vrijdag 15 september 2017

Concert 12 september 2017: Een fenomenaal afscheid van Maria João Pires


Mozart: Symfonie Nr. 35 'Haffner'
Mozart: Pianoconcert Nr. 20
Beethoven: Pianoconcert Nr. 4

Maria João Pires (piano), Ashot Khachatourian (piano)
Orkest van de Achttiende Eeuw
Concertgebouw, Amsterdam

Zonder dirigent, maar met een extra pianist toog het Orkest van de Achttiende Eeuw naar het Concertgebouw. Een gedenkwaardig concert met een fenomenale uitvoering van het Vierde Pianoconcert van Beethoven door Maria João Pires was het gevolg. Maar wel een concert met een melancholisch randje: het betrof het allerlaatste optreden van Pires in het Concertgebouw.

Alsof een bom insloeg, zo was de reactie van het publiek toen Maria João Pires bij de inleiding duidelijk maakte dat het concert van die avond haar laatste optreden in het Concertgebouw zou zijn. Een inleiding voor de Vrienden van het Concertgebouw en enthousiast aan elkaar gepraat door Sieuwert Verster, directeur van het Orkest van de Achttiende Eeuw waar niet alleen Pires acte de presence gaf maar ook Ashot Khachatourian. In het kader van haar geliefde Partitura Project dat tot doel heeft muziek centraal te stellen door musici van verschillende generaties bij elkaar te brengen zonder een competitief element. Hierdoor krijgt Khachatourian - verre familie van de gelijknamige componist van o.a. de Sabeldans en Spartacus - de mogelijkheid om met Pires en het Orkest van de Achttiende Eeuw mee op tournee te gaan en zo dus ook op te treden in het Concertgebouw. Voor hem dus zijn eerste optreden en voor Pires haar laatste. Pires stopt later dit jaar als pianist. Niet omdat haar muzikale krachten afnemen, maar omdat zij zich (zichtbaar) ongemakkelijk voelt door de toenemende competitie in de wereld van de klassieke muziek en de focus op de grote namen. Zij vindt dat dit ten koste gaat van de muziek. In een nogal Freudiaanse verspreking gaf ze aan dat deze keuze haar de mogelijkheid geeft om die dingen te doen die ze 'echt leuk' vindt. Hoewel er zeker enige waarheid in haar waarneming huist, wordt er toch heel veel mooie muziek gemaakt zonder aanziens des persoons en is het toch wel heel jammer dat Pires op de internationale concertpodia gaat ontbreken. 

De directheid en beperkt bereik van de fortepiano 
Zeker wanneer muziek zo tot leven komt als op deze avond. Een concert waar geen dirigent aan te pas komt. Niet helemaal uit vrije keuze aangezien Frans Brüggen, oprichter en muzikaal leidsman van het Orkest van de Achttiende Eeuw, ruim drie jaar geleden overleed. Het orkest twijfelde lang of het door moest gaan, maar besloot gelukkig om - met hulp van bevriende musici en (gast)dirigenten - het werk van Brüggen voort te zetten. Voor Tournee 140 koos het orkest bewust voor geen dirigent en nam de jonge concertmeester de honneurs waar om het tempo te bepalen. Maar eigenlijk deed hij veel meer dan dat en was hij feitelijk de dirigent van dienst. Dat dit geen handicap is, bewees een heerlijke vrije en uitgelaten doch strak gespeelde Symfonie Nr. 35 van Mozart. Een werk dat was gekozen zodat in ieder geval tijdens één onderdeel van het concert alle leden van het orkest een rol hadden. Hierna was het de beurt aan Ashot Kachatourian die - net als tijdens de concerten in Brugge en Arnhem daarvoor - het liefst het Derde Pianoconcert van Beethoven  had gespeeld. Het Concertgebouw zag een doublure met een ander concert en zo kwam het prachtige Pianoconcert Nr. 20 van Mozart op de lessenaar. Een dreigend en betoverend pianoconcert dat de klankwereld van Don Giovanni deelt. Niet alleen was het een ander pianoconcert, maar moest de talentvolle Kachatourian ook de omslag maken naar de fortepiano. Het is ook in letterlijke zin het Orkest van de Achttiende Eeuw. Een instrument dat directer, maar ook een 'beperkter' bereik heeft dan moderne piano's. Dit zorgt ervoor dat solist en orkest meer dan ooit met elkaar rekening moeten houden wat leidt tot een dynamiek die je eerder verwacht bij kamermuziek dan bij een orkestrale uitvoering. Ondanks dat Kachatourian in de cadenzas wat foutjes maakte, was het een uitstekende uitvoering van één van Mozart's mooiste werken.

Een fenomenale en 'zingende' Beethoven
Een werk dat Maria João Pires enige faam heeft opgeleverd door  Attrazione d'Amore van Frank Scheffer. In deze documentaire zien we een (openbare) repetitie met Riccardo Chailly op de bok en Pires achter de piano. Zodra Pires de eerste noten hoort, verstijft ze in het besef dat ze op het verkeerde concert rekende. Gelukkig heeft het Pianoconcert Nr. 20 een lange orkestrale inleiding die Chailly ten volle benut om op Pires in te praten. Het briljante aan zowel deze scene als het talent van Pires is dat zij zich op tijd herpakt en ze foutloos het concert speelt. Over klasse gesproken.  Een lunchconcert dat plaats vond in het Concertgebouw. Een concertpodium dat ze - als solist althans - nooit meer zal betreden. En hoe jammer dat is, werd duidelijk door een fenomenale uitvoering van het Vierde Pianoconcert van Beethoven. Zoals een mede-concertbezoeker het treffende verwoordde: Pires liet het werk zo 'zingen' dat zij gerekend moet worden tot de allergrootsten. Haar beheersing was volledig en het samenspel met het Orkest van de Achttiende Eeuw voorbeeldig. Opvallend was dat op de momenten dat ze niet speelde ze nogal melancholisch keek. Misschien met het oog op haar huidige gevoel bij hoe de wereld van de klassieke muziek zich ontwikkelt en haar naderende afscheid als solist of gewoon concentratie. Hoe het ook zij, het publiek lustte er wel pap van en mocht rekenen op een intiem toegift: een versie van de Actus Tragicus van Bach voor quatre mains. Een mooi slot van een heerlijke concert dat duidelijk maakt dat het Concertgebouw de komende jaren er muzikaal een beetje armer op is geworden.

Maria João Pires en het verkeerde concert: 


In het kader van een korte tournee trad het Orkest van de Achtiende Eeuw, met medewerking van pianisten Maria João Pires en Ashot Khachatourian, op in het Concertgebouw. Eerder traden zij op in Brugge en in de nieuwe concertzaal van Musis Sacrum in Arnhem.  De tournee eindigt op 17 september in Eindhoven.

zaterdag 9 september 2017

Tweemaal Candice Millard: 'River of Doubt' en 'Destiny of the Republic'


Biografieën van Amerikaanse presidenten zijn er in overvloed, maar de wijze waarop Candice Millard de levens van haar hoofdpersonen beschrijft is een klasse apart. Haar boeken over het leven van Theodore Roosevelt na zijn presidentschap en de aanslag op James Garfield en de nasleep ervan zijn onmisbaar voor een ieder geïnteresseerd in de levens van twee bijzondere presidenten. 

Als voormalig schrijver en redacteur van het eerbiedwaardige National Geographic ligt het niet meteen voor de hand om je te storten op de levens van Amerikaanse presidenten. Toch is dat precies wat Candice Millard heeft gedaan. In 2006 verscheen haar eerste boek River of Doubt over de Amazone–expeditie van Theodore Roosevelt. In 2012 volgde Destiny of the Republic over James Garfields onverwachte zegetocht naar het presidentschap en de aanslag op diens leven. Beide boeken waren een commercieel en kritisch succes. Inmiddels heeft ze haar horizon opnieuw verbreed, ditmaal met Winston Churchill. Afgelopen mei verscheen Hero of the Empire waarin zij zich richt op een minder bekend deel van het leven van Churchill: zijn tijd in Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlogen. Maar hier gaat het om Theodore Roosevelt (1858-1919) en James A. Garfield (1831-1881). Non-fictie die Millard naar het niveau van een meeslepende roman brengt. 

De laatste uitdaging voor Theodore Roosevelt
Theodore Roosevelt was bij leven al een legende. Oorlogsglorie verkreeg hij door het leiden van de Rough Riders tijdens de Spaans-Amerikaanse Oorlog (1898). Hij gaf hiervoor een positie in het kabinet van president McKinley op, maar zou vervolgens verkozen worden tot gouverneur van New York. Niet veel later werd hij Vice President onder McKinley. Niet lang na zijn herverkiezing zou McKinley ten prooi vallen aan een moordaanslag en werd Roosevelt de 26e President van de Verenigde Staten. In zijn (bijna) twee termijnen ontving hij de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn bijdrage aan het beëindigen van de oorlog tussen Japan en Rusland en legde hij de basis voor het Panamakanaal. Aangespoord door zijn afkeuring van het beleid van zijn opvolger William Howard Taft verliet hij de Republikeinse Partij en poogde het duopolie van Republikeinen en Democraten te doorbreken met de Progressieve Partij die in de volksmond de ‘Bull Moose Party’ werd genoemd naar de typering door een journalist over de fitheid van Roosevelt. Roosevelt zou de duopolie niet verbreken, maar kreeg wel meer stemmen dan Taft. Democraat Woodrow Wilson ging er – feitelijk door toedoen van Roosevelt - met het presidentschap vandoor.

Deze grote teleurstelling deed Roosevelt zich niet alleen terugtrekken op zijn landgoed, maar betekende ook dat hij door vele voormalige vrienden, kennissen en partijgenoten met de nek werd aangekeken. Een nieuwe uitdaging riep en uiteindelijk – eigenlijk bij toeval – werd het een expeditie naar de Amazone om de zogenaamde ‘River of Doubt’ (Rio da Dúvida) volledig in kaart te brengen. Dit in een tijd dat er nog steeds delen van de Aarde onontdekt waren, niet in de laatste plaats het grotendeels onbegaanbare en levensgevaarlijke Amazone-gebied. De Roosevelt-Rondon Scientific Expedition zou onder leiding van de bekende Braziliaanse ontdekker Candido Rondon en Roosevelt in 1913-1914 de rivier in kaart brengen. Een reis met grote tegenslagen, ziekte, dood en moord. Een reis die de boeken zou ingaan als de laatste uitdaging voor Roosevelt. Het knappe aan River of Doubt is dat Millard op meeslepende wijze de (barre) tocht schrijft met volop oog voor de pracht én het gevaar van de Amazone. Niet verwonderlijk gezien haar achtergrond bij National Geographic, maar bijzonder genoeg voelt zij zich net zo thuis in de evenzo meeslepende wijze waarop ze de politieke context van die tijd in het algemeen en die van Roosevelt in het bijzonder duidt en beschrijft. Een geweldig boek dat het meer dan waard is om meer dan eens te lezen. 

