zondag 29 juni 2014

Tussen dreiging en bezetting: 'Mijn Beloofde Land' van Ari Shavit


Ari Shavit schrijft met Mijn Beloofde Land een persoonlijke geschiedenis van Israël en daardoor een meeslepende vertelling van het Volk, het Land en de Staat van Israël.

In 1897 verlaat een klein schip de haven van Port Said in Egypte. Aan boord de Brit Herbert Bentwich en negenentwintig andere passagiers. De bestemming is Jaffa in wat wij nu kennen als de Staat Israël. Toen Herbert Bentwich voet aan land zette was het voor hem Palestina, het Land van Israël voor het Volk van Israël. En hoewel zijn naam wellicht anders doet vermoeden is Bentwich van Joodse afkomst en maakt hij deze pelgrimstocht om een rapport op te stellen over de mogelijkheden voor het zionisme in de landstreek Palestina. Een rapport dat met smart tegemoet gezien wordt door Theodor Herzl en het Eerste Zionistische Congres dat in datzelfde jaar in Bazel zal plaats vinden. Het rapport is niet op tijd af, maar de impact van deze en andere verkenningen zal onmiskenbaar zijn. Een halve eeuw later  en een Onafhankelijkheidsoorlog verder hebben de Joden in Israël een "Nationaal Tehuis" gevonden. Een "Nationaal Tehuis" dat een belangwekkend onderdeel vormt van de voor- en naoorlogse geschiedenis en nog immer van groot belang is voor de politieke actualiteit. Over de onwaarschijnlijke reis van Israël heeft journalist en Haaretz-columnist Ari Shavit een fascinerende persoonlijke geschiedenis geschreven die inzicht geeft in het moderne Israël en de in- en externe conflicten die het land bedreigen én fundamenteel onderdeel zijn van het wezen van de Staat Israël.

Land van oorsprong
Ari Shavit
Shavit begint niet zonder reden met de pelgrimstocht van Herbert Bentwich. Deze Bentwich, een succesvolle en welgestelde expert in het auteursrecht, was in veel opzichten een typische Brit die geloofde in Empire en het Britse Koningshuis als symbool en leidraad van de Britse eenheid en macht. Zijn geloof in (een romantisch) zionisme drijft hem echter op verkenningstocht naar Palestina en zal hem op latere leeftijd ertoe brengen om zijn laatste jaren daar door te brengen en te sterven. De keuze van Bentwich om zijn (comfortabele) leven en dat van zijn nageslacht in het Verenigd Koninkrijk op te geven voor een ongewisse toekomst in zijn antieke land van oorsprong is symbolisch voor de trek van Joden uit alle delen van de wereld naar een land dat zij hun huis kunnen noemen en daarmee het fundament van Israël. Dat Shavit voor hem kiest als aanjager voor zijn beschrijving van de triomf en tragedie van Israël is niet zo gek aangezien Bentwich zijn overgrootvader is en daarmee van direct belang voor Shavit's eigen leven in Israël. Zonder Bentwich, geen Shavit in Israël. En zonder mensen als Bentwich geen Israël. 

De onzichtbare Palestijnen
In zeventien hoofdstukken schetst Shavit - aan de hand van onder andere interviews, gesprekken, documenten en zijn eigen levensgeschiedenis - belangrijke episodes uit de geschiedenis van Israël die de lezer inzicht geven in de totstandkoming, maar ook de huidige stand van zaken van Israël. Zo maakt Shavit duidelijk dat Bentwich, maar velen met hem, de inwoners van Palestina gewoonweg niet zagen c.q. geen oog hadden voor hen en daarmee geen belemmering in hen zagen voor de totstandkoming van Israël. Dit overigens ook in de context dat er toen helemaal geen sprake was van een eenduidig Palestijns volk, maar slechts een landstreek Palestina dat land onderdeel vormde van het Ottomaanse Rijk en naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog een mandaatgebied werd van het Verenigd Koninkrijk. Tegelijkertijd schetst hij de enorme economische opleving van het gebied door de sinaasappelplantages in de jaren dertig en de opkomst van de hightech-economie de afgelopen decennia. Maar ook de effecten van de Onafhankelijkheidsoorlog (1948), de Zesdaagse Oorlog (1967), de Jom Kipoeroorlog (1973) en het einde van de dominantie van de Arbeiderspartij door de regering van Menachem Begin (1977) en het hedendaagse Israël komen ruimschoots aan bod. 

