dinsdag 31 mei 2016

Opera 29 mei 2016: Met Don Giovanni het bos in


Nationale Opera
Don Giovanni
(Wolfgang Amadeus Mozart, 1756-1791)

Christopher Maltman, Don Giovanni
Adrian Sâmpetrean, Leporello
Sally Matthews, Donna Anna
Juan Francisco Gatell, Don Ottavio
Véronique Gens, Donna Elvira
Sabina Puértolas, Zerlina
Iurii Samoilov, Masetto
Mika Kares, Il Commendatore

Claus Guth (regie)
Christiaan Schmidt (decor en kostuums)

Koor van De Nationale Opera
Marc Albrecht, Nederlands Kamerorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Mozart’s muzikale vertelling van het leven van de onverbeterlijke womanizer Don Juan krijgt met de innovatieve en bosrijke enscenering een dynamiek die het ‘beddenpaleis’ van enkele jaren geleden doet vergeten. Uitstekende solisten en de fijnmazige en krachtige begeleiding door het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Marc Albrecht maken het feest compleet. 

Een Mozart-trilogie met een enscenering van Jossi Wieler en Sergio Morabito werd Ingo Metzmacher - de chef van de (toenmalige) Nederlandse Opera – fataal. Zowel de enscenering als de muzikale kwaliteiten konden de toets der kritiek niet doorstaan en leidden uiteindelijk tot het vertrek van Metzmacher. Meest markante typering uit die tijd was weggelegd voor de uitvoering van Don Giovanni waarbij de enscenering de boeken is ingegaan als ‘het beddenpaleis’. Bijna tien jaar later staat Marc Albrecht – de (verre) opvolger van Metzmacher – op de bok met de beroemdste (en beste) opera uit de trilogie gebaseerd op libretto's van Lorenzo da Ponte: Don Giovanni. Het ‘beddenpaleis’ uit 2007 (opnieuw opgevoerd in 2011) is verruild voor een bos. Deze regie van Claus Guth moet er voor zorgen dat Albrecht niet hetzelfde lot ondergaat als zijn voorganger en hij – gelijk Don Giovanni – als een dief in de nacht Amsterdam moet verlaten. Gelukkig is deze nieuwe versie van Don Giovanni zowel in scenisch als muzikaal opzicht een ongekwalificeerd succes.


Een fatale wond in het bos

Wijselijk heeft De Nationale Opera besloten om het ‘beddenpaleis’ niet (nogmaals) op te voeren en met een nieuwe enscenering voor de vlucht naar voren te kiezen. Daarbij is wel op safe gespeeld aangezien de enscenering allesbehalve nieuw is. Want de regie van Claus Guth en decor en kostuums van Christiaan Schmidt komen voort uit een productie van Don Giovanni voor de Staatsoper Unter den Linden Berlin en de Salzburger Festspiele die in 2008 al het licht zag. Oftewel: daar waar in het publiek in Nederland het moest doen met de bedden van Wieler en Morabito, werd het Duitse publiek een seizoen later (letterlijk) het bos in gestuurd. Met de keuze voor deze enscenering heeft De Nationale Opera het publiek een groot plezier gedaan. De opera speelt zich volledig af in een donker en mysterieus woud met hoge bomen waarbij het draaiende decor het mogelijk maakt om tot vloeiende scènewisselingen te komen én actie te suggereren. Niet alleen deze enscenering is een vondst, maar met name ook de aanloop naar de ‘afrekening’ met Don Giovanni. Een lot dat Don Giovanni over zichzelf heeft afgeroepen ter genoegdoening van zijn liederlijke gedrag én zijn verantwoordelijkheid voor de dood van de Commendatore. In de eerste scène komt de Commendatore zijn dochter Donna Anna te hulp wanneer zij wordt aangerand door Don Giovanni. Deze heroïsche actie moet hij echter met de dood bekopen. Pas tegen het einde van de opera keert de geest van de Commendatore terug en sleept Don Giovanni mee naar de hel. In deze enscenering - en in markante tegenstelling met het libretto - lukt het de Commendatore om vlak voor zijn dood Don Giovanni te verwonden. Een wond die tijdens de gehele opera voor Don Giovanni zichtbaar zijn krachten ontneemt en uiteindelijk zijn dood betekent wanneer de Commendatore – in een mooie rol van Mika Kares – de openstaande rekening komt vereffenen. Deze inventieve ingreep kleurt de rest van de opera. Hoewel het niet de bedoeling van Mozart en Da Ponte was en dat Don Giovanni met kracht zijn handel en wandel bezingt, werkt deze aanpak uiteindelijk wel. Niet in de laatste plaats door zijn trouwe dienaar Leporello als gesjeesde en drugsverslaafde partner in crime neer te zetten die Don Giovanni bij tijd en wijle via een drugsinjectie (tijdelijke) energie geeft. Om het dramatische karakter van de opera verder te onderstrepen is (terecht) gekozen om de vrolijke en met morele superioriteit gevulde epiloog niet te benutten en met de dood van Don Giovanni de opera te besluiten. 