Een gek, een genie en president Garfield
Zoals een aanslag Roosevelt het presidentschap opleverde, zo maakte een moord een einde aan het presidentschap van James A. Garfield. Garfield was de 20e president van de Verenigde Staten en was president in de zogenaamde Gilded Age. Een periode gemarkeerd door een periode van grote economische groei en de volwassenwording van het Wilde Westen en de hernieuwde opname van het Zuiden na de Burgeroorlog. Een tijd van de robber barons en politieke machines die veelal ondermaatse en weinig indrukwekkende presidenten opleverden. Een kwalificatie die overigens niet voor Garfield geldt. Zijn kandidaatstelling tijdens de Republikeinse Conventie van 1880 was compleet onverwacht en voor de kandidaat in kwestie ongewenst. De strijd tussen James G. Blaine, Ulysses S. Grant en John Sherman was van epische proporties met uiteindelijk de Dark Horse-kandidatuur van Garfield. Met Destiny of the Republic laat Millard haar licht schijnen op die periode. 

In tegenstelling tot River of Doubt kan Millard niet teren op haar National Geographic-ervaring aangezien er geen Amazone of iets vergelijkbaars aan te pas komt. Maar ook hier weet ze op meeslepende wijze een verhaal te vertellen. Een verhaal dat alterneert tussen drie hoofdrolspelers die ze voorziet van context en betrokkenheid bij de aanslag op Garfield: aanslagpleger Charles Guiteau, uitvinder Alexander Graham Bell en uiteraard James Garfield zelf. De rollen van Garfield en vooral de volstrekt gestoorde Guiteau zijn evident, maar de uitvinder van de telefoon is dat toch minder. Bell was echter meer dan alleen de vader van de telefoon, maar in die periode was hij ook bezig met het ontwikkelen van een metaaldetector. Juist het instrument dat nodig was om de kogel die nog in Garfields lichaam zat te ontdekken. Op wederom onnavolgbare wijze schetst Millard het politieke systeem van die tijd, maar ook de hopeloos ineffectieve staat van de medische professie. Een professie die voor een groot deel niet geloofde in bacteriën en door niet-gesteriliseerd handelen vaak de patiënt meer schade deed dan goed. Millard maakt overtuigend duidelijk dat Garfield de moordaanslag had kunnen overleven als de artsen zich op de hoogte hadden gesteld en juist gebruik hadden gemaakt van de reeds aanwezige kennis voor steriele behandeling. De grote vorderingen die Bell met zijn metaaldetector maakte ten spijt. Het knappe aan Destiny of the Republic is dat Millard zo meeslepend schrijft dat je – hoewel je beter weet – denkt dat de inzet van Bell er alsnog toe leidt dat Garfield er bovenop komt. Helaas voor Garfield overleeft hij zijn doodstrijd van bijna drie maanden niet waardoor de Verenigde Staten een president verloor die op de drempel van grootsheid stond. Ironisch genoeg maakt Millard duidelijk dat zijn dood de Verenigde Staten – voor het eerst sinds het einde van de Burgeroorlog – tot eenheid bracht. 

Met slechts drie boeken op haar naam kan Candice Millard toch al bogen op een imposant oeuvre. Voor de liefhebbers van Amerikaanse politiek in het algemeen en presidenten als Roosevelt en Garfield in het bijzonder zijn haar eerste twee boeken volstrekt onmisbaar. Dit belooft veel goeds voor haar nieuwste boek en dus voor Winston Churchill. 

‘River of Doubt. Theodore Roosevelts’s Darkest Journey’ verscheen in 2006 terwijl ‘Destiny of the Republic. A Tale of Madness, Medicine and the Murder of a President’ uitkwam in 2011. Van beide boeken is geen Nederlandse vertaling beschikbaar. Deze recensie is tevens verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 3 september 2017

Bizar fascinerend. 'Top of the Lake: China Girl'


Een Aziatische vrouw gevonden in een rolkoffer op het iconische Bondi Beach van Sydney vormt de spil van Top of the Lake: China Girl van Jane Campion. Het lijkt de start van een detective, maar gaat uiteindelijk over een groep mensen en hun – soms bizarre – onderlinge verhoudingen. Een moordverhaal dat vooral geen moordverhaal is en daarom zo fascineert dat de zes afleveringen voorbij vliegen. 

De Nieuw-Zeelandse Jane Campion (1954) moet een fan zijn van Alfred Hitchcock want zeker het tweede seizoen van de door haar geschreven en deels geregisseerde Top of the Lake maakt effectief gebruik van de door Hitchcock bekend geworden MacGuffin dat in de woorden van Hitchcock “een technisch element of detail is dat het verhaal in gang zet”. In het eerste zevendelige seizoen was de MacGuffin ook al niet van de lucht. Waar het op het eerste gezicht handelde over de zoektocht naar de twaalfjarige zwangere (!) Tui, ging het toch ook erg over de bijzondere bewoners van het dorpje Laketop in Nieuw-Zeeland, hun onderlinge verhoudingen maar ook de rol van de vrouw waaruit de belangstelling van Campion voor feministische thema’s blijkt. Desalniettemin was de verdwijning van Tui een belangrijk element in het geheel en verre van een sideshow. Vier jaar na Top of the Lake is daar nu dus Top of the Lake: China Girl dat – bijzonder genoeg – ook precies vier jaar na de gebeurtenissen van het eerste seizoen plaats heeft. Inspecteur Robin Griffin – in een glansrol van Elisabeth Moss – heeft Nieuw-Zeeland verruild voor Australië en bouwt in Sydney een nieuw leven op. Een leven dat ruw verstoord wordt door een naargeestige vondst. Onherkenbaar verminkt door de blootstelling aan het zeewater en gepropt in een rolkoffer spoelt het lichaam aan van een – op grond van het typische haar – vermoedelijk Aziatisch meisje. De beschadigingen en blauwe plekken aan haar nek lijken te wijzen op wurging. Deze vondst vindt pas aan het einde van de eerste aflevering plaats, maar lijkt desalniettemin de hoofdmoot te vormen van de vijf resterende afleveringen. Niets is minder waar, want Top of the Lake: China Girl gaat helemaal niet over deze (vermeende) moordzaak, maar vooral over Robin Griffin, haar collega’s en de bijzondere relatie met haar dochter Mary. 

TripAdvisor voor hoeren
De zes afleveringen van Top of the Lake: China Girl tonen een bizarre kijk op menselijke verhoudingen in het algemeen en op vrouwen in het bijzonder. Tekenend is een groepje computernerds dat dagelijks samenkomt in een koffiebar waar ze – gezeten aan een grote tafel met laptops voor de neus – hun ervaringen met Aziatische prostituees delen met elkaar én hun digitale community via recensies. Een soort TripAdvisor voor hoeren. Maar ook het politiebureau is niet vrij van misogynie. Zo moet Robin zich laten welgevallen dat één van haar collega’s nogal geporteerd van haar is en eigenlijk continu, publiek en zeer ongepast haar poogt te verleiden tot een afspraakje. Tegelijkertijd wordt ze door haar chef opgescheept met een beginnende en nogal onzekere agent. Deze Miranda Hilmarson – gespeeld door Gwendoline – GoT’s Brienne of Tarth – Christie is een vat van tegenstrijdigheden en ook nog eens zwanger van haar chef. Die op zijn beurt gewoon getrouwd is en dat geen probleem voor de werkvloer vindt. Meestal hoop je dat wanneer de werksituatie van iemand “bijzonder” is dat het thuis allemaal wat meer op orde is. Helaas voor Robin lopen werk en privéleven volstrekt door elkaar. Niet alleen omdat Miranda ook nog eens aanrommelt met Robin’s broer, maar ook omdat haar dochter Mary langzamerhand betrokken raakt bij de zoektocht naar de identiteit van ‘China girl’. Want Mary is de dochter die Robin op jonge leeftijd kreeg naar aanleiding van een verkrachting en twee dagen na haar geboorte verzorgd is door Pyke en Mary Edwards. Een gezin dat – jawel! – ook de nodige problemen kent aangezien Mary haar lesbische kant aan het ontdekken is en nog maar deels thuis is. Een rol waar Campion Nicole Kidman voor heeft gestrikt die met verve haar karakter invulling geeft. Bijzonder aangezien Kidman al vijftig jaar is en de acteur die haar man speelt slechts zevenendertig is, maar samen overtuigend overkomen als echtpaar in de problemen. Doordat Mary problemen heeft, maakt Robin haar entree als biologische moeder. Een entree die tegelijkertijd impact heeft op haar onderzoek aangezien de oudere vriend van Mary, de Duitse Alexander “Puss” Braun, betrokken is bij een bordeel dat een thuis biedt aan Thaise vrouwen die ingezet worden als prostituee en daarmee een belangrijk aanknopingspunt zijn in de zoektocht naar de identiteit van ‘China Girl’. Tegelijkertijd speelt er veel meer waaronder een illegaal netwerk van draagmoeders betaald door Australische echtparen die geen kinderen kunnen krijgen. 

Bizar verslavend
En dit alles is slechts het topje van de ijsberg van dit bijzondere vervolg. Een vervolg dat toch behoorlijk afwijkt van het eerste seizoen door de bizarre gebeurtenissen en onderlinge verhoudingen. Het aardige daarbij is dat wanneer je het allemaal op een rijtje zet er vraagtekens bij de geloofwaardigheid gezet kunnen worden. Maar door de overtuigende vertolkingen en het goede script is het bizarre het nieuwe normaal geworden. Van een huwelijksvoltrekking die – door de vondst van drugs – verplaatst wordt naar de gevangenis en daar alsnog strandt tot de avonturen van een grote knuffelpanda, je moet het zien om te geloven waarom het bizarre zo geloofwaardig én verslavend uitpakt. Want verslavend is het zeker. Daar waar bij het vorige seizoen binge-watching niet echt aan de orde van de dag was, is dat bij Top of the Lake: China Girl tegengesteld. Het is verdraaid lastig om het bij één aflevering te houden. Met dan aan dat aloude Hitchcock-instrument de MacGuffin. 