Tussen dreiging en bezetting
Het episodische karakter en de reikwijdte van deze persoonlijke geschiedenis slepen de lezer mee in de geschiedenis van Israël. En hoewel Shavit een overtuigd Zionist is geeft hij inzicht in zowel de zonnige als schaduwkanten van Israël. De ontruiming van het Palestijnse dorp Lydda in 1948 met tientallen doden als gevolg is daar een markant voorbeeld van. Daarbij markeert Shavit ook heel duidelijk dat het Zionisme en Lydda niet los van elkaar gezien kunnen worden. Hij schetst daarbij (terecht) een tableau waarbij de geschiedenis van Israël zelden zwart of wit is, maar vooral er één is van vele schakeringen van grijs. Een soort serieuze fifty shades of grey dus. Deze recensent had recent de kans om met Shavit te spreken en mijn kenschets van het boek als fifty shades of grey kon hem bekoren, zowel vanwege de boodschap als de grap die erin besloten ligt. 

Zowel in dit gesprek, als in een aansluitende lezing bij het CIDI in Den Haag als het boek zelf maakt Shavit duidelijk dat Israël permanent verkeert tussen 'dreiging' en 'bezetting'. De 'dreiging' manifesteert zich richting het bestaanszekerheid van Israël terwijl de 'bezetting' (de nederzettingen) de morele positie van Israël dreigt te ondermijnen. Daarbij markeert Shavit (wederom terecht) dat nederzettingen kunnen worden teruggegeven, maar dat dit geen oplossing biedt voor dorpen als Lydda en daarom in zijn ogen de nederzettingen niet in directe lijn staan met duurzame vrede, maar wel met het morele leiderschap van Israël. 

Schijn van normaliteit
Wie Israël bezoekt zal een land treffen dat bruist met een bevolking die ondanks de continue dreiging tracht (en daar veelal ook in slaagt) een normaal leven te leiden. Zo normaal dat bij de laatste verkiezingen het Israëlisch-Palestijnse conflict een bijrol speelde ten faveure van sociale onrust over werkloosheid e.d. die ook typisch voor de Westerse democratieën. Shavit maakt daarbij het terechte punt dat deze schijn van normaliteit het bijzondere karakter van Israël ontneemt en daarmee het begrip voor de Israëlische positie ondermijnt. Shavit illustreerde dit met zijn persoonlijke beleving van het in zijn nabijheid meemaken van een zelfmoordaanslag. Iets wat in de Westerse wereld amper is voor te stellen, maar daarom nooit los kan worden gezien van de positie die Israël inneemt. 

Mijn Beloofde Land is niet alleen een meeslepende geschiedenis van Israël, maar zet ook tot denken en maakt de complexiteit van Israël en haar omgeving inzichtelijk. Voor een ieder met enige interesse in de internationale politiek in het algemeen en het Midden-Oosten en Israël in het bijzonder is dit een niet te missen boek. 

'Mijn Beloofde Land' - als vertaling door George Pape van 'My Promised Land - is in oktober 2013 door Spectrum uitgegeven. Bestellen kan hier

woensdag 18 juni 2014

'Dramaturgie van een passie': het culturele testament van Gerard Mortier


Met Dramaturgie van een passie laat opera-intendant Gerard Mortier een compromisloze visie op opera na en daarmee zijn culturele testament.

Opera is bij uitstek een “dramatische” uitingsvorm van kunst, maar ook de wereld van de opera is een doorlopende voorstelling met al dan niet dramatische hoogte- en dieptepunten. Een wereld die bevolkt wordt door uitgesproken artiesten waar genialiteit en zelfoverschatting slechts een dunne scheidslijn kennen. Aan het hoofd van deze wereld staan de opera-intendanten die leiding geven aan een operahuis. De Nationale Opera kan zich gelukkig prijzen met Pierre Audi terwijl onze Zuiderburen één van de meest befaamde intendanten voortbrachten, de eerder dit jaar overleden Gerard Mortier.

Opera als spiegel van de maatschappij
Gerard Mortier (1943-2014) is één van de meest invloedrijke cultuurpausen sinds de Tweede Wereldoorlog. Zijn faam startte met de artistieke leiding van de Munt in Brussel en voerde hem onder andere naar de Salzburger Festspiele, de Opéra National de Paris en het Teatro Real in Madrid. Bij deze laatste instelling werd hij in september 2013 ontslagen nadat hij zich in de pers had uitgesproken voor de benoeming van zijn opvolger via een artistieke commissie in plaats van het Spaanse gebruik van een politieke benoeming. Dit was tegen de zin van de betreffende cultuurminister en luidde het einde in van Mortier bij het Teatro Real. Een agressieve vorm van kanker zou niet veel later een vroegtijdig einde maken aan het leven van Mortier.

