muziek in Nederland, maar dat de toekomst verre van zonnig is. De vergrijzing lijkt bijna onomkeerbaar terwijl het aanbod van klassieke muziek – door Kerkhof ook als ‘kunstmuziek’ omschreven – relatief statisch blijft aangezien “moderne” klassieke muziek weliswaar mondjesmaat terrein wint, maar in de huidige omvang zeker niet het redmiddel is voor het ontelbare aantal concertzalen dat Nederland telt. Het leuke aan Alles begint bij Bach is dat het niet alleen een fijne inleiding vormt over de klassieke muziek, maar dat ook voor de al bekeerde liefhebber er het nodige te genieten valt. Natuurlijk is het een mooie samenvatting van al bekende anekdotes zoals Brahms die jarenlang zwoegde op zijn eerste symfonie uit angst vergeleken te worden met Beethoven tot de mysterieuze ontstaansgeschiedenis van Mozarts Requiem en de wel zeer innige band tussen de nazaten van Richard Wagner en Adolf Hitler. Tegelijkertijd is er nog genoeg onontgonnen gebied zodat er voor een ieder wel iets verrassends in staat en Kerkhof in staat is de bijbehorende historische context te schetsen. Want muziek ontwikkelt zich niet in isolement, maar als onderdeel van de maatschappij. Ook sluit Kerkhof vrijwel ieder hoofdstuk af met een aantal luistertips. Door de aanstekelijke en aansprekende wijze waarop Kerkhof zijn enthousiasme voor de klassieke muziek onder woorden brengt, kan het niet anders dan dat de lezer een aantal van die tips gaat luisteren. En als op deze wijze een groter en vooral jonger publiek voor klassieke muziek wordt getrokken dan is de missie van Kerkhof zonder meer geslaagd. 

Je kunt je natuurlijk afvragen of een boek nu het ideale medium is om voorbij het kernpubliek voor de klassieke muziek te komen, maar dat is muggenziften. Zeker ook omdat diverse orkesten – met name het Koninklijk Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest – via allerhande nieuwe concertvormen hetzelfde pogen als Kerkhof en de resultaten hoopgevend en dan weer teleurstellend zijn. Klassieke muziek, maar vooral hetgeen de (geduldige) luisteraar oplevert, is het meer dan waard. Daarbij is muziek één van die vormen van cultuur die aantoont waarom de menselijke beschaving daadwerkelijk een beschaving mag heten. Maar vooral omdat muziek kan leiden tot een toevoeging op je leven: van geluk en contemplatie tot het bieden van troost. Muziek – mits passend bij ieders voorkeur – kan het allemaal teweeg brengen. Het inleidende hoofdstuk waarbij Kerkhof de lezer (letterlijk) meeneemt naar een (fictief) concert is daarbij niet alleen ontwapenend, maar rekent ook af met een aantal van de misvattingen over het bezoek aan een concert. Sowieso worden vele mythes over klassieke muziek door Kerkhof ontkracht: van het idee dat opera dood zou zijn en het failliet van de moderne klassieke muziek tot aan het feit dat klassieke muziek elitair is. Opvallend is dat Kerkhof heel zijdelings of eigenlijk geen aandacht besteedt aan ballet- en filmmuziek. Juist deze twee genres zijn een toegankelijk middel om richting de klassieke muziek te gaan. Gezinnen met kinderen zijn niet weg te slaan bij balletklassiekers zoals Notenkraker en Muizenkoning, Coppelia en Assepoester. Maar ook moderne dansgezelschappen zoals het NDT hebben moderne choreografieën op werken variërend van Beethoven tot Glass. Hetzelfde geldt voor filmmuziek waarbij de grens tussen wat filmmuziek is en wat niet soms moeilijk te stellen is. En de stap van de inmiddels zeven soundtracks van Star Wars van John Williams naar Also Sprach Zarathustra van Richard Strauss is voor een klassieke muziekliefhebber in de dop snel gemaakt. Alles begint bij Bach is inmiddels al aan de derde druk toe, dus wellicht is er op termijn nog aanleiding om een herziene versie te publiceren. Een tweetal extra hoofdstukken over ballet- en filmmuziek zouden dan niet misstaan. En mocht er een herziene versie komen, dan is het ook aan te bevelen om het kaftdesign nog eens onder de loep te nemen. Want hoewel ik grote waardering heb voor het boek dat Kerkhof geschreven heeft, strekt deze waardering zich zeker niet uit tot de kaft die nog het meest doet denken aan zo’n schreeuwerig reclamekrantje van de Media Markt. Dat moet toch beter kunnen. Budget of geen budget.

