maandag 26 juni 2017

De herontdekking van Anthony Burgess' magnum opus


Ruim 35 jaar na het verschijnen van Earthly Powers is voor het eerst als Machten der Duisternis een Nederlandse vertaling verschenen van het magnum opus van Anthony Burgess. Alle reden om de oorspronkelijke versie voor het eerst te lezen en na te gaan waarom de bedenker van A Clockwork Orange niet alleen daarom bekend hoort te zijn. De intrigerende eerste zin is de start van een literair avontuur dat je niet snel vergeet. 

De Britse schrijver Anthony Burgess (1917-1993) is één van de bekendste schrijvers in de Engelstalige wereld, maar zijn faam daarbuiten is toch vooral verbonden met A Clockwork Orange. Een roman die een bijzonder naargeestige toekomst schetst en vooral bekend is geworden door de filmversie van de hand van Stanley Kubrick. Een film die in 1971 grote controverse uitlokte, maar tegenwoordig die impact niet meer heeft. In 1980 schreef Burgess Earthly Powers dat pas deze maand – onder de titel Machten der Duisternis – voor het eerst een Nederlandse vertaling heeft gekregen. Daar waar de toekomstblik uit de jaren zestig van A Clockwork Orange zeer tijdgebonden is, geldt dat in minder mate voor Earthly Powers dat als biografie van de fictieve schrijver Kenneth Toomey in een kleine 700 pagina’s een panorama van de twintigste eeuw schetst. Earthly Powers is zo’n boek dat begenadigd is met een eerste zin die intrigeert en fascineert. Een zin die overigens ook in de nieuwe Nederlandse vertaling niet aan kracht heeft ingeboet: “Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali kwam zeggen dat de aartsbisschop er was om me te spreken”. 

Een literair leven
In die eerste zin van dat eerste hoofdstuk zitten tal van elementen die in de tachtig hoofdstukken die hier nog op volgen bepalend zijn. Het maakt duidelijk dat de hoofdpersoon van Earthly Powers homoseksueel is. Een niet bepaald ongevaarlijke constatering in het Verenigd Koninkrijk waar Burgess opgroeide en tot vervolging dan wel censuur leidde. Oscar Wilde (1854-1900) is het daar het meest fameuze voorbeeld van. Een afschrikwekkend voorbeeld dat William Somerset Maughan (1874-1965) ervan weerhield om homoseksualiteit in zijn werk voor te laten komen. Dezelfde schrijver die naar verluidt de inspiratie vormde voor de 81-jarige uit die eerste zin van Earthly Powers. De fictieve Britse schrijver Kenneth Toomey die zijn vaderland – vanwege zijn eigen homoseksualiteit - al lang geleden heeft verruild voor een zelfgekozen verbanning in onder andere Malta waar in zijn villa deze eerste zin plaats vindt. Een villa verder bevolkt door een laatste in een behoorlijke rij van minnaars die vooral aan Toomey zijn verbonden door zijn geld en aanzien. Een constatering die Toomey zelf met graagte expliciet maakt. En zijn trouwe dienaar Ali die de andere noden van Toomey ledigt. 

De in totaal 81 hoofdstukken die Earthly Powers telt, staan symbool voor het aantal levensjaren van Toomey waarin hij zich richt tot de lezer en zijn levensverhaal uiteenzet. Een levensverhaal waar de Rooms-Katholieke kerk een belangrijke rol speelt. Het is niet voor niets dat Toomey op zijn 81e wordt bezocht door een aartsbisschop. Deze prelaat heeft tot taak om bewijs te verzamelen voor de heiligverklaring van Paus Gregorius XVII. Voor zijn goddelijke roeping ging deze paus door het leven als Carlo Campanati en was hij via zijn broer Domeninco verbonden aan de Toomey-familie. Deze niet onverdienstelijke componist die later succes zou hebben in Hollywood was getrouwd met Hortense, de zus van Kenneth Toomey. De verwikkelingen in het leven van Toomey zijn nauw verbonden met die bijzondere familieband, maar nog meer met de belangrijkste ontwikkelingen in de twintigste eeuw. 

Een waar magnum opus
Het bijzondere aan Earthly Powers is dat hoewel volledig fictief Burgess – vanuit de familiaire wederwaardigheden van de families Toomey en Campanati – een panorama van de twintigste eeuw aan de lezer voorbij doet trekken. Van bepalende thema’s zoals geloof, de aard van het kwaad en homoseksualiteit en invloedrijke (met name literaire) personen zoals James Joyce, Joseph Goebbels, Benito Mussolini en Ernest Hemingway tot historische gebeurtenissen al dan niet gefictionaliseerd. Van de zeppelin Hindenburg tot een variatie op het Jonestown-incident waar een sekte collectief zelfmoord pleegde. Toomey reist daarbij met name door Europa en de landen van het Gemenebest vanaf de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de nieuwe wereldorde na het einde van het Derde Rijk en de Japanse koloniale ambities. Burgess heeft daarbij een onmiskenbaar talent om dit alles tot een zeer rijke roman te kneden die fascineert door de reikwijdte en het prachtige taalgebruik, maar ook her en der tot een glimlacht leidt door een karakter dat varieert van het droogkomische tot het dramatische. De rijkheid die Earthly Powers omvat, maakt het tot een bijna onmogelijke opgave om dit op een goede manier binnen deze (relatief) beperkte ruimte te etaleren. Deze uiteenzetting toont (hopelijk) aan dat Earthly Powers terecht wordt gezien als het magnum opus van Anthony Burgess en een belangrijke mijlpaal in de Engelstalige literatuur. Een boek dat al veel eerder in het Nederlands vertaald had moeten worden om een groter publiek kennis te laten maken met het bijzondere leven van Kenneth Toomey.

‘Earthly Powers’ van Anthony Burgess is voor het eerst in 1980 verschenen. Als ‘Machten der Duisternis’ is 1 juni jl. de Nederlandse vertaling door Paul Syrier verschenen bij Uitgeverij G.A. van Oorschot. Deze recensie is op basis van de oorspronkelijk Engelstalige versie. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 17 juni 2017

Festival Classique 2017: Oneindig Mondriaan


Festival Classique 2017
Movement

Beethoven: Ouverture Coriolan
Grieg: Solveigs vuggevise en Ved Rondane
Satie: Gymnopedie Nr. 3
Milhaud: Scaramouche
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 6 - Allegro molto vivace
Dvořák: Song to the Moon uit Rusalka
Stravinsky: De Vuurvogel - Danse InfernaleBerceuse en Finale
Brahms: Hongaarse Dans Nr. 1 (reprise)

Kari Postma (sopraan), Raaf Hekkema (saxofoon)
Lex Bohlmeijer (presentatie), Thom Stuart (choreografie)
De Dutch Don't Dance Division 

Nicholas Collon, Residentie Orkest
Kurhaus, Scheveningen 

Met Movement brengt het Festival Classique een hommage aan Piet Mondriaan. Geïnspireerd door diens vernieuwende kunst slaan ruim 130 musici en dansers de handen ineen om - in veel gevallen letterlijk - de beweging die Mondriaan ontketend heeft tot leven te brengen. Het Residentie Orkest onder leiding van de nieuwe chef-dirigent Nicholas Collon slaagt daar zeer goed in, maar vooral wanneer de De Junior Dutch Dance Division het feest compleet maakt met meeslepende dans. 

In 2006 startte het Festival Classique met concerten in en rondom het centrum van Den Haag met als hoogtepunt het concert op de Hofvijver. Maar aangezien de zomer meteorologisch maar vooral gevoelsmatig in juni nog vaak niet echt begonnen is, viel dat hoogtepunt met enige regelmaat (letterlijk) in het water. Inmiddels is het Festival Classique verhuisd naar Scheveningen en vindt van 15 tot en met 25 juni alweer de elfde editie plaats. De statige Kurzaal in het Kurhaus is één van de bijzondere locaties die dienen als podium voor het festival dat met 42.000 bezoekers in 2016 zeer succesvol en inmiddels vast onderdeel van de Haagse zomer is geworden. Na het openingsconcert op donderdag was het gisteren aan Movement om het festival echt in beweging te krijgen. De gecombineerde krachten van 130 musici en dansers slaagde daar volkomen in. Geïnspireerd door het iconische werk van Piet Mondriaan (1872-1944) is Movement een divers programma geworden met zang en dans op muziek van Beethoven, Grieg, Satie, Milhaud, Tsjaikovski, Dvořák en Stravinsky. 