In al zijn betrekkingen wierp Mortier zich op de vernieuwing binnen de wereld van de opera. Een vernieuwing die een strijd tegen routine inhield bij het repertoire en een belangrijke plek voor hedendaagse muziek en de aansluiting zoeken bij nieuw publiek. Daarbij was Mortier stellig van mening dat het belang van opera publieke financiering noodzakelijk maakt. Zijn ideeën over opera als kunstvorm en betekenis voor de maatschappij zijn samengebracht in zijn Dramaturgie van een passie: zijn cultureel testament en liefdesverklaring aan de opera.

Vernieuwing en verbinding met het verleden
In een erudiet, gepassioneerd en gestructureerd pleidooi zet Mortier opera als de meest alomvattende artistieke ervaring neer die niet losstaat van de maatschappij, maar daar onderdeel van is en juist kan fungeren als de spiegel van diezelfde maatschappij. Zijn opvatting doet denken aan het uitgangspunt van het gesamtkunstwerk van Richard Wagner waarbij Wagner – gelijk Mortier – een verbinding ziet tussen het artistieke en politiek-maatschappelijke karakter van deze kunstvorm. In zijn Dramaturgie van een passie loopt Mortier de verschillende facetten van de opera (architectuur van de plaats, programmering, werk, communicatie, wereldpremières en samenwerking) langs en laat zijn stellige mening doorklinken dat opera de bezoeker confronteert met de grote vragen van het leven en daarmee een maatschappelijke bijdrage levert. Het is in zijn ogen daarom van belang om het kenrepertoire (waaronder Mozart en Verdi) vernieuwend en maatschappijkritisch uit te voeren terwijl tegelijkertijd nieuw werk ruim baan moet krijgen. Zijn opvattingen over wat wel en niet onder het kernrepertoire valt zijn zeer stellig wat liefhebbers van Puccini zal doen steigeren. Zijn liefde voor Verdi daarentegen is grenzeloos want hij sluit zijn pleidooi met een coda af waarbij hij lof toezwaait aan het werk van Verdi en het maatschappelijke karakter ervan als symbool van de universele humanistische waarden.

Zijn stelligheid heeft Mortier tijdens zijn carrière ook wel eens in de problemen gebracht, terwijl zijn opvattingen ook zeker niet de communis opinio zullen zijn. Toch is juist vanwege deze stelligheid, maar ook vanwege zijn eruditie en zijn onbetwiste kennis van de wereld van de opera zijn Dramaturgie van een passie een meeslepend pleidooi dat liefhebbers van cultuur in het algemeen en opera in het bijzonder, maar juist ook breder met veel interesse zal worden gelezen. Want food for thought is Dramaturgie van een passie zeker en leidt zonder twijfel bij menig lezer tot nieuwe inzichten over een wereld die veel meer is dan krijsende sopranen en een vermeend tijdverdrijf voor de maatschappelijke elite. 

‘Dramaturgie van een passie’ van Gerard Mortier is in mei postuum uitgegeven door De Bezige Bij Antwerpen. Oorspronkelijk uitgegeven als ‘Dramaturgie d’une Passion’ en vertaald door Jan Vandenhouwe is ‘Dramaturgie van een passie een geactualiseerde en uitgebreide bewerking van Franse, Spaanse en Duitse versies uit 2009, 2010 en 2014. Bestellen kan hier.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

dinsdag 17 juni 2014

Opera 12 juni 2014: Maestri is de ware maestro in Verdi's Falstaff

Foto: De Nationale Opera
De Nationale Opera
Falstaff
Giuseppe Verdi (1813-1901)

Ambrogio Maestri, Sir John Falstaff
Fiorenza Cedolins, Mrs. Alice Ford
Massimo Cavalletti, Ford
Lisette Oropesa, Nannetta
Paolo Fanale, Fenton
Maite Beaumont, Mrs. Meg Page
Daniela Barcellona, Mrs. Quickly
Partrizio Saudelli, Bardolfo
Giovanni Battista Parodi, Pistola
Carlo Bosi, Dottore Cajus

Koor van De Nationale Opera
Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Ambrogio Maestri steelt de show in Verdi's Falstaff, sprankelend en humoristisch uitgevoerd door De Nationale Opera.  