Fijnmazig en wendbaar

Niet alleen de enscenering doet het echec van bijna tien jaar geleden vergeten, ook de muzikale kwaliteit vormen de bron van het succes van deze Don Giovanni. Het Nederlands Kamerorkest – aangespoord door Marc Albrecht – levert een fijnmazige en wendbare uitvoering af die zwaarmoedig noch gedragen is. De muziek is licht en danst het publiek tegemoet. Daarbij kan gerekend worden op uitstekende solisten waarbij met name Christopher Maltman als Don Giovanni, Sally Matthews als Donna Anna en Véronique Gens als Donna Elvira niet onvermeld mogen blijven. Maar de rol van Leporello gestalte gegeven door Adrian Sâmpetrean is de grootste vondst omdat hij moeiteloos leven in zijn muzikale partij brengt én echt lol lijkt te hebben in de rol van drugsjunkie c.q. partner in crime van Don Giovanni. Enige aandachtspunt voor met name Marc Albrecht is dat hoewel hij een fijn tempo kiest met regelmaat de vaart uit de voorstelling verdwijnt doordat hij tussen de aria’s door teveel stiltes laat vallen waardoor alle ruimte ontstaat voor applaus. Dat is op zich niet erg, maar deed in deze hoeveelheid afbreuk aan het uniforme karakter van de opera waardoor een ietwat fragmentarisch geheel dreigde te ontstaan. Dit alles mag de pret niet drukken en alle reden om over enkele jaren gewoon weer deze enscenering te hernemen. Want liever met Don Giovanni het bos in, dan een bezoek aan het beddenpaleis.

Oordeel FerdiBog: ****½


Van 7 t/m 29 mei 2016 voerde De Nationale Opera ‘Don Giovanni’ van Mozart op. Deze recensie is op basis van de slotuitvoering op 29 mei.

zondag 29 mei 2016

Laurent Binet's bizarre Franse avontuur. 'De zevende functie van taal' van Laurent Binet


Laurent Binet laat in zijn nieuwste boek het realisme definitief achter zich en creëert in De zevende functie van taal een fictief en vooral mal universum waar de dood van de Franse filosoof Roland Barthes een ludieke kijk geeft op de filosofen en politici van Frankrijk. Binet’s bizarre avontuur is daarmee niet voor iedereen weggelegd, ondergetekende incluis. 

De boeken van de Franse schrijver Laurent Binet (1972) zijn in de regel zeer persoonlijk. Zijn beschrijving van de aanslag op Reinhard Heydrich (‘De Beul van Praag’) op 27 mei 1942 te Praag was veel meer dan dat. Zijn HhhH. Himmlers hersenen heten Heydrich (2010) was bovenal het persoonlijke relaas van Binet en de verwoording van zijn queeste het boek te schrijven. Juist deze onconventionele aanpak vormde de basis voor zijn doorbraak waardoor de exemplaren van HhhH niet aan te slepen waren en Binet katapulteerde tot literaire ster. Ook in Nederland mocht Binet zich wentelen in grote populariteit. In 2012 volgde een nieuw boek van zijn hand waar wederom de realiteit het uitgangspunt was. Ditmaal vormde niet een hooggeplaatste Nazi het onderwerp van zijn fascinatie, maar de toenmalige Socialistische kandidaat voor het Franse presidentschap François Hollande. Vanwege zijn doorbraak wist Binet zich toegang te verschaffen tot de hofhouding van de huidige Franse president en vormt Niets gaat zoals verwacht een blik achter de schermen van een Franse politieke campagne. De succesformule van HhhH was ook hier terug te vinden: een subjectieve beschouwing waar veeleer Binet zelf in plaats van de hoofdpersoon centraal staat. Het boek geeft door dit onbeschaamde uitgangspunt een mooi beeld van een journalist die worstelt met zijn rol als observerende deelnemer, maar krijgt de lezer tegelijkertijd een uniek kijkje in de Franse campagnekeuken. Het leverde wederom een fascinerend boek op waar helaas de diepgang wat ontbrak en daarmee viel te classificeren als ‘tegenvallende aanrader’. Met De zevende functie van de taal gooit Binet het over een compleet andere boeg. Binet neemt de dood van de Franse filosoof Roland Barthes in februari 1980 als uitgangspunt voor een bizar, maar vooral erg Frans avontuur dat alle grenzen van de realiteit te buiten gaat. 

