zondag 12 maart 2017

Hans Liberg: Geen rode draad? Geen probleem!


Hans Liberg
Trálálálá voor iederéén!!

Stadsgehoorzaal, Leiden

Met zijn voorlopig laatste voorstelling Trálálálá voor iederéén!! rolt Hans Liberg zijn succesformule van muzikaal cabaret weer uit. Een formule die weliswaar niet erg vernieuwend is, maar nog altijd garant staat voor een mooie avond. Niet in de laatste plaats door de toevoeging van de getalenteerde sidekick Ralph Adriaansen. 

Op 3 mei vindt de laatste voorstelling van Trálálálá voor iederéén!! plaats in Theater De Flint in Amersfoort. Het is tegelijkertijd een voorlopig einde aan de theatervoorstellingen van Hans Liberg. Afgelopen november maakte Liberg bekend dat het na 36 jaar (!) optreden tijd is voor een “pitstop”. Na mei gaat Liberg zich toeleggen op zijn verzameling hedendaagse kunst en zijn eerste liefde: de muziekwetenschap. Of Liberg terugkeert naar het theater is onbekend, maar wie hem in zijn nieuwste programma bezig ziet, constateert dat de formule van Liberg allesbehalve vernieuwend is, maar dat deze nog altijd werkt en de grote man er nog altijd lol in heeft. De aankondiging van het naderende afscheid betekent ook dat voor zijn sidekick Ralph Adriaansen een einde komt aan de samenwerking. Sinds 2010 is zijn rol als muzikale sidekick én komisch mikpunt gestaag gegroeid. Zeker in dit laatste programma neemt de door Liberg tot ‘Vibralph’ omgedoopte Ralph een steeds groter aandeel in het succes van Liberg voor zijn rekening. Tegelijkertijd is deze nieuwe voorstelling geen spoor te bekennen van afscheid. Sterker nog: minder dan in andere producties van Liberg is er van een rode draad geen sprake, behalve de fascinatie van Liberg voor muziek en de (komische) verbanden daartussen. Dat is overigens geen enkel probleem aangezien de show voorbij vliegt en niemand zich bekocht zal voelen door de voor Liberg kenmerkende mix van muzikale humor. 

Tijd voor Barok
Een mix die start met de Fanfare for the Common Man van Copland die – naar goed Libergiaans gebruik – naadloos overgaat in We will rock you van Queen. Een plechtig hijsen van een achtergronddecor bestaande uit een negental rood-witte nationale vlaggen (van Japan tot Oostenrijk en Kroatië) is Liberg’s manier om aan te geven dat een nieuwe tijd is aangebroken. De tijd van Trump en daarmee pomp and circumstance. Door Liberg gekenschetst als een tijd voor Barok. Natuurlijk komt de Nederlandse politiek ook (even) aan bod, niet in de laatste plaats door de diverse op het podium uitgestalde instrumenten te koppelen aan een lijsttrekker. Een groot, log en zwaar blaasinstrument laat Liberg voor wat het is, maar niet zonder vilein op te merken dat het Sharon Dijksma betreft. Nogal flauw, maar toch lach je er hard om. Even denk je dat Liberg volledig geëngageerd gaat inzetten op de nationale en mondiale politiek, maar op een aantal speldenprikjes na blijft het daarbij. Ook daarin ontbreekt een rode draad, behalve dan de verbroederende werking van muziek die pas tot verdeeldheid leidt wanneer de tekst ter sprake komt (‘Sinterklaasje kom maar naar binnen met je Hoofd Logistiek’ etc.). In die zin is muziek de enige rode draad die Liberg nodig heeft om vrij associërend van het ene naar het andere te komen. Dat is niet bepaald vernieuwend, maar is nog altijd een beproefd recept voor een leuke avond.

Tijd voor Ralph
Opvallend is dat de rol van sidekick Ralph Adriaansen in Trálálálá voor iederéén!! groot én van meerwaarde is. Niet alleen is hij een vakkundig bespeler van de vibrafoon en slagwerker, maar heeft zijn olijke aanwezigheid een heilzaam effect op de beproefde Hans Liberg-formule. Liberg geniet er van om de jonge Ralph op zijn plaats te zetten en daarmee de sympathie van het publiek zijn kant op te bewegen. Daarbij zijn de momenten waarop Liberg en Ralph gezamenlijk musiceren net zo waardevol als de momenten dat Ralph onderdeel of onderwerp is van een grap. Zo maakt Trálálálá voor iederéén!! duidelijk dat de “pitstop” nodig én onnodig is. Enige vernieuwing zou Liberg niet misstaan, maar het feit dat zijn unieke mix van muziek en humor nog altijd volle zalen trekt én garant staat voor een leuke avond betekent dat het theater de komende jaren toch een tikkeltje armer is geworden. 

Foto: Thomas Mayer

Van 22 november 2016 tot en met 3 mei 2017 toert Hans Liberg door Nederland met zijn voorlopig laatste voorstelling ‘Trálálálá voor iederéén!!’. Deze recensie is op basis van de voorstelling in de Stadgehoorzaal te Leiden op 8 maart 2017. Meer info en kaarten via www.hansliberg.com.

vrijdag 10 maart 2017

De zachte kant van Al Capone. 'Al Capone. Leven, legende en nalatenschap' van Deirdre Bair


Over Al Capone zijn talloze boeken, documentaires, films en series verschenen. Toch weet Deirde Bair te verrassen met haar biografie over de bekendste gangster in de geschiedenis van de misdaad. Niet alleen legt zij de focus op de ‘zachte’ kant van Capone, maar ontdoet ze het leven van Scarface – bijna tot vervelens toe - van alle fictie. Wat resteert is de ware Al Capone en dat is al niet misselijk. 

Een besloten diner in een chic restaurant in Chicago. Aan een grote ronde tafel de absolute top van het misdaadimperium van Al Capone in de Windy City. Met in zijn hand een honkbalknuppel vergast Capone zijn gehoor op een uiteenzetting van het belang van teamwork. Tijdens zijn verhaal loopt hij heen en weer achter de ruggen van zijn misdadige confrères. En dan plotseling blijft hij staan en slaat hij het hoofd van één van de aanwezigen tot moes. Een almaar groter wordende plas bloed ontstaat en kleur het tafellinnen rood. Zo rekent de grote Al Capone af met verraders. Deze fameuze scène uit Brian DePalma’s The Untouchables uit 1987 met Robert De Niro als Al Capone staat symbool voor het beeld dat in het collectieve bewustzijn bestaat over de grootste gangster van de twintigste eeuw. En hoewel deze scène zonder meer geworteld is in de werkelijkheid - de afrekening met Albert Anselmi en John Scalise die Capone wilden onttronen - staat het eveneens symbool voor de overdreven legendevorming die zich rondom Capone heeft voltrokken. In Al Capone. Leven, legende en nalatenschap rekent Deirdre Blair rucksichtslos af met hele en halve onwaarheden - zoals de honkbalscène in The Untouchables - die rondom het leven van Al Capone (1899-1947) zijn ontstaan en heeft zij vooral aandacht voor het persoonlijke leven van deze misdaadkoning die nog altijd wereldfaam geniet. 

De familie van Al Capone
De Amerikaanse schrijfster Deirdre Bair (1935) heeft zich toegelegd op het genre van de biografie waardoor Al Capone lid geworden is van een bont gezelschap dat op de warme belangstelling van Bair de afgelopen jaren heeft mogen rekenen: Samuel Beckett, Anais Nin, Simone de Beauvoir, Carl Jung en Saul Steinberg. Vanaf de eerste pagina maakt Bair duidelijk dat haar biografie van Capone anders is dan de enorme berg biografen die haar voor zijn gegaan. Wie een gedetailleerde beschrijving van de misdadige carrière van Al Capone denkt aan te treffen, komt bedrogen uit. Tegelijkertijd moet Bair niets hebben van overdrijving en richt zich slechts op de feitelijke én te bewijzen gebeurtenissen in het leven. Wanneer daar twijfel over is, deinst Bair er niet voor terug om deze twijfel duidelijk uit te werken. Een aanpak die ze consequent volhoudt tot bijna vervelens toe. Haar focus richt zich op de man achter de mythe. Een focus die mogelijk is omdat zij – in tegenstelling tot haar voorgangers – toegang heeft gekregen tot persoonlijke documenten en gesprekken met zijn familie. Hoewel de misdadige carrière minder aan bod komt dan je in beginsel zou willen, geeft dit juist ruimte voor een afgewogen beschrijving van het gehele leven van Capone. Overigens komen de belangrijkste ‘wapenfeiten’ – zoals het Valentijnsdagbloedbad - wel degelijk aan bod, waarbij overigens een bepaalde voorkennis niet strikt noodzakelijk, maar wel handig is. Tekenend hiervoor is dat de Eliot Ness, de befaamde opsporingsambtenaar die een belangrijke rol speelde bij de val Al Capone, slechts één keer in het boek wordt genoemd. Daarentegen is er veel aandacht voor het familieleven van Capone. Een leven dat in het teken stond van zijn huwelijk met Mae en zijn zoon Sonny. Maar ook zijn moeder Teresa die – naar goed Italiaans-Amerikaans gebruik – een dominante rol in het leven van haar zoon speelde en zijn broers en zus Mafalda. 