In het jaar na de viering van het tweehonderdste geboortejaar van Giuseppe Verdi (1813-1901) brengt De Nationale Opera - in het kader van het Holland Festival - een nieuwe productie van Falstaff op de planken. Hoewel de enscenering - een coproductie met de Royal Opera House, het Teatro alla Scala, de Metropolitan Opera en de Canadian Opera Company - nauwelijks vernieuwend kan worden genoemd, geeft het ruim baan aan Verdi's last hurrah

Het humanisme van Falstaff
De eerder dit jaar overleden opera-intendant Gerard Mortier zou waarschijnlijk gekozen hebben voor een meer vernieuwende enscenering, maar zou zonder meer in zijn nopjes zijn met het uitvoeren van Verdi en dat met name zijn Falstaff. In zijn recent (postuum) gepubliceerde culturele testament Dramaturgie van een passie wijdt Mortier zijn 'coda' aan Verdi. Mortier geeft hoog op van het engagement van Verdi en stelt "in tachtig jaar was Verdi nooit méér geëngageerd dan in zijn laatste opera Falstaff. Hij legde er al zijn ontgoocheling over de evolutie van de bourgeoisie in de tweede helft van de negentiende eeuw in, die rijk, onwetend en pretentieus geworden was (en zo het pad effende voor de Eerste Wereldoorlog). Verdi voegde er ook een geamuseerde blik op zijn eigen oeuvre aan toe alsof hij wilde aangeven dat al zijn engagement misschien nergens toe geleid had."

Boontje om z'n loontje?
Eind goed, al goed voor Sir John Falstaff
Met Falstaff volgen we de paljas Sir John Falstaff die zijn levenswerk gemaakt heeft van lekker eten en het verleiden van vrouwen waarbij zijn eerste hobby een mindere uitwerking op zijn gestel heeft en daarom afbreuk doet aan zijn tweede hobby. Hij gaat te ver wanneer hij tegelijkertijd - via een gelijksoortige brief - Alice Ford en Meg Page probeert te verleiden. Zij besluiten hem in de val te lokken en net te doen of de man van Alice Ford thuis komt wanneer Falstaff haar probeert te verleiden. Ford weet - los van zijn vrouw die hij daarom echt verdenkt van vreemdgaan - echter van de plannen van Falstaff en besluit hem te betrappen wat leidt tot de bekende scene waarin Falstaff zijn toevlucht zoekt in een grote wasmand en uiteindelijk in rivier de Theems wordt gedropt om te ontkomen aan Ford. Na deze vernedering is het niet gedaan voor Falstaff en wordt hij nogmaals door Alice Ford c.s. in het ootje genomen waarbij en passant nog een liefdesgeschiedenis volgt tussen Nannettea (de dochter van de familie Ford) en Fenton. Uiteindelijk leidt dit alles tot een huwelijk tussen Alice en Fenton waarbij Falstaff als hoofdgast aanschuift en iedereen beaamt dat de hele wereld misschien één grote grap is, maar wie het laatst lacht, lacht het best.

Ruim baan voor Maestri
Maestri is Falstaff
En het publiek van De Nationale Opera lacht vooral het laatst met een uitstekende uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti. Gatti tekent voor een lekker temperamentvolle uitvoering waarbij wel aangetekend moet worden dat op sommige punten - met name in de muzikale ondersteuning van de meerstemmige scenes - enige "onrust" in de muziek leek te sluipen. Onbetwiste hoofdrol is weggelegd voor Ambrogio Maestri die de titelrol van Falstaff met hoofdletters op het lijf is geschreven. Daarmee is Falstaff tegelijkertijd een team effort, maar ook een one man show. Zoals al aangegeven is het decor niet ongelooflijk vernieuwend en is - onder regie van Robert Carsen en met een decor van Paul Steinberg - gekozen voor een enscenering in de Britse jaren vijftig waarbij met name de enorme keuken - decor voor de wasmand! - tot jaloerse blikken zal leiden bij menig keukenprins- en prinses. Het knappe daarbij is dat deze opera die meer dan een eeuw oud is nog steeds leidt tot hoorbaar gelach bij het publieke door de scherpe teksten van Arrigo Boito en de meesterlijke muziek van Verdi. Viva Verdi, Viva Falstaff, Viva Ambrogio Maestri!

De trailer van 'Falstaff':


'Falstaff' van Giuseppe Verdi wordt van 7 t/m 30 juni uitgevoerd door De Nationale Opera. Deze recensie is op basis van de voorstelling van 12 juni 2014. Kaarten bestellen kan hier

woensdag 11 juni 2014

De herrijzenis van Marianne: 'Ongelukkige Identiteit' van Alain Finkielkraut


Alain Finkielkraut spreekt zich ferm uit tegen cultuurrelativisme en levert een spraakmakende bijdrage aan de voortdurende discussie over de multiculturele samenleving.