Het einde van de klassieke muziek?
Door de geschiedenis van de klassieke muziek episodisch te bespreken, biedt Kerkhof de lezer een scala aan opstappunten voor de klassieke muziek-trein. Zijn grote liefde voor Bach – de titel zegt het al – stopt hij daarbij niet onder stoelen of banken, maar tegelijkertijd maakt hij duidelijk dat Bach niet per se het eerste opstappunt hoeft of moet zijn. Klassieke muziek is ook een kwestie van gewenning. Een uitgangspunt dat hij ook hanteert voor hedendaagse kunstmuziek. Hoewel ik het met Kerkhof eens ben dat het aanbod van zowel klassieke muziek als moderne klassieke muziek zo groot is, dat je nooit het hele oeuvre kunt afdoen met ‘daar hou ik niet van’, ben ik zelf iets minder optimistisch over de rol van moderne klassieke muziek. Zeker, er valt op dat punt ontzettend veel te genieten. De opera Nixon in China van John Adams (1947) is niet alleen één van de meest succesvolle eigentijdse opera’s, maar heeft inmiddels ook een vaste plek verworven in de canon van ‘klassieke’ opera’s. Om over de populariteit van de muziek van Philip Glass (1937) nog maar te zwijgen. Maar in alle eerlijkheid: er zijn veel moderne stukken die het genieten waard zijn, maar het nooit in zich zullen hebben om het kernrepertoire in de schaduw te stellen. En juist dat is nodig om de toekomst van klassieke muziek zeker te stellen. Maar zoals Kerkhof terecht opmerkt, telde de wereld in Bachs sterfjaar 1750 slechts 791 miljoen mensen en zijn we inmiddels richting het tienvoudige aantal. Dan moet er toch genoeg talent zijn voor een hedendaagse Bach, Mozart of Beethoven? Samen met Merlijn Kerkhof hoop ik het van harte. En in de tussentijd ga ik gezellig door met luisteren naar prachtige muziek. Een leven zonder zou toch wel heel saai zijn.

In september 2016 is ‘Alles begint bij Bach’ van Merlijn Kerkhof verschenen bij uitgeverij Thomas Rap. Tevens beschikbaar als eBook. Deze recensie verschijnt gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 2 april 2017

Een onmogelijke biografie van een gewelddadige dynastie: 'The Romanovs:1613-1918' van Simon Sebag Montefiore


Simon Sebag Montefiore stelt zijn onmiskenbare talent voor meeslepende geschiedschrijving ten dienste van de Romanov-dynastie. Als geen ander weet Montefiore een kluwen aan karakters en gebeurtenissen bij elkaar te brengen. Desalniettemin blijft er (te) veel onbesproken en had de voorliefde voor de ongekende hoeveelheid geweld en seks die de dynastie in de ogen van Montefiore typeert een tandje minder gemogen. 

In Nederland is de historicus Simon Sebag Montefiore (1965) vooral bekend vanwege Jerusalem. The Biography, zijn geslaagde en alomvattende geschiedenis van het kruispunt van de geschiedenis. Zijn fascinatie voor Jeruzalem is ondanks de omvang van die biografie gek genoeg niet meer dan een uitstapje voor de historicus. Montefiore heeft zich gespecialiseerd in Rusland waardoor de afgelopen jaren een tweetal boeken over Stalin zijn verschenen, maar ook boeken over Catharina de Grote, Potemkin en hun onderlinge relatie. Tussendoor is zijn bekendheid verder toegenomen door geslaagde BBC-documentaires over Jeruzalem en Byzantium. Overigens zijn deze uitstapjes minder buitenissig dan gedacht aangezien de Tsaren en Tsarina's van Rusland een grote fascinatie hadden voor zowel Jeruzalem als Constantinopel/Istanbul. Want de Romanov-dynastie vormde niet alleen het symbool voor de eenheid van Rusland, maar ook van de Russisch-Orthodoxe Kerk en daarmee hoeder van deze hoofdsteden van geloof. De symboliek van deze dynastie vormt meteen de rode draad van The Romanovs: 1613-1918 en de rise to fame van een familie die drie eeuwen lang het Russische Keizerrijk domineerde en daarmee een ongekend grote invloed heeft uitgeoefend op de wereldgeschiedenis in het algemeen en de toekomst van Rusland in het bijzonder. 

Van Michaël I tot Nicholaas II
Tsaar Michaël I
Het schrijven van een dergelijke geschiedenis vraagt veel van een historicus. Drie eeuwen geschiedenis overzichtelijk terug brengen naar een leesbaar boek is geen kleine opgave. Zeker niet in het geval van de uitgebreide Romanov-dynastie waar de familieleden je om de oren vliegen. Als geen ander is Montefiore hier geschikt voor omdat hij het talent heeft om op meeslepende wijze de lezer door een geschiedenis te loodsen, niet in de laatste plaats vanwege zijn fijne pen die allesbehalve saai is. Wat dat betreft is dit boek eigenlijk alleen vergelijkbaar met zijn biografie van Jeruzalem waarbij hij in staat is gebleken om een complexe en uitgebreide geschiedenis begrijpelijk te houden door zich op de hoofdlijnen te richten. Toch is hij in het geval van de Romanovs hier minder in geslaagd. Niet alleen omdat bij dergelijke ondernemingen in de regel na het dichtslaan van het boek weinig echt blijft hangen, maar omdat het grote aantal personages een wel heel groot beroep doet op het overzicht van de lezer. De handige familiestambomen en een cast van de belangrijkste 'hoofdrolspelers' aan het begin van ieder hoofdstuk zijn daarbij zeer welkom, maar kunnen het dit elementaire probleem uiteindelijk niet oplossen. Nu hoeft dat ook niet aangezien het vast niet de bedoeling is van een lezer van een dergelijk boek om tot op detailniveau familie, vrienden en kennissen te verblijden met allerhande (triviale) kennis over de Romanovs. Uiteindelijk is het doel van een dergelijk boek een idee te krijgen van de ontwikkeling van de Romanovs en de impact op Rusland. In dat eerste slaagt Montefiore zonder twijfel: van de allereerste Romanov-Tsaar Michaël I (1596-1645) tot aan het tragische lot van Nicholaas II (1868-1918). In de proloog van het boek weet Montefiore op geniale wijze een verband te leggen tussen Michaël I en Aleksej, zoon van Nicholaas II en laatste (echte) troonopvolger van de Romanov-dynastie. Een proloog die ook een prachtig voorbeeld is van de verhalende kracht van Montefiore. Want in deze proloog schetst Montefiore de omstandigheden en gemoedstoestand van beide jonge troonpretendenten. Jongens die allebei in het oog van de storm verkeerden in een Tijd der Troebelen. Maar voor Michaël betekende dit dat het land naar hem en zijn familie keek om de eenheid in Rusland te herstellen, terwijl de aan hemofilie lijdende Aleksej in de ogen van de Bolsjewieken juist in de weg stond van een glorieuze toekomst zonder Tsaren. De ene startte de dynastie terwijl de ander  op gruwelijke wijze - samen met zijn familie - werd vermoord in Jekaterinenburg. 