Kort maar krachtig
In markante tegenstelling tot de legende hield de heerschappij in Chicago van de in New York geboren Al Capone amper zes jaar stand. In die zes jaar wist hij al zijn tegenstanders af te troeven en ongelooflijke hoeveelheden geld te verdienen. Geld dat hem en zijn familie in staat stelde een ongekend luxe leven te leiden en duizenden mensen – waaronder vele overheidsdienaren en politieagenten – schatplichtig aan hem te maken. Tegelijkertijd had hij deze enorme inkomsten nodig om zijn beveiliging mogelijk te kunnen maken, want in de dog eat dog world van de misdaad was niemand zijn leven zeker. Via de oude misdaadbaas Johnny Torrio en na diens pensionering wist Capone zich op te werken tot de onbetwiste leider van The Chicago Outfit en daarmee de facto baas van de stad. Een positie die hij verder wist te versterken doordat hij tegelijkertijd veel deed aan liefdadigheid en zo een volksheld werd voor bepaalde delen van Chicago. Hoewel zijn val zich uiteindelijk snel voltrok, blijft het frappant dat hij nooit veroordeeld is voor de daden van zijn misdadige imperium, maar slechts voor het ontduiken van belasting. Een veroordeling die – zoals Bair aantoont – pas mogelijk werd door het volstrekt incompetente optreden van de advocaat die namens hem poogde tot een schikking te komen met de overheid en daarmee het bewijs leverde dat Capone wel degelijk over inkomsten beschikte en dus belastingplichtig was terwijl hij nog nooit een cent had afgedragen. Met die veroordeling eindigde de almacht van Capone en zou een nieuwe fase van zijn leven starten. Een fase die vanaf zijn veroordeling tot elf jaar gevangenisstraf in 1931 bestond uit zijn gevangenschap in achtereenvolgens Atlanta en Alcatraz en de ruim zeven jaar die hij tot aan zijn dood in 1949 in vrijheid leefde, maar met het mentale vermogen van een kind. Zijn zenuwstelsel was al lange tijd aangetast door syfilis waardoor hij mentaal hard achteruit ging. Zijn tijd in Alcatraz had het kunnen doen keren, maar de medische zorg daar was dermate ondermaats dat er uiteindelijk geen weg meer terug was. Bair werpt licht op deze periode die voor velen onbekend zal zijn en biedt daarmee – naast haar focus op de ‘zachte’ kan van het leven van Al Capone – een afgeronde biografie van de grootste misdadiger van de twintigste eeuw die ironisch genoeg niet wordt geveld door het geweld waar hij zijn faam aan te danken heeft, maar aan de onomkeerbare geestelijke achteruitgang die een groot misdadig genie reduceerde tot een dementerend kind. 

In januari is ‘Al Capone. Leven, Legende en Nalatenschap’ van Deirdre Blair bij Unieboek|Het Spectrum verschenen. Het betreft de Nederlandse vertaling door Conny Sykora en Vera Sykora van het eind oktober verschenen ‘Al Capone. His life, legacy and legend’. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 7 maart 2017

Ballet Blue(s): Een heerlijke potpourri van 'blauwe' dans


De Dutch Don't Dance Division
Ballet Blue(s)

Choreografieën van Thom Stuart, Rinus Sprong,
Ed Wubbe, Ton Simons & Bronislava Nijinska

De Dutch Junior Dance Division
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Geïnspireerd door de blues, maar evenzo door barokmuziek en Tsjaikovski's balletklassieker De Schone Slaapster brengt De Dutch Junior Dance Division Ballet Blue(s). Een aanstekelijke potpourri van moderne én klassieke dans waarbij zelfs de grootste zwartkijker iets van zijn of haar gading vindt. Aan de 'blues' leidt je na deze productie niet meer. 

Afgelopen december vierde De Dutch Don't Dance Division (DeDDDD) artistiek én publiek succes met het door Esscher geïnspireerde en door dirigent-componist Carl Davis samengestelde "vierde ballet" van Tsjaikovski Alice in WinterWonderland. Zes volledig uitverkochte voorstellingen betekenden de meest succesvolle productie van 2016 in het Haagse Zuiderstrandtheater. No rest for the wicked want sinds 1 maart toert De Dutch Junior Dance Division (DeDJDD) met Ballet Blue(s) door Nederland. Dit nieuwe programma uit de koker van Rinus Sprong en Thom Stuart - samen vormen zij DeDDDD - is geïnspireerd door de blues en wordt uitgevoerd door DeDJDD: het meerjarige talentontwikkelingstraject voor getalenteerde en pas afgestudeerde dansers. Hoewel de dansers van DeDJDD jong zijn was daarvan in de Haagse Koninklijke Schouwburg niets van te merken. Van de 18-jarige Charly de Groote tot de ervaren Corinne Cilia en Youri Jongenelen (beide dansers hadden de hoofdrol in Alice in WinterWonderland), met zekerheid en beheersing voerden zij de potpourri aan dans uit. Want Ballet Blue(s) mag dan geïnspireerd zijn door de blues, uiteindelijk is de kleur blauw de werkelijke rode (!) draad die verschillende dansdisciplines verenigt in één avondvullend programma. 

Van Unico van Wassenaer tot Ry Cooder
De kern van Ballet Blue(s) wordt gevormd door twee uitgebreide choreografieën die zowel het programma voor als na de pauze openen. Het uit 2002 stammende, maar voor deze voorstelling geactualiseerde Blauw Bloed verbeeldt - op de barokmuziek Concerto Armonici van Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766) - een avondvisite bij de adellijke familie Van Wassenaer waarbij de klassieke dans én bijbehorende barokke kostuums stukje bij beetje worden teruggebracht naar onze eigen tijd. Een stoelendans biedt daarbij een komische noot. Op muziek van Van Wassenaers bekendere tijdgenoot Antiono Vivalid - Winter uit De Vier Jaargetijden - wordt deze lijn voortgezet waarbij de synchrone choreografie opvallend goed werd uitgevoerd. Wie op grond hiervan denkt dat het toch wel heel veel barok is, vergist zich. Want één van de hoogtepunten was het duet tussen Lindy Bremer en Youri Jongenelen die op Ry Cooder's I Knew These People gestalte gaven aan een verstoorde relatie tussen voormalige geliefden. Het bijzondere hieraan is dat het grootste gedeelte van de choreografie plaats vindt op het gesproken woord en pas later in muziek overgaat. De choreografie "vertelt" daarbij het verloop van de relatie zonder te vervallen in gebaartjes en maniertjes die bij een potje Hints niet zouden misstaan. Vorig seizoen liet het NDT met The Statement ook al zien hoe muziek niet per se een voorwaarde is voor een boeiende choreografie. Dat is aan Thom Stuart, die tekent voor deze nieuwe choreografie, ook zeer goed besteed. 

Van solo tot teamwork
Deze balans werd ook na de pauze goed gehandhaafd. Eigenlijk zo dat er voor ieder altijd wat wils is. Dat is tegelijkertijd de kracht én zwakte van Ballet Blue(s). Wie een volstrekt samenhangende voorstelling zoals Alice in WinterWonderland verwacht, komt in die zin bedrogen uit. Maar het aardige aan Ballet Blue(s) is juist dat je in een avondvullend programma een enorme diversiteit aan dans aan je voorbij ziet trekken. Zo divers dat de meningen wat nu het beste was dan wel het meeste aansprak varieerde van bezoeker tot bezoeker. Wat betreft deze bezoeker was met name de tweede helft van het programma ijzersterk met een prachtige choreografie (uit 1989) van Ed Wubbe op Vivaldi's stemmige Nisi Dominus, maar ook de bijzondere solo Still Life III (1991) van Ton Simons waarbij Lindy Bremers, slechts begeleid door een enkele lichtbak en wat rook, een prachtige solo die veel concentratie en beheersing vraagt, innemend wist neer te zetten. De complete tegenstelling die ontstond door de klassieke De Blauwe Vogel uit Tsjaikovski's De Schone Slaaptster te programmeren werkt uitstekend én op de lachspieren. Ook Rinus Sprong van DeDDDD maakt - naast als choreograaf - zijn opwachting als niet onverdienstelijk zanger in One For My Baby van Arlen & Mercer waarbij een dronken stamgast zijn relatieproblemen wegdanst. De bluesmuziek van Cuby and the Blizzards door Thom Stuart vertaalt in een lijzige en synchrone groepschoreografie sloot de avond memorabel af. Het was veel blauw wat de klok sloeg, maar met een blue gevoel ga je zeker niet naar huis. 

Van 1 maart t/m 21 mei 2017 toert De Dutch Junior Dance Division door Nederland met 'Ballet Blue(s)'. De première vond op maandag 6 maart plaats in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. Deze recensie is op basis van die première. Meer info en tickets hier

zondag 5 maart 2017

Mata Hari in de schijnwerpers. 'The Spy' van Paolo Coelho


Dit jaar is het eindelijk zover: een eeuw nadat onze enige echte eigen femme fatale Mata Hari door Frankrijk als spion werd gefusilleerd, wordt het gerechtelijk dossier openbaar. Pas dan kan - hopelijk - voor eens en altijd vastgesteld worden of Mata Hari daadwerkelijk een spion was of slechts slachtoffer van krachten die zij wist aan te wakkeren, maar niet kon beheersen. Alle reden voor de Braziliaanse schrijver Paulo Coelho om zich voor zijn nieuwste roman te verdiepen in die wonderlijke vrouw uit Leeuwarden.

Het is niet vreemd dat Mata Hari – in 1876 geboren te Leeuwarden als Margaretha Geertruida Zelle – nog altijd tot de verbeelding spreekt. Een oer-Hollandse vrouw met een mondain leven vol intrige, daar heb je er in Nederland niet bepaald veel van. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het leven van de sensuele danseres die uiteindelijk als spion voor de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog zou acteren nog altijd grote bekendheid geniet in Nederland. Een bekendheid die het Nationale Ballet eerder inspireerde om haar leven om te vormen tot een volledig nieuw en avondvullend ballet met muziek van Tarik O’Regan en in een choreografie van Ted Brandsen. Een ballet dat het komende seizoen hernomen wordt. En met het oog op het vrijgeven van haar dossier laat ook het Fries Museum zich niet onbetuigd en wijdt vanaf 14 oktober 2017 een tentoonstelling aan Mata Hari. Bijzonder genoeg kan Mata Hari ook in het buitenland op enige vorm van schijnwerpers rekenen. Want als een succesvolle en veelgelezen schrijver zoals de Braziliaan Paulo Coelho (1947) over je schrijft, kan het niet anders dan dat de bekendheid alleen maar verder zal toenemen. Met De Alchemist brak Coelho in 1988 door en van dit boek zijn tientallen miljoenen exemplaren verkocht. Zo’n vaart zal het met The Spy – in de Nederlandse vertaling uitgegeven door de Arbeiderspers als De Spion – vast niet lopen, maar het betekent wel dat een grote groep lezers in aanraking komt met een deel van de Nederlandse geschiedenis die allesbehalve Nederlands is.