Het debat over de multiculturele samenleving (en in het verlengde hiervan over migratie) wordt met name in Europa al lange tijd en in verschillende mate van hevigheid gevoerd. Zo wordt het debat in Nederland al sinds het einde van de twintigste eeuw gevoerd waarbij Frits Bolkestein, Paul Scheffer (Het Multiculturele Drama), Pim Fortuyn, Geert Wilders en vele anderen leidend – al dan niet op een goede wijze – zijn geweest voor de ontwikkeling van het debat. De afgelopen verkiezingen voor het Europees Parlement hebben daarbij nog eens onderstreept hoe het debat over het wezen van de samenleving, de gevolgen van immigratie en de nationale identiteit een factor is bij dergelijke verkiezingen. De onvrede over de Europese Unie en zittende regeringen, de onzekerheid over de economie en de natiestaat vertaalde zich in een uitslag die tot veel duiding leidde, maar eigenlijk toch maar heel moeilijk in één richting te verklaren was. Op nationaal en Europees niveau had de Franse uitslag met de winst voor het Front National de meeste impact en liet president Hollande nog verder wegzakken in zijn electorale misère en maakte duidelijk dat de UMP met spoed een onbetwiste en aansprekende leider nodig heeft. Niet voor niets lijkt voormalig president Sarkozy zich voor te bereiden op een terugkeer naar de politieke arena.

Marianne in het verdomhoekje
Een politieke arena waar het debat over de multiculturele samenleving en welke impact dit heeft in alle hevigheid wordt gevoerd. Daarbij heeft dit debat een duidelijk eigen inslag waarmee het voor een deel los staat van het debat zoals het in andere Europese landen wordt gevoerd. De typisch Franse vorm van de scheiding tussen kerk en staat, de laïcité, is daar één zo niet de grootste oorzaak van. Het sinds 2004 geldende verbod op het dragen van hoofddoeken door leerlingen en leerkrachten en een beperking ervan in overheidsgebouwen is een uitvloeisel van dat debat.

Met zijn nieuwe boek Ongelukkige identiteit. De ontsporing van de multicultuur draagt filosoof en intellectueel Alain Finkielkraut (1967) zijn steentje bij aan het debat over de multiculturele samenleving. Finkielkraut spreekt zich in Ongelukkige identiteit ferm uit tegen in het in zijn ogen dominante cultuurrelativisme dat rondwaart in Frankrijk. In een erudiete polemiek keert Finkielkraut zich tegen de afbraak van het onderwijs, het relativeren van de identiteit en de minachting van cultuur. Feitelijk breekt hij een lans voor de Franse cultuur en geschiedenis als leidraad voor een succesvolle integratie. Daarmee haalt hij ‘Marianne’ – het Franse symbool van de ‘Triomf van de Republiek’, de Vrijheid en de Rede – uit het verdomboekje en pleit voor haar herrijzenis.

De Franse identiteit
De bijdrage van Finkielkraut is niet onopgemerkt gebleven. In een zeer lezenswaardig interview van Martin Sommer met Finkielkraut (De Volkskrant, 10 mei 2014) wordt duidelijk dat onder intellectuelen Finkielkraut als zwart schaap wordt gezien en hij gemakshalve door deze zelfde “intellectuelen” in de extreemrechtse hoek wordt geplaatst en gezien wordt als vazal van Marine Le Pen. Juist daarom ontstond er “gedoe” toen Finkielkraut werd voorgedragen voor de eerbiedwaardige Académie Française waarvan hij inmiddels gewoon lid is.

Alain Finkielkraut
Gelijk Nederland kent het Franse debat over de multiculturele samenleving hysterische trekken waar overigens zowel “links” als “rechts” zich schuldig aan maken. Finkielkraut valt juist te prijzen met zijn bijdrage aan dit debat omdat veel van hem gezegd kan worden, maar niet dat hij niet de tijd heeft genomen om zijn gedachten te vormen en van argumentatie te voorzien. De kern van zijn betoog is gelegen in de waarneming dat het Frankrijk van nu in de ban is van antiracisme en antifascime. Uitgangspunten waarmee in de kern niets mis mee is, maar zo is doorgevoerd dat het de integratie van minderheden in de samenleving tegen gaat omdat de eigen Franse cultuur en geschiedenis zo gerelativeerd worden dat gemeenschappelijkheid ver te zoeken is en een samenleving daardoor dreigt te ontstaan waarin haar burgers die – los van het Franse paspoort – maar weinig delen met alle gevolgen van dien. Finkielkraut pleit er daarom voor om de Franse identiteit af te stoffen en weer als leidraad te nemen, met name in het onderwijs als het lijm voor de gemeenschappelijke identiteit.