Foto: Lumière



‘Top of the Lake: China Girl’ is in augustus op DVD en Blu-ray en wordt uitgegeven door Lumière. Tevens te zien via het digitale platform van Lumière.

zaterdag 2 september 2017

Concert 30 augustus 2017: Daniele Gatti's emotionele Bruckner


Robeco SummerNights 2017

Von Weber: Ouverture uit Euryanthe
Rihm: IN-SCHRIFT
Bruckner: Symfonie Nr. 9 Dem lieben Gott

Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Een chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest kan zich niet onttrekken aan de indrukwekkende Bruckner-traditie van het orkest. Gatti waagde zich vorig jaar voor het eerst aan Bruckner met diens Vierde Symfonie. Ditmaal was het de beurt aan Bruckner's zwanenzang. Wat volgde was een zeer eigenwijze en emotionele vertolking van Bruckner's machtige Negende Symfonie. 

De Bruckner-traditie van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) is in veel opzichten bijzonder. Daar waar die andere muzikale voorliefde, de muziek van Gustav Mahler, een evenzo belangrijke rol in het repertoire van het KCO neemt, is dat bepaald niet een exclusieve aangelegenheid van het Amsterdamse orkest. De concertreeksen gewijd aan het werk van Mahler zijn niet aan te slepen en je telt als dirigent niet mee wanneer je niet alleen een Beethoven-cyclus, maar ook jouw Mahler-inzichten voor het nageslacht bewaard zijn gebleven. Dat ligt bij Bruckner toch behoorlijk anders. Ondanks dat zijn werk in steeds meer concertzalen over ter wereld uitgevoerd wordt en maandelijks nog nieuwe opnames verschijnen van met name zijn negen symfonieën blijft de uitvoering van zijn werk toch vooral beperkt tot Nederland en de Duitstalige landen. En in die uitvoeringspraktijk voert het KCO - met dank overigens aan de standaard gezet door de Bruckner-opnames door Bernard Haitink voor Philips - zonder twijfel de boventoon. Iedere nieuwe dirigent van het KCO moet zich daarom bewijzen in Mahler, maar misschien nog wel belangrijker: in Bruckner. Een uitdaging die Gatti in volle overtuiging vorig jaar voor het eerst en nu weer is aangegaan.

Een eigenwijze Bruckner
Nog voordat Gatti vorig seizoen formeel aantrad als slechts de zevende dirigent in de bijna 130-jarige geschiedenis van het orkest lag de Vierde Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896) al op de lessenaar als onderdeel van de Robeco SummerNights 2016. Met een imponerende uitvoering van deze Romantische 'Jacht'-symfonie liet Gatti een overtuigend Bruckner-visitekaartje achter. Een jaar later en wederom tijdens de Robeco SummerNights en dus vlak voor de RCO Opening Night als start van het nieuwe seizoen dus weer Bruckner. Hoewel een prachtige Bruckner-uitvoering een noodzaak is voor een KCO-chef is dat bij Gatti op voorhand geen uitgemaakte zaak. Inmiddels een jaar verder kenmerkt zijn muzikale leiderschap zich door durf en rafelranden. Van Gatti mag het schuren, het gaat het immers om de emotie van de muziek. Deze aanpak is verre van risicoloos en heeft geleid tot briljante uitvoeringen, maar ook behoorlijke mislukkingen. Eén ding is daarbij zeker: gebaande paden tref je bij Gatti zelden aan. Ook zijn visie op de Negende Symfonie verraadt die insteek. Maar gelukkig leidde een eigenwijze uitvoering allerminst tot een tegenvallend resultaat. Opvallend daarbij was de grote emotie die Gatti in het werk stopte. Emotie die volstrekt zichtbaar werd bij het wegsterven van de laatste noten van het prachtige Adagio dat door de dood van Bruckner het sluitstuk vormt van de symfonie, ondanks een aantal (relatief geslaagde) pogingen om de finale te reconstrueren. De muziek had overduidelijk een aanslag gepleegd op het gemoed van Gatti. Een emotie die versterkt werd door het feit dat Gatti het orkest en het publiek geen pauze gunde door de delen attacca op elkaar te laten volgen. Hiermee werd het contrast tussen de delen vergroot en daarmee de emotie verdiept. Het eerste deel werd door Gatti relatief langzaam - gelijk de legendarische Carlo Maria Giulini - genomen waardoor de intensiteit en daarmee de langzame opbouw naar een prachtig hoogtepunt mogelijk werd. Dit werd gevold door het Scherzo dat - in de handen van Gatti - allesbehalve schertsend was. Als geen andere dirigent liet hij daarbij het duivelse en het hemelse alterneren. Niet eerder hoorde je zo duidelijk de vogeltjes fluiten én het orkest als stoomwals opgezweept door een bijna manische Gatti. Uiteindelijk culminerend in een prachtig genomen Adagio. Een echte Gatti-Bruckner die vast niet iedereen bevalt, maar een eigen plek heeft naast de meer gangbare en nog altijd toonaangevende uitvoeringen door bijvoorbeeld Haitink. De emotie die Gatti bij zichzelf losmaakte werd beantwoord door het publiek dat evenzo geconcentreerd dit avontuur met hem was aangegaan. 

Rihm en Weber
Dit in markant contrast met het avontuur dat voor de pauze werd aangegaan met de uitvoering van IN-SCHRIFT (1995) van Wolfgang Rihm (1952). Een twintig minuten durend orkestraal werk voor met name blazers en slagwerk dat twee muzikale lagen moet voorstellen die tegen elkaar schuren als een oceaanstomer op zee. Een muziekstuk dat ondergetekende niet kon bekoren. Het is ontzettend goed dat Gatti als ambassadeur van moderne muziek optreedt. Als KCO-chef is dat nobele oblige. Een taak waar Jansons zich met weinig overtuiging van afmaakte. Die overtuiging was er bij Gatti zonder meer. Het publiek was deels laaiend enthousiast (voor de muziek of het idee van de muziek?), maar het andere deel wist niet hoe snel ze naar de bar moesten komen. Zo snel dat Gatti bij het wederom neerdalen van de legendarische Concertgebouwtrap zich moest wurmen langs een roedel bezoekers die richting het buffet trokken. 

In eerste instantie was het de bedoeling dat het programma zou bestaan uit de tegenpolen van Rihm en Bruckner. Echter nam algemeen directeur van het KCO Jan Raes het woord voorafgaand aan het concert. Gelukkig niet met een mededeling van plotselinge ziekte van de dirigent of iets dergelijks, maar de prettige mededeling - overigens al tijden te lezen op de website van het Concertgebouw - dat aan het programma nog de Ouverture uit Euryanthe van Carl Maria von Weber (1786-1826) werd toegevoegd zodat het werk van Rihm gesandwiched werd tussen muziek uit de Romantiek. En wat een fijne toevoeging. De ouverture - profiterend van het KCO op volle oorlogssterkte nodig voor de uitvoering van Bruckner - werd met elan en plezier gebracht. Een mooie pendant voor wat nog komen zou. Zowel als tegengas voor Rihm als voorbereiding op het hoogtepunt: een Gattiaanse Bruckner.

Lees hier de recensie van de uitvoering van de Vierde Symfonie van Bruckner door het KCO onder Gatti vorig jaar. 

In juli en augustus vonden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Meer info over de Robeco SummerNights hier

donderdag 24 augustus 2017

Concert 22 augustus 2017: Virtuoos en volledig Bach de zomer in


Robeco SummerNights 2017

J.S. Bach: Tweede Orkestsuite in a, BWV 1067a
J.S. Bach: Vioolconcert in E, BWV 1042
J.S. Bach: Vioolconcert in a, BWV 1041
C.Ph.E. Bach: Vijfde Sinfonia in b Hamburger Sinfonie, Wq 182
J.S. Bach: Dubbel concert in d, BWV 1043
Vivaldi: Allegro uit Concerto Nr. 11 L'Estro Armonico (toegift)

Isabelle Faust (viool)
Bernhard Frock, Akademie für Alte Musik Berlin
Concertgebouw, Amsterdam

Een avond vol vader en zoon Bach is geen straf. Zeker niet in de virtuoze uitvoering door Isabelle Faust kundig en met veel enthousiasme begeleid door de Akademie für Alte Musik Berlin. Met stiekem toch nog een toefje Vivaldi, de componist die Bach inspireerde tot zijn prachtige vioolwerken. 

De Duitse violiste Isabelle Faust (1972) behoeft eigenlijk geen introductie. Vele malen onderscheiden en met een aantal hoog aanschreven opnames - waaronder het Vioolconcert van Beethoven met het Orchestra Mozart onder leiding van Claudio Abbado - is zij geen onbekende op de internationale podia. In het kader van de Robeco SummerNights was ze ditmaal te gast met het evenzo befaamde barokensemble Akademie für Alte Musik Berlin (Akamus). De historische geïnformeerde uitvoeringspraktijk van Akamus leidde ditmaal tot een volledig Bach-programma. Met niet alleen werk van Johann Sebastian Bach (1685-1750), maar ook van zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788). 

Italiaanse inspiratie
Drie vioolconcerten van Bach - BWV 1042, BWM 1041 en BWV 1043 - vormden het hart van dit programma. Als afsluiter Bach's bekendste en meest geliefde vioolconcert: het Dubbelconcert in d. Het vraag- en antwoordspel waarin de violen met elkaar in gesprek zijn, maar ook met het orkest vraagt om een virtuositeit en overtuiging die het spel van Isabelle Faust en Akamus definiëren. Gek genoeg leek het vioolspel van solist/leider Bernhard Frock wat weg te vallen in dit geweld. Dit is overigens maar een kleine aanmerking aangezien het overduidelijk was dat Faust, Frock en Akamus niet alleen genieten van de muziek van Bach, maar juist ook van het onderlinge samenspel. De vrolijkheid spat er vanaf en is één van de redenen waarom - los van het fijne programma - dit concert zo goed uitpakte. 