Femme fatale
Want onze vaderlandse geschiedenis leent zich niet bepaald voor spionagethrillers, maar met Mata Hari hebben we toch een beetje onze eigen James Bond te pakken. Dat het na al die jaren nog steeds niet geheel duidelijk is of Mata Hari nu echt een spion voor de Duitsers was of dat ze slachtoffer is geworden van een heksenjacht zoals de Franse Dreyfus-affaire heeft de aantrekkingskracht van Mata Hari alleen maar groter gemaakt. Daar waar in de jaren na haar dood geen twijfel leek te zijn over haar schuld is dat beeld langzamerhand gaan kantelen. Wie het boek van Coelho – die in het nawoord aangeeft zich zoveel mogelijk op feiten te hebben gebaseerd – leest, zal reikhalzend naar de openbaarmaking van haar dossier uitkijken, maar stilletjes de conclusie trekken dat ze weliswaar allesbehalve onschuldig was, maar een (echte) spion toch zeker ook niet was. Niet voor niets wordt in The Spy met regelmaat verwezen naar de affaire rondom de Joods-Franse officier Alfred Dreyfus (1859-1935) die eind 19e eeuw werd beschuldigd van verraad en wiens zaak Frankrijk op de kop zette en antisemitisme een gezicht gaf. Overigens is die vergelijking wel wat gratuit aangezien de impact van de zaak-Mata Hari natuurlijk totaal niet in de schaduw kan staan van de Drefuys-affaire. In Nederland en ook wel daarbuiten mag het groot nieuws zijn geweest, maar dat zat natuurlijk vooral in het feit dat het een ‘exotische’ femme fatale betrof: sex sells. Een diepere laag rondom een maatschappelijk thema zoals in de Dreyfus-affaire met een latent antisemitisme mist hier natuurlijk wel, hoewel de hysterie van oorlog en de positie van de vrouw natuurlijk wel degelijk elementen zijn in de zaak-Mata Hari. 

Een briefwisseling
Het aardige aan het boek van Coelho is dat hij het verhaal van Mata Hari beperkt en vlot vertelt. Startend bij haar executie wordt teruggeblikt op haar leven door een briefwisseling tussen Mata Hari en haar advocaat Clunet. Daarmee heeft Coelho’s boek veel meer het idee van een novelle. Een novelle die prachtig geschreven is en zeer makkelijk leest en daarmee (helaas) ook snel weer voorbij is. Dat heeft als nadeel dat het soms wat oppervlakkig kan aanvoelen en dat Coelho wel met erg grote stappen door het leven van Mata Hari banjert. Tegelijkertijd leidt deze aanpak tot schoonheid door eenvoud en is The Spy een bijzondere prettige introductie op een polderspion waar we allemaal veel over hebben gehoord, maar waarschijnlijk evenzo weinig van weten. Met 2017 als het jaar van de waarheid een goede manier om je opnieuw te verdiepen in een vrouw die leefde voor de schijnwerpers en zo haar dood vond. 

Eind vorig jaar is ‘The Spy’ van Paulo Coelho verschenen. Naast deze Engelstalige vertaling door Zoë Perry is ook een Nederlandstalige versie – ‘De Spion’ – verschenen.

zaterdag 25 februari 2017

Het Residentie Orkest eert Burgemeester Van Aartsen met Mahler en Berg


Berg: Sieben frühe Lieder
Mahler: Symfonie Nr. 4

Olena Tokar, sopraan
Vincent Rietveld, acteur
Aus Greidanus sr., regisseur

Masterstudenten van het 
Koninklijk Conservatorium Den Haag
Nicholas Collon, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Met prachtige en gedreven uitvoering van de Sieben frühe Lieder van Alban Berg, maar vooral een onberispelijke uitvoering van de Vierde Symfonie van Gustav Mahler eerde het Residentie Orkest vertrekkend burgemeester Jozias van Aartsen. Tegelijkertijd toonde het orkest aan dat Den Haag – mede vanwege de grote steun van Van Aartsen en de gemeente – wederom beschikt over een toporkest. 

Sommige dingen laten zich niet plannen, maar pakken onverwacht goed uit. Toen Jozias van Aartsen afgelopen oktober liet weten dat hij per 1 maart 2017 afscheid zou nemen als burgemeester van Den Haag was het nieuwe seizoen van het Residentie Orkest al gaande. Op 23 februari nam Van Aartsen afscheid tijdens een Buitengewone Vergadering van de Gemeenteraad gevolgd door een afscheidsfeest in de Fokker Terminal. Een dag later bood het Residentie Orkest een concert aan ter gelegenheid van zijn afscheid. Een concert dat weliswaar al gepland stond, maar uiteindelijk door zowel het programma als de hoge kwaliteit van de uitvoering een wel heel erg passend afscheidscadeau betekende voor de man die veel heeft betekend voor de internationale stad van vrede en recht in het algemeen en het Residentie Orkest in het bijzonder. Want Van Aartsen – in de overtuiging dat een grote stad als Den Haag zowel over een voetbalclub in de eredivisie als een toporkest dient te beschikken – heeft zich als geen ander ingezet voor het voortbestaan van het Residentie Orkest. Na een aantal moeizame jaren en met steun van de gemeente heeft het orkest de weg naar de top weer gevonden. Onder leiding van de jonge en nieuwe vaste dirigent Nicholas Collon liet het Residentie Orkest het gelijk van Van Aartsen volop klinken en bood daarmee het perfecte afscheidscadeau aan. 

De innemende en uitmuntende Olena Tokar
Zoals inmiddels van het Residentie Orkest verwacht mag worden, is een concert altijd net een tikkeltje anders dan een regulier concert. Ditmaal werd – onder regie van Aus Greidanus sr. – het publiek verwelkomd door acteur Vincent Rietveld die voor de gelegenheid in de huid gekropen was van componist Alban Berg (1885-1935). Berg wist – net als Mahler – de Romantiek te koppelen aan de atonaliteit en creëerde daarmee een volstrekt nieuw en eigen geluid. Helaas heeft hij zelf niet kunnen genieten van zijn voortrekkersrol aangezien hij als Joodse componist in het almaar antisemitischer Wenen in 1935 in ellende en door bloedvergiftiging overleed. Rietveld verplaatste zich echter in Berg als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie van Oostenrijk-Hongarije ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Een positie die hij had te danken aan het feit dat zijn vrouw, naar wordt aangenomen, een dochter van Keizer Frans Jozef was. Op deze wijze werd duiding gegeven aan zijn Sieben frühe Lieder die hij ruim voor de oorlog schreef en er pas ruim na zou orkestreren. Prachtige Romantische teksten zweven via de sopraanstem door de atonale muziek van Berg met een hypnotisch resultaat. Zeker in de handen van het Residentie Orkest onder leiding van Nicholas Collon dat een perfecte begeleider bleek voor de uitmuntende Oekraïense sopraan Olena Tokar. Tokar die het gevoel van de liederen perfect wist over te brengen. Met een stem die als stabiel baken door de atonale wateren van Berg voer.

Een “rijk” orkest dat haar dirigent met verve volgt
Na de pauze liet Tokar weer van zich horen, maar dan in het slotdeel van de Vierde Symfonie van Gustav Mahler (1860-1911). Deze combinatie van Berg en Mahler is een zeer logische. Niet alleen omdat beide componisten exponenten zijn van het Weense fin-de-siècle, maar ook omdat de Rückert-Lieder van Mahler de inspiratie voor Berg vormden voor zijn liederenreeks. Niet voor niets wordt de gelauwerde cd-opname van Mahler’s Vierde Symfonie door het Koninklijk Concertgebouworkest onder Riccardo Chailly vergezeld door deze liederen. En ook hier wist Vincent Rietveld, wederom in de rol van Alban Berg, deze verbintenis nader te duiden en verliet hij uiteindelijk het toneel mijmerend over hoe mooi het zou zijn wanneer “zijn” liederen in een concert samen zouden klinken met de Vierde Symfonie van Mahler. Hoewel het Residentie Orkest – in het kader van afspraken met het Rotterdams Philharmonisch Orkest – eigenlijk niet meer de omvang heeft voor een werk als deze, was het podium van het Haagse Zuiderstrandtheater gevuld met een uitgebreid orkest. Want om dit soort werken te brengen, toont het Residentie Orkest de kracht van samenwerking door Masterstudenten van het Koninklijk Conservatorium in de rangen op te nemen, waardoor een zeer “rijk” geluid ontstond. Dirigent Nicholas Collon had een duidelijk beeld wat hij met de symfonie wilde: gedreven, lyrisch en transparant en heeft inmiddels een dermate band met het orkest gesmeed waardoor hij met verve gevolgd wordt. Hoewel deze symfonie de meest toegankelijke en lyrische is van Mahler’s symfonieën weet alleen een uitstekende uitvoering een publiek in vervoering te brengen. Want zodra de techniek niet in orde is of een tempo verkeerd wordt genomen, neemt de impact van het stuk dramatisch af. Maar daar was gisteren in het geheel geen sprake van. Het uur dat de symfonie duurt, vloog voorbij en kreeg een prachtige finale met Olena Tokar die het hemelse leven op uitmuntende wijze bezong in Das himmlische Leben. Na het wegsterven van de laatste noot bleef het lange tijd doodstil in het uitverkochte Zuiderstrandtheater. Niet voor niets want met dit concert heeft het Residentie Orkest aangetoond dat Den Haag wederom over een toporkest beschikt en daarmee haar burgemeester op de best mogelijke wijze eert.

Copyright foto: Julie Algra / Residentie Orkest

Onder leiding van vaste dirigent Nicholas Collon voert het Residentie Orkest op 24 en 26 februari 2017 werken van Alban Berg en Gustav Mahler uit. Ter gelegenheid van het afscheid van Jozias van Aartsen als burgemeester van Den Haag stond het concert van 24 februari in dat teken. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 24 februari. Meer informatie en kaarten bestellen voor het concert op 26 februari hier. Deze recensie is gelijktijdig verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 22 februari 2017

Concert 21 februari 2017: Liefde voor Bach in de Rotterdamse Doelen


Johann Sebastian Bach
Sinfonia uit Cantate BWV42 Am Abend aber desselbigen Sabbats 
Cantate BWV56 Ich will den Kreuzstab gerne tragen
Cantate BWV158 Der Friede sei mit Dir
Concert voor hobo, viool, strijkers en basso continuo, BWV1060R
Cantate BWV82 Ich habe genug

Matthias Goerne (bariton)
Christina Roterberg (sopraan)
Isabelle Rejall (alt)
Florian Feth (tenor)

Gottfried von der Goltz (viool), Katharina Arfken (hobo)
Freiburger Barockorchester
De Doelen, Rotterdam

Liefde voor muziek, liefde voor Bach. Dat in een notendop is wat het Freiburger Barokorchester samen met bariton Matthias Goerne zonneklaar maakte in een volledig Bach-programma. Een programma van louter hoogtepunten met naast de diepdonkere stem van Goerne een prachtige hoofdrol voor hobo-soliste Katharina Arfken.