Een nieuwe chef-dirigent
Het Haagse Residentie Orkest is onlosmakelijk met het Festival Classique verbonden, maar bevond zich tegelijkertijd de afgelopen jaren in een bijzondere positie. Sinds het vertrek in 2012 van Neeme Järvi heeft het orkest geen chef-dirigent meer. Een moeilijke (financiële) periode lag daar aan ten grondslag waardoor het orkest noodgedwongen een tijd lang het had te doen met een reeks aan gastdirigenten. Een duo van Richard Egarr en Jan Willem de Vriend was de volgende stap waarbij de jonge Nicholas Collon (1983) de afgelopen twee jaar naast De Vriend het orkest weer tot leven bracht. Vlak voor de start van het Festival Classique werd - niet onverwacht - bekend dat met ingang van het volgende seizoen Collon de nieuwe chef-dirigent en artistiek adviseur van het orkest wordt. Een bevestiging van het voor iedereen zichtbare, maar vooral hoorbare feit dat het eminente orkest weer helemaal terug is van weggeweest. Het recente concert ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester van Den Haag Jozias van Aartsen - met onder andere een indrukwekkende uitvoering van de Vierde Symfonie van Mahler - was daar al een mooi voorbeeld van. En ook in de muzikale potpourri die Movement is, werd dit zonneklaar. 

Het hoogtepunt met Mondriaan en Tsjaikovski
Daarbij was het Residentie Orkest niet alleen in de Kurzaal. Het diverse programma werd op aanstekelijke wijze aan elkaar gepraat door Radio 4-presentator Lex Bohlmeijer. De Noors-Nederlandse sopraan Kari Postma ontroerde in twee liederen van Grieg, maar vooral in de Song to the Moon uit  Dvořák's opera Rusalka. De saxofonist Raaf Hekkema pakte uit in Scaramouche van de Franse componist Milhaud en - zeker in het derde samba-achtige deel - liet duidelijk horen waarom dit werk in een programma als Movement niet mag ontbreken. Maar het echte hoogtepunt van de avond waren die momenten waarop de muziek van het Residentie Orkest tot leven werd gebracht door de jonge dansers van De Junior Dutch Don't Division van het Haagse dansgezelschap De Dutch Don't Dance Division (DeDDDD) van Thom Stuart en Rinus Sprong. In Den Haag is DeDDDD inmiddels een begrip door onder andere jaarlijkse producties zoals Solo's at the Sea en de kerstproductie. Grappig genoeg waren de juniors diezelfde avond ook zeer zichtbaar voor de rest van Nederland aangezien ze in Holland's Got Talent zich naar de finale dansten. En dat is niet zonder reden aangezien het dansen van hoog niveau is en de choreografie, ditmaal van Thom Stuart, geweldig samen gaat met de muziek van in dit geval Beethoven en Tsjaikovski. In de Ouverture Coriolan gaven de mannelijke dansers - getooid in de kleuren van Mondriaan - een abstracte weergave van de muziek gebaseerd op de historische Romeinse staatsman Coriolanus die door zijn moeder werd overreed om Rome te sparen en zo zijn eigen ondergang tegemoet ging. Maar het echte hoogtepunt was de combinatie van Mondriaan en het opzwepende derde deel uit de Zesde Symfonie van Tsjaikovski. Een schier eindeloze optocht van dansers - via een soort perpetuum mobile-constructie waarbij de eerste danser snel weer aansluit als laatste in de rij - in de iconische Mondriaan-jurk van Michael Barnaart van Bergen (geïnspireerd door Yves Saint Laurent) gaven enorm reliëf aan de muziek van Tsjaikovski en de beste vertaling van Movement. De combinatie was dermate indrukwekkend dat het publiek tot een welgemeende en zeer spontane tussentijdse staande ovatie kwam. Hoewel nog het prachtige Song to the Moon en delen uit Stravinsky's De Vuurvogel volgden was het hoogtepunt echt al geweest. Sowieso had de prima uitgevoerde De Vuurvogel - hoewel Stravinsky nog altijd blijkbaar niet ieders smaak is - wel wat meer 'omlijsting' mogen hebben door ook dit werk te combineren met dans. Maar dat is een beperkte kritische noot op een verder heerlijk concert dat met de eerste Hongaarse Dans van Brahms nog een lekkere goulash-uitmijter kreeg.

De elfde editie van Festival Classique vindt plaats van 15 t/m 25 juni in diverse locaties in en rondom het Kurhaus in Scheveningen. 'Movement' wordt op zondag 17 juni voor een tweede en laatste keer uitgevoerd. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 16 juni. Kaarten en meer info over het Festival Classique hier

dinsdag 13 juni 2017

Pervers genot in een waanzinnige Salome


De Nationale Opera
Salome
(Richard Strauss, 1864-1949)

Malin Byström, Salome
Evgeny Nikitin, Jochanaan
Lance Ryan, Herodes
Doris Soffel, Herodias
Peter Sonn, Narraboth

Ivo van Hove (regie), Jan Versweyveld (decor en licht) 
An D'Huys (kostuums), Tal Yarden (video)

Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

De Nationale Opera sluit het seizoen af met een in alle opzichten waanzinnige nieuwe productie van Richard Strauss’ Salome. Een door Daniele Gatti aangejaagd Koninklijk Concertgebouworkest laat de prachtige en sensuele  muziek van Strauss stralen als nooit tevoren. Terwijl een spaarzame maar hoogst effectieve enscenering van Ivo van Hove maximaal ruimte geeft aan het perverse genot van Salome die door Malin Byström in volle waanzin ongenaakbaar tot leven wordt gebracht. Een geweldige productie die zonder twijfel het muzikale hoogtepunt van dit seizoen is en nu al een klassieker.

Voor de derde maal in vijftien jaar voert De Nationale Opera de omstreden opera Salome (1905) van Richard Strauss uit. Gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Oscar Wilde schreef Strauss een eenakter waar Salome, de perverse stiefdochter van koning Herodes, haar stiefvader via haar sensuele dans van de zeven sluiers overreedt om de door hem gevangen genomen Johannes de Doper (Jochanaan) te onthoofden. Dit slechts vanwege het feit dat Jochanaan de verliefde Salome durft af te wijzen en weigert haar te kussen. Geslaagd in haar moorddadige voornemen, kust zij het levenloze hoofd van Jochanaan. Tot afgrijzen van haar stiefvader die haar dood beveelt. Zowel bij de première van het toneelstuk van Oscar Wilde als de opera van Richard Strauss was het schandaal niet van de lucht. Een schandaal dat Strauss bepaald geen windeieren heeft gelegd aangezien Salome een zeer populair onderdeel is geworden van de operacanon en de componist later deed opmerken dat zijn villa in Garmisch betaald is met de inkomsten van deze opera.   

Kupfer, Konwitschny en Van Hove
In 2002 stofte de toenmalige De Nederlandse Opera de niet onverdienstelijke enscenering van Harry Kupfer uit 1988 nog eens af om deze onder muzikale leiding van Edo de Waart uit te voeren. In 2009 volgde een volledig nieuwe productie in een enscenering van Peter Konwitschny. Een nogal onbegrijpelijke en abstracte enscenering gecentreerd rondom een eettafel met monsterlijke figuren waarbij het boegeroep na afloop – terecht - niet van de lucht was. Daar waar Kupfer de natuurlijke kracht van de muziek en het libretto via de enscenering ondersteunde, was hier sprake van een parallelle wereld die alleen maar afleidde. Het is daarom weinig verwonderlijk dat – in markant contrast met de Kupfer-enscenering – dit decor achterwege is gelaten en gekozen is voor een nieuwe productie onder regie van Ivo van Hove als onderdeel van het Holland Festival. 

Voor de muzikale begeleiding werd ditmaal het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de eigen chef-dirigent Daniele Gatti bereid gevonden. De laatste keer dat het KCO onder Gatti in de orkestbak van Nationale Opera & Ballet kon worden teruggevonden, was in 2014 met een geweldige productie van Verdi’s Falstaff. En hoewel dit positief stemt, heeft Gatti pas één keer eerder kortstondig Salome gedirigeerd en heeft het orkest – althans in de huidige bezetting – nog geen enkele keer deze opera zich meester gemaakt. Toch waren de voortekenen voor deze productie zeer gunstig. Want, zoals elders ook opgemerkt, bij het debuut van Gatti in 2004 bij het Koninklijk Concertgebouworkest stond Salome’s Dans van de Zeven Sluiers op de lessenaar. Een prachtig concert dat deze Salome-liefhebber net als de twee eerdere DNO-producties van Salome heeft bijgewoond.