Een concert met louter werken van Duitse componisten dat toch veel te danken heeft aan Italië aangezien Bach zich liet inspireren door de Italiaanse vioolconcertentraditie in het algemeen en het werk van Vivaldi in het bijzonder. Bach zou Bach niet zijn wanneer zijn composities meer doorwrocht en minder lichtvoetig zijn dan de Italiaanse tegenhanger. Een eigenschap waar zijn zoon Carl Philipp Emanuel juist weer afstand van heeft genomen in zijn werk en weer dat lichtvoetige heeft zoals overtuigend ten gehore werd gebracht in zijn Vijfde Hamburger Sinfonie. Overigens wil dit zeker niet zeggen dat het werk van zijn vader zwaar op de hand is. Het overbekende laatste deel van de Tweede Orkestsuite, Badinerie, is zonder meer lichtvoetig, ook in deze aangepaste versie waar niet de fluit de hoofdrol heeft, maar de viool. Ook hier was de virtuositeit, maar vooral vingervlugheid van zowel Faust als Akamus indrukwekkend. 

Toch nog Vivaldi
Zo kwam een heerlijk concert tot stand dat nimmer verveelde en de bezoekers een fijne zomeravond bezorgde. En dat in de Grote Zaal die op voorhand - zeker voor een klein ensemble zoals Akamus - minder geschikt lijkt, maar daar in de praktijk niet veel van te merken was. Het grote enthousiasme van het publiek werd - hoe kon het ook anders - beloond met een toegift. Een toegift dat vooral niet Duits was, maar het Allegro uit het elfde concert uit de reeks L'Estro Armonico van - jawel! - Antonio Vivaldi. Toch nog een beetje Italië tussen het Duitse vioolgeweld door.  

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier

dinsdag 22 augustus 2017

Concert 20 augustus 2017: Een Italiaanse Last Night of the Proms met een gebbetje


Robeco SummerNights 2017

Vivaldi: De Vier Jaargetijden
Rossini: Ouverture uit La Cenerentola
Verdi: Intermezzo uit het Derde Bedrijf van La Traviata
Puccini: Quando me'n vo' soletta la via uit La Bohème
Cherubini: E che? Io son Medea uit Medea
Mascagni: Intermezzo Sinfonica uit Cavalleria Rusticana
Verdi: Ouverture uit La Forza del Destino

Tjeerd Top (viool)
Jan Willem de Vriend, Camerata RCO
Concertgebouw, Amsterdam

De Robeco SummerNights zijn het Nederlandse antwoord op de wereldberoemde Proms-concerten die de Britse muzikale zomer dragelijk maken. Met een potpourri aan Italiaanse hits van onder andere Vivaldi, Verdi en Puccini leek Camerata RCO onder leiding van Jan Willem de Vriend er vooral een Last Night of the Proms van te willen maken. Zeker omdat De Vriend altijd wel in is voor een gebbetje. 

Wie van klassieke muziek houdt, komt er in de zomer wat bekaaid vanaf. De reguliere concertprogrammering last een zomerstop in en de musici waaieren uit over de wereld om de diverse festivals te bevolken of om met het orkest het buitenland aan te doen. In muzikale hoofdsteden zoals Wenen zijn er zeker wel concerten, maar dan in de categorie 'gezellig toeristisch' waarbij in Wenen je overspoeld wordt door Mozart-orkestjes met dito pruiken. Toch iets anders dan het reguliere concertseizoen. Gelukkig betreft dit een minderheid en is er genoeg te genieten. De Britse Proms-concerten die de zomer muzikaal in de Royal Albert Hall opluisteren zijn het bekendste voorbeeld, maar de Robeco SummerNights in het Amsterdamse Concertgebouw zijn inmiddels ook een begrip. Beide festivals bieden een gevarieerd aanbod waarbij een diversiteit aan orkesten, ensembles en solisten hun opwachting maken. Het beeld van de Proms is vooral dat van de befaamde Last Night of the Proms gemarkeerd door 'makkelijke' (meezing-)muziek, vlagvertoon en confetti, maar feitelijk in schril contrast staat met de rest van het programma. De Nederlandse variant kent een dergelijke laatste avond niet, hoewel er dit jaar wel een Last of the SummerNights is die het Britse trucje imiteert. Deze laatste avond is pas op 31 augustus, maar dat weerhield Jan Willem de Vriend en Camerata RCO er niet van om afgelopen zondagavond een soort Last Night of the Proms met louter Italiaanse klassiekers ten gehore te brengen. Een gebbetje her en der ontbrak daarbij niet. 

Bibberend de zomer in
Italië is hofleverancier van eminente én bekende componisten en dat was te merken ook. Om recht te doen hieraan trad het Camerata RCO aan. Een gezelschap dat - in tegenstelling tot de andere orkesten en ensembles - helemaal niet op pad hoeft voor de Robeco SummerNights aangezien dit ensemble bestaat uit leden van het Koninklijk Concertgebouworkest. Het ensemble bepaalt daarbij zelf het repertoire, maar ook de bezetting en waar ze spelen. Onder leiding van bij het KCO graag geziene gastdirigent Jan Willem de Vriend werd het dus de Robeco SummerNights en een volledig Italiaans programma. Een programma dat gedomineerd werd door De Vier Jaargetijden van Antonio Vivaldi (1678-1741). Een werk dat zo bekend is (en berucht als liftmuziek) dat je soms afvraagt of het nog wel de moeite van het uitvoeren waard is. Voor de rol van solist heeft Camerata RCO een beroep gedaan op collega en plaatsvervangend concertmeester Tjeerd Top. Een gelukkige keuze want hoe overbekend ook het werk klonk fris door een eigenwijze uitvoering waar je de jaargetijden bijna letterlijk kon horen in de muziek. Nu was Vivaldi daar al van nature meesterlijk in, maar het Camerata RCO en vooral Tjeerd Top gaven hier een extra dimensie aan. Zo hoorde je in de Winter echt het bibberen door de strijkers. Het klinkt allemaal vreselijk bekend, maar dat mocht de pret niet drukken. Al helemaal niet toen - hoe kon het ook anders in deze setting - Top een toegift ten gehore bracht. Een toegift waarmee hij de barok van de 18e eeuw verbond met die van de 20e eeuw: een bewerking voor soloviool van werk van Led Zeppelin.

Een mes voor een zwangere ensemblelid
Na de pauze kwam het karakter van een Last Night of the Proms helemaal los. Italiaanse publiekslievelingen zoals de ouvertures van Rossini's La Cenerentola, Verdi's La Forza del Destino en het  Intermezzo Sinfonica uit Cavalleria Rusticana van Mascagni werden overtuigend en transparant gespeeld. Dat is best een verdienste aangezien het ensemble, ondanks wat toevoegingen, natuurlijk niet een volledig orkest kan vervangen dat normaliter dit werk speelt. De toevoeging van een accordeon was daarbij enerzijds koddig, maar ook handig om het blazerswerk deels te vervangen in La Forza del Destino. Diezelfde accordeon had ook een hoofdrol in de aria E che? Io son Medea uit Cherubini's Medea. Net als een aria uit La Bohème verving het ensemble de zingende solist. De aria uit Medea was zelfs een nieuwe versie van de aria waarin Medea haar tegenstrijdige gevoelens bezingt om vervolgens haar eigen kinderen te vermoorden. Voorafgaand werd het drama wat ingeperkt doordat - wat koddig en niet voor de hele zaal zichtbaar - De Vriend een mes gaf aan het zwangere lid van het ensemble. Het zelfde lid dat na de pauze wat zoekend het podium was opgekomen. Het vervangen van de zang werkte uitstekend, maar na een prima einde met La Forza del Destino kwam er (natuurlijk!) ook hier een toegift. Wederom leek het een instrumentale versie van een aria van Verdi, maar ditmaal met het traditionele 'bloemenmeisje' die - met een enkele bloem in de hand - enkele leden van het ensemble aan het verleiden was om vervolgens aangekomen bij De Vriend in een heerlijke aria uit te barsten. Je kan het slechter treffen op een zomeravond.  

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.  

dinsdag 15 augustus 2017

De twee gezichten van Richard Nixon. 'Richard Nixon. The Life' van John A. Farrell


Vorige week was het precies 43 jaar geleden dat Richard Nixon voor het laatste het Witte Huis verliet als eerste en vooralsnog enige President van de Verenigde Staten die voortijdig moest aftreden. Inmiddels kan een flinke boekenkast gevuld worden met boeken over Richard Nixon. John A. Farrell doet met Richard Nixon. The Life ook een duit in het zakje. Maar goed ook, want deze nieuwe biografie is een evenwichtige en waardevolle bijdrage aan de duiding van het enigma dat Nixon nog altijd is. 

De 37e President van de Verenigde Staten is een man van twee gezichten. Richard Milhous Nixon (1913-1994) was de man die grote internationale successen vierde door de deur naar China te openen en verstrekkende afspraken over ontwapening met Rusland te maken, maar ook zich niet onbetuigd liet in de binnenlandse politiek onder andere op het gebied van milieu en burgerrechten. Maar het was ook de man van Watergate waarbij de befaamde Nixon Tapes niet alleen duidelijk maakten dat hij indirect verantwoordelijk was voor de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij maar ook de opdracht gaf om de inmenging van het Witte Huis te verdonkeremanen. Opnames die tegelijkertijd ook een inkijkje gaven in het andere – vulgaire - gezicht van Nixon: vloekend en tierend over alles en iedereen, maar in het bijzonder de liberale elite, zwarte Amerikanen en Joden. Een gezicht dat hij in het openbaar weinig liet zien, behalve toen hij zich na de verloren verkiezing voor gouverneur van Californië liet gaan tijdens zijn “laatste” persconferentie op 7 november 1962: “You don’t have Nixon to kick around any more, because, gentleman, this is my last press conference”. Na deze verloren verkiezing leek het gedaan met de politieke carrière van Nixon. Een carrière die hem via het Congres – als achtereenvolgens lid van het Huis van Afgevaardigden en Senator – naar het Witte Huis bracht als vicepresident onder Dwight D. Eisenhower. De nipt van John F. Kennedy verloren verkiezingen voor het presidentschap in 1960 vormden zijn eerste echte nederlaag terwijl die avond in het Beverly Hilton Hotel definitief een einde leek te maken aan zijn politieke carrière. Naar aanleiding van dit verlies zond de Amerikaanse zender ABC zelfs de half uur durende special The Political Obituary of Richard Nixon uit. Maar Nixon zou wel degelijk het Witte Huis bewonen. De moord op Kennedy en het presidentschap van Johnson overschaduwd door de Vietnamoorlog zou de basis leggen voor de terugkeer van Nixon die in 1972 met record brekende overmacht herkozen zou worden terwijl de fatale wonden van Watergate – zonder het te weten – al geslagen waren. 