Een familiesoap
Ex-Tsaar Nicholaas II
Na deze veelbelovende inleiding neemt Montefiore je mee in het wel en wee van de Romanov-dynastie en daarmee Rusland. Het boek zit vol met anekdotes en weetjes waaronder het feit dat Nicholaas II eigenlijk helemaal niet de laatste Tsaar van Rusland was. Die "eer" is weggelegd voor zijn broer Michaël die na de troonsafstand van Nicholaas nog een dag zou "regeren" als Michaël II waardoor de dynastie zowel begint als eindigt met een Michaël. Tussendoor maken we kennis met geslaagde en minder geslaagde Romanov-autocraten. Van Peter de Grote en Catharina de Grote tot Napoleon-nemesis Alexander I en één van de weinige hervormende Romanovs Alexander II. Opvallend daarbij is dat niet alleen dat de familieleden je om de oren vliegen,  maar ook de ledematen. Montefiore's tocht langs de Romanovs is namelijk ook een verhaal van veel geweld en seks. In interviews ter gelegenheid van het verschijnen van The Romanovs gaf Montefiore al aan dat deze uiteenzetting nodig is om de familie te begrijpen en in perspectief te plaatsen. Dat klopt zeker, maar binnen de zevenhonderd pagina's die Montefiore nodig heeft, wordt wel heel veel ruimte gereserveerd voor de soap die deze familie ook is. De hogere Europese politiek komt ook voldoende aan bod, maar wie een overzicht wil hebben van de echte impact van de familie op Rusland komt toch een beetje bedrogen uit. Dat laat onverlet dat Montefiore zijn verhaal met smaak vertelt en dat het allerminst een straf is om deze biografie te lezen. Een kwaliteit die voor gelijksoortige biografieën lang niet altijd geldt. In die zin leent dit boek zich minder voor een BBC-documentaire zoals over Jeruzalem en Byzantium, maar zou een soap in de lijn van The Tudors nog best een optie kunnen zijn. 

'The Romanovs: 1613-1918' van Simon Sebag Montefiore is begin 2016 voor het eerst uitgegeven en recent verschenen in een paperbackversie. Een Nederlandse vertaling is eveneens beschikbaar. Deze recensie is op basis van de Engelstalige editie. 

zaterdag 1 april 2017

Smoke and Mirrors: contrast tussen verleden en toekomst van NDT


Nederlands Dans Theater
Smoke and Mirrors

Imre en Marne van Opstal: The Grey
Sharon Eyal en Gai Behar: Sara
Marco Goecke: Midnight Raga
Léon & Lightfoot: SH-BOOM!

NDT2
Zuiderstrandtheater, Den Haag


Met het programma Smoke and Mirrors voor de jonge dansers van Nederlands Dans Theater 2 worden diverse contrasten getoond. Maar het meest treffende contrast is de impact van de maatschappelijk veranderingen op de NDT-choreografieën. Zo bezien zijn de ongedwongen jaren negentig een stuk humorvoller dan de serieuze jaren tien van de 21e eeuw. 

Het succes van het Nederlands Dans Theater (NDT) is nauw verbonden met de choreografieën van Sol Léon & Paul Lightfoot. In 2002 werden zij de officiële huischoreografen van NDT terwijl Paul Lightfoot sinds 2011 artistiek directeur is. Het duo Léon & Lightfoot heeft inmiddels een enorm aantal programma’s gecreëerd met klassiekers als Shoot the Moon, Sad Case, Subject to Change en Sehnsucht/Schmetterling. Het begin van deze succesvolle samenwerking wordt gemarkeerd door SH-BOOM! dat het ontluikende duo creëerde in 1994 voor de jaarlijkse Dansers Choreografie Workshop (nu: Switch). Precies dit werk is onderdeel van het nieuwe programma Smoke and Mirrors waar SH-BOOM! wordt gecombineerd met een tweetal nieuwe producties en een reprise van een recente productie. SH-BOOM! was voor het laatst te zien als onderdeel van Programma III in 2012 en is een humoristische en ironische uitwerking van de onderlinge relatie tussen mensen in het algemeen en in het bijzonder pogingen van mannen om indruk te maken op vrouwen. Dit alles op muziek van crooners uit de jaren vijftig. Een tijdbeeld dat nog eens extra ondersteund wordt door een vintage “hangende” microfoon. Dit leidt tot een strakke en bij tijd en wijle zeer serieuze ‘donkere’ choreografie, ondersteund door inventief gebruik van licht. Een aanpak die een scherp contrast vormt met de humor en ironie van de kostuums en muziek. 