Mitterand vs. Giscard d’Estaing
Het ogenschijnlijke – waargebeurde – ongeluk waarbij Roland Barthes in het Parijse Quartier Latin door een vrachtwagen wordt overreden en later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overlijdt is voor Binet alle aanleiding om de geschiedenis te herschrijven en dit ongeluk onderdeel te laten uitmaken van een groot complot waarbij de werelden van de Franse filosofie en politiek samen komen. Want voorafgaand aan zijn noodlottige dood had Barthes geluncht met de toenmalige linkse presidentskandidaat François Mitterand. Deze Mitterand was – gelijk de huidige Franse president in zijn aanloop naar het Élysée - vooral een politicus die het altijd net niet haalde. Ook in die periode leek het erop dat Mitterand wellicht niet eens de kandidaat van de socialisten zou zijn en al helemaal niet kon winnen van de zittende president Giscard d’Estaing. De geschiedenis zou anders uitwijzen en Binet fabuleert een complete geschiedenis die de strijd om het presidentschap van Frankrijk in verband brengt met de filosofische queeste naar de mythische zevende functie van de taal met Roland Barthes als het stralende middelpunt.

Linguïstiek als thriller
Want – en dat is op zich al knap – Binet weet zijn fantasie zo de vrije loop te geven dat linguïstiek thrillerachtige elementen krijgt en de lezer op sleeptouw neemt door dit vreemde domein dat ook nog eens in verband wordt gebracht met de toonaangevende Franse filosofen, schrijvers en politici van die tijd. Want de taal kent – mede met dank aan de grondleggers van de linguïstiek waaronder de Russische linguïst Roman Jakobson – zes functies. Er zijn echter aanwijzingen voor een zevende functie die altijd een mythe is gebleven: een magische of bezweringsfunctie waarvan het mechanisme wordt beschreven als ‘het overhalen van een derde persoon, afwezig of levenloos, de ontvanger van een conatieve boodschap’ zoals Binet de lezer uitlegt toevertrouwt via één van zijn personages. Oftewel: de functie die ervoor zorgt dat de ontvanger ervan dus beïnvloed kan worden. Een politicus die zich meester kan maken van de functie is onoverwinnelijk. En laat – in de wereld van Binet – Roland Barthes nu net die zevende functie doorgrond hebben waarmee zijn dood in een heel ander licht komt te staan. Deze revelatie vormt het startschot van een nogal bizar avontuur waar politiecommissaris Bayard – bijgestaan door zijn literaire hulpje Simon – een wereld betreedt van filosofen, schrijvers, Bulgaarse huurmoordenaren, geheime diensten, de Franse president en de geheimzinnige Logos Club. Een club die retorica zeer serieus neemt waarbij de verliezende uitdager van een retorisch debat een vingertop moet afstaan. 

Hoewel het boek veelbelovend start en Binet het voor elkaar krijgt om de in de regel weinig toegankelijke onderwerpen als linguïstiek, Franse filosofie en het politieke systeem van Frankrijk als vehikel te gebruiken voor een thriller, verzandt het boek halverwege in een wel heel erg Franse belevingswereld. Dat is niet vreemd gezien de nationaliteit van Binet, maar zal voor mening lezer toch snel voor een afhaakmoment zorgen. Ook voor ondergetekende die grote interesse in Frankrijk heeft en de boeken van Binet hoog aanslaat, was ook de aankondigde humor die met de aanpak gepaard gaat niet echt evident en staat de omvang van het boek (bijna 500 pagina’s) in relatief schril contrast met de fictieve vondst van Binet. 