Een dominante cultuur?
Een dergelijk standpunt wordt al snel (bewust) verkeerd opgevat en zou kunnen leiden tot het vooropstellen van één dominante cultuur ten koste van anderen. Wat Finkielkraut feitelijk doet is te stellen dat een land alleen maar een samenleving kan hebben wanneer je een gezamenlijk referentiepunt hebt die de basis vormt voor de onderlinge omgang en de gezamenlijke normen en waarden. Natuurlijk zou gesteld kunnen worden dat een dergelijke opvatting is gebaseerd op een soort gestold historisch beeld van Frankrijk en dat een land en haar samenleving evolueert op grond van de veranderingen in bevolkingssamenstelling, technische ontwikkelingen en de toenemende globalisering waardoor een eenvormige identiteit niet bestaat. Tegelijkertijd zou juist ook gesteld kunnen worden dat de huidige natiestaat door de toegenomen globalisering en de gevolgen van immigratie op een uniek punt is aanbeland waarbij het uitgangspunt van een graduele evolutie niet meer geldt en dus juist het ijkpunt van een gezamenlijke identiteit nodig is.

Zoals uit voorgaande duidelijk wordt, is Ongelukkige identiteit een spraakmakende bijdrage aan het debat over de multiculturele samenleving en is daarom een aanrader voor een ieder die zich mengt of geïnteresseerd is in dat debat. Want zoals het een polemisch geschrift betaamt, geeft het – op boeiende en lezenswaardige wijze – alle aanleiding om te denken en te discussiëren.

 ‘Ongelukkige identiteit. De ontsporing van de multicultuur’ is in april door De Bezige Bij Antwerpen uitgegeven en is de vertaling door Katrien Vandenberghe van ‘L’identité malheureuse’ van Alain Finkielkraut.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

maandag 9 juni 2014

Kijk niet om!: 'The City and the Pillar' van Gore Vidal


Gore Vidal's The City and the Pillar wordt niet zonder reden gezien als één van de eerste serieuze romans over homoseksualiteit en is ruim een halve eeuw later nog steeds lezenswaardig. 

Gore Vidal (1925-2012) is één van de grote schrijvers die de Verenigde Staten heeft voortgebracht, die in die zeldzame categorie viel van het zijn van een alom geroemde én verguisde celebrity. Bekend vanwege zijn historische romans over onder andere Abraham Lincoln en de laatste heidense Romeinse Keizer Julianus en de screenplay voor Ben Hur, maar ook berucht om zijn uitgesproken politieke inborst en natuurlijk de publicatie van The City and the Pillar

De eerste serieuze roman over homoseksualiteit
Gore Vidal was hard op weg om een literaire sensatie te worden totdat in 1948 zijn derde boek The City and the Pillar verscheen.  De thematiek van uitgesproken homoseksualiteit zorgde voor veel controverse en leidde ertoe dat zijn boek door vele boekhandels in de ban werd gedaan en het jaren duurde voordat Vidal weer onder eigen naam kon schrijven. Wie tegenwoordig The City and the Pillar leest zal zich verbazen over de heftige reacties die het boek in de naoorlogse Verenigde Staten ontlokte. Dit geeft meteen ook inzicht hoe in die tijd homoseksualiteit niet geaccepteerd werd en slechts oogluikend werd toegestaan zolang the love that dares not speak it's name niet zichtbaar was, maar zich voltrok in de schaduwen. Een boek erover gaf dan helemaal geen pas. Juist deze reacties zorgden ervoor dat The City of the Pillar één van de klassiekers is in de homoliteratuur en daarmee een bijdrage heeft geleverd aan de homo-emancipatie. Ruim een halve eeuw later is het natuurlijk de vraag of een toentertijd baanbrekend boek nu eigenlijk nog wel de moeite van het lezen waard is.