Fair and balanced
Het is bijzonder lastig om een goede biografie van Nixon te schrijven juist vanwege zijn twee gezichten. Fair and balanced – en dan niet in de betekenis van Fox News – is lastig wanneer een politicus zulke tegengestelde emoties los maakt. Tegelijkertijd is er al zoveel over hem, maar ook door hemzelf geschreven dat je je kunt afvragen wat een nieuwe biografie nog toevoegt. Lang heb ik uit de voeten gekund met de evenwichtige biografie uit 2007 Richard M. Nixon: A Life in Full van de zelf in ongenade gevallen krantenmagnaat Conrad Black (die overigens ook een uitstekende biografie van Franklin Delano Roosevelt op zijn naam heeft staan) aangevuld met de boeken van Bob Woodward en Carl Bernstein over Watergate en boeken gericht op de opening naar China en de bijzondere verhouding met Kissinger. Het knappe van de nieuwe biografie van John Farrell is dat hij het voor elkaar heeft gekregen om het enigma Nixon te vangen in een ééndelige biografie van net iets meer dan 550 pagina’s. Gezien de complexiteit van Nixon en zijn enorme politieke carrière een grootse prestatie. Niet in de laatste plaats omdat Farrel het voor elkaar krijgt om zich niet louter op hoofdlijnen te richten. Enige kennis van het politieke systeem en geschiedenis van de Verenigde Staten is handig, maar ook voor Nixon-amateurs is dit een zeer toegankelijk boek dat ook nog eens vlot geschreven is en daardoor fijn leest. Het aardige daarbij is dat ondanks het feit dat Nixon inmiddels ruim twintig jaar geleden overleed en door de Nixon Tapes al veel bekend is er nog altijd nieuwe dagboeken en geheime documenten opduiken. Farrell maakt gebruik van de nieuwste inzichten. Dit leidt niet tot een ander beeld van Nixon, maar kleurt een en ander wel verder in. Zo is hij zeer gedetailleerd over Nixon’s eerste verkiezing tegen de links-liberale Jerry Voorhis en bewijst hij dat Nixon – via de Republikeinse fondsenwerver Anna Chennault – een mogelijke vredesdeal torpedeerde in de aanloop naar de voor hem succesvolle presidentsverkiezingen in 1968. Een flink staaltje van landverraad. Die verkiezing - een driestrijd met Democraat Hubert Humprey en de Dixiecrat George Wallace – won hij niet bepaald overtuigend. Een ander nieuwtje – althans voor deze lezer – was hoe de Republikein Nixon zich – in zijn latere jaren weliswaar - opstelde ten opzichte van homoseksualiteit. In een terzijde meldt Farrell dat toen de Nixons in 1980 Californië verruilden voor New York hun laatste dinergasten een voormalige assistent en zijn vriend waren. Farrell stelt dat Nixon – uiteraard niet alleen op grond van één diner – het gedachtegoed van de jaren zestig achter zich liet. Een ontwikkeling die hem – met name ook op ander gebied – steeds verder op afstand deed komen van het conservatieve deel van de Republikeinse Partij dat in weinig meer lijkt op de partij waar hij groot in werd.

Nixon in perspectief
Los van deze nieuwtjes en het feit dat het een goed geschreven biografie is, onderscheidt Richard Nixon. The Life zich vooral door het feit dat het Nixon in perspectief plaatst. Allereerst in het perspectief van zijn sociale achtergrond en de interne strijd tussen de karaktertrekken van zijn vader en die van zijn moeder. Farrell plaats dat onder andere in het perspectief van zijn ambigue houding ten opzichte van de burgerrechtenbeweging: 

And yet. If Nixon’s behavior on the rights of black Americans reflected his political calculations, it also showed the striations in his character. He would not have gotten to be president without that streak of Frank Nixon’s feistiness: after years of rising in a cutthroat business with no cause to carry him but his own wits, gall, and footwork, Nixon was crafty and expedient. He was a son of Southern California conservatism, with an old-fashioned veneration of values like property, order, word, and duty. But he was, as well, Hannah Nixon’s boy – a sensitive man, raised in the Quaker faith, with a feel for underdogs and outsiders.
Dat gevoel voor underdogs en outsiders paste hij ook op zichzelf toe waardoor hij zich vaak slachtoffer waande van de machinaties van een elite waar hij nooit toe had behoord of zou behoren. Enerzijds bevestigt dit het paranoïde karakter van Nixon en vormt dit de verklaring voor zijn onuitputtelijke én succesvolle drang om een politieke reus te worden én is het ook de verklaring waarom Nixon uiteindelijk zichzelf politiek te grave droeg. Anderzijds plaatst Farrell dit gevoel in perspectief en maakt daarmee duidelijk dat hoewel Nixon vooral spoken zag hij desalniettemin wel degelijk een punt had. Niet alleen omdat er wel degelijk tegenstanders waren die op zijn val uit waren, maar ook dat het spioneren van vijanden, het opnemen van gesprekken en de macht van de overheid inzetten tegen vijanden gemeengoed was voor een preisdent: zijn voorgangers waren er ook niet vies van. Van de heilig verklaarde Eisenhower tot de machtspoliticus par excellence Roosevelt en zeker Kennedy en Johnson. Het probleem voor Nixon was dat hij in een tijd president werd waar dit niet alleen niet meer geaccepteerd werd, maar dat deze machinaties ook zichtbaar waren. Dat betekent overigens niet dat het lot van Nixon buiten zijn schuld om was, maar het geeft veel meer reliëf aan een – in alle betekenissen van het woord – bijzondere presidentschap. Een presidentschap dat diepe dalen en historisch verstrekkende hoogtepunten kent. Een presidentschap met twee gezichten dat misschien wel mooi wordt verbeeld door de laatste foto van het Nixon-gezin aan de vooravond van zijn gedwongen vertrek uit het Witte Huis. Een bijna ongemakkelijk en onwerkelijk beeld van een gelukkig gezin. Toen het gezin klaar was met deze exercitie maakte de fotograaf nog een foto: van Nixon omhelst door zijn dochter Julie. Het verdriet en de wanhoop spat eraf. Zijn afscheidsrede in het Witte Huis bevat de dubbelzinnigheid van Nixon: “because only if you’ve been in de deepest valley can you ever know how magnificent it is to be on the highest mountain.” Tegelijkertijd blijkt ook – uiteindelijk – de zelfkennis over wat hem ten gronde heeft gebracht: “Always remember others may hate you, but those who hate you don’t win unless you hate them and then you destroy yourself.” 

‘Richard Nixon. The Life’ van John A. Farrell is maart jl. verschenen in de Verenigde Staten. De Europese editie wordt in oktober gepubliceerd. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 7 augustus 2017

Concert 6 augustus 2017: De 'Onvoltooide' van Schubert eindelijk voltooid?


Robeco SummerNights 2017

Berwald: Ouverture Estrella de Soria
Brahms: Vioolconcert
Schubert: Symfonie Nr. 8 Unvollendete (bew. Mario Venzago)

Arabella Steinbacher (viool)
Kevin John Edusei, Münchner Symphoniker
Concertgebouw, Amsterdam

Na het geslaagde debuut vorig jaar is de Münchner Symphoniker onder leiding van Kevin John Edusei ook dit jaar weer van de partij bij de Robeco SummerNights. Een heerlijk Romantisch programma met muziek van Berwald, Brahms en Schubert vormt het uitgangspunt voor een geslaagd concert. Een concert met een novum: de voltooide "Onvoltooide" van Schubert. 

De Robeco SummerNights in het Amsterdamse Concertgebouw zijn al sinds jaar en dag vast prik voor muziekliefhebbers die in de concertluwe zomermaanden aan hun trekken willen komen. Met een toegankelijk programma van klassieke muziek, maar ook jazz en pop weet het Concertgebouw in de maanden juli en augustus veelal volle zalen te trekken. Hoewel de programmering niet bepaald avontuurlijk is, biedt de serie wel de mogelijkheid om ensembles en orkesten te horen die normaliter niet snel het Concertgebouw aan doen. Een mooi voorbeeld hiervan is de Münchner Symhponiker. Eén van de vier (!) orkesten die de stad München rijk is. Onder leiding van de energieke en jonge Kevin John Edusei (1976) timmert dit in het klassieke Romantische repertoire gespecialiseerde orkest aan de weg. Weliswaar in de schaduw van met name het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding van Mariss Jansons en de Münchner Philharmoniker waar Valeri Gergiev de scepter zwaait. Het vierde orkest in het drukke muzikale leven van München is het orkest van de Bayerischen Staatsoper. Vorig jaar maakte het in 1945 opgerichte Münchner Symphoniker een mooi debuut met een ouverture van Verdi, Tsjaikovski's Vioolconcert en de Italiaanse symfonie van Mendelssohn. Hoewel het vioolspel van Simone Lamsma wat tegenviel, was het zonder meer een meer dan goede avond. De formule van een ouverture, vioolconcert en symfonie is ook dit jaar weer ter hand genomen, maar ditmaal een ouverture van de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald, het Vioolconcert van Johannes Brahms en de 'Onvoltooide' van Franz Schubert. Hoewel de bijnaam van die laatste niet klopt aangezien Edusei naar Amsterdam is getogen met de voltooide versie van de Achtste Symfonie. Een voltooide 'Onvoltooide' dus.