Oordeel FerdiBlog: ***

In april is ‘De zevende functie van taal’ van Laurent Binet verschenen. Het betreft de vertaling door Liesbeth van Nes van ‘La septième foncton du langage’ en wordt door Meulenhoff uitgegeven. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuws- en opiniemagazine Jalta.

zaterdag 28 mei 2016

Concert 27 mei 2016: Händel's vrolijke Exodus-oratorium


Händel: Israel in Egypt

Maria Valdmaa, sopraan
Mónica Monteiro, sopraan
Kaspar Kröner, countertenor
William Knight, tenor
Jasper Schweppe, bas
Gilad Nezer, bas

Nederlands Kamerkoor
Richard Egarr, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Een oratorium over de onderdrukking van de Joden in Egypte uitmondend in de Exodus is niet bepaald licht op de hand. Dan is echter buiten het muzikale vernuft van Händel gerekend. En in de handen van Richard Egarr worden het Residentie Orkest en met name het Nederlands Kamerkoor verleidt tot een sprankelende - bijna feestelijke - uitvoering. 

Na de grote successen die de van oorsprong Duitse maar door Engeland geconfisceerde barokcomponist Georg Friedrich Händel (1685-1759) vierde met zijn opera's maakte hij de omslag naar Bijbelse oratoria. Zijn muzikale vertaling van het Bijbelse boek Exodus over de onderdrukking van de Joden en hun - onder leiding van Mozes - vlucht uit Egypte bleek geen hit. Tijd heelt blijkbaar ook muzikale wonden. Want met dank aan collega-componist Felix Mendelssohn werd - gelijk Bach's Matthäus-Passion - het oratorium Israel in Egypt aan de vergetelheid ontfutseld en is het onderdeel geworden van de hedendaagse Händel-canon. Toch, wie sec naar de teksten en het onderwerp kijkt, ziet een weinig vrolijk maar vooral gedragen geheel dat nou niet bepaald aantrekkelijk klinkt. Het bijzondere is dat Händel zijn bronmateriaal serieus neemt en daarbij solisten op prachtige wijze het lijden van het Joodse volk onder woorden laat brengen. Tegelijkertijd is de kern van het succes van het werk de glorieuze rol die het koor heeft. Daarbij is Händel zijn (muzikale) humor niet verloren, want bij het op muziek zetten van het leed van de Joden, komen ook de tien plagen die over Egypte worden uitgestort volop aan bod. En juist daar leeft Händel zich uit en hoor je de kikkers, vliegen en ander Bijbels ongemak dat zich aandient bij de Egyptenaren muzikaal terug. Israel in Egypt is verre van een saai en statig oratorium. En zeker niet in de handen van barokspecialist Richard Egarr.

Grapje moet kunnen
De in Amsterdam woonachtige Richard Egarr (1963) is niet alleen een vooraanstaand dirigent van met name barokmuziek, maar ook een begenadigd pianist die met graagte concerten niet alleen dirigeert, maar dan ook de klavecimbel-partij voor zijn rekening neemt. Egarr was lange tijd graag geziene gastdirigent bij het Residentie Orkest en is sinds enkele jaren - samen met Jan Willem de Vriend en aankomend chef-dirigent Nicholas Collon - het dirigerende fundament waar het weer oplevende Haagse orkest op kan bouwen. Egarr richt daarbij op de barok terwijl zijn collega's de andere periodes voor hun rekening nemen. Ik heb Egarr al diverse malen zien optreden en heb enkele jaren geleden een repetitie van hem bij het Residentie Orkest bijgewoond. Rode draad daarbij is de lol die Egarr heeft in het muziek maken, wat niet wil zeggen dat hij niet serieus met zijn muziek bezig is. Muziek is voor hem een serieuze zaak, maar dat betekent niet dat grapjes niet kunnen. Bij de uitvoering van Israel in Egypt was dat ook weer duidelijk door de verbinding met het publiek te zoeken en tussen de bedrijven door kleine grapjes met het orkest en de solisten te maken. Muziek moet vooral leuk zijn en door zijn houding levert Egarr een belangrijke bijdrage aan de toegankelijkheid van (klassieke) muziek. Een toegankelijkheid die broodnodig is om deze kunstvorm voor de langere termijn levensvatbaar te houden.