Broedplaats van choreografen
In de stal van het NDT zijn niet alleen zeer getalenteerde en technisch uitmuntende dansers te vinden, maar ook de choreografen van de toekomst. Bij NDT wordt ruimte aan dansers geboden om zich ook zo te ontwikkelen. Dit leidde al tot succesvolle choreografieën van onder andere Medhi Walerski. In zijn voetsporen treden nu broer en zus Marne en Imre van Opstal met The Grey dat uitgevoerd door de jonge dansers van NDT2 de wereldpremière beleefde in het Haagse Zuiderstrandtheater. Het geven van ruimte wordt ook letterlijk genomen aangezien The Grey maar liefst 36 minuten duurt en qua duur de overige producties van Smoke and Mirrors in de schaduw stelt. Op een onheilspellende en donkere Daft Punk-achtige (denk aan de Daft Punk-soundtrack voor de film Tron: Legacy) nieuwe muziek van Amos Ben-Tal presenteren broer en zus Van Opstal een drieluik dat de keuzes in het leven voorstelt en de wens om die keuzes en daarbij behorende richting in je leven opnieuw in overweging te nemen. Die wens wordt zeer letterlijk genomen door tussen de onderdelen van het drieluik een pauze in te lassen in de meest letterlijke zin van het woord. De muziek stopt, het licht gaat aan en de dansers gaan er even rustig bij zitten en drinken wat water om na enkele minuten de productie weer te hervatten. Het is een gewaagde eerste productie die toont – zeker het tweede meest overtuigende deel waar muziek, dans en drama het beste bij elkaar komen en enigszins hypnotiserend uitpakt – dat Imre en Marne van Opstal op zoek zijn naar een eigen signatuur. Opvallend daarbij is het contrast met SH-BOOM! waarbij Léon & Lightfoot met name door de humorvolle aanpak emotie losmaken bij het publiek. Bij The Grey is dat eigenlijk niet het geval. Als publiek ben je onder de indruk van de uitmuntende danstechniek, maar fascineert The Grey zonder echt emotie op te roepen. Wellicht ook een vertaling van het huidige tijdsgewricht dat in tegenstelling tot de jaren negentig allesbehalve zorgeloos is. Het aardige is overigens dat, bedoeld of onbedoeld, het gebruik van een hangende microfoon in The Grey een zichtbare verbinding legt met het werk van Léon & Lightfoot. 

Contrast tussen de muziek van Inda en de zenuwen van Marco Goecke
Naast de wereldpremière van het jonge NDT-talent was er ook een wereldpremière van de gevestigde choreograaf en NDT-partner Marco Goecke. Een relatief korte choreografie Midnight Raga voor twee mannen op muziek van Ravi Shankar en I’d rather go blind van Etta James. Opvallend daarbij is het contrast tussen de ‘zenuwachtige’ choreografie en de muziek. Goecke heeft er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om op de Indiase muziek van Ravi Shankar juist geen ‘Indiase’ choreografie te creëren. Deze tegenstelling leidde her en der tot gelach aangezien de krachtige techniek van de veelal simultaan dansende mannen zo afwijkt van de muziek. Het was niet naar ieders smaak maar oorspronkelijk was het zeker. Het contrastrijke programma bestond verder nog uit de choreografie Sara van Sharon Eyal en Gai Behar uit 2013 die op verzoek van het publiek aan het programma is toegevoegd. Speciaal voor NDT2 gemaakt en is een soort intuïtief gedanste droomwereld. Door het programma met SH-BOOM! af te ronden, sloot de avond op een vrolijke noot af, maar gaf het ook zeer te denken over het grote contrast tussen het verleden en de toekomst van NDT.

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT2-programma ‘Smoke and Mirrors’ bestaat uit de choreografieën ‘The Grey’, ‘Sara’, ‘Midnight Raga’ en ‘SH-BOOM!’ en toert van 30 maart t/m 1 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 30 maart in het Haagse Zuiderstrandtheater. Deze recensie is gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta verschenen. 

donderdag 30 maart 2017

'Onegin' van Het Nationale Ballet: Meeslepend liefdesdrama zonder poespas


Het Nationale Ballet
Onegin
(Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, 1840-1893)

Anna Tsygankova, Tatiana
Jozef Varga, Onegin
Qian Liu, Olga
Remi Wörtmeyer, Lensky
Sébastien Galtier, Gremin

John Cranko (choreografie)
Kurt-Heinz Stolze (muziekbewerking en orkestratie)
Elisabeth Dalton (decor en kostuums)

Het Nationale Ballet
Ermanno Florio, Het Balletorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Hoewel Tsjaikovski "slechts" muziek schreef voor drie balletten betekent dit allerminst dat de balletwereld zich hoeft te beperken tot Het Zwanenmeer, De Notenkraker en De Schone Slaapster. Want met Onegin liet choreograaf John Cranko zich weliswaar inspireren door Tsjaikovski's opera Jevgeni Onegin maar vond hij de muziek in ander werk van de Russische romanticus. Aan Het Nationale Ballet is een dergelijk klassiek doch eigentijds liefdesepos zeer besteed en tekent daarom voor een meeslepende productie. 