De immer elegante Arabella Steinbacher
Niet alleen een partituur met twee extra delen Schubert kwamen met Edusei mee naar Amsterdam, ook de relatief onbekende Zweedse componist Franz Berwald (1796-1868) had een plekje in zijn bagage verworven. Althans de ouverture van zijn liefdesopera Estrella de Soria die een heerlijke energieke start van het zomerconcert betekende. Maar naast deze twee partituren had Edusei ook violiste Arabelle Steinbacher mee. Steinbacher is een graag geziene gast bij de Robeco SummerNights waar zij in 2015 nog een elegante en technisch zeer begaafde vertolking ten gehore bracht van het Vioolconcert van Tsjaikovski. Een geliefd vioolconcert dat tot de absolute top hoort in het genre van het Romantische vioolconcert. Een top die verder bestaat uit de vioolconcerten van Beethoven, Mendelssohn en Sibelius. En natuurlijk het vioolconcert van Johannes Brahms (1833-1897) dat opgedragen is aan de violist Joseph Joachim en overeenkomsten heeft met het vioolconcert van Beethoven. Met name in het uitgebreide eerste deel waar een lange en heerlijke orkestrale introductie de weg plaveit voor prachtig vioolspel. Een vioolspel dat aan Steinbacher wel toevertrouwd is. Dezelfde elegantie en technische bekwaamheid die haar twee jaar geleden kenmerkte, was ook nu weer volop aanwezig. Het samenspel met de Münchner Symphoniker - op een wat hobbelige herintroductie van het orkest na haar solo aan het einde van het eerste deel na - was zonder meer goed en was niet in de laatste plaats te danken aan de heldere en levendige dirigeerstijl van Edusei. Een samenspel dat zich ook liet gelden in lyrische tweede en Hongaars aandoende derde deel. Het publiek lustte er wel pap van en beloonde - nogal hinderlijk - ieder deel van het vioolconcert met een applaus.

Gebrek aan mysterie en majesteit 
Ook na de pauze zette deze trend zich voort en mocht ieder deel van de Achtste Symfonie van Franz Schubert (1797-1828) zich "verheugen" op applaus van in ieder geval een deel van het publiek. Normaal zou dit overigens minder erg zijn aangezien de 'Onvoltooide' niet voor niets zo heet en slechts twee delen telt. Edusei heeft echter gekozen voor een versie van de symfonie die door Mario Venzago is gecompleteerd en daarom het reguliere aantal van vier delen kent. Bijzonder aangezien het nooit helemaal duidelijk is geworden waarom de symfonie slechts twee delen telt. Was Schubert tevreden met de twee delen, was zijn inspiratie op of zijn de laatste twee delen verloren gegaan? We zullen het nooit weten. Wat wel bekend is, is dat een schets van een Scherzo door Schubert is nagelaten, maar dat van een vierde deel geen noot is teruggevonden. Dit heeft de Zwitserse dirigent Mario Venzago niet weerhouden om de 'Onvoltooide' te voltooien. Bekend geworden van zijn nieuwe kijk op en intrigerende uitvoeringen van de symfonieën van Bruckner heeft hij Schubert's meesterwerk voltooid door vooral te putten uit Schuberts toneelmuziek bij Rosamunde  die rond dezelfde tijd tot stand kwam. Deze twee nieuwe delen zijn onmiskenbaar Schubertiaans en heerlijk om naar te luisteren. Maar ondanks dat het prachtige en mysterieuze beginthema een rentree maakt in het laatste deel, was wel heel duidelijk te horen dat de toneelmuziek van Rosamunde het mysterie en het majesteitelijke mist van de twee eerste delen. Het komt daarom - althans voor deze luisteraar - niet helemaal samen, hoewel het niet bepaald een straf is om dubbel zoveel Schubert in een programma te hebben. Aan de uitvoering lag het overigens ook niet. Edusei en zijn Münchner musici kwijten zich uitstekend van hun taak. Wel opvallend was dat het tempo van de symfonie - althans de alom bekende eerste twee delen - sneller dan gebruikelijk was. Niet per se vervelend, maar soms niet altijd passend. Misschien lag de tempokeuze ook wel besloten in het feit dat de symfonie door de Venzago-toevoegingen bijna twee keer zo lang is geworden en dat daarom een sneller tempo door Edusei noodzakelijk wordt geacht om de spanning erin te houden. Hoe het ook zij: het was misschien niet het meest geslaagde experiment, maar dat mocht de pret allerminst drukken en dit concert - net als het debuut vorig jaar - blijft een warme aanbeveling voor de Münchner Symphoniker voor een terugkeer volgend jaar. En Edusei bevestigt - na het debuut vorig jaar, maar ook een zeer geslaagde concertante uitvoering van de opera Nixon in China van John Adams afgelopen februari in het Concertgebouw - een dirigent te zijn die het volgen waard is.


Lees hier de recensie van het debuut van de Münchner Symphoniker bij de Robeco SummerNights in 2016.

In juli en augustus vinden in het kader van de Robeco SummerNights een reeks zomerconcerten plaats. Na een (geslaagd) debuut vorig jaar maakte het Münchner Symphoniker op 6 augustus haar rentree bij de Robeco SummerNights. Meer info over en kaarten bestellen voor de Robeco SummerNights hier.  


zaterdag 5 augustus 2017

Een fataal alter ego. 'The Dark Half' van Stephen King


De boeken van Robert Galbraith, Marek van der Jagt en Richard Bachman zijn allesbehalve hetzelfde, maar delen een belangrijke eigenschap: de schrijvers ervan bestaan niet. Ze zijn slechts bedacht als anoniem vehikel voor respectievelijk J.K. Rowling, Arnon Grunberg en Stephen King. Maar wat als het literaire alter ego een eigen plek opeist? De (fatale) gevolgen hiervan vormen de basis voor Stephen King's spannende The Dark Half

Een pseudoniem kan bevrijdend werken. Zeker in het geval van J.K. Rowling die gewoon op haar merites wenste te worden beoordeeld dan slaafse bestsellers op grond van haar Harry Potter-faam. Na de onder haar eigen naam uitgebrachte The Casual Vacancy was daar opeens een nieuwe ster aan het detective-firmament: Robert Galbraith die bescheiden succes vierde met The Cuckoo's Calling. Helaas was het geheim al snel verklapt en schoot de verkoop van Galbraith de lucht in, maar Rowling hanteert nogal altijd haar literaire alter ego voor de avonturen van detective Cormoran Strike. Arnon Grunberg wilde ook zijn eigen geschiedenis achter zich laten en introduceerde de onbekende Marek van der Jagt. De gelijke schrijfstijl zou uiteindelijk verraden dat er van een nieuwe schrijver geen sprake was, maar Grunberg wist zich nog lang in stilzwijgen te hullen over zijn alter ego. Voor Stephen King bleek een andere afweging te spelen om zijn pseudoniem Richard Bachman te introduceren. Zijn uitgever vond zijn ongekend hoge productie van meerdere boeken per jaar niet goed voor zijn brand waardoor Bachman het licht zag. Ook in dit geval werd de ware identiteit van het alter ego tegen de wil van de schrijver bekend. Een persbericht dat Bachman aan kanker was overleden, maakte een einde aan literaire tweelingbroer van King. Daarmee suggererend dat Bachman toch een schrijver van vlees en bloed was geweest in plaats van ontsproten aan het schrijversbrein. Niet voor het eerst zou een deel van het leven van King de basis vormen voor een (griezel)roman. 

Moorddadig 
Want in The Dark Half introduceert King de schrijver Thad Beaumont die hoewel hooglijk gewaardeerd wordt om zijn literaire debuut nu niet bepaald een verkoopkanon is. In het geheim heeft hij daarom zich gestort op de misdaadroman met in de hoofdrol de moordzuchtige Alexis Machine. Een enorm verkoopsucces dat zijn literaire werk in de schaduw stelt en vergezeld gaat van een pseudoniem: George Stark. Een pseudoniem waar hij uiteindelijk afscheid van wil nemen. Niet alleen omdat de koek op lijkt te zijn, maar ook om ruimte te geven aan zijn literaire ambities. Daarom kiezen Thad en zijn vrouw Elizabeth ervoor om niet alleen het geheim over de ware identiteit van George Stark te onthullen, maar hem ook ten grave te dragen. Letterlijk ten grave te dragen aangezien een artikel over deze onthulling gepaard gaat met een foto van een grafsteen van George Stark. Het had bijna over Richard Bachman kunnen gaan. Slechts één van de vele overeenkomsten tussen de in Maine wonende Thad Beaumont en Stephen King die zo ontzettend gehecht is aan New England en waar een groot deel van zijn verhalen afspelen. De vraag is echter in hoeverre Beaumont nu daadwerkelijk vrijwillig afscheid heeft genomen van Stark wanneer blijkt dat in Washington een student op gruwelijke wijze is vermoord met verwijzing naar het werk van Stark en de relatie met Beaumont. Een student die blijkens wat politiewerk op het punt stond om de ware identiteit van Stark te onthullen. Beaumont en zijn vrouw waren hem echter net voor en deden dit bewust om hem een hak te zetten. En zo wordt een fictief alter ego betrokken in een wel zeer realistische moordzaak. Maar Stephen King kennende blijft het hier niet bij en lijkt er meer aan de hand dan een simpele moordzaak. 

Thad Beaumont vs George Stark
En zonder al te veel spoilers weg te geven, verandert The Dark Half van een soort detective in iets veel mysterieuzers: wie of wat is de brenger van dood en verderf. Is het iemand die zich voordoet als George Stark of is het Beaumont die zijn alter ego misbruikt om diverse rekeningen te vereffenen. Of is er nog iets gekkers aan de hand? Is George Stark misschien wel veel meer dan een pseudoniem, maar een mens van vlees en bloed. Zoals verwacht mag worden van King weet hij dit gegeven om te zetten in een heerlijke en spannende pageturner. Waarbij de eerlijkheid wel gebiedt te zeggen dat het laatste deel van het boek minder indruk maakt dan het eerste deel. Niet eens zozeer omdat dan duidelijk is hoe de vork in de steel zit met betrekking tot George Stark, maar vooral omdat de apotheose wat meer run of the mill is en geen mysterie meer kent. Het laat overigens onverlet dat The Dark Half niet voor niets behoort tot de betere verhalen en behoort tot het literaire Pantheon van Stephen King waartoe ook klassiekers als It, Pet Sematary en Salem's Lot toebehoren. Een boek dat J.K. Rowling en Arnon Grunberg vast en zeker de nodige nachtmerries zal hebben bezorgd. Want een George Stark is toch zeker niet wat zij voor ogen hadden met hun literaire pseudoniem. 