Sprankelend  
Maar met grapjes red je het natuurlijk niet, het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van het musiceren. En daar helpt - zeker bij barok in het algemeen en dit oratorium in het bijzonder - de energieke aanpak van Egarr waardoor een flink maar fijn tempo het werk van Händel vaart en dynamiek geeft.  Juist dan komende muzikale grapjes van Händel en het uiteindelijk niet al te zware karakter van het werk tot volle recht. Zo'n aanpak werkt overigens alleen als koor en orkest compleet aangesloten zijn. Dat was vanaf de eerste noten overduidelijk. Egarr had koor en orkest aan een touwtje en zij volgden hem zonder morren en in harmonie met elkaar. Egarr kon daarbij rekenen op goede solisten waarbij met name sopraan Maria Valdmaa en de countertenor Kaspar Kröner de show stalen. De laatste wist met zijn hoge stem de lachers op zijn hand te krijgen toen hij ook een aantal keren de diepte in moest. Maar naast het uitstekend spelende Residentie Orkest was de echte ster van de avond toch het Nederlands Kamerkoor dat zich voorbeeldig kwijtte van haar door Händel toevertrouwde hoofdrol. Niet voor niets heeft het Nederlands Kamerkoor onlangs meegewerkt aan een goed ontvangen cd-opname van Israel in Egypt. Een mooi slot van het seizoen van het Residentie Orkest in het Haagse Zuiderstrandtheater en fijn vooruitzicht voor het publiek in het Muziekgebouw aan 't IJ vanavond. 

Oordeel FerdiBlog: ****

Op 27 en 28 mei 2016 bundelen het Nederlands Kamerkoor en het Residentie Orkest onder leiding van Richard Egarr kun krachten voor Händel's 'Israel in Egypt'. Deze is recensie is op basis van de uitvoering op 27 mei in het Haagse Zuiderstrandtheater. Op 28 mei vindt nog een uitvoering plaats in het Muziekgebouw aan 't IJ te Amsterdam. Meer info hier

zondag 22 mei 2016

Dans 21 mei 2016: Een verontrustend hoogtepunt van het NDT


Nederlands Dans Theater 
Separate Ways

León & Lightfoot: Shut Eye
Hofesh Shechter: Clowns

NDT1
Het Zuiderstrandtheater, Den Haag

In het laatste programma van het seizoen sluit het Nederlands Dans Theater (NDT) af met twee wereldpremières. Huischoreografen Sol León & Paul Lightfoot leveren met Shut Eye zoals altijd vakwerk af, maar Hofesh Shechter steelt de show met Clowns. Een verontrustende en hypnotiserende spiraal van geweld en euforie die nog lang na dendert in je hoofd. 

Met Separate Ways toont het NDT (wederom) aan dat vernieuwing van binnen én buiten moet komen. Door de kenmerkende stijl van huischoreografen León & Lightfoot te contrasteren met werk van de Israëlische gastchoreograaf Hofesh Schechter worden twee artistieke processen tegenover elkaar gezet die tot compleet verschillende programma's leiden. Daar waar het ene programma de schoonheid tot uitgangspunt neemt, wordt het publiek bij het andere deel geconfronteerd met onverhuld en naargeestig geweld binnen een ogenschijnlijk veilige en joviale groep volksdansers. Voor beide aanpakken valt veel te zeggen, maar het is duidelijk dat het ongemak dat Clowns van Hofesh Shechter teweeg brengt de grootste indruk maakt. 

Een spiraal van geweld én euforie
Hofesh Shechter (1975), geboren in Jeruzalem maar woonachtig in Londen, is een alleskunner. Niet alleen neemt hij de choreografie van zijn werken voor zijn rekening, maar tekent hij tevens voor de muziek en de kostuums. Zo ontstaat een Gesamtkunstwerk dat volledig in lijn is met zijn visie. En die visie - vast beïnvloed door zijn vaderland en de huidige dreiging van terrorisme en geweld - is zonder meer verontrustend. Want onder een hemel van feestelijke verlichting die niet zou misstaan op een volks festival beweegt een groep gezamenlijk én individueel op pulserende en immer voortstuwende dreigende muziek. Een dreiging die niet zonder reden is aangezien telkens de groep zich splitst in kleinere groepen van daders en slachtoffers. In een weinig subtiele verwijzing naar (onder andere) IS worden telkens andere leden van de groep slachtoffer van een gruwelijke dood: de keel doorsnijden, door het hoofd schieten, met messteken of door ophanging. Het hele geweldsspectrum komt langs, waarna de slachtoffers weer vrolijk opspringen, deel worden van de groep en in de volgende ronde juiste weer dader of slachtoffer zijn. De combinatie van de donkere setting, de circusachtige en clowneske doch immer bloedserieuze kostuums, de pulserende muziek met donkere mannenstemmen en de tegenstelling tussen strakke groepschoreografie en de chaos van individuele groepen brengt een verontrusting teweeg die je in de moderne dans zelden ondergaat. De enige verwijzing die Shechter in interviews maakt naar zijn denken is een fragment uit Leaves of Grass van Walt Whitman: ...In that City / Where ways are lost / Clowns turn into King / Prophet turn to Clown... Shechter vertaalt dit naar een wereld waarin de euforie van de groep kan omslaan door het geweld tegen het individu of het keren van de groep tegen een individu of groepen individuen. Een verontrustend beeld magistraal tot leven gebracht dat nog lang naijlt lang na het verlaten van het theater. 