Het orkest in de hoofdrol
Hoewel de rol van Salome door de omvang en zwaarte zeer bepalend is voor het succes van deze opera is de uiteindelijke hoofdrol toebedeeld aan de muziek en daarmee het orkest. Zeker wanneer het orkest de muziek van Strauss zo overtuigend en sensueel laat klinken als het KCO. Muziek die op het lijf geschreven is van Gatti aangezien pathos en bezieling leidend zijn voor een echt goede uitvoering. Het knappe hierbij is dat de waanzin die langzamerhand van Salome bezit neemt in haar queeste om Jochanaan te kussen hand in hand gaat met de ontwikkeling van de muziek. Momenten van pure schoonheid wisselen onnavolgbaar af met uitbarstingen van extase en toorn. De bedrieglijk eenvoudige enscenering van Van Hove die feitelijk niet meer is dan een steeds kleiner wordende doorkijk naar het paleis van Herodes afgezet tegen een kaal en zwart decor gedomineerd door een almaar veranderende maan weet puntgaaf de dramatiek van het libretto te ondersteunen. Een dramatiek die tot perfectie wordt geboetseerd door Malin Byström die een bijzonder geloofwaardige Salome neerzet en de sterren van de hemel zingt, maar ook de Dans van de Zeven Sluiers verdienstelijk en ongebruikelijk zelf danst. Een dans waar de rest van cast als het ware gehypnotiseerd in op gaat. De bonkige en volop getatoeëerde Jochanaan van Evgeny Nikitin lijkt op het eerste gezicht in niets op een man waar een prinses als Salome door verrukt zou kunnen raken, maar juist in die stoere ongenaakbaarheid wordt het des te geloofwaardiger. Sowieso is er een overvloed aan talent in de rolbezetting, hoe klein de rol ook. Herodes is door Lance Ryan ontdaan van de overbekende karikatuur terwijl Doris Soffel een zeer koninklijke Herodias neer zet die niet alleen haar dochter aanspoort tot heiligschennis, maar naast Byström de meest overtuigende vertolking neerzet. 

De producties van De Nationale Opera vallen zelden tegen, maar deze productie van Salome neemt een wel heel bijzondere plaats in. De ruim één uur en drie kwartier die deze eenakter duurt, vliegen voorbij en bereikte door de hoge kwaliteit een intensiteit waardoor het publiek ademloos – er was werkelijk waar geen kuch te horen – in de greep was van het muzikale genie van Richard Strauss. Een genie dat tot volle wasdom komt door een ultieme samensmelting van orkest, dirigent, solisten en enscenering. Zonder twijfel het muzikale hoogtepunt van dit seizoen en één van de pareltjes uit de trotse geschiedenis van de Nationale Opera. Halverwege zegt Jochanaan met 'Du bist verflucht!’ Salome de wacht aan en tekent tegelijkertijd zijn eigen doodvonnis. Dat geldt allesbehalve voor deze magistrale uitvoering waarbij je pas vervloekt bent wanneer je niet de kans grijpt om deze muzikale hoogmis te ondergaan.  

Foto: Nationale Opera & Ballet


Op 9 juni 2017  is een nieuwe productie van ‘Salome’ van Richard Strauss bij De Nationale Opera in première gegaan. Tot en met 5 juli wordt ‘Salome’ bij Nationale Opera & Ballet in Amsterdam opgevoerd. Deze recensie is op basis van de uitvoering van maandag 12 juni. 


maandag 5 juni 2017

Opera 31 mei 2017: De waanzin van Rigoletto


De Nationale Opera
Rigoletto
(Giuseppe Verdi, 1813-1901)

Luca Salsi, Rigoletto
Lisette Oropesa, Gilda
Saimir Pirgu, Il Duca di Mantova
Rafal Siwek, Sparafucile
Annalisa Stroppa, Maddalena
Carlo Cigni, Il Conte di Monterone

Damiano Michieletto (regie)
Paolo Fontin (decor), Agostino Cavalca (kostuums)
Roland Horvath (video)

Koor van De Nationale Opera
Carlo Rizzi, Nederlands Philharmonisch Orkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Verdi's overbekende Rigoletto doet de gelijknamige nar langzaam wegzakken in volledige waanzin door de door hemzelf veroorzaakte dood van zijn dochter Gilda. In de nieuwe productie voor De Nationale Opera maakt regisseur Damiano Michieletto de waanzin vanaf het eerste moment manifest. Een gewaagde keuze die - mede met dank aan uitstekende prestaties van solisten en orkest - succesvol én meeslepend uitpakt. 

Verdi's Rigoletto is de eerste opera van de Italiaanse componist die zo succesvol is dat sinds de première in 1851 de neergang van de gelijknamige nar nooit het repertoire verlaten heeft. La donna è mobile is één van de meest bekende aria's uit de operageschiedenis en ver buiten het operahuis bekend. Een opera die niet alleen uitstekend geschikt is als introductie tot het werk van Verdi, maar juist ook voor de eerste stappen in de wondere wereld van de opera. Wie de synopsis echter tot zich neemt, vraagt zich door de veelvoud aan personages en gebeurtenissen af hoe dit moet leiden tot een makkelijk te volgen opera. Dan blijken verhaal en uitvoering in de praktijk toch wel erg gescheiden werelden te zijn aangezien Rigoletto's langzame mars naar waanzin door de door hem zelf veroorzaakte dood van zijn dochter Gilda door de mislukte wraak op haar minnaar bijzonder logisch en goed te volgen te zijn. Juist de ontwikkeling van de succesvolle en machtige nar naar zielig hoopje menselijke ellende vormt de kracht en het hart van Verdi's meesterwerk. Daarbij zeer wel beseffend dat de historische nar vaak veel meer was dan een clown, maar een hoveling die - afhankelijk van zijn koninklijke meester -  invloed had. Een voorbeeld hiervan was de nar in de hofhouding van Koning James I van Engeland (tevens James IV van Schotland) die grote invloed en rijkdom vergaarde. De teloorgang van een hoveling - ook al betreft het "slechts" een nar - is daarom een fijne basis voor een opera vol menselijk drama. 

Rigoletto in het gesticht
In de regie van Damiano Michieletto is het langzame verval in waanzin geen begaanbare weg. In de prachtige nieuwe productie voor De Nationale Opera is de gehele opera gesitueerd in een gesticht waar Rigoletto zijn traumatische neergang opnieuw en volledig in zijn hoofd beleeft. De nar is hier vanaf het eerste moment waanzinnig waarbij de realiteit van het gesticht en zijn herinnering aan hetgeen zijn waanzin startte door elkaar heen lopen. Het is zonder meer een vondst die naast het onmiddellijke effectbejag ook zonder meer werkt en zo deze klassieke opera een welkome en aansprekende draai geeft. Michieletto combineert een naargeestig gesticht met videoprojecties die het gelukkige leven van vader Rigolette en dochter Gilda weergeven. Door de klinisch witte muren fungeert het decor daarmee tegelijkertijd als levensgroot projectiescherm. Een pop representeert Gilda in de reële wereld van het gesticht terwijl een uitmuntende zingende Lisette Oropesa - eerder te zien in de heerlijke DNO-productie Falstaff - Rigoletto's dochter in zijn herinnering voor haar rekening neemt. Via poppenspelers komt de nep-Gilda tot leven en markeert daarmee een intrigerend contrast met de echte Gilda. 