'The Dark Half' van Stephen King is in 1989 voor het eerst verschenen. Een Nederlandse vertaling 'De Duistere Kant' is ook uitgegeven. 

maandag 31 juli 2017

De oermoeder van Stephen King en Neil Gaiman: 'The Haunting of Hill House' van Shirley Jackson


Een goed horrorverhaal schrijven is weinigen gegeven. Een literair horrorverhaal is nog zeldzamer. The Haunting of Hill House van Shirley Jackson valt in die laatste categorie. Een verhaal dat een halve eeuw later niet aan kracht heeft ingeboet. Het is daarom niet vreemd dat Shirley Jackson een belangrijke inspiratie is voor schrijvers zoals Stephen King en Neil Gaiman. 

Wanneer schrijvers als Stephen King (o.a. It, Carrie, The Shining) en Neil Gaiman (American Gods) je als inspiratiebron noemen, dan kan je niet anders dan het lezen waard zijn. En hoewel de naam Shirley Jackson (1916-1965) niet meteen veel mensen wat zal zeggen, is haar meest invloedrijke werk The Haunting of Hill House zonder twijfel bekend. Alleen al vanwege de verfilmingen onder de titel The Haunting uit 1963 en 1999. Zeker voor Nederlanders is die laatste film niet onbekend aangezien Jan de Bont de regisseur is. Helaas viel de film – met in de hoofdrollen Liam Neeson en Catharina Zeta-Jones – behoorlijk tegen en week deze ook flink af van het oorspronkelijke verhaal. Heel vreemd aangezien het boek uit 1959 tijdloos is en je nog altijd een bepaald gevoel van ongemak geeft. Essentieel voor een geslaagd horrorverhaal. Jackson is bekend geworden door het sinistere korte verhaal The Lottery (1948) maar haar naam is echt gevestigd door The Haunting of Hill House. Een verhaal over een spookhuis dat dermate subtiel dat het boek volstrekt niet aan kracht heeft ingeboet. 

Ongemak
Het bijzondere aan The Haunting of Hill House dat je een verhaal over een (vermeend) spookhuis automatisch situeert in de shires van Engeland waar tal van huizen een passend decor vormen voor een horrorverhaal. Shirley Jackson laat één van de beste literaire spookverhalen plaats vinden in het Verenigde Staten van de jaren vijftig. Het huis in kwestie – Hill House – is een huis met een verleden. In een heerlijke omschrijving stelt Jackson het huis voor aan de lezer en maakt duidelijk dat het huis reeds tachtig jaar bestaat en waarschijnlijk nog minimaal net zoveel jaar zal voortbestaan. Gebouwd door Hugo Crain is het een huis dat veel verdriet en onverklaarbare fenomenen met zich mee torst. Na de ongelukkige familiegeschiedenis van Crain, zijn diverse vrouwen en twee dochters valt het eigendom uiteindelijk buiten de familie Crain. De nieuwe eigenaren kunnen er maar weinig van genieten aangezien nieuwe bewoners na enkele dagen weer vertrekken. Een uitgelezen kans voor Dr. Montagu om wetenschappelijk te bewijzen dat het bovennatuurlijke bestaat. Daartoe nodigt hij een drietal proefkonijnen uit om samen met hem enkele nachten door te brengen in het huis en te bezien in hoeverre de verhalen kloppen. Naast een Luke Sanderson, familielid van de huidige eigenaar nemen aan dit experiment Eleanor Vance en Theodora deel. Met name Eleanor is een bijzonder geval. Lange tijd is zij mantelzorger geweest van haar zieke moeder. Net overleden blijkt dat Eleanor na de zorg voor haar moeder eigenlijk geen leven heeft en al helemaal geen bezit. Mede met dank aan haar vervelende zus en diens man. Ze is diep ongelukkig en ziet in dit experiment een kans om zich hieraan te onttrekken. 

Bovennatuurlijk?
Eleanor treft een huis aan dat in het nabijgelegen dorp wordt gemeden als de pest. Daarbovenop wordt ze geconfronteerd met het echtpaar de heer en mevrouw Dudley die als huisbewaarders optreden en aan wie hartelijkheid niet bepaald besteed is. Duidelijk is dat er iets mis met het huis is, maar of het bovennatuurlijk is? Jackson weet haarscherp dit vreemde huis tot leven te brengen, maar ook de bijzondere relatie die ontstaat tussen vier vreemden die samen worden gebracht in het experiment dat Hill House is. Een relatie die  wordt opgeschud door de onverwachte komst van de nogal bazige mevrouw Montagu en een vriend van haar de rechtlijnige Arthur Parker. Het knappe is dat Jackson de spanning subtiel opbouwt, maar ook het bovennatuurlijke karakter van Hill House fijn in het midden laat. Ze verlaagt zich niet tot effectbejag en de schrikmomenten die er zijn (en nog altijd zeer effectief uitpakken) komen voort uit het kleine. De reden wellicht waarom de Jan de Bont-versie van The Haunting – die verre van trouw aan het boek is – zo weinig geslaagd is. In de handen van Jackson is een platgetreden pad als een spookhuis een literair hoogtepunt in het genre. Een hoogtepunt dat je doet blijven gissen naar het echte verhaal van Hill House maar volstrekt duidelijk maakt waarom Jackson schrijver als Stephen King en Neil Gaiman terecht heeft geïnspireerd. 

‘The Haunting of Hill House’ van Shirley Jackson is voor het eerst in 1959 verschenen. Een Nederlandse vertaling is verschenen, maar de laatste versie hiervan was een filmeditie ter gelegenheid van ‘The Haunting’. Deze editie is alleen tweedehands verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 22 juli 2017

De laatste Romeinse keizer. 'Julian' van Gore Vidal



Ruim vijftig jaar geleden schreef Gore Vidal zijn roman over Julianus. Het kortstondige, glorieuze en tegendraadse leven van de laatste heidense Romeinse keizer inspireerde Vidal tot wellicht zijn beste roman die - gelijk Julianus - nog altijd tot de verbeelding spreekt. 

Het leven van Romeinse keizers ging lang niet altijd over rozen. Niet voor niets koos Fik Meijer voor zijn biografie van alle Romeinse keizers uit 2001 de veelzeggende titel Keizers sterven niet in bed. Met name in periodes van grote instabiliteit volgden de keizers elkaar in rap tempo op en kwamen maar weinigen tot een zachtzinnig levenseinde. In de regel is daarbij de duur van het keizerschap illustratief voor de impact van de betreffende keizers. Een uitzondering op hierop vormt de regeerperiode van Julianus (331-363) die slechts een kleine twintig maanden keizer was en de geschiedenis is ingegaan als Julianus Apostata: de Afvallige. Zijn oom Constantijn de Grote richtte het zwaartepunt van het Romeinse Rijk op het oosten door de nieuwe keizerlijke hoofdstad Constantinopel. Tegelijkertijd gaf hij het Christendom een bevoorrechte positie. Een ongekende omwenteling aangezien het Christendom lange tijd als schadelijke sekte werd gezien en menig keizer - denk aan Nero en Diocletianus - zich tegoed deed aan vervolging van Christenen. De lijn van Constantijn zou worden doorgezet door zijn drie zoons waarvan uiteindelijk Constantius overbleef als alleenheerser. Zijn neef en opvolger Julianus moest niets van het Christendom hebben en was trouw gebleven aan de oude goden die zolang de Romeinse Republiek en daarna het Romeinse Rijk domineerden. Zijn keizerschap stond daarom grotendeels in het teken van het terugdraaien van de bevoorrechte positie van het Christendom en de terugkeer naar het Hellenisme. Tegelijkertijd wilde Julianus de dominantie ten opzichte van het Perzische Rijk opnieuw veiligstellen met een grootse veldtocht in het hart van het rijk van Shapur II. Hoewel relatief succesvol overleefde Julianus de strijd niet en kwam zijn keizerschap voortijdig tot een einde. En daarmee tegelijkertijd de laatste opleving van het Hellenisme en de definitieve overwinning van het Christendom. Een nieuw tijdperk zou aanbreken. Een tijdperk waar geen plaats meer was voor het klassieke Romeinse Rijk dat in het Westen spoedig in elkaar zou storten om als het Byzantijnse Rijk voort te leven in het Oosten.

Julianus als inspirator 
Het kortstondige leven en keizerschap van Julianus heeft vele schrijvers geïnspireerd. Gore Vidal (1925-2012) was hier de meest prominente van. Zijn roman Julian verscheen in 1964 en was zowel bij publiek als critici een groot succes. Hoewel het boek inmiddels meer dan een halve eeuw oud is, is het opvallend hoe tijdloos deze roman is. Niet alleen vanwege het prachtige taalgebruik, maar ook de vertelvorm waar de memoires van Julianus worden afgewisseld door observaties van twee van zijn  (niet-fictieve) adviseurs: Priscus en Libanius. Het is een boek dat nimmer verveelt en daarmee ideaal is om eens in de zoveel tijd te herlezen. In vijfhonderd pagina's schetst Vidal op overtuigende en veelal op feiten gebaseerde leven van Julianus. Een leven dat voor het grootste deel gebukt gaat  onder de levensbedreigende schaduw van keizer Constantius die bijna vijfentwintig jaar de keizerlijke troon bezet houdt en een relatief stabiel bestuur voert. Om zover te komen dienden wel een aantal troonpretendenten inclusief zijn eigen twee broers het leven te laten. Julianus en zijn oudere broer Gallus zijn op een gegeven moment de laatste nazaten van Constantius en daarmee de Constantijnse dynastie. En daarom dus in permanent levensgevaar aangezien zij makkelijk tot symbool konden uitgroeien en alternatief voor Constantius. De Tetrarchie ingesteld door Diocletianus - de enige keizer die vrijwillig afstand deed van de troon - was onder Constantijn in onbruik geraakt en ook Constantius was er geen fan van aangezien het benoemen van nog een aantal "vice" Keizers ("Caesar") juist een basis verschafte voor opstand. Toch benoemde hij als Augustus de broer van Julianus tot Caesar. Deze eer zou ook Julianus uiteindelijk te beurt vallen, maar in tegenstelling tot zijn broer zou het niet tot zijn dood leiden. Op het nippertje overigens aangezien een beslissend treffen tussen het leger van de in Gallië zeer succesvolle Julianus en de strijdmacht van Constantius die op het punt stond een (regelmatige) veldtocht tegen het Perzische Rijk te starten uiteindelijk nooit plaats zou vinden. De goden bleken Julianus goedgezind te zijn aangezien Constantius door ziekte plotseling overleed en daarmee het gehele Romeinse Rijk toebehoorde aan Julianus. 