De zoektocht naar een onbereikbare liefde
Opvallend genoeg kan die vraag met een overtuigend 'Ja!' beantwoord worden. In 186 pagina's neemt Gore Vidal je mee in het leven van de doodnormale Jim Willard die vlak voor zijn eindexamen in het Virginia van eind jaren dertig een weekend in de bossen doorbrengt met zijn beste vriend Bob Ford. Daar blijkt dat de vriendschap toch meer is dan gedacht en eindigt het weekend met een fysieke bekroning van hun evoluerende vriendschap. Voor Jim is hiermee de geest uit de fles wat betreft zijn homoseksualiteit terwijl voor Bob dit zeer zeker niet zo is. Aangezien Bob al eindexamen heeft gedaan, vertrekt hij naar New York om zijn geluk te beproeven bij de koopvaardij. Jim blijft achter met zijn fascinatie en liefde voor Bob en reist hem een jaar later achterna. Zijn zoektocht wordt uiteindelijk een queeste waarbij Bob onvindbaar lijkt en Jim zijn eigen coming of age doormaakt. Hij doorkruist daarbij het land van New York naar Californië waar hij als tennisleraar aan de slag hoopt te komen. In Californië ontmoet hij talloze kleurrijke personages en legt hij het aan met achtereenvolgens een filmster (die voor de bühne uiteraard hetero is) en later met een gekwelde schrijver met wie hij moeizame en langdurige relaties aangaat. Jim vindt hierdoor het geluk niet en vindt in de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog een escape en gaat het leger in. Medische redenen doen hem de das om en dwingen hem tot een terugkeer naar het burgerleven waar hij zijn relaties uit het verleden weer treft en ook weer terugkeert naar huis waar "zijn" Bob ook weer blijkt teruggekeerd omdat hij getrouwd is met zijn high school sweetheart. Bij de hernieuwde kennismaking met Jim lijkt Bob niets meer te weten van hun romantische encounter in de bossen, maar een gezamenlijk ondernomen "mannenweekend" in New York een jaar later lijkt te wijzen op een hernieuwde kennismaking ook op een ander vlak. 

Sodom en Gomorra
Hoe dit afloopt is met het oog op de onvermijdelijke spoiler alert aan de nieuwe lezers van The City of the Pillar om te ontdekken. Daarbij wijkt het einde in de door Vidal zelf gereviseerde tweede versie van de roman behoorlijk af van de versie die nu verkrijgbaar is. Deze laatste vesie is de ogen van deze recensent overigens passender. Opvallend bij het boek is dat in veel opzichten de homoseksualiteit gewoon een onderdeel van het verhaal is en niet het onderwerp zelf. Dit gecombineerd met het doodgewone karakter van Jim maakt het juist zo'n sterke proponent voor homo-emancipatie. En daarom is het boek nu nog steeds zo leesbaar. Want feitelijk is het vooral een coming of age-roman waarbij de hoofdfiguur een queeste doorloopt waarvan de afloop hoogst onzeker is. Niet voor niets gaat een citaat uit de Bijbel aan het boek vooraf: "But his wife looked back from behind him and she became a pilaar of salt" (Genesis 19:26). Daarmee verwijst Vidal naar de vernietiging van Sodom en Gomorra waarbij alleen Lot en zijn gezin door Engelen werden gewaarschuwd omdat zij de toorn van God door hun rechtschapenheid niet verdienden. De Engelen waarschuwden hen echter dat zij bij hun vlucht uit Sodom niet terug moesten kijken. De vrouw van Lot deed dit toch en eindigde als een pilaar zout. Gelijk de vrouw van Lot geldt dus ook voor Jim: kijk niet om en ga door met je leven. 

Een deel van een interview met Gore Vidal dat gaat over 'The City and the Pillar':

 

woensdag 4 juni 2014

De Macht van de Media: 'De Man in het Midden' van Bart-Jan Kazemier


Bart-Jan Kazemier levert met De Man in het Midden een vlot geschreven en vermakelijke thriller af, maar laat her en der wat steken vallen.

De relatie tussen politiek en media is een dankbaar onderwerp voor discussies variërend van borrelpraat tot dissertatie en alles wat er tussen in ligt. De houdgreep waarin “de” politiek en “de” media zich bevinden levert een grijs gebied op waar desgewenst een ieder naar hartenlust samenzweringen kan ontdekken die de bijl aan de wortel van onze democratie vormen. Het is daarom niet verwonderlijk dat Bart-Jan Kazemier (1979) met De Man in het Midden kiest voor een klassieke conspiracy-thriller over juist de bij voorbaat smoezelige relatie tussen media en politiek.