Op een doordeweekse dinsdagavond een eenmalige concert van het eminente barokgezelschap Freiburger Barockorchester met in haar kielzog bariton Matthias Goerne. Je kan het in Rotterdam slechter treffen. Hoewel De Doelen verre van vol was, voelde deze voller aan dan je op grond van het aantal verkochte plaatsen zou denken. Niet alleen werd de zaal "gevuld" door het prachtige musiceren van deze barokspecialisten, maar ook de manier waarop het publiek dit waardeerde. Want waar in De Doelen het hoesten, geritsel en gefrutsel in de regel niet tot een minimum beperkt is, was het tijdens het gehele programma muisstil. Een zorgvuldig opgebouwd programma volledig gewijd aan Bach viel het gewillige publiek ten deel en zorgde voor een memorabele avond. Een programma met maar liefst drie cantates van Bach allen expliciet geschreven voor de solostem in het algemeen en de bariton (of bas) in het bijzonder. Een programma op het lijf geschreven van de vermaarde Duitse bariton Matthias Goerne die afsloot met de wonderschone cantate Ich have genug, een prachtige ode aan een levenseinde dat met vreugde tegemoet wordt gezien. Tussendoor liet het Freiburger Barockorchester ook de orkestrale Bach schitteren. Niet in de laatste plaats door het prachtige hobo-spel van soliste Katharina Arfken.

Authentiek, maar vooral met plezier
Het in 1987 opgerichte barokorkest richt niet alleen op de authentieke uitvoeringspraktijk, maar doet dit in de regel ook vaak zonder dirigent, terwijl solopartijen door leden van het orkest worden vervuld. Gottfried von der Goltz geeft met zijn viool de inzet aan, maar daar blijft het dan ook bij. Overigens is het orkest niet tegen een dirigent zoals een recente cd-opname van de Derde en Vierde Symfonie van Mendelssohn onder leiding van Pablo Heras-Casado duidelijk maakt. Wat - althans gisteravond - erg opviel is dat de leden van het orkest niet alleen zichtbaar genieten van het musiceren en dit geval het muzikale genie van Bach, maar juist ook van het gezamenlijk musiceren. Dat uit zich in kleine dingen zoals hoe de leden van het orkest naar elkaar kijken, hoe ze met elkaar omgaan, maar vooral de vrolijkheid waarmee ze op het podium staan. In het programma was niet alleen ruimte in de schijnwerpers voor de stem van Matthias Goerne, maar ook voor de eigen musici. Met sprankelende uitvoeringen van de Sinfonia uit de cantate Am Abend aber desselbiger Sabbats, maar vooral het Concert voor hobo, viool, strijkers en basso continuo toonde het gezelschap haar virtuositeit.  Een concert dat overigens een reconstructie van de oerversie van het Concert voor twee klavecimbels. In dit concert, maar eigenlijk het gehele programma, was een hoofdrol weggelegd voor Katharina Arfken die exemplarisch is voor hoge kwaliteit in combinatie met veel plezier. Haar spel was een genot om naar te luisteren en gaf de al op voorhand fijne muziek van Bach een extra dimensie. 

Matthias Goerne in zijn sas
Deze Katharine Arfken was tijdens de diverse cantaten de gelijkwaardige muzikale partner van de innemende bariton Matthias Goerne. Zo dansten de bariton-stem en de klanken van de hobo met elkaar en om elkaar heen in bijvoorbeeld het eerste deel van de magistrale cantate Ich habe genug. Het kan niet anders dan dat Goerne en het Freiburger Barokorchester een lange en diepe band hebben, zo ingespeeld dat ze op elkaar waren. En ook hier spatte het plezier er weer vanaf terwijl de diepdonkere maar vooral ook warme stem van Goerne de rest deed. Bij de eerste cantate, het prachtige en bekende Ich will den Kreuzstab gene tragen had de balans tussen orkest en Goerne, met name in het begin, iets beter gekund, maar gaandeweg de avond was Goerne geheel opgewarmd en in zijn element. Hij werd daarbij overigens op uitstekende wijze ondersteund door een drietal aanvullende solisten die met name de koralen voor hun rekening namen. Sopraan Christina Roterberg was daarbij magnifiek in haar duet met Goerne in de aria Welt, ade, zich bin dien müde uit de cantate Der Friede sei mit dir. Kortom: een geweldige avond die het de pracht en praal van de muziek van Bach én het belang van plezier onderstreept. Dat hebben Matthias Goerne en het Freiburger Barockorchester heel goed begrepen.

Op dinsdag 21 februari 2017 was het Freiburger Barockorchester - samen met bariton Matthias Goerne - te gast in De Doelen te Rotterdam voor een volledig Bach-programma.

maandag 20 februari 2017

Concert 19 februari 2017: Bernard Haitink's finale verzoening


Debussy: Prélude à l'après d'un faune
Debussy: Trois Nocturnes
Bruckner: Symfonie nr. 7

Dames van het Nederlands Kamerkoor
Bernard Haitink, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Voor de derde keer in nog geen zes maanden was Bernard Haitink weer te gast in het Amsterdamse Concertgebouw. En net als zes maanden geleden stond Bruckner's meest lyrische symfonie op het programma. Maar dat Haitink voor het eerst in jaren weer het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde was zonder meer bijzonder. Met een zelfgekozen programma van Bruckner en Debussy verzoende Haitink zich met het orkest dat zich volledig overgaf aan haar eredirigent. 

Vorige maand was Haitink nog te bewonderen in een serie concerten gewijd aan Mozart en Schubert met het Chamber Orchestra of Europe dat een bijzondere plek in zijn muzikale hart heeft verworven. En afgelopen zomer speelden de jonge musici van het European Union Youth Orchestra met hart en ziel voor hun muzikale idool. Nu was het de beurt aan het eminente Koninklijk Concertgebouworkest om haar eredirigent opnieuw te verwelkomen in het Concertgebouw. Een welkom dat ondanks de lange verbintenis niet vanzelfsprekend is. Want sinds het met rumoer omgeven vertrek van Haitink als chef-dirigent van het toen nog niet-Koninklijke Concertgebouworkest heeft er op de relatie tussen de gewezen chef en zijn orkest altijd spanning gestaan. Een spanning die eens in de zoveel tijd uitmondde in een verwijdering. Een verwijdering die - na twee seizoenen van prachtige Bruckner-uitvoeringen (in 2012 de Vijfde Symfonie en in 2013 de Achtste Symfonie) - naar aanleiding van het 125-jarig bestaan opnieuw was ontstaan en pas recent weer was bijgelegd. Na het roken van de vredespijp heeft Haitink carte blanche gekregen voor een serie van drie concerten. Een serie in het teken van componisten die Haitink als geen ander begrijpt en waarmee hij al tientallen jaren grote successen heeft gevierd, zowel in de concertzaal als op cd: Claude Debussy en Anton Bruckner. Inmiddels is ook bekend geworden dat Haitink in het seizoen-2017/2018 de door hem zeer geliefde Negende Symfonie van Mahler met het Koninklijk Concertgebouworkest ten gehore zal brengen. Dezelfde symfonie die hij in het kader van de inmiddels legendarische Mahler-reeks voor het laatst bij het KCO in 2011 dirigeerde en tegelijkertijd het muzikale einde betekende van het tijdperk-Haitink bij het Concertgebouworkest. Want tijdens zijn laatste wereldwijd uitgezonden Kerstmatinee op 25 december 1987 bracht Haitink deze Negende Symfonie ten gehore die eindigde met zijn baton die bij het wegsterven van de laatste noot uit zijn hand viel.

Het impressionisme van Debussy
Over een kleine twee weken viert Haitink zijn 88e verjaardag dus het is te begrijpen dat Haitink geen garanties geeft rondom zijn toezeggingen. En wie hem de laatste tijd de zijtrap (de trapafdaling die het Concertgebouw kenmerkt is al lange tijd geen optie meer) op ziet komen, vraagt zich wellicht af hoelang we nog van Haitink kunnen genieten. Maar zodra de oude maestro zijn positie op de bok heeft genomen en de muziek een aanvang neemt, lijkt Haitink gaandeweg het concert de jaren af te schudden. En dat is ook niet zo vreemd, want de impressionistische muziek van Claude Debussy (1862-1918) is Haitink op het lijf geschreven. Zijn opname voor Philips van eind jaren zeventig van diverse orkestrale werken van Debussy is nog altijd een gewilde benchmark-opname. Haitink's gevoel voor deze essentiële Franse componist die de Romantiek van zich wierp en zich richtte op een impressionistische muziekstijl die nog altijd tot de verbeelding spreekt. Een compleet andere muziekstijl dan de Zevende Symfonie van Bruckner die slechts tien jaar eerder werd gecomponeerd. Geïnspireerd door het gedicht van Stéphane Mallarmé (1842-1898) geeft Prélude à l'après d'un fauna  een indruk van een faun die uit een diepe slaap ontwaakt en jacht maakt op enkele nimfen. De drie Nocturnes zijn nog minder "programmatisch" en weerspiegelen de lucht, een feestelijke volksscène en verleidelijke Sirenes. Haitink weet als geen ander het palet van Debussy op transparante en meeslepende wijze naar voren te brengen. Niet in de laatste plaats door de prachtige fluitsolo van Kersten McCall. En natuurlijk door de overige leden van het Koninklijk Concertgebouworkest die natuurlijk niet alleen kwalitatief van zeer hoog niveau zijn, maar bij dit concert zich ook echt overgaven aan hun eredirigent. Met name in de Prélude leidde dit tot een kippenvel-moment bij de culminatie zo halverwege het stuk wanneer de transparante klank voor het eerst (en eigenlijk ook voor het laatste) gebruik maakt van de volledige omvang van de niet onaanzienlijke orkestbezetting. Maar ook de bijdrage van de dames van het Nederlands Kamerkoor in  de derde Nocturne Sirènes vormde een hoogtepunt voor de pauze.