Een onconventionele held
Vidal vertelt op meesterlijke wijze de levensgeschiedenis van Julianus. Een levensgeschiedenis die start als een - bij vlagen hilarische - briefwisseling tussen Julianus' vertrouwelingen Priscus en Libanius die na diens dood de memoires bij elkaar brengen als basis voor een biografie. In het grootste deel van het boek is daarom Julianus zelf aan het woord, maar zodra hij de laatste en voor hem fatale veldtocht onderneemt naar Perzië worden zijn memoires wat schetsmatiger en neemt de rol van Priscus toe. Deze verhaalvorm werkt ontzettend goed en is één van de succesfactoren waarom Julian een literaire klassieker is. Een klassieker die daarmee ook de naam van multitalent Gore Vidal als schrijver vestigde en het tevens de moeite waard maakt dat zijn naam ook in de toekomst bekend blijft. Niet in de laatste plaats omdat Vidal zich - gezien zijn eigen tegendraadse levensloop - duidelijk spiegelt aan Julianus die boven alles voor hem een held is die op onconventionele wijze zich tegen de stroom in beweegt. Zijn pogingen om de oude goden te herstellen en het Christendom tegen te werken, hadden succesvol kunnen zijn wanneer hij net als zijn voorgangers Constantius en Constantijn een lange regeerperiode was gegund. Een speer in een chaotische strijdtafereel maakte een einde aan het leven van Julianus en daarmee de Perzische veldtocht die zonder meer de nodige successen betekende. 

Het einde van het Romeinse Rijk
Er zijn nog altijd vraagtekens wie de fatale speer gooide: een Perzische strijder of juist een Romein die daarmee het Christendom veilig stelde. Want dat blijft toch een interessante vraag: hoe had onze wereld eruit gezien wanneer Julianus was geslaagd in zijn voornemen het Hellenisme in de voormalige glorie te herstellen? We zullen het nooit weten. Duidelijk is wel dat Julianus de laatste echte Romeinse keizer is geweest. Het Romeinse Rijk zou in het Westen nog ruim een eeuw voortduren en zeker nog enkele competente keizers kennen, maar het oude Rome dat Julianus als geen ander belichaamde was ten dode opgeschreven. Onder zijn kortstondige opvolger Jovianus werd een beschamend verdrag met Shapur II gesloten en het Christendom hersteld. Onder diens opvolger Valentinianus - die net als zijn broer Valens een mooie cameo heeft in Julian - zou het Romeinse Rijk stabiliteit hervinden, maar tegelijkertijd werd ook de kiem gelegd voor de latere ondergang. Want zijn  broer en co-Augustus Valens en een Romeins leger van 60.000 eenheden zou smadelijk ten onder gaan tegen de Visigoten tijdens de Slag bij Ardrianopel in 378. Valens kwam net als 40.000 van zijn troepen om. Zijn lichaam zou zelfs nooit gevonden worden. Het bleek het begin van het einde. Althans het einde van het West-Romeinse Rijk. In het Oosten zou het Romeinse Rijk nog tot 1453 voortduren als het Byzantijnse Rijk met hoofdstad Constantinopel. Dat Nieuwe Rome was echter een compleet ander Rijk op de leest van het Christendom en een verering van de keizer (en dito ceremonieel) die al voor Julianus was begonnen en geweldig omschreven wordt door Vidal. 

Voor allen die maar enigszins geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het Romeinse Rijk en de bijzondere episode die het keizerschap van Julianus inhoudt, maar vooral houdt van een geweldige roman is bij Julian van Gore Vidal aan het juiste adres. 

'Julian' van Gore Vidal is in 1964 voor het eerste verschenen. Een Nederlandse vertaling met de titel 'Julianus de afvallige' is in 1983 verschenen. Jan van Aken liet zich gelijk Gore Vidal ook door Julianus inspireren voor zijn roman 'De Afvallige' (2013). Lees de recensie van 'De Afvallige' hier

woensdag 19 juli 2017

Een Carré vol discobeats: revanche van de Pet Shop Boys


Pet Shop Boys
Super Tour

Koninklijk Theater Carré
Amsterdam

Afgelopen november stroomde het Tilburgse poppodium 013 vol voor de nieuwste show van de Pet Shop Boys: de Super Tour. Helemaal geslaagd was die avond niet, maar leek lange tijd de enige kans om de nieuwste show van de Pet Shop Boys te zien. Maar opeens was daar een nieuwe kans. En wat voor één: de Pet Shop Boys in Koninklijk Theater Carré. Een historische maar weinig voor de hand liggende locatie voor een discofeestje. Maar een feestje werd het. 

De hoogtijdagen van de Pet Shop Boys waren ongetwijfeld in de jaren tachtig, maar dat laat onverlet dat Neil Tennant en Chris Lowe allesbehalve op hun lauweren rustend royalties opstrijken van popklassiekers als It's a Sin, Go West, West End Girls en Always on my Mind. Want de liefhebber van elektronische pop (synthpop) in het algemeen en de Pet Shop Boys in het bijzonder weten dat het succes van Neil en Chris nog altijd voortduurt. Want sinds het grote succes van de jaren tachtig hebben de Pet Shop Boys niet bepaald stil gezeten. Diverse albums zijn de revue gepasseerd waarbij met name de laatste albums - in het bijzonder Electric (2013) - de Pet Shop Boys weer in het middelpunt van de aandacht hebben gebracht. En een nieuw album betekent ook altijd een nieuwe tour. De Electric Tour in het teken van het gelijknamige album zorgden voor uitverkochte concerten overtal ter wereld. Ook Nederland werd voor het eerst in jaren weer aangedaan met een memorabel optreden in TivoliVredenburg in de zomer van 2014. De kaartverkoop ging zo snel dat in alle haast alsnog een tweede concert werd gepland. Het - iets minder succesvolle - laatste album Super verscheen in april 2016 en bleek de opmaat van de Super Tour. Een tour die op stijlvolle wijze werd afgetrapt met een bijzondere vierdaagse concertserie in The Royal Opera House te Londen. Deze residency met als titel Inner Sanctum combineerde de discobeats van de Pet Shop Boys met de eerbiedwaardige cultuurtempel waar normaliter opera en ballet regeren. De rode loper was uitgerold en bleek het recept voor een geweldig succes. Een kolkende massa van ruim 2.250 penheads zorgde voor een onvergetelijke avond en een briljante aftrap voor de wereldwijde tour. 

Tegenvallend Tilburg
Een wereldwijde tour die ook een Nederlandse editie bleek te hebben. Dit keer was niet TivoliVredenburg het Nederlandse hoofdkwartier van de Pet Shop Boys, maar moesten de Nederlandse fans op 29 november 2016 de gang naar poppodium 013 in Tilburg maken. De verwachtingen waren - zeker na het geweldige en meeslepende optreden in The Royal Opera House - hooggespannen en misschien daarom dat het Tilburgse optreden wat tegenviel. Een gelikte show met een goede mix van nummers, maar op de één of andere manier kwam het niet helemaal samen. De locatie en publiek leken daar ook deels debet aan te zijn. 

Lange tijd leek het erop dat de Pet Shop Boys bij een volgend album en dus een volgende tour pas weer Nederland zouden bezoeken. Tot - uit het niets - een eenmalig concert in Koninklijk Theater Carré werd aangekondigd. Hoewel het tot een week voor het optreden duurde voordat het concert uitverkocht was, mochten ruim 1.750 Nederlandse petheads meezingen met de geweldige mix van oude en nieuwe nummers die de Super Tour is. Een mix die overigens - in vergelijking met zowel show in The Royal Opera House als 013 - een kleine maar kardinale wijziging had ondergaan. Daar waar in beide optredens het rustige West End Girls als tweede nummer van de avond de vaart na een geweldige intro onder de hevige beats van het nieuwe nummer Inner Sanctum er een beetje uit was, kwam nu Opportunities (Let's make lots of money) en kwam het met de vibe helemaal goed. De absolute klassieker West End Girls kwam op een later moment gelukkig in het programma terug alhoewel het nieuwe Super-nummer Twenty-Something helaas moest wijken. Met 23 nummers ontstond zo een gelikte en strakke show van een kleine twee uur die misschien de (zure!) recensenten van NRC en het Parool niet konden bekoren, maar het publiek van Carré des te meer. Want hoewel Neil en Chris allesbehalve podiumbeesten zijn en hun shows voorspelbaar zijn (tot de voorgeprogammaeerde reprise aan toe), is Super een puike show waar heerlijke nieuwe hits zoals Burn, Vocal en Love is a Bourgeois Construct zij aan zij gaan met de echte klassiekers zoals It's a Sin, New York City Boy en Love Comes Quickly, maar ook recentere klassiekers zoals Love etc., The Sodom and Gomorrah Show en Home and Dry, maar ook een heerlijke nieuwe versie van Winner

Een zittend feestje in Carré  
Klassiekers die de echte fans woord voor woord mee kunnen zingen en menig concertzaal omvormen tot een discofeestje. Iets wat in het statige Carré waar iedereen een zitplaats had toch een stuk moeilijker was. Daar waar The Royal Opera House - voor die avond zelfs uitgerust met een mosh pit - het hele publiek vanaf het eerste moment stond te dansen, ontstond in Carré - met name in de loges en het balkon - wat ongemak tussen publiek dat wel en niet stond te swingen. Bij de laatste nummers stond uiteindelijk iedereen. Toch had dit concert meer de vibe van The Royal Opera House dan 013. Overigens ook door de uitstekende licht- en lasereffecten die 013 ferm in de schaduw stelden. Carré was misschien niet het dansfeest wat menigeen ervan gehoopt of gedacht had, maar een (zittend) feestje was het ongetwijfeld wel. 

Lees hier de eerdere recensie van de kick-off van de Super Tour door de Pet Shop Boys in The Royal Opera House te Londen in juli 2016. 


In april 2016 is 'Super', het nieuwste album van de Pet Shop Boys verschenen. Een vierdaagse 'residency' in The Royal Opera House van 20 t/m 23 juli 2016 vormde de start voor de Super Tour. Op 29 november 2016 deed de Super Tour poppodium 013 in Tilburg aan. Deze recensie is op basis van het tweede Nederlandse optreden: dinsdag 18 juli 2017 in Koninklijk Theater Carré. Meer info over de tour hier