Het zijn goede tijden voor liefhebbers van Tsjaikovski. Want hoewel Onegin va John Cranko (1927-1973) in 1965 in première ging bij het Stuttgarter Ballet en in 1967 een gereviseerde versie kreeg, duurde het nog tot 2002 voordat Het Nationale Ballet zich er aan waagde. Maar nu dus in de reprise. Een goede timing aangezien enkele maanden geleden een ander ballet gebaseerd op het werk van Tsjaikovski in Nederland te zien was: Alice in WinterWonderland van De Dutch Don't Dance Division (zie hier voor die recensie). De basis voor die productie werd in 1995 gelegd door componist-dirigent Carl Davis die de opdracht van het English National Ballet kreeg om op grond van het werk van Tsjaikovski muziek samen te stellen voor een balletversie van Alice in Wonderland. Het aardige daarbij is dat Tsjaikovski nog altijd inspireert, maar dat zijn oeuvre dermate groot is dat beide balletten slechts één deel uit dat oeuvre delen. Daar waar Alice bestaat uit een avonturentocht door de fantasie van een meisje, is Onegin een onvervalst liefdesepos. Een ballet dat net als de (bijna) gelijknamige opera gebaseerd is op een roman van Aleksandr Poesjkin (1799-1837). Een schrijver die rustig de Russische Shakespeare genoemd mag worden. Met Onegin schreef hij vooral een liefdestragedie aangezien de liefde van Tatjana door Onegin wordt afgewezen. Een nare afwijzing aangezien Onegin voor de ogen van Tatiana haar liefdesbrief aan hem verscheurt. Om het allemaal nog een tikkeltje erger te maken flirt Onegin met Olga, de verloofde van zijn vriend Lensky. Deze Lensky laat het er niet bij zitten, daagt Onegin uit voor een duel, maar laat daarbij het leven. Vele jaren later is de arrogante en harteloze Onegin veranderd in een lege huls op zoek naar een antwoord op zijn eigen nutteloosheid. Op een bal van een prins ontmoet hij wederom Tatiana die inmiddels de vrouw van zijn gastheer blijkt. Onegin raakt alsnog verliefd op Tatiana, maar ditmaal is zij het die zijn liefdebrief verscheurt en een einde maakt aan dit tragische epos. 

Een eigentijdse klassieker
Het bizarre aan dit verhaal is dat het deels overlap heeft met het werkelijke leven van Poesjkin, zonder dat hij daar overigens erg in heeft gehad. Want Poesjkin zou zelf de dood vinden in een duel naar aanleiding van een (vermeende) affaire. Een affaire waarbij het duel overigens eerder werd afgewezen, maar een zeer literaire doch krenkende brief van Poesjkin aan zijn tegenstrever alsnog leidde tot het fatale duel. Het is daarom niet voor niets dat het begindoek van deze productie het portret van Poesjkin draagt, inclusief zijn geboorte- en sterfjaar. De productie van Het Nationale Ballet is daarbij klassiek, maar dat past juist erg goed bij deze tragische liefdesgeschiedenis. De choreografie van John Cranko is weliswaar ook klassiek, maar heeft een duidelijk eigentijds karakter. Daarbij is het opvallend dat de gehele productie een fijne 'vaart' heeft waarbij de solo's, duetten en de (indrukwekkende) scenes van het corps de ballet naadloos en afwisselend in elkaar overgaan. Dit alles ondersteund door de tijdloze muziek van Tsjaikovski die als symbool van de (muzikale) Romantiek zeer op zijn plaats is. Het knappe is dat het arrangement, gelijk Carl Davis voor Alice in Wonderland, weliswaar bestaat uit een allegaartje van meer en minder bekende muziek van Tsjaikovski maar wel klinkt als één geheel. 

Lul van een vent
Maar wat uiteindelijk deze productie geslaagd maakt, zijn de prestaties van Het Nationale Ballet. Met Jozef Varga heeft Onegin een solist die niet alleen technisch uitmuntend is, maar vooral uitstekend gecast is als de arrogante Onegin. Want sympathiek is Onegin zeker niet, het is gewoon een lul van een vent. Varga weet op overtuigende wijze gestalte te geven aan een man die probleemloos solt met de gevoelens van een vrouw en er ook wel been in ziet om een vriend te doden. Een vriend die overigens evenzo zo goed gestalte wordt gegeven door Remi Wörtmeyer die technisch eveneens enorm begaafd is, maar een karakter hieraan koppelt dat innemend is. Ster is natuurlijk Tatiana in een prachtrol van Anna Tsygankova. Dit alles gecompleteerd door een goed op elkaar ingespeeld corps de ballet en de uitstekende bezielende begeleiding door het Balletorkest onder leiding van Ermanno Florio. De liefhebber van een meeslepend liefdesdrama als klassiek doch eigentijds ballet kan de komende weken probleemloos terecht bij Het Nationale Ballet.


'Onegin' wordt van 29 maart t/m 16 april 2017 uitgevoerd door Het Nationale Ballet. Deze recensie is op basis van de première op 29 maart. Meer info en kaarten bestellen hier

maandag 27 maart 2017

Midnight Sun: In de Zweeds-Franse Lappen-mand


Televisiemakers uit Zweden en Frankrijk bundelen succesvol hun krachten in de nieuwste crimeserie Midnight Sun. De getormenteerde Franse politieagente Kahina Zadi vormt met de sullige openbaar aanklager Anders Harnesk een onwaarschijnlijk duo in de klopjacht op een wrede seriemoordenaar. En dat alles in de spectaculaire natuurpracht van het Zweedse mijnstadje Kiruna waar de zon de hele dag schijnt en de duisternis in haar inwoners huist.