Het lyrische succesnummer van Bruckner
Een half jaar geleden wist Haitink het European Union Youth Orchestra een intense uitvoering te ontlokken van de enige symfonie die Bruckner bij leven onverdeeld succes heeft gebracht. Nu dus wederom deze symfonie maar dan met het Koninklijk Concertgebouworkest. De vraag in hoeverre dit concert in het algemeen en de uitvoering van deze symfonie in het bijzonder nu daadwerkelijk bijzonder is, is lastig te beantwoorden. De eerste concert in deze reeks op donderdag ontlokte bij Erik Voermans een euforische recensie in het Parool terwijl Volkskrant-recensent Guido van Oorschot enige teleurstelling over hetzelfde concert niet wist te onderdrukken. Toch is het feit dat Haitink weer voor het KCO stond en het gevoel dat dit weleens de laatste keer kon zijn een belangrijk onderdeel van het gevoel over dit concert. Een gevoel dat niet alleen door het publiek, maar juist ook (zichtbaar) door het orkest werd gedeeld. Want net als het European Union Youth Orchestra gaf het KCO zich helemaal over aan Haitink. En juist deze sense of occasion zorgde niet alleen dat het concert een bijzondere lading had, maar juist ook in de uitvoering kreeg. De lyrische en - zeker in het Adagio - ook tragische Zevende Symfonie kreeg de uitvoering die het verdient: een prachtige opbouw, wonderschoon spel en uitmuntende spanning. Een symfonie van de vrome Anton Bruckner (1824-1896) die weliswaar van een andere generatie is dan Debussy waar wiens werken die dit concert vormen slechts een decennium uit elkaar liggen. Maar qua klankkleur compleet verschillende werelden vormen en daarmee een prachtige symbiose vormden. Niet in de laatste plaats omdat het zo overduidelijk de persoonlijke keuzes van Haitink zijn. Het concert eindigde daarom zoals het alleen maar kon eindigen: in een stormachtig applaus. Een applaus dat niet alleen Haitink eert voor dit concert, maar vooral voor hij betekent en hopelijk nog heel lang gaat betekenen voor het muzikale leven in Nederland en daarbuiten. 

Op 16, 17 en 19 februari 2017 was eredirigent Bernard Haitink te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest met werken van Debussy en Bruckner. Deze recensie is op basis van de laatste uitvoering op 19 februari.

zondag 19 februari 2017

Prins Igor: prachtige enscenering van een gemankeerde opera


De Nationale Opera
Prins Igor
(Alexander Borodin, 1833-1887)


Ildar Abdrazakov, Prins Igor Svjatoslavitsj
Oksana Dyka, Jaroslavna
Pavel Cernoch, Vladimir Igorevitsj
 Dmitri Ulyanov, Prins Galitski/Khan Kontsjak

Dmitri Tcherniakov (regie en decor), Elena Zaitseva (kostuums)
S. Katy Tucker (projecties), Itzik Galili (choreografie)

Koor van De Nationale Opera
Stanislav Kochanovsky, Rotterdams Philharmonisch Orkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Een prachtige enscenering, goede solisten en een orkest waarbij de Russische muziek een tweede natuur is. De nieuwe productie van Prins Igor van Alexander Borodin door de Nationale Opera kan niet stuk. Helaas leidt het bij de dood van Borodin niet-afgeronde bronmateriaal toch tot een gemankeerde opera waarbij dramatiek en “beweging” node worden gemist. 

“Het Machtige Hoopje”. Het klinkt zonder meer koddig, maar is de geuzennaam van vijf Russische componisten die zich inzetten voor nationalistische muziek en grote impact hebben gehad op de Russische muziekgeschiedenis. De bekendste leden zijn zonder twijfel Modest Moessorgski (1839-1881) en Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908). Maar ook Alexander Borodin (1833-1887) was onderdeel van deze muzikale avant-garde. Een componist die paradoxaal genoeg vooral bekend geworden is door een werk dat bij zijn dood op 53-jarige leeftijd verre van gereed was: zijn tweede en daarmee laatste opera Prins Igor. Een opera gebaseerd op de historische Russische prins Igor Svjatoslavitsj die in 1185 een smadelijke nederlaag leed tegen het leger van de “barbaarse” Khan Kontsjak. Een opera die uiteindelijk door Rimski-Korsakov en Glazunov zou worden afgerond, maar feitelijk niet meer is dan een aantal scenes zonder eenduidige aansluiting. Tegelijkertijd bevatten deze tableaus prachtige muziek én geven ze een regisseur ruimte om zelf tot de meest optimale uitvoering te komen.

Uitmuntende enscenering, geweldig koor en een “Russisch” orkest
Voor deze nieuwe enscenering heeft de Nationale Opera – in een coproductie met The Metropolitan Opera New York – opnieuw een beroep gedaan op Dmitri Tcherniakov die grote successen vierde met zijn visie op Rimski-Korsakov’s De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. Al vanaf het eerste ogenblik is duidelijk dat de Nationale Opera daar een buitengewoon goede zet heeft gedaan. Een prachtige enscenering gecompleteerd door videoprojectie zorgen voor een psychologische blik op de gesteldheid van Prins Igor. Een prins die tegen het slechte voorteken van een zonsverduistering in zijn trouwe leger aanvoert in de gedoemde strijd tegen de Khan en uiteindelijk gebroken terugkeert naar zijn volk en verwoeste stad en om vergiffenis vraagt. Door middel van de videoprojectie worden de scènewisselingen “gevuld” en door de close-ups daarbij van Igor en zijn mannen wordt de waanzin en pijn van oorlog manifest. Niet voor niets start de voorstelling met de levensgrote projectie van het citaat: “Het ontketenen van een oorlog is de beste manier om jezelf te ontvluchten”. Tegelijkertijd weet Tcherniakov met slechts twee decors, een centrale hal in de stad Poetivl en een magnifiek veld met klaprozen, de verschillende scenes tot leven te brengen. Scenes die nog een extra dimensie krijgen door de wijze waarop het Koor van de Nationale Opera onderdeel is van de actie op het toneel. Van vrome nonnen en het leger van Prins Igor tot de bevolking van het gedoemde Poetivl. Maar vooral door de uitstekende prestaties die het koor levert waardoor de grote koren in Prins Igor zonder twijfel het muzikale hoogtepunt vormen. Daarbij ondersteund door het Rotterdams Philharmonisch Orkest dat een ongekend gevoel heeft voor Russische muziek, niet in de laatste plaats vanwege de voormalige chef-dirigent Gergjev. Daarbij geholpen door gastdirigent Stanislav Kochanovsky. En ook de solisten, en dan met name de afgeronde vertolking van Prins Igor door Ildar Abrazakov, maken het feest compleet. Dan vergeet je voor het gemak bijna dat in de prachtige scene op het klaprozenveld compleet wordt gemaakt door een choreografie met talloze dansers.

Te weinig samenhang en dramatiek
Helaas is dit niet afdoende om van een volledig succes te spreken. Daarvoor is het oorspronkelijke bronmateriaal te gemankeerd. Want de ruimte die regisseurs als Tcherniakov hebben om te “spelen” met het bronmateriaal is tegelijkertijd de zwakte: een dramatische samenhang en daarmee “beweging” in de opera ontbreekt en zowel de eerste als laatste akte zijn daarom grotendeels gewoonweg saai. Het klaprozenveld van de tweede akte is prachtig, maar voegt dan ook niets toe, terwijl de scene pas tot leven komt wanneer het koor weer actie komt, Borodin’s meest memorabele muziek klinkt en de dansers om de hoek kijken. Een goede graadmeter voor (een gebrek aan) dramatiek zijn de stoelen van Nationale Opera & Ballet. Deze stoelen zijn geen hoogtepunt van comfort, maar als een productie niet boeit, merk je dat pas echt. Helaas was dat – in het geval van ondergetekende – bij grote delen van de eerste en laatste akte het geval. De Nationale Opera is te prijzen dat ze Prins Igor sinds zeer lange tijd en op deze wijze op het toneel hebben gebracht. Aan de inzet en kwaliteit van de betrokkenen ligt het allemaal niet, maar een gemankeerde opera blijft (helaas) een gemankeerde opera, hoe mooi de enscenering en de muzikale kwaliteit ook is. 

Copyright foto: Nationale Opera & Ballet


Van 7 t/m 26 februari 2017 voert de Nationale Opera Prins Igor van Alexander Borodin uit. Meer informatie en kaarten hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 17 februari. Deze recensie is gelijktijdig verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 15 februari 2017

Robert Kaplan's tussendoortje over de natuurlijke dominantie van de VS


Met de eerste tumultueuze weken van het presidentschap van Trump achter de rug is Robert Kaplan’s nieuwste boek meer dan tijdig. Want in De verovering van de Rockies maakt Kaplan haarfijn duidelijk waarom de geografie van de Verenigde Staten tot globale dominantie heeft geleid en het tegelijkertijd onmogelijk is voor deze eigentijdse hegemoon zich van die wereld af te wenden. 

Robert Kaplan (1952) is een opgeruimd man. Met ijzeren discipline publiceert hij zo ongeveer om de twee jaar een nieuw boek gericht op de internationale betrekkingen. Van de Balkan en Roemenië tot de Zuid-Chinese Zee en de bepalende rol van geografie, geen onderwerp is Kaplan vreemd. Tegelijkertijd zijn deze boeken ook halve reisverslagen waar zijn persoonlijke ervaring de thematiek kleurt. Geen man van overdrijvingen en al helemaal niet van uitgebreide beschrijven blijven de meeste van zijn boeken onder de 300 pagina’s. Zijn discipline is zo ver doorgevoerd dat bij de presentatie van zijn vorige boek In Europe’s Shadow (in Nederland uitgegeven als Duister Europa) hij meldde dat zijn volgende boek al gereed was. Een boek over de Rocky Mountains en de impact daarvan op de Verenigde Staten als wereldspeler. Een jaar later en niet geheel toevallig rond de inauguratie van Donald J. Trump tot 45e President van de Verenigde Staten is daar dan De verovering van de Rockies. Hoe haar geografie de rol van de Verenigde Staten in de wereld bepaalt. Een beschouwing van Kaplan over het effect van de geografie op de ziel én de natuurlijke dominantie van de Verenigde Staten. Maar vooral een beschouwing voortgekomen uit een hernieuwde kennismaking met zijn thuisland geïnspireerd door zijn vader en met dank aan eerder werk van historicus Bernard DeVoto en de natuurlijke barrières die de Manifest Destiny van de Verenigde Staten belichamen.