Een Italiaanse Rigoletto
Met een grotendeels Italiaanse cast en het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van de Italiaanse Verdi-expert Carlo Rizzi is deze Rigoletto een op en top Italiaanse aangelegenheid die door de muzikale kwaliteit en de enscenering dramatisch en meeslepend is. Naast Lisette Oropesa's Gilda is de Rigoletto van Luca Salsi zonder twijfel het hoogtepunt. Zonder een spoor van twijfel geeft hij gestalte aan de waanzinnige Rigoletto. Beide hoofdrolspelers worden bijgestaan door een schmierende Simir Pirgu als de Hertog van Mantua die de grote liefde van Gilda is, maar haar tegelijkertijd bedriegt en de toorn van haar vader doet ontsteken. Een toorn die leidt tot het in dienst nemen van de huurmoordenaar Sparafucile die heerlijk donker gestalte wordt gegeven door Rafal Siwek. Ondanks dat Gilda weet dat zij door haar grote liefde is bedrogen, kiest zij ervoor om zijn plaats in te nemen en ten prooi te vallen aan Sparafucile. Een daad die de vloek die aan het begin van de opera over Rigoletto wordt uitgesproken manifest maakt en de allesomvattende waanzin bij de nar teweegbrengt die de kern vormt van de kracht van deze opera én deze productie.


Van 9 mei t/m 5 juni 2017 voert De Nationale Opera 'Rigoletto' van Verdi in een nieuwe productie  onder regie van Damiano Michieletto uit. Deze recensie is op basis van de uitvoering op woensdag 31 mei 2017.  

dinsdag 30 mei 2017

The Legacy, Seizoen 3: Een finale beschikking


Voor de derde en laatste keer zijn Gro, Frederik, Emil en Signe weer terug. De bijzondere Deense familie wiens leven nog altijd wordt gedomineerd door de laatste wilsbeschikking van mater familias Veronika. Een dramatische gebeurtenis in The Legacy doet de nieuw gevonden harmonie op haar grondvesten schudden, maar uiteindelijk vindt de familie Grønnegaard rust met elkaar én hun omgeving.  

In de prachtige laatste scene van het derde en laatste seizoen van The Legacy (in het Deens: Arvingerne) zijn de kinderen van kunstenares Veronika Grønnegaard voor het eerst echt samengebracht in het uitvoeren van een kunstwerk van de artistieke zus Gro. Samen met de mensen uit het naburige dorp, waar de verhoudingen tot voor kort allesbehalve hartelijk waren, komt de serie tot een afronding op een positieve noot. Een definitieve afronding want wat verklaart anders de aanwezigheid van de inmiddels jaren daarvoor overleden mater familias Veronika die met haar (spirituele?) aanwezigheid lijkt aan te geven dat het goed is. Een aanwezigheid die minder gek lijkt dan het klinkt aangezien Veronika een dominante kracht is geweest in het wel en wee van haar familie. Een bijzondere familie waarbij de twee broers Frederik en Emil samen met hun zus Gro samen opgegroeid zijn hoewel ze twee verschillende vaders hebben. Wanneer Veronika overlijdt, blijkt er een vierde kind te zijn dat na haar geboorte ter adoptie is opgegeven en in het naburige dorp is opgegroeid. Niet zoals haar broers en zus in het artistieke en ietwat wereldvreemde milieu van Veronika, maar in een regulier dorps leven dat draait om de sporthal en handbal. Deze Signe wordt door de dood van Veronika en haar testament opeens onderdeel van een andere familie en blijkt ook nog eens aan het langste eind te trekken in de familiestrijd om het landgoed Grønnegaard. Het knappe aan het eerste seizoen van The Legacy was dat het een compleet andere serie betrof dan eerdere series van de Deense staatsomroep DR zoals The Killing en Borgen en daarmee een eigen stem heeft als familiedrama. 

Dreiging
Een eigen stem die zonder meer succesvol is en zich – zeker in het eerste seizoen – niet te buiten ging aan onnodige dramatiek om het geheel lekker smeuïg te maken. De dramatiek kwam voort uit de veranderende familieverhoudingen door de komst van Signe en de afwikkeling van de nalatenschap in combinatie met het vinden van een eigen stem in het post-Veronika-tijdperk. Het knappe daarbij was dat er altijd wel een gevoel van naderend onheil zich manifesteerde zonder ooit echt tot uiting te komen. In het tweede seizoen was de erfenispap weliswaar gestort maar was het aan de familie om hiermee in het reine te komen en tot een normaal leven te komen. In het tweede seizoen werd – in markante tegenstelling tot het eerste seizoen – juist het melodramatische karakter flink aangezet waarbij eenzelfde gevoel van naderend onheil niet alleen aanwezig was, maar zich juist vertaalde in een aantal schokkende gebeurtenissen. Dit alles leek samen te komen in een soort vergelijk waarbij het de vraag was of een derde seizoen nog van toegevoegde waarde zou zijn. 

Eindelijk een familie
Het derde seizoen kenmerkt zich door het volledig ontbreken van de dreiging die de eerste twee seizoenen zo markeerde. Desalniettemin voltrekt zich in de eerste afleveringen een dramatische gebeurtenis die gek genoeg wel impact heeft op de familie en daarmee het verloop van de rest van het seizoen zonder allesoverheersend te worden. Dit laatste seizoen meandert daarom veel meer dan de vorige seizoenen, maar rondt tegelijkertijd de bijzondere karakters die de familie Grønnegaard vormen af en leidt daarmee uiteindelijk tot een weliswaar saaier maar desalniettemin bevredigend einde van dit familie-epos. Een epos waarbij de kunstzinnige Gro de brug naar een nieuwe generatie kunstenaars wil slaan, waaronder haar eigen nichtje Hannah. Haar vader Frederik – nogal altijd het gewicht van de wereld op zijn schouders torsend – is na een lange periode in de Verenigde Staten waar hij als advocaat grote successen viert, teruggekeerd om de band met zijn familie weer aan te halen. Signe ploetert voort met haar naïeve en soms ergerlijke idealisme om biologisch te boeren zonder ook maar een greintje begrip te tonen voor de gemeenschap om haar heen. De verwende Emil daarentegen is volwassen geworden en heeft de zorg op zich genomen van zijn jonge stiefzusje Melody en blijkt een verbindende schakel binnen de familie én de gemeenschap waar de familie onderdeel van is te zijn. Voor nieuwkomers zal dit allemaal als abracadabra voorkomen, maar volgers van The Legacy weten waarschijnlijk genoeg. Hoewel niet het beste seizoen van dit familiedrama brengt het meer dan genoeg closure voor de vele fans van deze bijzondere serie over een markante maar ook bij tijd en wijle strontvervelende hippiefamilie. 

Foto: Lumière


Het derde en laatste seizoen van ‘The Legacy’ is in april op DVD verschenen en wordt – net als de eerste twee seizoenen – door Lumière uitgegeven. Een Blu-ray versie is ditmaal niet beschikbaar. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.


zondag 21 mei 2017

Verongelijkt in het paradijs. 'Heren van de thee' van Hella Haasse


In Heren van de thee verlaat Hella Haasse de fictieve wereld van Nederlands-Indië en stort zij zich op het werkelijke leven van Nederlanders 'in de Oost'. In het bijzonder het leven van Rudolf Kerkhoven en zijn thee- en kinineplantages in Gamboeng. Een prachtige historische roman die je laat wegdromen in de natuurpracht van Indonesië en laat verwonderen over het bijzondere - in alle betekenissen van het woord - leven van de Nederlanders daar. 

De hernieuwde kennismaking met het werk van Hella Haasse leidde eerder tot het achtereenvolgens lezen van en schrijven over Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Met name Sleuteloog maakte grote indruk en leidde ertoe om een andere roman over Nederlands-Indië te lezen: Heren van de thee. In markante tegenstelling tot Oeroeg (1948) en Sleuteloog (2002) is het in 1992 uitgegeven Heren van de thee een historische roman met wortels in de realiteit. Het is het levensverhaal van Rudolf Kerkhoven die - in lijn met zijn (prominente) Nederlands-Indische familie - naar Gamboeng vertrekt om daar een bestaan op te bouwen in thee en later ook kinine. Deze Rudolf Kerkhoven is niet de vrucht van de fantasie van Haasse, maar heeft daadwerkelijk bestaan. Hoewel nadrukkelijk een historische roman heeft Haasse zich gebaseerd op het familiearchief en geeft daarmee een bijzondere inkijk in het leven van Nederlanders in het voormalig Nederlands-Indië. Van de eerste dag in 1873 tot de laatste dag in 1918 verhaalt Haasse over de verbondenheid van Rudolf Kerkhoven met het fascinerende land. Natuurlijk komt ook de periode tussen 1869 en 1873 waar de jonge Rudolf zich gereed maakt voor zijn vertrek en bezoeken tussendoor aan het vaderland, maar centraal staat het leven in en rondom Gamboeng. Een leven dat enerzijds bol staat van de indrukwekkende natuurpracht van het leven aldaar, maar ook de vaak kleinzerigheid van relaties tussen mensen en binnen families die net zo vervelend kunnen zijn in een Vinexwijk als een sprookjesachtige omgeving zoals Indonesië.