De duistere misdaadseries zijn al jaren niet aan te slepen. Hoewel de kwaliteit van de meeste series, vooral uit de Scandinavische landen, niet bepaald een probleem is, wordt het natuurlijk steeds lastiger om een originele draai aan het genre te geven. Midnight Sun, de nieuwste loot aan de misdaadstam, weet in de eerste minuten meteen de aandacht te trekken. Niet alleen door de spectaculair gruwelijke moord via een helikopter, maar ook doordat de gelauwerde acteur Peter Stormare (Fargo, The Lost World: Jurassic Park en Prison Break) zijn opwachting maakt in deze Zweeds-Franse coproductie. Zowel Frankrijk als Zweden timmeren allebei aan de weg in het segment van de misdaadseries, maar in Midnight Sun is deze samenwerking ook een onlosmakelijk element van het verhaal. Want de man die op – ik herhaal het nog maar eens – spectaculair gruwelijke wijze via een helikopter aan zijn einde komt, blijkt een Frans staatsburger te zijn. Alle reden voor de Franse politieagente Kahina Zadi om af te reizen naar het noordelijkste puntje van Zweden. Daar in de ongerepte natuur bevindt zich het stadje Kiruna. Een stadje dat leeft van de mijnbouw en tegelijkertijd valt binnen Lapland en daarmee het domein van de Sami, het nomadische volk dat wij vooral kennen als de Lappen. Samen met haar Zweedse collega Rutger Berlin – gestalte gegeven door de indrukwekkende Zweedse acteur Peter Stormare – is het aan Zadi om de moordenaar op te sporen. Een moordenaar die in de beste traditie van dergelijke misdaadseries het natuurlijk niet bij één slachtoffert laat en een grote originaliteit toont in de wijze waarop hij zijn slachtoffers om het leven brengt. 

Een dag zonder nacht
De teleurstelling is dan ook groot wanneer de rol van Peter Stormare al na één aflevering eindigt en zijn plek wordt ingenomen door de sullige openbaar aanklager Anders Harnesk die bovenal een antiheld is. De teleurstelling is overigens van korte aard omdat zowel het personage van Harnesk als die van Zadi dieper gaan dan je zou vermoeden. Want Harnesk heeft een nogal bazige dochter die hem als slaaf behandelt terwijl hij tegelijkertijd homo blijkt te zijn en een relatie heeft met een ruig knappe helikopterpiloot. Daarbij is Harnesk zelf een Sami hoewel hij met de onorthodoxe en antieke rituelen en levenswijze van zijn volk niets te maken wil hebben. Deze afkomst geeft een spanning in zijn werk en de relatie met de Zweedse politieagenten. Want de Sami in Kiruna zijn allesbehalve onderdeel van de maatschappij en kampen met (on)verholen racisme van hun Zweedse broeders. Ook Kahina Zadi kan daarover meepraten vanwege haar Algerijnse afkomst en een zoon met wie ze – vlak voordat ze naar Zweden vertrekt – voor het eerst in jaren oog in oog komt te staan. Dit alles tegen een achtergrond van continu zonlicht omdat Kiruna zo noordelijk ligt dat de nacht even licht is als de dag. Dit leidt tot grote desoriëntatie bij zowel Zadi als de kijker. Een desoriëntatie die doet denken aan de Noorse film Insomnia die in 2002 door Christopher Nolan opnieuw verfilmd is met Al Pacino als een soort Zadi die niet alleen een moord moet oplossen, maar ook kampt met de bijzondere omstandigheid dat het dorp waar de moord plaats heeft gevonden net zo licht is als Kiruna. 

Een nacht zonder einde
De overvloed aan licht kan overigens niet maskeren dat de inwoners van Kiruna een groot geheim delen en tegelijkertijd een samenleving hebben gevormd waar racisme en geweld aan de orde van de dag zijn. Een samenleving die ten dienste staat van de mijnbouw. Zelfs zo dat het noodzakelijk is om het gehele stadje letterlijk te verhuizen teneinde de mijnbouw voort te kunnen zetten. Een samenleving die door deze bijzondere combinatie van factoren een sadistische moordenaar voortgebracht heeft. In acht afleveringen vindt de klopjacht op deze mysterieuze moordenaar plaats, maar is er ook veel ruimte voor het verhaal van de jagers Harnesk en Zadi, het lot van de Sami en de natuurpracht van het noorden van Zweden. De Zweeds-Franse combinatie werkt daarbij zowel voor het verhaal als de productiewaarde meer dan goed en weet zo een eigen niche te bemachtigen in het grote aanbod van misdaadseries. 

Foto: Lumière


De Zweeds-Franse coproductie ‘Midnight Sun’ is sinds maart zowel op DVD als op Blu-ray beschikbaar en wordt uitgegeven door Lumière. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 12 maart 2017

Hans Liberg: Geen rode draad? Geen probleem!


Hans Liberg
Trálálálá voor iederéén!!

Stadsgehoorzaal, Leiden

Met zijn voorlopig laatste voorstelling Trálálálá voor iederéén!! rolt Hans Liberg zijn succesformule van muzikaal cabaret weer uit. Een formule die weliswaar niet erg vernieuwend is, maar nog altijd garant staat voor een mooie avond. Niet in de laatste plaats door de toevoeging van de getalenteerde sidekick Ralph Adriaansen. 