Kaplan op reis
Kaplan reist voor zijn boeken heel de wereld over, maar de reislust begon in zijn eigen land toen hij als jonge jongen door zijn vader op sleeptouw werd genomen. Toen hij achttien jaar was liftte hij al eens van New York naar de Westkust. Inmiddels is Kaplan de zestig ruim gepasseerd en onderneemt hij opnieuw deze reis. Ditmaal om de macht en het karakter van de Verenigde Staten te beschouwen. Een beschouwing die vooral ook persoonlijk en anekdotisch van aard is om de veranderingen in de diverse dorpen en steden te zien en te horen waar de inwoners van de Verenigde Staten zich over op winden en wat hen bezig houdt. Een reis die weliswaar geïnspireerd is door zijn vader, maar een inhoudelijke aftrap kent bij het werk van Bernard DeVoto (1897-1955). Deze Amerikaanse historicus was gespecialiseerd in de geschiedenis van het Amerikaanse Westen en vormt – in de woorden van Kaplan – de centrale figuur in Kaplan’s kijk op Amerika en van daaruit op de rest van de wereld. Deze twee vaders in combinatie met de weidsheid van het Amerikaanse landschap brengen Kaplan tot de conclusie dat de geografie bepalend is geweest – in mindere mate door de technologische ontwikkelingen – en nog altijd is voor de dominantie van de Verenigde Staten. Niet alleen omdat door het overwinnen van de Great American Desert en de Rocky Mountains de vroege Amerikaanse kolonisten de Verenigde Staten omvormden tot een geografische moloch met grote potentie, maar ook omdat het bepalend is geweest voor het Amerikaanse karakter. Een can do-mentaliteit die in combinatie met de geografische dominantie de Verenigde Staten heeft doen ontstaan die al bijna een eeuw lang de dominante wereldmacht is. 

Het land van Trump
Een land dat door de omvang en ligging geïsoleerd is van de rest van de wereld, maar tegelijkertijd er ook toe gedwongen wordt om verantwoordelijkheid voor die wereld te nemen. Een land dat in weerwil hiervan voor het grootste deel – net als president Jackson – gelooft in eer, God en het leger. Een land met elites in Washington en New York die zich bezig houden met buitenlandse politiek en grofweg zijn te onderscheiden als Wilsonians (de idealisten die de democratie en het internationaal recht voorstaan), de Hamiltonians (de realisten met een ijzeren geloof in handel) en de Jeffersonians (die vooral de democratie thuis willen perfectioneren zonder zich expliciet op het buitenland te willen richten). Een land dat gekozen heeft voor Trump en waar Kaplan – mede vanwege het feit dat het boek ruim voor diens verkiezing is geschreven – in de marge aandacht aan geeft door anekdotisch te verhalen over wat hij de gesprekken die hij tijdens zijn reis heeft opgevangen. Gesprekken in Amerikaanse steden die van elkaar verschillen als dag en nacht: van de deprimerende en werkloze kolenstad Wheeling in West Virginia tot de internationaal georiënteerde universiteitsstad Bloomington, Indiana. In krap 200 pagina’s poneert Kaplan veel en geeft hij nog meer stof tot denken. Opvallend daarbij is wel dat de gestructureerdheid van dit boek minder is dan zijn vorige boeken en dat de combinatie van reisverslag, geografische verhandeling en persoonlijke geschiedenis onevenwichtigheid brengt. Want zijn reis van duizenden en duizenden kilometers wordt teruggebracht tot enkele waarnemingen van een aantal steden en vergezichten tijdens die reis. Het krijgt daarmee het karakter van een tussendoortje dat wellicht tot meer had kunnen worden uitgewerkt, maar desalniettemin een fijne verhandeling is over de natuurlijke dominantie van de Verenigde Staten en de factoren die daartoe geleid hebben en inzicht geven in een land dat nog altijd uitgaat van een Manifest Destiny. Zeker nu is dat geen overbodige luxe. 

Eind januari is ‘Earning the Rockies’ van Robert Kaplan verschenen. Recent is de Nederlandse vertaling ‘De verovering van de Rockies’ door vast Kaplan-vertaler Margreet de Boer verschenen bij Unieboek|Het Spectrum. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 12 februari 2017

Concert 10 februari 2017: Mozart's Requiem à la Verdi


Schubert: Symfonie Nr. 4 'Tragische'
Mozart: Requiem

Renate Arends, sopraan
Maria Fiselier, alt
Marcel Reijans, tenor
André Morsch, bas

Laurens Collegium Rotterdam
Jan Willem de Vriend, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

In de zoektocht naar nieuw publiek experimenteert het Residentie Orkest met allerhande nieuwe vormen om muziek en liefhebbers bij elkaar te brengen. Van Lazy Sunday-concerten tot een Vijfde van Beethoven waar het orkest tussen het publiek zit, het Residentie Orkest staat er voor open. Ook voor het Requiem van Mozart wordt een nieuwe aanpak getest, maar evenzo goed trekt een "klassieke" uitvoering ook nog een volle zaal. Het ene doen en het andere niet laten is het gelukkige devies van het Haagse orkest. 

Het Residentie Orkest, lange het tijd na het Koninklijk Concertgebouworkest het onbetwiste tweede orkest van Nederland, heeft lastige jaren achter de rug. Niet alleen omdat - gelijk andere orkesten - de toekomst alleen zonnig kan zijn wanneer nieuw publiek wordt getrokken, maar vooral ook omdat door de bezuinigingen en tekorten vooral dit orkest een flinke tik heeft gekregen. Met een kleinere formatie, het aantrekken van nieuwe vaste dirigenten (Nicholas Collon en Jan Willem de Vriend) en het doorzetten van de zoektocht naar nieuwe vormen van het bij elkaar brengen van muziek en (nieuwe) liefhebbers werpen langzamerhand hun vruchten af. Recent introduceerde het Residentie Orkest het geslaagde Lazy Sunday-concert terwijl vorige week in de Stadsgehoorzaal in Leiden geëxperimenteerd werd met Close to Classics waarbij orkest en publiek door elkaar heen zitten rondom de dirigent en zo een compleet andere ervaring van Beethoven's Vijfde Symfonie mogelijk maakte. Afgelopen dagen stond Jan Willem de Vriend weer voor het orkest met het in Nederland nog altijd ongekend populaire Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). Ook deze Dodenmis van het muzikale wonderkind is onderwerp van een nieuwe presentatievorm: Masterclassics. Deze variant gaat uit van een kort en krachtig concert gecentreerd rondom één werk waarbij een uitgebreide duiding - inclusief gespeelde fragmenten - eerst plaats vindt waarna het werk in zijn geheel volgt. Doel is om op een laagdrempelige manier (potentiële) liefhebbers in aanraking te brengen met meesterwerken, maar deze ook van een context te voorzien. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest (Core Classics) en het Koninklijk Concertgebouworkest (Essentials) kennen een gelijksoortige aanpak. Het Residentie Orkest verdient veel lof voor deze initiatieven, maar ook omdat dit niet betekent dat het "klassieke" concert zijn langste tijd heeft gehad. Het is een kwestie van 'en' in plaats van 'of'. De volle zaal die Jan Willem de Vriend en het Residentie Orkest op vrijdag 10 februari konden aanschouwen, maakte dat zonneklaar.

Een Tragische Schubert met pit
Want hoewel het Requiem op 11 februari als eerste van de Masterclassics-serie in het  Haagse Zuiderstrandtheater werd gepresenteerd, was de uitvoering de avond ervoor (en overigens ook vandaag in TivoliVredenburg) een reguliere uitvoering waarbij het Requiem gezelschap kreeg van de Vierde Symfonie van Franz Schubert (1797-1828). Een uitstekende combinatie aangezien Schubert deze symfonie, die hij al op negentienjarige leeftijd schreef, zelf de bijnaam 'Tragische' meegaf. Een wellicht wat sombere, maar wel zeer passende combinatie met Mozart's Dodenmis. Overigens wil dat in het geheel niet zeggen dat je als bezoeker met zwaar gemoed de winterkou weer in ging. Zowel Schubert's Symfonie als het Requiem van Mozart zijn bovenal prachtige muziek waarbij de tragiek zeker niet allesomvattend is. Zeker niet met Jan Willem de Vriend op de bok die - zeker bij dit kernrepertoire - houdt van een dynamische en energieke interpretatie. Bij de uitvoering van de Vierde Symfonie van Schubert werkte dit uitstekend. Het commentaar dat Schubert door de vele herhalingen wat langdradig aandoet, heeft in de uitvoering door De Vriend weinig waarde. Sowieso zijn de symfonieën van Schubert wel aan enige herwaardering toe. Het is dan misschien geen Beethoven of Brahms, maar zijn symfonieën kennen een buitengewoon eigen geluid en charme. Een charme die uitstekend naar boven werd gebracht door het soepel en met plezier spelende Residentie Orkest. 

Het Requiem van Verdi als inspiratie?
Maar het Requiem van Mozart dat na de pauze plaats vond, was natuurlijk hetgeen waar de uitverkochte zaal voor gekomen was. Het Requiem heeft natuurlijk als voordeel dat het niet alleen prachtige muziek bevat, maar tegelijkertijd een onstaansgeschiedenis kent die alleen maar meer kleur geeft. Niet in de laatste plaats overigens door Amadeus, de fictieve verfilming van het leven van Mozart van regisseur Milos Forman met een onnavolgbare F. Murray Abraham als Mozart's snode rivaal Salieri. Maar wanneer je dit allemaal laat voor wat het is, resteert hemelse muziek waarvan het niet verwonderlijk is dat het na ruim drie eeuwen nog steeds zo populair is. Opvallend bij de uitvoering door het Residentie Orkest aangevuurd door De Vriend was niet zozeer de te verwachten dynamiek en energie, maar vooral het daardoor ietwat gewijzigde karakter van het Requiem. Want De Vriend leek zich qua uitvoering meer te richten op het Requiem van Verdi dan van Mozart. Van het Requiem van Verdi is het meest kenmerkende dat hoewel het in naam een Dodenmis is, het in de praktijk toch vooral een opera. Memorabel is de kwalificatie die dirigent Hans von Bülow (1830-1894) eraan gaf: "Oper im Kirchengewande". Mozart's Dodenmis is dat nadrukkelijk niet, maar de uitvoering in handen van De Vriend deed daad zonder meer aan denken en was eigenlijk wel verfrissend. Ook hier gold dat De Vriend kon rekenen op niet alleen een uitstekend spelend Residentie Orkest, maar ook het fijne Laurens Collegium Rotterdam én vier goede solisten. Zo liet het Residentie Orkest horen waarom er nog altijd "muziek" zit in het tijdloze klassiekers zoals het Requiem, maar het evenzo belangrijk is om het oog op de toekomst te houden. 