Eigen schuld of tegenwerking?
Want continu knaagt er iets bij Rudolf. Zijn ouders hebben Ardjasari, een plantage in de Preanger op Java maar lijken de jonge Rudolf telkens te weerhouden om zijn bestaan daar op te bouwen. Wanneer hij uiteindelijk de reis naar Nederlands-Indië onderneemt, kan hij niet wachten tot het weerzien met zijn ouders en daarmee zijn nieuwe leven. De verrassing is daarom groot wanneer hij eerst uitgebreid zijn intrek dient te nemen bij de (aangetrouwde) familie en zo Batavia leert kennen. In de Nederlandse beau monde leert hij zijn toekomstige vrouw kennen, de in de kolonie geboren Jenny Roosegaarde Bisschop. Wanneer hij dan eindelijk zijn toekomst tegemoet gaat, blijkt dat hij een andere plantage in Gamboeng moet bestieren. Weliswaar prachtig gelegen, maar ook afgelegen het succesvol uitventen van een theeplantage vraagt veel van Rudolf. Met Jenny en een toenemend aantal kinderen - waar helaas de dood niet afwezig is -maakt hij het beste ervan en is - althans in zijn ogen - succesvol. Wanneer het voor zijn ouders en dan met name zijn vader tijd is om de teugels over te geven, is het zijn broer August die er met de hoofdprijs vandoor gaat. Tegelijkertijd raakt Rudolf steeds meer in onmin met zijn (aangetrouwde) familie die tevens deels aandeelhouder zijn van Gamboeng. Het aparte aan Heren van de thee is dat Haasse de verschillende perspectieven de revue laat passeren en het niet noodzakelijkerwijs zo is dat het duidelijk is of Rudolf niet zo goed is als hij zelf denkt te zijn of dat er sprake is van (actieve?) tegenwerking. Die spanning kleurt deze historische roman, maar maakt het uiteindelijk ook lastig om helemaal op te gaan in het karakter van Rudolf. Want is het een aansteller of een hardwerkende man wiens succes hem niet gegund wordt?

De liefde voor Nederlands-Indië
Deze ambiguïteit geldt overigens niet voor de liefde die de hoofdrolspelers (en overduidelijk Haasse als schepper van Heren van de thee) voor Nederlands-Indië voelen. Juist ook de wijze waarop Haasse de wereld van toen én de natuurpracht beschrijft, maakt dat Heren van de thee zo geslaagd én gelaagd is. Er is overigens ook wel wat kritiek geweest op het feit dat Haasse in deze roman alleen maar oog heeft voor de koloniale kant en amper voor de oorspronkelijke inwoners zelf. Hoewel die kritiek op zich te begrijpen is, is dit het verhaal van Rudolf Kerkhoven dat symbool staat voor talloze Nederlanders die hun geluk zochten in die nieuwe wereld. Juist die ontzettend Nederlandse verhoudingen in een tropisch klimaat en de verbondenheid met de weidse natuurpracht maken Heren van de thee tot een bijzondere historische roman. Een roman die ook duidelijk maakt waarom het graf  van Rudolf Kerkhoven in Gamboeng ligt, de plek van zijn dromen en decepties, maar uiteindelijk zijn plek.  

Lees hier 'Driemaal Hella Haasse: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders'.

In 1992 verscheen 'Heren van de thee' van Hella S. Haasse bij Querido. Het boek is in diverse drukken en als eBook verkrijgbaar. Deze recensie is gebaseerd op de 56e licht herziene druk uit 2008 in de serie hardcover-edities van het Verzameld Werk van Haasse waar Querido in 2006 mee startte. 

zaterdag 20 mei 2017

Intense 'Parade' van het NDT kruipt onder je huid


Nederlands Dans Theater
Parade

Crystal Pite: The Statement
Crystal Pite: Parade

NDT1
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Net als vorig seizoen sluit het Nederlands Dans Theater af met een intens programma dat onder je huid kruipt. Ook dit maal spelen clowns een hoofdrol, maar in tegenstelling tot Clowns komt de intensiteit van het avondvullende programma Parade tot uiting in een oorlogstheater én de perverse bureaucratische werking van damage control. Vrolijk is anders, indrukwekkend des te meer. 

Over smaak valt te twisten, maar kunst is pas succesvol wanneer het je op de een of andere manier raakt. Door te interesseren, emotioneren of anderszins. Twee producties tijdens het vorige seizoen van het Nederlands Dans Theater (NDT) wisten overtuigend te raken. Het verontrustende Clowns van choreograaf Hofesh Shechter waarin de euforie van een groep clowns – bij voorbaat al naargeestig - omslaat in geweld tegen het individu of groepen van individuen. Met als gevolg een verontrustende en hypnotiserende spiraal van geweld en euforie die nog lang na denderde in je hoofd. Enkele maanden daarvoor maakte The Statement van Crystal Pite evenzo indruk. Ditmaal stond de druk van een vergadering die een gezamenlijke verklaring moest opleveren centraal. Een verklaring met als doel om ‘the situation’ te bezweren zonder ooit duidelijk te maken wat het voorval inhield. Als onderdeel van het avondvullende tweeluik Parade is The Statement in de reprise gegaan. Een reprise waar duidelijk wordt het gecreëerd is als partnerstuk van het in 2013 in première gegane Parade dat speciaal voor dit programma is vernieuwd en het tweeluik compleet maakt.

Spreken door dans
De Canadese Crystal Pite (1970) is sinds 2008 associate choreographer bij het NDT en brengt met Parade niet alleen een avondvullend programma, maar een programma dat volledig één is. Dus ditmaal geen één of meerdere pauzes tussendoor, maar bijna anderhalf uur een hoogmis ter ere van de oprichter van het dansgezelschap Kidd Pivot. Terwijl het net een jaar geleden is dat The Statement in première is gegaan, is het geweldig om deze (nu al) klassieker opnieuw opgevoerd te zien. Maar is de euforie nog steeds zo groot nu het verrassingselement verdwenen is? Die verrassing bestond er vooral uit dat een op voorhand moeizaam uitgangspunt zo fascinerend uitpakt. Ga maar na: de choreografie is gebaseerd op een vergadering die tot doel heeft tot een gezamenlijke verklaring om de schade van een niet nader geduid voorval te beperken. Een choreografie op slechts de gesproken tekst van auteur en theatermaker Jonathan Young minimaal ondersteund door muziek van Owen Belton. De heerlijk bureaucratisch-absurdistische teksten als “I’m here to get a statement explaining how your department acted independently’. ‘It’s the only way forward’ en ‘We were tasked with making this conflict. We were tasked’ worden door de vier dansers door hun bewegingen bijna letterlijk gesproken. Een surrealistische ervaring die bij de herneming en zonder het verrassingselement nog even sterk en bijzonder is en daarmee een compleet eigen plek neemt binnen het repertoire van het NDT. 


Conflict als oorlogstheater
De combinatie met de vernieuwde versie van Parade lijkt op het eerste gezicht vreemd. The Statement speelt zich af in een volledig steriele wereld van bureaucratie en het afschuiven van schuld terwijl Parade een conflict tussen twee culturen in een grensgebied als uitgangspunt neemt. Een conflict tussen een groep clowns en een fanfareband. Een ontlading van geweld die start en eindigt met een eenzame clown die aan het begin van Parade uit een tentje onder een sterrenhemel kruipt en een Portugese fado zingt. Steeds meer clowns komen uit het tentje dat een eerbetoon lijkt te zijn aan de klassieker om zoveel mogelijk clowns in een Mini te krijgen. De opbouw van hun wereld wordt ruw verstoord door de komst van een fanfareband en een verbeten strijd is het gevolg. Symboliek is daarbij nooit ver weg en Pite creëert een realistische doch mystieke wereld door bijvoorbeeld rubberen kippen te laten dansen en een oplichtende hamerhaai letterlijk de revue te laat passeren. Ergens halverwege verschijnt een anonieme figuur die met de stem van Jonathan Yooung wel erg bekende zinnen uitkraamt. Dan wordt het duidelijk dat het conflict uit The Statement (“We were tasked with making this conflict”) het conflict tussen de clowns en de fanfareband betreft. Wat volgt is een variatie op The Statement maar dan wel absurdistisch aangezien ditmaal de uitvoering geschiedt door een poppentheater. Zo creëert Crystal Pite niet alleen haar eigen karakteristieke stijl, maar door de combinatie en correlatie van deze twee werken een op zichzelf staande wereld die het publiek er steeds verder in trekt. Een wereld waar dans overigens niet altijd dominant is en wellicht voor liefhebbers van de dans van het NDT tot wat vraagtekens leidt, maar desalniettemin een grote impact heeft en daarmee zo onder je huid kruipt. Een programma dat niet voor de faint-hearted is, want vrolijk is anders. Maar wel een voorbeeld van succesvolle kunst, kunst die raakt. 