Op 3 mei vindt de laatste voorstelling van Trálálálá voor iederéén!! plaats in Theater De Flint in Amersfoort. Het is tegelijkertijd een voorlopig einde aan de theatervoorstellingen van Hans Liberg. Afgelopen november maakte Liberg bekend dat het na 36 jaar (!) optreden tijd is voor een “pitstop”. Na mei gaat Liberg zich toeleggen op zijn verzameling hedendaagse kunst en zijn eerste liefde: de muziekwetenschap. Of Liberg terugkeert naar het theater is onbekend, maar wie hem in zijn nieuwste programma bezig ziet, constateert dat de formule van Liberg allesbehalve vernieuwend is, maar dat deze nog altijd werkt en de grote man er nog altijd lol in heeft. De aankondiging van het naderende afscheid betekent ook dat voor zijn sidekick Ralph Adriaansen een einde komt aan de samenwerking. Sinds 2010 is zijn rol als muzikale sidekick én komisch mikpunt gestaag gegroeid. Zeker in dit laatste programma neemt de door Liberg tot ‘Vibralph’ omgedoopte Ralph een steeds groter aandeel in het succes van Liberg voor zijn rekening. Tegelijkertijd is deze nieuwe voorstelling geen spoor te bekennen van afscheid. Sterker nog: minder dan in andere producties van Liberg is er van een rode draad geen sprake, behalve de fascinatie van Liberg voor muziek en de (komische) verbanden daartussen. Dat is overigens geen enkel probleem aangezien de show voorbij vliegt en niemand zich bekocht zal voelen door de voor Liberg kenmerkende mix van muzikale humor. 

Tijd voor Barok
Een mix die start met de Fanfare for the Common Man van Copland die – naar goed Libergiaans gebruik – naadloos overgaat in We will rock you van Queen. Een plechtig hijsen van een achtergronddecor bestaande uit een negental rood-witte nationale vlaggen (van Japan tot Oostenrijk en Kroatië) is Liberg’s manier om aan te geven dat een nieuwe tijd is aangebroken. De tijd van Trump en daarmee pomp and circumstance. Door Liberg gekenschetst als een tijd voor Barok. Natuurlijk komt de Nederlandse politiek ook (even) aan bod, niet in de laatste plaats door de diverse op het podium uitgestalde instrumenten te koppelen aan een lijsttrekker. Een groot, log en zwaar blaasinstrument laat Liberg voor wat het is, maar niet zonder vilein op te merken dat het Sharon Dijksma betreft. Nogal flauw, maar toch lach je er hard om. Even denk je dat Liberg volledig geëngageerd gaat inzetten op de nationale en mondiale politiek, maar op een aantal speldenprikjes na blijft het daarbij. Ook daarin ontbreekt een rode draad, behalve dan de verbroederende werking van muziek die pas tot verdeeldheid leidt wanneer de tekst ter sprake komt (‘Sinterklaasje kom maar naar binnen met je Hoofd Logistiek’ etc.). In die zin is muziek de enige rode draad die Liberg nodig heeft om vrij associërend van het ene naar het andere te komen. Dat is niet bepaald vernieuwend, maar is nog altijd een beproefd recept voor een leuke avond.

Tijd voor Ralph
Opvallend is dat de rol van sidekick Ralph Adriaansen in Trálálálá voor iederéén!! groot én van meerwaarde is. Niet alleen is hij een vakkundig bespeler van de vibrafoon en slagwerker, maar heeft zijn olijke aanwezigheid een heilzaam effect op de beproefde Hans Liberg-formule. Liberg geniet er van om de jonge Ralph op zijn plaats te zetten en daarmee de sympathie van het publiek zijn kant op te bewegen. Daarbij zijn de momenten waarop Liberg en Ralph gezamenlijk musiceren net zo waardevol als de momenten dat Ralph onderdeel of onderwerp is van een grap. Zo maakt Trálálálá voor iederéén!! duidelijk dat de “pitstop” nodig én onnodig is. Enige vernieuwing zou Liberg niet misstaan, maar het feit dat zijn unieke mix van muziek en humor nog altijd volle zalen trekt én garant staat voor een leuke avond betekent dat het theater de komende jaren toch een tikkeltje armer is geworden. 

Foto: Thomas Mayer

Van 22 november 2016 tot en met 3 mei 2017 toert Hans Liberg door Nederland met zijn voorlopig laatste voorstelling ‘Trálálálá voor iederéén!!’. Deze recensie is op basis van de voorstelling in de Stadgehoorzaal te Leiden op 8 maart 2017. Meer info en kaarten via www.hansliberg.com.

vrijdag 10 maart 2017

De zachte kant van Al Capone. 'Al Capone. Leven, legende en nalatenschap' van Deirdre Bair


Over Al Capone zijn talloze boeken, documentaires, films en series verschenen. Toch weet Deirde Bair te verrassen met haar biografie over de bekendste gangster in de geschiedenis van de misdaad. Niet alleen legt zij de focus op de ‘zachte’ kant van Capone, maar ontdoet ze het leven van Scarface – bijna tot vervelens toe - van alle fictie. Wat resteert is de ware Al Capone en dat is al niet misselijk. 

Een besloten diner in een chic restaurant in Chicago. Aan een grote ronde tafel de absolute top van het misdaadimperium van Al Capone in de Windy City. Met in zijn hand een honkbalknuppel vergast Capone zijn gehoor op een uiteenzetting van het belang van teamwork. Tijdens zijn verhaal loopt hij heen en weer achter de ruggen van zijn misdadige confrères. En dan plotseling blijft hij staan en slaat hij het hoofd van één van de aanwezigen tot moes. Een almaar groter wordende plas bloed ontstaat en kleur het tafellinnen rood. Zo rekent de grote Al Capone af met verraders. Deze fameuze scène uit Brian DePalma’s The Untouchables uit 1987 met Robert De Niro als Al Capone staat symbool voor het beeld dat in het collectieve bewustzijn bestaat over de grootste gangster van de twintigste eeuw. En hoewel deze scène zonder meer geworteld is in de werkelijkheid - de afrekening met Albert Anselmi en John Scalise die Capone wilden onttronen - staat het eveneens symbool voor de overdreven legendevorming die zich rondom Capone heeft voltrokken. In Al Capone. Leven, legende en nalatenschap rekent Deirdre Blair rucksichtslos af met hele en halve onwaarheden - zoals de honkbalscène in The Untouchables - die rondom het leven van Al Capone (1899-1947) zijn ontstaan en heeft zij vooral aandacht voor het persoonlijke leven van deze misdaadkoning die nog altijd wereldfaam geniet. 