De gebruikelijke schoonheid
Dit alles in markant contrast met Shut Eye dat als eerste is geprogrammeerd in dit gezamenlijke programma. En gezien de verontrustende uitwerking van Clowns is dit ook precies de goede volgorde. Want daar waar Shechter zich richt op de de gewelddadigheid, zo leggen Sol León en Paul Lightfoot de focus op de schoonheid. Een schoonheid die in het werk van dit uitermate succesvolle choreografen-duo telkens weer terugkomt en de basis vormt voor het grote succes van het NDT. Toch was het in 2014 voor het laatst dat León & Lightfoot nieuw werk het licht lieten zien. Met Shut Eye is de vertrouwde stijl die het NDT groot heeft gemaakt in alle glorie weer terug te zien. Hoewel Shut Eye niet echt een rode draad kent, volgen we twee uiteenlopende echtparen in hun relatie. Hoewel de schoonheid en kwaliteit zoals altijd gegarandeerd is, is dit niet hun beste werk.  Overigens ook door het fragmentarische karakter van de muziek die niet de eenheid creëert zoals in eerdere werken waar de muziek van bijvoorbeeld Philip Glass de muzikale basis vormt. Het is daarmee geen voor de hand liggende kandidaat voor het kernrepertoire van het NDT dat - zoals Shoot the Moon - in diverse programma's kan terugkomen. Dat laat onverlet dat er veel valt te genieten, juist ook door de markante tegenstelling van schoonheid en verontrustende barbarij die dit programma van Shut Eye en Clowns vormt. 


Shut Eye: ****
Clowns: *****

Van 29 april tot en met 7 juni voert NDT1 'Separate Ways' door heel Nederland op en brengt twee wereldpremières van huischoreografen Paul Lightfoot & Sol León en gastchoreograaf Hofesh Shechter samen. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 21 mei in het Haagse Zuiderstrandtheater.

zaterdag 14 mei 2016

Concert 8 mei 2016: Schuchtere musici, fijne muziek


Beethoven: Pianoconcert Nr. 1
Rijnvos: Union Square Dance
Schumann: Symfonie Nr. 1 Frühling

Radu Lupu (piano)
Gustavo Gimeno, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Na zijn geslaagde debuut is het snel gegaan met de carrière van dirigent Gustavo Gimeno. Na diverse buitenlandse uitstapjes is de voormalig slagwerker weer terug bij zijn orkest. Ditmaal begeleid door de teruggetrokken toppianist Radu Lupu. Hoewel beide musici moeite hebben met de spotlights, is daar in de muziek (gelukkig) niets van te merken.

Het is al eerder gememoreerd: muzikale carrières kunnen nog zo zorgvuldig worden opgebouwd, maar een succesvolle invalbeurt kan deuren openen die anders een leven lang gesloten blijven. Het overkwam Gustavo Gimeno. Begonnen als slagwerker bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) verlegde hij zijn (muzikale) aandacht naar het dirigeren. Assistent-dirigentschappen bij Mariss Janson, Bernard Haitink en Claudio Abbado zijn daarbij een mooie opstap, maar zijn doorbraak kwam in februari 2014 toen hij een zieke Mariss Jansons verving in een ratjetoe van een programma met werken van Lindberg, Stravinsky, Johann Strauss en Sibelius. Inmiddels heeft Gimeno bij diverse gerenommeerde orkesten op de bok gestaan en is hij met ingang van dit seizoen chef van Orchestre Philharmonique du Luxembourg. Bij zijn terugkeer bij het KCO is het de Romantiek wat de klok slaat met het Eerste Pianoconcert van Ludwig van Beethoven (1770-1827) en de Eerste Symfonie van Robert Schumann (1810-1856). Met tussendoor nog wat moderns: Union Square Dance van KCO-huiscomponist Richard Rijnvos (1964). 