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT1-programma ‘Parade’ bestaat uit de choreografieën ‘The Statement’ en ‘Parade’ van associate choreographer Crystal Pite en toert van 18 mei t/m 15 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 18 mei in het Haagse Zuiderstrandtheater.

zondag 7 mei 2017

Concert 28 april 2017: Twee violisten, één vioolconcert in Edinburgh


Scriabin: Rêverie
Prokofjev: Vioolconcert Nr. 2
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 6 Pathétique

Sergej Krylov (viool)
Nikolaj Znaider, Royal Scottish National Orchestra
Usher Hall, Edinburgh

Het Royal Scottish National Orchestra bracht met overtuiging een volledig Russisch programma. Niet in de laatste plaats door dirigent Nikolaj Znaider en violist Sergej Krylov voor wie deze muziek een tweede natuur is. En dat Znaider met name bekend staat als eminente violist en minder als dirigent, leidde tot spanning vooraf maar pakte uiteindelijk bijzonder goed uit. 

Bewondering kan het beste uit iemand halen, maar ook verlammend werken. Tussen deze hoop en vrees leefden Sergej Krylov en publiek in de aanloop naar het concert van het Royal Scottish National Orchestra (RSNO) in hun thuisbasis Usher Hall in Edinburgh van vrijdag een week geleden. Want het RSNO werd geleid door Nikolaj Znaider. Znaider is sinds 2010 actief als dirigent, maar staat toch vooral bekend als eminent en veelgevraagd violist. De Deens-Israelische Nikolaj Znaider won in 1997 het prestigieuze Koning Elisabeth Concours en kan bogen op een indrukwekkende discografie. En net als Jaap van Zweden heeft Znaider ervoor gekozen om zich als dirigent te manifesteren. In tegenstelling tot de aankomende dirigent van het New York Philharmonic blijft hij daarnaast gewoon optreden als solist. Dit tot grote bewondering van Bill Chandler, de concertmeester van het RSNO. In de pre-concert talk was Chandler lyrisch over de gastdirigent van het RSNO. Zeker omdat Znaider nog niet zo lang daarvoor gesoleerd had bij de Wiener Philharmoniker en zijn volgende klus als solist al weer wachtte. Diezelfde bewondering kwam terug in de bijdrage van Sergej Krylov (1970) die ook even zijn opwachting maakte bij het voorprogramma. De zeer aimabele Krylov maakte duidelijk dat ondanks het feit dat Znaider een jongere violist is hij hem als een mentor ziet en zeer onder de indruk is van zijn kunnen. En hoewel beide violisten goed met elkaar over weg kunnen, legde dit natuurlijk wel een lichte hypotheek op de uitvoering van Prokofjev's Vioolconcert Nr. 2. Want hoeveel ruimte heb je nog als solist wanneer de dirigent het stuk waarschijnlijk beter kent dat jijzelf? Toch was die vrees niet heel gegrond aangezien de concertmeester van het RSNO duidelijk maakte dat het orkest zeer onder de indruk is van de muzikaliteit en de techniek van Krylov. Belangrijker is misschien wel de vraag of een uitmuntende solist ook automatisch tot een goede dirigent leidt. 

Onbekend terrein
Znaider koost voor zijn Schotse primeur als dirigent voor een volledig Russisch programma met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski. Het bleek ook een primeur voor het orkest te zijn, want Rêverie, het allereerste orkestrale werk van de minder bekende Russische componist Alexander Scriabin (1872-1915), bleek volledig onbekend terrein te zijn voor de dames en heren van het RSNO. Het stuk hadden ze niet eerder gehoord of gespeeld. Dat viel overigens niet op in de puike uitvoering die Znaider bij het orkest ontlokte. Daarmee maakte dit korte werk meteen duidelijk dat Znaider geen onverdienstelijk dirigent is. In het Tweede Vioolconcert van Sergej Prokofjev (1891-1953) maakte hij duidelijk dat hij die avond de dirigent was en niet de solist. In dit Vioolconcert laat Prokofjev zijn melodieuze kant zien, maar vraag t tegelijkertijd veel van de solist. De woorden van de concertmeester van het RSNO bleken spot on te zijn aangezien Krylov indruk maakte met de uitvoering van dit vioolconcert. Een muzikale genegenheid tussen dirigent en solist was evident en zorgde voor een uitstekende uitvoering van dit technisch moeilijke concert. Liefhebbers van de Romantische pracht van bijvoorbeeld het Vioolconcert van Tsjaikovski zullen dit werk wellicht minder waarderen, maar een belangrijk werk voor viool is het zeker. Krylov bleek niet alleen de sympathie, maar ook de waardering van het Schotse publiek te hebben en trakteerde op een heerlijk toegift: Caprice Nr. 24 van Paganini (zie ook de YouTube hieronder van een eerdere uitvoering door Krylov). 

Volbloed Russisch  
Na de pauze stond Znaider er helemaal alleen voor met Tsjaikovski's overbekende Zesde Symfonie, de Pathéthique. Hoewel niet volledig melancholisch, is de typering - van de hand van de broer van Tsjaikovski - zonder meer toepasselijk. Niet in de laatste plaats omdat Tsjaikovski enkele dagen na de premiere van dit werk in 1893 stierf. Dat laat onverlet dat het werk veel momenten van triomfalisme kent, met name het opzwepende derde deel. In de pre-concert talk gaf Bill Chandler al aan dat het niet ongebruikelijk is dat de mars van dit deel leidt tot applaus bij het publiek en juichte dit vooral toe. Zijn woorden bleken niet aan dovemansoren gericht aangezien in Usher Hall na het einde van dit derde deel her en der zeker applaus te horen viel. Het weerhield Znaider er niet van om door te stomen naar het vierde en laatste deel dat - heel ongebruikelijk voor een symfonie - in een treurig maar zeer emotioneel adagio eindigt. Hoewel het RSNO natuurlijk niet behoort tot de beste orkesten ter wereld, werd er deze avond puik en met overtuiging gespeeld. En dat was te danken aan twee grote solisten wier muzikaliteit en techniek het orkest inspireerden en waarbij Znaider toonde een verdienstelijk dirigent te zijn met groot gevoel voor (Russische) muziek. 

Sergej Krylov in diens Paganini-toegift (bij een ander concert):


Wekelijks concerteert het Royal Scottish National Orchestra in thuisbasis Usher Hall in Edinburgh. Op 27 april 2017 voerde het RSNO - onder leiding van Nikolaj Znaider en met medewerking van violist Sergej Krylov - een volledig Russisch programma uit met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski uit. 

zaterdag 6 mei 2017

Star Wars: de vertrouwde terugkeer van Thrawn


In de donkere jaren na de eerste Star Wars-trilogie wist sciencefiction-schrijver Timothy Zahn de Star Wars-fans te verblijden met een verhalenreeks rondom de ingenieuze Grand Admiral Thrawn. Een karakter dat ongekend populair werd, maar door de komst van The Force Awakens opeens geen onderdeel meer uitmaakte van de officiële Star Wars-continuïteit. Met Thrawn wordt die fout hersteld en blijkt de terugkeer van Thrawn meer dan vertrouwd. 