De familie van Al Capone
De Amerikaanse schrijfster Deirdre Bair (1935) heeft zich toegelegd op het genre van de biografie waardoor Al Capone lid geworden is van een bont gezelschap dat op de warme belangstelling van Bair de afgelopen jaren heeft mogen rekenen: Samuel Beckett, Anais Nin, Simone de Beauvoir, Carl Jung en Saul Steinberg. Vanaf de eerste pagina maakt Bair duidelijk dat haar biografie van Capone anders is dan de enorme berg biografen die haar voor zijn gegaan. Wie een gedetailleerde beschrijving van de misdadige carrière van Al Capone denkt aan te treffen, komt bedrogen uit. Tegelijkertijd moet Bair niets hebben van overdrijving en richt zich slechts op de feitelijke én te bewijzen gebeurtenissen in het leven. Wanneer daar twijfel over is, deinst Bair er niet voor terug om deze twijfel duidelijk uit te werken. Een aanpak die ze consequent volhoudt tot bijna vervelens toe. Haar focus richt zich op de man achter de mythe. Een focus die mogelijk is omdat zij – in tegenstelling tot haar voorgangers – toegang heeft gekregen tot persoonlijke documenten en gesprekken met zijn familie. Hoewel de misdadige carrière minder aan bod komt dan je in beginsel zou willen, geeft dit juist ruimte voor een afgewogen beschrijving van het gehele leven van Capone. Overigens komen de belangrijkste ‘wapenfeiten’ – zoals het Valentijnsdagbloedbad - wel degelijk aan bod, waarbij overigens een bepaalde voorkennis niet strikt noodzakelijk, maar wel handig is. Tekenend hiervoor is dat de Eliot Ness, de befaamde opsporingsambtenaar die een belangrijke rol speelde bij de val Al Capone, slechts één keer in het boek wordt genoemd. Daarentegen is er veel aandacht voor het familieleven van Capone. Een leven dat in het teken stond van zijn huwelijk met Mae en zijn zoon Sonny. Maar ook zijn moeder Teresa die – naar goed Italiaans-Amerikaans gebruik – een dominante rol in het leven van haar zoon speelde en zijn broers en zus Mafalda. 

Kort maar krachtig
In markante tegenstelling tot de legende hield de heerschappij in Chicago van de in New York geboren Al Capone amper zes jaar stand. In die zes jaar wist hij al zijn tegenstanders af te troeven en ongelooflijke hoeveelheden geld te verdienen. Geld dat hem en zijn familie in staat stelde een ongekend luxe leven te leiden en duizenden mensen – waaronder vele overheidsdienaren en politieagenten – schatplichtig aan hem te maken. Tegelijkertijd had hij deze enorme inkomsten nodig om zijn beveiliging mogelijk te kunnen maken, want in de dog eat dog world van de misdaad was niemand zijn leven zeker. Via de oude misdaadbaas Johnny Torrio en na diens pensionering wist Capone zich op te werken tot de onbetwiste leider van The Chicago Outfit en daarmee de facto baas van de stad. Een positie die hij verder wist te versterken doordat hij tegelijkertijd veel deed aan liefdadigheid en zo een volksheld werd voor bepaalde delen van Chicago. Hoewel zijn val zich uiteindelijk snel voltrok, blijft het frappant dat hij nooit veroordeeld is voor de daden van zijn misdadige imperium, maar slechts voor het ontduiken van belasting. Een veroordeling die – zoals Bair aantoont – pas mogelijk werd door het volstrekt incompetente optreden van de advocaat die namens hem poogde tot een schikking te komen met de overheid en daarmee het bewijs leverde dat Capone wel degelijk over inkomsten beschikte en dus belastingplichtig was terwijl hij nog nooit een cent had afgedragen. Met die veroordeling eindigde de almacht van Capone en zou een nieuwe fase van zijn leven starten. Een fase die vanaf zijn veroordeling tot elf jaar gevangenisstraf in 1931 bestond uit zijn gevangenschap in achtereenvolgens Atlanta en Alcatraz en de ruim zeven jaar die hij tot aan zijn dood in 1949 in vrijheid leefde, maar met het mentale vermogen van een kind. Zijn zenuwstelsel was al lange tijd aangetast door syfilis waardoor hij mentaal hard achteruit ging. Zijn tijd in Alcatraz had het kunnen doen keren, maar de medische zorg daar was dermate ondermaats dat er uiteindelijk geen weg meer terug was. Bair werpt licht op deze periode die voor velen onbekend zal zijn en biedt daarmee – naast haar focus op de ‘zachte’ kan van het leven van Al Capone – een afgeronde biografie van de grootste misdadiger van de twintigste eeuw die ironisch genoeg niet wordt geveld door het geweld waar hij zijn faam aan te danken heeft, maar aan de onomkeerbare geestelijke achteruitgang die een groot misdadig genie reduceerde tot een dementerend kind. 

In januari is ‘Al Capone. Leven, Legende en Nalatenschap’ van Deirdre Blair bij Unieboek|Het Spectrum verschenen. Het betreft de Nederlandse vertaling door Conny Sykora en Vera Sykora van het eind oktober verschenen ‘Al Capone. His life, legacy and legend’. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.