Radu Lupu
In het kielzog van Gimeno kwam de befaamde pianist Radu Lupu mee. Deze Roemeense pianist staat niet alleen bekend om zijn ragfijne spel, maar ook zijn allergie voor aandacht en de beperkte mate waarin zijn spel op cd verkrijgbaar is. De interviews mijdende Lupu verbiedt daarom radio- en cd-opnames van zijn spel. Deze teruggetrokkenheid was ook te zien in zijn aanwezigheid. Gezeten op een reguliere orkest stoel - Lupu is geen fan van pianobankjes - en nors kijkend doet Lupu zijn werk. Zo nors als Lupu kijkt, zo fijngevoelig is zijn spel. Met een lichte toets speelt hij het Eerste Pianoconcert van Beethoven alsof er niets makkelijkers in de wereld is. Een hele mooie uitvoering die door het KCO - onder de kundige leiding van Gimeno - evenzo fijngevoelig werd begeleid. Bij het applaus kwam de schuchterheid weer terug, want echt een plezier lijk je Lupu niet te doen met waardering voor zijn werk. Typisch een musicus die leeft voor zijn muziek en het uitvoeren ervan afdoende vindt. 

Schuchterheid troef
Diezelfde schuchterheid viel ook Gustavo Gimeno ten deel. Hoewel hij met vertrouwen op het podium staat, valt hij terug in een wat onzekere modus zodra de laatste noot is weggestorven. Hoewel hij de techniek van een dirigent al redelijk onder de knie heeft, moet de pose nog volgen. Daar is overigens niet zo veel mis mee hoewel een succesvolle dirigent in alles moet overtuigen, juist ook om het orkest mee te krijgen. Dat was overigens bij het KCO geen probleem: het is duidelijk dat zijn voormalig collega's hem het beste gunnen. Ze volgden zijn directie zonder discussie. Ook in Union Square Dance van huiscomponist Richard Rijnvos. Bijzonder overigens dat dit werk - dat deel uitmaakt van het grotere werk Uptown|Downtown - al in 2008 is afgerond (en aangepast in 2010), maar nu pas voor het eerst door het KCO wordt uitgevoerd. Het is een 'drijvend' stuk dat - als je een vergelijking wilt maken - lijkt op The Chairman Dances van John Adams. Maar dan wel iets minder geslaagd, daar is het toch net iets te eenvormig voor. Desalniettemin mocht de componist een welgemeend applaus in ontvangst nemen. Ook Rijnvos lijkt geen fan van aandacht, want schuchterheid deelt hij met Lupu en Gimeno.

Onrustig
Aan Schumann de eer om het programma af te sluiten. Zijn eerste symfonie is naar de lente genoemd en gezien het zonnige weer afgelopen zondag was dat meer dan toepasselijk. Zoals alle symfonieën van Schumann is zijn orkestratie niet altijd even voor de hand liggend. Niet zonder reden dat Gustav Mahler zijn symfonieën opnieuw heeft georkestreerd en dat de opname daarvan door Riccardo Chailly een hele mooie introductie op deze werken is. Gimeno koos voor een flink tempo wat zeker effect sorteerde, maar onderhuids manifesteerde zich daardoor ook een onrust die niet altijd in het voordeel van het werk uitpakte. Op de terugweg luisterend naar de live-opname door het KCO onder Bernard Haitink maakte duidelijk dat die onrust niet nodig is om effect te sorteren en dat Gimeno - wat overigens geen schande is - nog wel wat te leren heeft. Maar door de bank genomen kan teruggekeken worden op een geslaagde terugkeer bij het Koninklijk Concertgebouworkest. 

Oordeel FerdiBlog: ****

Op 6 en 8 mei keerde Gustavo Gimeno - begeleid door Radu Lupu - terug als gastdirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest in een programma van Beethoven, Rijnvos en Schumann. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 8 mei.

woensdag 11 mei 2016

Duurzaam bedrog in 'Follow The Money'


Na de trui van Sarah Lund, de hoopvolle politiek van Birgitte Nyborg en de disfunctionele familie Grønnegaard is het aan een financieel misdaaddrama om het (internationale) succes van de Deense staatsomroep te continueren. Hoewel Follow The Money de hype van met name The Killing en Borgen niet kan evenaren, slaagt DR er stiekem weer in een spannende serie af te leveren. En dat (ondanks) de hoofdrol voor duurzame energie.