Een waarschuwing vooraf. Alles wat nu volgt is een onbeschaamd juichverhaal over de bijdrage van Timothy Zahn aan het Star Wars-universum van een diehard Star Wars-fan. Heb je niks met Star Wars ga dan vooral iets anders lezen. Maar heb je ook maar enige affiniteit met het universum van George Lucas bereid je dan voor op een geweldig weerzien met één van de meest fascinerende karakters in het Star Wars-universum. Een karakter dat – tragisch genoeg – door het succes van The Force Awakens naar een galactisch verdomhoekje leek te zijn verwezen. De prequel-trilogie – The Phantom Menace, Attack of the Clones en Revenge of the Sith - was helaas een wisselend succes waarbij alleen het derde deel een beetje in de buurt kwam van de originele trilogie. Met hulp van J.J. Abrams is met het superieure The Force Awakens de filmfranchise nieuw leven ingeblazen en is een nieuwe stortvloed aan nieuwe Star wars-films en andere initiatieven gaande. Het evenzo succesvolle Rogue One is daar een prachtig voorbeeld van. 

Van Expanded Universe naar Star Wars Legends
Om het Star Wars-vuur tussen de oorspronkelijke trilogie en de prequels brandend te houden, ontstond een uitgebreide canon aan Star Wars-verhalen. Met de overname van Lucasfilm door Disney kwam niet alleen de ruimte om een nieuwe trilogie te filmen, maar werd tegelijkertijd – nogal rigoureus – besloten om deze zogeheten Expanded Universe los te koppelen van de officiële Star Wars-canon en slechts onder de noemer van Star Wars Legends te continueren, maar feitelijk uit te faseren. Dit betekende het einde van Grand Admiral Thrawn, één van de belangrijkste en populairste karakters uit de Expanded Universe. Gelukkig heeft Thrawn zijn rentree gemaakt. Eerst via de nieuwe animatieserie Star Wars Rebels waar hij in het recente derde seizoen zijn opwachting heeft gemaakt, maar nu ook door een nieuw boek over Thrawn van de hand van de meester zelf: Timothy Zahn. 

De introductie van Thrawn
In 1991 maakte Thrawn, de buitenaardse militaire strateeg met de felle rode ogen en blauwe huid voor het eerst zijn opwachting. Het was namelijk de start van de meesterlijke Thrawn-trilogie van de hand van sciencefiction-schrijver Timothy Zahn (1951). Heir to the Empire (1991), Dark Force Rising (1992) en The Last Command (1993) vinden plaats vijf jaar na Return of the Jedi. Het Keizerrijk is verslagen en de voormalige rebellen – waaronder natuurlijk Luke Skywalker, Leia Organa Solo en Han Solo – besturen de Nieuwe Republiek. Gevaar dreigt echter door de restanten van het Keizerrijk die worden aangevoerd door één van de legendarische door de Keizer aangestelde Grand Admirals waarvan gedacht was dat deze militaire topstrategen allemaal gedood of opgepakt waren. Daarbij werd buiten de enige buitenaardse Grand Admiral gerekend: Thrawn. De trilogie was zo meeslepend dat hordes fans – waaronder deze - lange tijd hoopten dat juist deze trilogie de basis zou vormen van een derde serie Star Wars-films. Zahn wist daarbij de aandacht voor Thrawn levend te houden door een tweedelige Hand of Thrawn-cyclus die bestond uit Specter of the Past (1997) en Vision of the Future (1998) die plaats vinden vijf jaar na de Thrawn-trilogie. In enkele andere verhalen van Zahn zou Thrawn wederom zijn opwachting maken, waaronder in de verhaallijn van de geweldige PC-game Tie Fighter. Die verhalen waren – op Tie Fighter en het boek Outbound Flight (2006) na - meestal van mindere kwaliteit, maar de kracht van het personage bleek onverminderd. 

De comeback van Thrawn
Thrown met zijn eerdere 'Watson': Kapitein Pellaeon
Met de opwachting van Thrawn in Star Wars Rebels en nu Thrawn maakt deze fan favorite zijn comeback binnen de formele canon. En hoe! Timothy Zahn’s Thrawn kent een andere opzet dat zijn andere Thrawn-boeken. Hoewel er een rode draad zit in het boek mist het een centraal avontuur dat de Star Wars-films én de eerdere Thrawn-boeken karakteriseert. Thrawn is vooral een origin-verhaal en de beschrijving van de coming of age van onze geniale vriend met de rode ogen. Thrawn speelt zich af tussen Revenge of the Sith en A New Hope en sluit af net voor de gebeurtenissen van Star Wars Rebels. In Thrawn wordt hij niet alleen geïntroduceerd, maar volg je zijn carrière die uiteindelijk uitmondt in zijn benoeming tot Grand Admiral. Het verhaal beslaat daarmee vele jaren waardoor een echte spanningsboog van één compact avontuur ontbreekt. Dit lijkt een tegenvaller en maakt het boek soms wat fragmentarisch. Toch is juist de geslaagde plaatsing van Thrawn binnen het nieuwe Star Wars-universum één van redenen waarom het boek – met name voor Star Wars-fans in het algemeen en Thrawn-adepten in het bijzonder – zo aansprekend is. Want Zahn heeft het voor elkaar gekregen om de terugkeer van Thrawn volledig vertrouwd te laten voelen. Het karakter is grotendeels hetzelfde waardoor deze Thrawn herkenbaar is binnen zowel de nieuwe Star Wars-canon als de Star Wars Legends en zo een link tussen beide universums biedt. Het origin-verhaal is – met een twist – nog altijd hetzelfde: Thrawn wordt door officier Voss Parck gevonden op een planeet in de zogenaamde Unknown Regions en teruggebracht naar de Keizer op Coruscant waar de carrière van Thrawn start. Ook het achtergrondverhaal dat zijn thuiswereld – de Chiss Ascendancy – zich opmaakt voor een allesbepalende strijd tegen een groot gevaar voorbij de Unknown Regions is intact gebleven. Net zoals zijn oorspronkelijke Chiss-naam Mitth'raw'nuruodo. 

Het genie van Thrawn wordt pas duidelijk wanneer hij gekoppeld is aan een soort pupil. Een Watson voor zijn Holmes. In de oorspronkelijke trilogie was dit kapitein Pellaeon. Die rol is nu weggelegd voor een ander interessant karakter: ensign Eli Vanto. Net zoals Thrawn is hij afkomstig ver buiten de kernwerelden van het Keizerrijk en wordt dus – in iets mindere mate aangezien hij niet buitenaards is – net als Thrawn met de nek aangekeken in het racistische Keizerrijk. Zijn carrière loopt samen met Thrawn op en in de avonturen die zij meemaken blijkt op de achtergrond de mysterieuze misdadiger c.q. rebel Nightswan een grote rol te spelen. 

Door dit alles is de terugkeer van Thrawn vooral een vertrouwde terugkeer en biedt het perspectief op nieuwe boeken met Thrawn in de hoofdrol. Het blijft een groot gemis dat de Thrawn-canon na Return of the Jedi eigenlijk niet meer telt en dus ook nooit meer basis kan zijn voor een nieuwe filmreeks, maar dat Thrawn toch weer onderwerp is van nieuwe verhalen maakt veel goed. 

Op 11 april is ‘Thrawn’ van Timothy Zahn verschenen bij Century. Een Nederlandse vertaling staat (vooralsnog?) niet in de planning. Tevens beschikbaar als eBook. Deze bespreking is deels gebaseerd op een eerdere blog over de fascinatie voor Thrawn en is tevens verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 9 april 2017

Driemaal Hella Haasse: 'Sleuteloog', 'Fenrir' en 'Huurders en onderhuurders'


Ruim vijf jaar geleden overleed Hella Haasse, de grande dame van de Nederlandse literatuur. Bekend vanwege haar Indische en historische romans, maar tegelijkertijd lijkt haar naam bekender dan de literatuur die zij geschreven heeft. Een hernieuwde kennismaking daarom met  Haasse via drie (willekeurige) romans: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders

De Nederlandse naoorlogse literatuur is lange tijd gedomineerd door de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Veelal volgde daarna als snel de naam van Hella S. Haasse.    Na de dood van Harry Mulisch in 2010 (Hermans overleed al in 1995 en Reve in 2006) was zij nog de enige levende representant van een trotse en wereldwijd bekende Nederlandse literaire traditie. Nog geen jaar later overleed ook Haasse en eindigde een tijdperk. Geroemd bij haar dood maakte toenmalig staatssecretaris voor Cultuur Halbe Zijlstra zich sterk voor het spreken over de Grote Vier. Ook collega-auteur Cees Nooteboom ergerde zich aan "dat gekakel over de Grote Drie" en vond dat zij de allure had die haar toegang gaf tot het literaire Pantheon van Nederland. Opvallend daarbij is dat hoe bekend we ook allemaal nog zijn met deze schrijvers hun werk verder weg lijkt dan dat het relatief recente overlijden doet vermoeden. Zo wordt De Avonden van Gerard Reve amper nog gelezen terwijl de recente Engelse vertaling The Evenings tot uitmuntende recensies in het buitenland heeft geleid waardoor een nieuwe Nederlandstalige editie binnenkort het licht ziet. 