John de Mol met een Napoleon-complex
De Man in het Midden, niet te verwarren met het gelijknamige boek van J. Bernlef, draait om de advocaat Max Metzer. Ooit voorbestemd voor de absolute top van de strafrechtadvocatuur, maar door het lekken van een naam van een kroongetuige op een zijspoor terecht gekomen. Een zijspoor dat telkens uitzicht biedt op het afvoerputje ware het niet dat zijn leermeester en goede vriend Pieter Heijnen hem het hand boven het hoofd houdt en in zijn advocatenkantoor nog altijd ruimte heeft voor Metzer. Juist deze aan lager wal geraakte en met alcoholproblemen kampende Metzer wordt door een speling (?) van het lot als advocaat in piketdienst toegewezen aan de zoon van mediamagnaat Michael van Leer die wat crimineels op zijn kerfstok heeft. Blijkbaar kan onze Metzer nog wat, want hij krijgt de jonge Van Leer vrij zonder dat zijn identiteit bekend wordt en zonder dat een aanklacht volgt. De dank van vader Michael is groot en levert Metzer een nieuwe carrière op bij VLM waar hij stukje bij beetje wordt meegezogen in een samenzwering van groteske proporties. Want deze Michael van Leer is directeur/eigenaar van de Van Leer Mediagroep (VLM) een soort variant op steroïden van het (oude en toen nog onafhankelijke) Endemol. Aangezien De Man in het Midden in Nederland speelt, komt de vergelijking met John de Mol (en diens zoon Johnny) op. De reikwijdte van VLM zou John de Mol nog als compliment kunnen opvatten, maar Van Leer heeft vanaf de eerste ontmoeting met Metzer overduidelijk het beste met zijn VLM voor ten koste van Nederland en is daarmee meer een John de Mol met een Napoleon-complex gemixt met een toefje Willem Holleeder.

Een leerling van Dan Brown
Het aardige aan dit debuut van Kazemier is dat eenmaal begonnen in De Man in het Midden je, zeker de eerste helft van het boek, maar blijft lezen. In dat perspectief lijkt hij de kunst van de pageturner van Dan Brown goed te hebben afgekeken. Daarbij raast hij gelijk Brown door zijn plot heen waardoor gaten in logica en plot er minder toe doen en al snel vergeten zijn. Net als Brown (en vele thrillerschrijvers) injecteert Kazemier herkenbare elementen uit de (politieke) actualiteit om zijn verhaal overtuigingskracht mee te geven. Het is daarom niet gek dat een tweepartijencoalitie (die na de Provinciale Statenverkiezingen wel beschikken over een meerderheid in de Eerste Kamer) wordt geleid door een premier die heel erg in de verte is gemodelleerd naar onze huidige premier. Maar in de wereld van Kazemier is deze premier een studiegenoot van Metzer en een pion in de queeste van Van Leer om zijn VLM de dominante kracht in de Benelux te maken inclusief het politieke bestel van diezelfde Benelux. Een voornemen waardoor hij de steeds meer door (politieke) vrienden verlaten premier hard nodig heeft. En om zijn plan te laten slagen is de inbreng van Metzer onmisbaar. Zoals het een goede thriller betaamt is Metzer daar in beginsel niet van op de hoogte, maar ontrafelt hij beetje bij beetje de samenzwering waarin hij vuistdiep in verzeild is geraakt. Hoe het precies zit, wordt hier natuurlijk niet uit de doeken gedaan, maar een citaat uit De Donkere Kamer van Damokles van W.F. Hermans die de titelpagina siert, is een duidelijke clou.

Geen vlekkeloos debuut
Hoewel De Man in het Midden lekker weg leest, laat Kazemier wel de nodige steken vallen bij dit debuut. Hoewel Kazemier een vlotte pen heeft, wordt zijn stijl nogal eens ontsierd door onnodige en overtrokken beschrijvingen zoals “het geluid van de wekker, snerpend als een cirkelzaag op plaatijzer” en “als kalme golven rolden de dagen voorbij, Metzer meevoerend op hun leegheid”. Ook hadden de personages wat minder eendimensionaal mogen zijn en gaat het verhaal net wat te snel en teveel in de conspiracy-hoek om de lovende woorden van (medeuitgever!) Tomas Ross -  “de Man in het Midden geeft een realistisch en schrikwekkend beeld van de al te innige relatie tussen politiek en media” - oprecht gestand te doen. Een minder daverend verhaal zou geloofwaardiger zijn en daarmee meer te zeggen hebben over de bestaande relatie tussen politiek en media in Nederland.

Dit alles laat onverlet dat Kazemier – in de wereld van de conspiracy-thrillers – een aardig debuut heeft geschreven dat, met het oog op de komende zomermaanden, zondertwijfel door velen met plezier op het strand of in het vliegtuig kan worden gelezen.

‘De Man in het Midden’ van Bart-Jan Kazemier is in mei door Cargo/De Bezige Bij uitgegeven. Bestellen kan hier

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.