Op 10, 11 en 12 februari 2017 voert het Residentie Orkest onder leiding van Jan Willem de Vriend de Vierde Symfonie van Schubert en het Requiem van Mozart. De uitvoering op 11 februari is de eerste  in de reeks Masterclassics waar alleen het Requiem centraal staat dat - met behulp van diverse fragmenten - geduid wordt voordat het Requiem als geheel wordt uitgevoerd. 

zaterdag 11 februari 2017

Opera 11 februari 2017: Nixon in het Concertgebouw


NTR ZaterdagMatinee
Nixon in China
(John Adams, 1947)

David Wilson-Johnson, Chou En-Lai
Robin Adams, Richard Nixon
Olle Persson, Henry Kissinger
Janis Kelly, Pat Nixon
Michael Weinius, Mao Tse-tung
Yun-Jeong Lee, Chian Ch'ing (Madame Mao Tse-tung)

Cappella Amsterdam
Kevin John Edusei, Nationaal Jeugd Orkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

De NTR ZaterdagMatinee staat dit seizoen in het teken van het werk van de hedendaagse componist John Adams. Dan mag zijn opera Nixon in China natuurlijk niet ontbreken. In een concertante uitvoering laten het Nationaal Jeugd Orkest en Cappella Amsterdam onder leiding van Kevin John Edusei horen waarom deze ode aan het bezoek van Nixon aan China inmiddels tot de opera-canon behoort. 

Fans van John Adams kunnen hun geluk dit seizoen niet op aangezien het 56e seizoen van de ZaterdagMatinee in het teken staan van hun held. Samen met Steve Reich en Philip Glass is de in 1947 geboren Adams aanvoerder van het minimalisme. De componist stelt overigens zelf dat hij een minimalist verveeld door minimalisme is. Dit seizoen staan diverse concerten van de NTR Zaterdagmatinee in het teken van zijn werk en zal Adams op 6 mei aanstaande zelf het Radio Filharmonisch Orkest leiden in zijn eigen werk en werk van andere componisten. Zijn meest befaamde werk mag dan natuurlijk niet ontbreken. In 1987 wist Adams, vooral in het Verenigd Koninkrijk en Nederland en pas later in de Verenigde Staten, door te breken met zijn opera gebaseerd op het historische bezoek van president Richard Nixon aan het communistische China in 1972. Met dit bezoek pleegde Nixon een geopolitieke coup en opende voor het eerste de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en China. Een bezoek dat bol stond van het Realpolitik-denken van Nixon en Kissinger. Een toenadering die alleen door een Republikeinse president van zijn kaliber ondernomen kon worden zonder het verwijt te krijgen dat hij soft on communism is. Een bezoek waardoor - met alle mitsen en maren - China de afgelopen decennia langzamerhand binnen de wereldorde gebracht is. Op een fijn libretto van Alice Goodman wist Adams een opera te schrijven die inmiddels onderdeel is geworden van het canon en met enige regelmaat in grote delen van de wereld opgevoerd wordt. En nu dus ook wederom in Nederland, maar dan helaas wel alleen in concertante uitvoering tijdens de ZaterdagMatinee. 

Nixon terug in Nederland
Nederland was er wat betreft Nixon in China vroeg bij. De benchmark-opname met het Orchestra & Chorus van St. Luke's werd geleid door Edo de Waart. Maar belangrijker: in juni 1988 vond de Europese première, wederom onder leiding van De Waart, plaats in het Amsterdamse Muziektheater. Gek genoeg zou het nog tot 2011 duren voordat de verheven, maar ook zeer conservatieve Metropolitan Opera in New York Nixon in China zou opvoeren. Het aardige aan die uitvoering is dat niet alleen de componist zelf de muzikale leiding had, maar Nixon wederom gestalte werd gegeven door James Maddalena. Maddalena is een favoriet van Adams, maar is ook de solist die Nixon daadwerkelijk invulling heeft gegeven en zonder twijfel daarmee de rol van zijn leven heeft neergezet. Van de Met-uitvoering, in een enscenering waar Peter Sellars net als bij het origineel voor tekende, is een zeer aan te bevelen opname verschenen op DVD en Blu-ray. Helaas is Maddalena iets minder van stem dan bij de geweldige opname onder De Waart, maar het blijft een feest om hem als Nixon te zien en te horen. In die productie trad Janis Kelly succesvol aan als Pat Nixon. Een gelukje voor de bezoekers van de ZaterdagMatinee aangezien Kelly de rol in deze concertante uitvoering hernam. De enscenering is een integraal onderdeel van het succes van Nixon in China en werd daarom node gemist. Desalniettemin is deze productie zonder meer succesvol te noemen. Een productie die - net als de opname van De Waart - toont dat de muziek op zichzelf kan staan en nog altijd tot de verbeelding spreekt. Al moet je er wel van houden aangezien één bezoeker zijn ergernis niet kon beteugelen en het geheel bestempelde als "rigide, opdringerige kutmuziek". Smaken verschillen, zullen we maar zeggen. 

Een macho Nixon
Naast Janis Kelly helaas dus geen James Maddalena, maar de Britse bariton Robin Adams die met kracht Nixon vertolkte. Dit deed hij met veel aplomb hoewel de kracht van Maddalena - en ook de bedoeling van deze Nixon - lag in de zelftwijfel die Nixon tentoonspreidt. Bij Robin Adams is daar weinig van terug te horen, hoewel er op zijn vertolking weinig viel aan te merken. Waarschijnlijk komt dit ook door het karakter van Robin Adams die al als een macho sheriff de lange trap van het Concertgebouw richting het podium afliep. De overige rollen kwamen er in deze ZaterdagMatinee ook niet bepaald bekaaid vanaf, met name de Mao van de Zweedse tenor Michael Weinius die deze rol als eerder vertolkte bij de productie van de Koninklijke Zweedse Opera. Ook zijn vrouw, vertolkt door de Zuid-Koreaanse Yun-Jeong Lee mocht er zijn. Hoewel de Chou En-lai van David Wilson-Johnson even op gang moest komen, was hij ook zeker een schot in de roos. Opvallend was dat deze productie (vanwege het gebruik van synthesizer en drums?) over geluidsversterking beschikte. Hoewel dit de balans en kracht van het geheel ten goede kwam, was het - met name voor de pauze - allemaal een tikkeltje te hard. Een vervelende kraak aan het einde van de prachtige Nixon-solo 'News has a kind of mystery' toonde maar weer eens aan dat geluidsapparatuur veel is, maar niet onfeilbaar. Klein leed overigens bij een fijne  productie die - vooral door het gebrek aan enscenering - in het laatste statische bedrijf wat inzakte. Wat overigens totaal niet het geval was met de uitstekende prestaties van het Nationaal Jeugd Orkest en Cappella Amsterdam. Het orkest dat al zestig jaar een podium biedt aan jong toptalent voerde het werk van Adams met overtuiging en dynamiek uit, geweldig ondersteund door het koor van Cappella Amsterdam. Prestaties niet in de laatste plaats met dank aan de duidelijke en energieke directie van Kevin John Edusei, de chef-dirigent van de Münchner Symphoniker. Met Edusei heeft Adams een dirigent die zijn muziek als tweede natuur aanvoelt. Zeker het eerste bedrijf met de fameuze aankomst van Nixon's vliegtuig The Spirit of ' 76, de ontmoeting met Mao en het staatsbanket dat eindigt in een euforisch hoogtepunt van onderlinge vertrouwen tussen de Verenigde Staten en China profiteerde volop van de energie van Edusei. Hopelijk alle reden voor de Nationale Opera om Nixon in China in geënsceneerde vorm te hernemen met Edusei op de bok. 

Een fragment uit de recente Nixon in China-productie van The Metropolitan Opera:


De NTR ZaterdagMatinee staat dit seizoen deels in het teken van het werk van John Adams, waaronder 'Nixon in China' uitgevoerd door het Nationaal Jeugd Orkest en Cappella Amsterdam onder leiding van Kevin John Edusei op 11 februari 2017. 

maandag 6 februari 2017

Het einde van de Scandinavische televisie-drieslag?


Series als The Killing en Borgen betekenden de doorbraak van Scandinavisch televisiedrama. Sinds die tijd voelt de soms grauw-realistische wereld van de onverstaanbare maar toch innemende talen van Scandinavië net zo vertrouwd als de gebreide trui van Sarah Lund. Tegelijkertijd is het de normaalste zaak van de wereld dat van dergelijke series in de regel nooit meer, maar ook nooit minder dan drie seizoenen worden geproduceerd. Met de nieuwe seizoenen van Thicker than Water en Follow the Money zou die Scandinavische drieslag weleens tegen het licht gehouden mogen worden. 