Haasse is vooral bekend geworden door haar romans over Nederlands-Indië (Heren van de Thee, Oeroeg en Sleuteloog) en haar historische romans (Scharlaken Stad, Een Nieuwer Testament en Het Woud der Verwachting) en minder vanwege haar contemporaine romans. Juist hierdoor zou het kunnen dat het werk van de in 1918 geboren schrijfster minder courant geworden is. Want de interesse voor in ieder geval de koloniale geschiedenis van Nederland is weleens groter geweest. 

Vorig jaar was ik in de nieuwe boekhandel Grand Theatre Breda. Dit prachtige rijksmonument dat voorheen diende als theater en bioscoop is nu de thuishaven voor liefhebbers van boeken. Een mooie toevoeging op het toch al heerlijke Breda en zonder meer een aanrader. Op wat voorheen het balkon was, is de ramsj te vinden. Ik trof daar een behoorlijk aantal exemplaren van de in 2006 door Uitgevrij Querido gestarte uitgave van een stemmige hardcover-editie van het verzameld werk van Haasse. In 2014 verscheen de laatste uitgave in deze reeks. Door het toevallige bezoek aan Grand Theatre Breda keerde ik naar huiswaarts met Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Tegelijkertijd leek deze vondst ook symbool te staan voor een schrijfster die - althans op dit moment - minder courant lijkt. De afgelopen weken heb ik achtereenvolgens en met veel plezier deze boeken gelezen. Daarom hoog tijd voor het (opnieuw) onder de aandacht brengen van een literaire grootheid wiens stem - alleen al vanwege ons verleden in Nederlands-Indië - gehoord moet worden. 

Sleuteloog (2002)
Door Sleuteloog wordt de unieke bijdrage van Haasse aan de Nederlandse literatuur meteen duidelijk. Net als haar debuut Oeroeg en De Heren van de Thee is het Nederlandse koloniale verleden in Nederlands-Indië het leitmotiv. Met haar prachtige Indische romans levert Haasse een grote bijdrage aan de gevoelswereld over een periode die grote invloed op onze geschiedenis heeft gehad, maar tegelijkertijd steeds minder deel uitmaakt van het collectieve geheugen. Eén van de mogelijke redenen waarom het werk van Haasse minder in trek is. Hoewel na het verschijnen van Sleuteloog in 2002 nog wel het nodige van Haasse is gepubliceerd, was dit de laatste grote roman en tegelijkertijd publiekstrekker - winnaar van de NS Publieksprijs van 2003 - van haar hand. 

Sleuteloog staat niet bekend als de beste Indische roman van Haasse maar was voor mij een prachtige inleiding op haar oeuvre op dit vlak. Haasse kenmerkt zich door een prachtig, maar vooral ook helder proza. Een herinneringsroman waar de inmiddels bejaarde Herma Warner door een journalist wordt benaderd of zij informatie heeft over de mensenrechtenactiviste Mila Wychinska. Het blijkt de pseudoniem van haar Indische jeugdvriendin Dee Mijers. Door het verzoek van deze Bart Moorland worden herinneringen ontsloten over haar tijd in Nederlands-Indië. Een structuur van brieven van Moorland gevolgd door herinneringen van Warner leidt tot een intrigerende roman die een inkijk geeft in een verloren wereld. Een wereld die voor Warner gesymboliseerd wordt door een prachtige antieke ebbenhouten kist waar de tastbare symbolen van die tijd zijn opgeslagen. De sleutel is al jaren zoek waardoor Warner moet vertrouwen op haar herinneringen. De toegang tot de "feiten" van die tijd bevindt zich achter het voor haar ontoegankelijke sleuteloog. 

Voor lezers die (nog) onbekend zijn met het oeuvre is Sleuteloog een meer dan prima inleiding. Niet voor niets roemde De Volkskrant Haase's Sleuteloog als 'kroon op haar oeuvre.

Fenrir (2000)
Toen Fenrir in 2000 verscheen was het onderwerp van lichte sensatie omdat het voor het eerst in jaren was dat een nieuwe roman van de hand van Haasse verscheen. Een roman die historisch was noch met Nederlands-Indië van doen had. Fenrir is een contemporaine roman die minder geslaagd is als Sleuteloog maar desalniettemin fascineert. In Fenrir - de mythologische wolfzoon van de Noorse god Loki - staan wolven en neonazisme centraal. Dit alles verbonden door de journalist Matthias Crone en de sterpianiste Edith Waldschade. Crone is weliswaar journalist maar is gefascineerd door wolven en werkt aan een wolvenencyclopedie. Bij toeval komt hij erachter dat de befaamde pianiste Edith Waldschade op haar landgoed in de Ardennen een privé-wolvenkamp houdt. Een landgoed dat toebehoorde aan haar vader die enige bekendheid genoot als germanist en volkenkundige. Deze specialisatie - in de tijd van de Tweede Wereldoorlog - maakte hem verdacht en verzamelpunt voor neonazi's en extremistische sympathieën. Uiteindelijk belandt Crone op het landgoed en landt midden in een familiedrama van Edith, haar zus en een mysterieuze man die een familielid blijkt te zijn. Uiteraard komt dit alles tot een dramatische apotheose. Een apotheose die overigens anders verloopt dan je op voorhand zou denken en daardoor zowel verrassend als verwarrend is.

Op het eerste gezicht lijkt Fenrir een poging van Haasse om door te dringen tot het detective-genre. Maar dan wel de meer literaire variant waar ieder antwoord in de regel tot meer vragen leidt en veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Daardoor bevredigt Fenrir niet volledig omdat niet helemaal duidelijk wat Haasse met deze roman beoogt. Toch fascineert Fenrir van begin tot einde en toont dat Haasse meer is dan een (Indische) historica. 

Huurders en onderhuurders (1971)
Het laatste boek uit deze volstrekt willekeurige bij elkaar gebrachte reeks van Haasse-romans is net als Fenrir één van haar contemporaine romans. Huurders en onderhuurders verscheen in 1971 en heeft eigenlijk een huis als hoofdpersoon. Een huis van rond de eeuwwisseling aan het Amsterdamse Vondelpark. Frits Dupels, een getroebleerde ambtenaar bij het Ministerie van Culturele Zaken, belandt via zijn leidinggevende die van hem af wil als huisbewaarder van dit huis. Samen met zijn vrouw Dora bewonen zij dit huis en verzorgen zij de verhuur ervan voor de huiseigenaar die zich op afstand bevindt. Het leven van het echtpaar draait volledig om het huis waarbij Frits zich steeds meer verliest in een kleinere wereld een megalomaan masterplan dat de wereld zal veranderen. Voor de eenzame Dora komen de onderhuurders als geroepen. Door in hun leven te graven kan zij zich onttrekken van haar eigen weinig gelukkige leven. Spil van de onderhuurders is de frauderende Lilian Hornkes die een 'bondje' sluit met een leraar die eerst een kamer betrekt voor het geven van naschoolse les. Een schrijfster completeert het gezelschap terwijl de huiseigenaar zich op de achtergrond beweegt. Door de alwetende verteller krijg je een inkijk in de verschillende levens, de samenhang ertussen die voor velen noodlottig zal uitpakken.

Huurders en onderhuurders was het laatste boek in deze reeks en gek genoeg is de volgorde van deze reeks ook exemplarisch voor de waardering. Naar verluidt was dit boek één van de favorieten van Haasse terwijl Fenrir en met name Sleuteloog evenwichtiger en sterker zijn. Dat laat onverlet dat het wederom een mooi voorbeeld is van de krachtige en heldere schrijfstijl van Haasse die nog altijd aanspreekt en verdient om gelezen te worden. 

Het oeuvre van Hella Haasse en deze besproken boeken in het bijzonder zijn - in diverse edities - nog altijd meer dan goed verkrijgbaar. Ook als eBook.