Het heeft iets rustgevends wanneer series ongeveer tien afleveringen per seizoen tellen en niet meer dan drie seizoenen kennen. Het geeft de schrijvers de ruimte om een samenhangend verhaal goed uit te spinnen zonder dat het langdradig wordt. De wetenschap dat er nog maximaal twee seizoenen volgen, zorgt er dan meestal ook voor dat er in de basis als een idee ontstaat hoe het totaal eruit moet komen te zien. Het Amerikaanse gebruik van talloze seizoenen met rond de 26 afleveringen per seizoen is daarom, zeker met de opkomst van series zoals House of Cards, niet voor niets steeds minder de norm. Een norm overigens ontstaan door de dominantie van de traditionele networks, maar inmiddels door on demand en binge viewing behoorlijk achterhaald is. In met name Denemarken hadden ze dit al snel door en verklaart – los van de uitstekende verhaallijnen, het realistische karakter en de ontwapende eigenheid – wellicht een deel van het Scandinavische televisiesucces dat sinds The Killing nog altijd voortduurt. Hoe jammer we ook allemaal vonden dat series als The Killing en Borgen beperkt zijn gebleven tot drie seizoenen, betekent dit ook dat teleurstelling over te lang lopende series Scandinavië nog niet echt ten dele is gevallen. Inmiddels is het derde seizoen van het Deense The Legacy gestart waarmee ook daar een einde komt aan een fijne serie. Het Deens-Zweense The Bridge daarentegen heeft al drie seizoenen achter de rug, maar maakt zich op voor een vierde seizoen die in 2018 te dien zal zijn. De Zweedse serie Thicker than Water en de Deense serie Follow the Money zijn zo ver nog niet en zijn pas bezig aan hun tweede seizoen. Toch doen deze laatste series, maar ook het feit dat er een vierde serie van The Bridge komt, de vraag oprijzen of de Scandinavische – bijkans heilige – drieslag zijn beste tijd wel heeft gehad.

Thicker than water: een dunne premisse voor een vervolg
Het tweede seizoen van Thicker than water is helaas geen aanbeveling voor het doorzetten van deze traditie. Hoewel het zeker geen straf is om wederom in tien afleveringen het wel en wee van de familie Waldemar en hun pension op het Finse eiland Åland te volgen, wordt maar niet duidelijk waarom een vervolg nodig was. Het eerste seizoen van deze dramatische en Zweedse versie van Pension Hommeles bracht broers Oskar en Lasse en zus Jonna bij elkaar om het familiepension gezamenlijk te runnen na de zelfmoord van hun moeder. Niet alleen bleek het lastig te zijn om hernieuwd met elkaar kennis te maken, maar bleek er ook een donker familiegeheim te zijn rondom de vader van het stel. Een serie die leek op een Zweedse copycat van het Deense The Legacy vond al heel snel een eigen stem, niet in de laatste plaats doordat het zich grotendeels afspeelt op Åland. Een eilandengroep die tot Finland behoort, maar volstrekt autonoom is binnen Finland en waar men Zweeds spreekt en vooral op Zweden gericht is. Uiteindelijk kwam het met de familie Waldemar goed, maar is daar nu toch een tweede seizoen. Het is daarbij aardig om opnieuw de familie bezig te zien aangezien het aan de karakters niet echt schort. Maar een pointe voor het tweede seizoen ontbreekt echter waardoor het nieuwe “avontuur” wat geforceerd aandoet en een soort rehash is van de dynamiek rondom de (dode) vader van de Waldemars. Fans van het eerste seizoen zullen zeker niet met tegenzin de tien afleveringen kijken en het is ook zeker geen slechte serie, maar de magie is stiekem toch echt uitgewerkt. Het einde van de laatste aflevering sorteert al voor op een derde seizoen, maar of dat verstandig is?


Follow the Money: eigenlijk beter dan het eerste seizoen
Hoe anders is het bij het tweede seizoen van Follow the Money. Gek genoeg is deze serie gemaakt door de Deense omroep DR minder goed doorgebroken dan de andere DR-succesnummers The Killing, Borgen en The Legacy. En hoewel het eerste seizoen van dit fraudedrama misschien niet die binge-kwaliteit had als we gewend zijn van DR is het zonder meer een geslaagde serie. De verwikkelingen rondom duurzaam energiebedrijf Energreen zorgde voor een financieel misdaaddrama dat perfect bij de tijd van nadruk op duurzaamheid en scepsis over banken past. Het eerste seizoen vormde een redelijk afgerond verhaal waarbij enkele hoofdrolspelers in de schimmige praktijken van Energreen nog niet over het voetlicht waren getreden en daarmee een tweede seizoen een zekerheid maakte. Hoewel een deel van de hoofdrolspelers het eerste seizoen niet hebben overleefd, geldt dit niet voor fraude-inspecteur Mads die – in beginsel tegen zijn zin – stuit op een nieuwe fraudezaak rondom Nova Bank, de grootste bank van Denemarken. In zijn onderzoek loopt hij Claudia Moreno weer tegen het lijf die inmiddels haar gevangenisstraf voor haar rol als hoofd juridische zaken van Energreen er op heeft zitten. Zij maakt zich inmiddels nuttig bij Absalon Bank, de new kid on the block in de bancaire sector die geleid wordt door een idealistische broer en zus die een nieuwe (eerlijke) manier van bankieren voor staan. Dit tegen het zere been van de machtige bestuursvoorzitter Christensen van Nova Bank. Dezelfde Christensen die ook een schimmig belang in Energreen had. En zo is het speelveld duidelijk voor tien uitstekende afleveringen die in markante tegenstelling tot Thicker than Water meer dan een tweede seizoen rechtvaardigen. Of er een derde seizoen komt, is de vraag, want echte open eindjes zijn er ditmaal niet. En ook hier lijkt de serie het adagium van drie seizoenen te ondergraven. Als het vierde seizoen van The Bridge ook nog eens een succesnummer is, dan is het hoog tijd om de Scandinavische drieslag scherp onder de loep te nemen!


In december heeft Lumière Nederland het tweede seizoen van zowel ‘Thicker than Water’ als ‘Follow the Money’ op DVD uitgebracht. ‘Follow the Money’ is ook op Blu-ray verkrijgbaar terwijl het eerste seizoen van ‘Thicker than Water’ inmiddels op Netflix te zien is. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

vrijdag 3 februari 2017

Dans 2 februari 2017: Een reizend NDT trekt je langzaam binnen


Nederlands Dans Theater
Scenic Route

León & Lightfoot: Silent Screen
León & Lightfoot: Singulière Odyssée

NDT1
Maarten van Veen (pianist)
Matthew Rowe, Het Balletorkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Philip Glass en choreografenduo Sol León en Paul Lightfoot zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen de basis voor de meest succesvolle producties van het Nederlands Dans Theater. Ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Glass herneemt het NDT Silent Screen. Maar het echte hoogtepunt van het dubbelprogramma Scenic Route is de wereldpremière van Singulière Odyssée op muziek van mede-minimalist Max Richter. 

Een ouderwets stationshal, verlicht door het daglicht van twee ingangen binnen en een dakraam dat in een museum niet zou misstaan. Warme houttinten die het klassieke en tijdloze karakter van de hal onderstrepen. Het thema van Singulière Odyssée is zonder twijfel reizen. Niet alleen door de dansers die als passanten op reis de stationshal doorkruisen, maar ook de reis die je in het leven maakt. Een reis van het individu prachtig vertolkt door solist Marne van Opstal. Een reis die – net als de pulserende muziek van Max Richter – in intensiteit toeneemt. De klassieke enscenering met veel bruintinten en licht is anders dan we van León & Lightfoot gewend zijn. Meestal hullen de producties voor het Nederlands Dans Theater zich in de schaduwen of in ieder geval veelal in zwart tinten. Langzaam bouwt de choreografie zich uit en wordt Van Opstal vergezeld door meer en meer reizigers die steeds collectiever en uniformer dansen. Soms met Van Opstal en soms buiten hem om. De muziek van Richter, minimalistisch en pulserend, ondersteunt dit, waardoor het NDT je langzaam naar binnen trekt. Zo langzaam dat je in beginsel je afvraagt hoe ze het ruimte half uur dat voor deze productie genoteerd staat, gaan volmaken. Maar dan op een gegeven bouwt de spanning zich echt op, wordt het collectief sterker en verandert de stationshal in een herfst van vallende bladeren. De muziek pulseert door, maar het bouwt naar een hoogtepunt. Op dat moment heeft het NDT je te pakken.

Het genie van Glass
Het succes van Singulière Odyssée - ondanks dat de muziek van de hand van Richter is – onderstreept de gelukkige keuze van het NDT om veelvuldig producties te baseren op muziek van minimalisten in het algemeen en Philip Glass in het bijzonder. Want zonder het baanbrekende werk van Glass zou het talent van Richter wellicht niet zo makkelijk naar voren zijn gekomen. Het tweeluik Scenic Route is daarmee zowel letterlijk als figuurlijk een hommage aan Glass. Op basis van de muziek van Richter laten León & Lightfoot zien dat het genie van Glass en de toepasbaarheid van zijn repetitieve, minimalistische en hypnotiserende muziek zich verder uitstrekt. Tegelijkertijd is Scenic Route ook een letterlijke hommage aan Philip Glass die vorige week tachtig jaar is geworden en alle reden voor het NDT was om Silent Screen uit 2005 te hernemen.

Silent Screen
Silent Screen past goed binnen het reisthema dat León & Lightfoot met Scenic Route gekozen hebben. Ditmaal een productie waar dans, theater, film en muziek samen komen in een reis door het leven. Met behulp van drie grote schermen worden verschillende ensceneringen gecreëerd variërend van de kust en een bos tot aan een huis en uiteindelijk de ruimte. De dansers zijn er onderdeel van en tegelijkertijd ook weer niet. De productie vertelt niet echt een verhaal, maar schilders afzonderlijke delen die vooral op het gevoel spelen en minder op de logica. De muziek van Philip Glass, diverse werken uit Glassworks (1982) en The Hours (2002) versterken de episodische aanpak. Het beeld van een enkele vrouw die vanuit de orkestbak langzaam het podium betreedt met een enorm sleep is één van de prachtige beelden die blijft hangen. Als geheel is het minder geslaagd dan Singulière Odyssée maar in combinatie een prachtig programma. Zeker vanwege het feit dat het Balletorkest onder leiding van Matthew Rowe en met medewerking van pianist Maarten van Veen beide werken live begeleidt. 

Copyright foto: Rahi Rezvani / NDT


Van 2 februari – 8 april 2017 is het NDT op tournee door Nederland met ‘Scenic Route’. Deze recensie is op basis van de première op 2 februari in het Haagse Zuiderstrandtheater. De voorstellingen in Den Haag en Amsterdam worden live begeleid door Het Balletorkest. Deze recensie wordt ook op 4 februari gepubliceerd bij online nieuwsmagazine Jalta. Meer info over Scenic Route en kaarten bestellen hier