Daar waar de Nederlandse publieke omroep – zeker met in achterhoofd series uit het verleden zoals De Brug, Oud Geld en Pleidooi – eigenlijk niet echt meer in staat is om aansprekend drama te produceren, weet de Deense staatsomroep DR van geen ophouden. De afgelopen jaren zagen achtereenvolgens The Killing, Borgen en The Legacy het licht. Series die niet alleen in eigen land, maar vooral ook daarbuiten zeer succesvol zijn gebleken. Zelfs zo succesvol dat niet alleen Deens, maar drama uit vrijwel geheel Scandinavië voor een groot deel van Europa – niet in de laatste plaats ons land – net zo gebruikelijk is als drama uit de gangbare landen zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Bijzondere daarbij is dat telkens een nieuwe weg wordt ingeslagen. Met Follow The Money (in het Deens: Bedrag)wordt een risico genomen, aangezien een financieel misdaaddrama niet meteen tot de verbeelding spreekt. Zeker niet wanneer het lijdend voorwerp het bedrijf Energreen is dat groot is geworden door duurzame energie. Heel verantwoord en evenzo saai zal de eerste reactie zijn. Maar BAFTA Award-winnend scenarist Jeppe Gjervig Gram (Borgen) weet de spanning goed op te bouwen zonder nodeloos dood en verderf. De winning streak van DR is dus zeker nog niet ten einde.

Een duurzame fata morgana
Door de vondst van een lijk vlakbij een windmolenpark open zich de wondere wereld van (duurzame) energie voor de humeurige en niet bijster sympathieke inspecteur Mads. Want het lijk legt een link naar Energeen, beurslieveling en opwekker van duurzame energie geleid door de charismatische CEO Alexander Sødergren (Lie Kaas). Natuurlijk ontrafelt Mads het mysterie niet in zijn eentje, maar wordt hij bijgestaan door Alf, niet het buitenaardse wezen uit de gelijknamige komedie uit de jaren tachtig, maar een pientere fraudebestrijder die Energreen al langer in het vizier heeft. En ook in het bedrijf is het niet allemaal koek en ei met een financiële topman die een tikkeltje labiel is, terwijl Claudia Moreno, de pientere jurist van het bedrijf, zich rücksichtslos opwerkt tot Hoofd Juridische Zaken en onderdeel wordt van het duurzame bedrog dat het op het punt van een beursgang verkerende Energreen is. Natuurlijk komt er, zowel bij Claudia maar ook Mads wiens vrouw MS heeft en de andere hoofdrolspelers nog wat familielief en leed kijken. Terwijl ondertussen twee kruimeldieven zich flink in de Energreen-nesten werken een zeer vermakelijke én cruciale bijrol vervullen.

Een lage bodycount
Met The Killing maar zeker ook series als Game of Thrones is de gemiddelde kijker wel wat gewend op het gebied van de bodycount. En hoewel in Follow The Money ook zeker echte (fysieke) misdaad voorkomt naast de papieren variant, is wijselijk besloten om dit tot realistische proporties terug te brengen. De vier doden die over de tien afleveringen vallen, worden in een gemiddelde Game of Thrones-episode in de eerste 10 minuten meestal al gehaald. Daar denken de makers van Follow The Money anders over en dat komt de serie alleen maar ten goede. Liefhebbers van het betere Deense drama zijn bij Follow The Money zonder meer aan het goede adres. En hoewel – mede ook vanwege het onderwerp – Follow The Money niet helemaal op gelijke hoogte staat van met name The Killing en Borgen is het zonder meer een verrijking van het dramalandschap. Zelfs zo zeer dat het onvermijdelijke tweede seizoen allesbehalve ongewenst is. 


Oordeel FerdiBlog: ****


Vanaf 10 mei 2016 is ‘Follow The Money’ verkrijgbaar op DVD en Blu-ray. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 1 mei 2016

Opera/Ballet 1 mei 2016: Een afstandelijke combinatie zonder vlammende liefde


Nationale Opera & Ballet
Roméo et Juliette
(Hector Berlioz, 1803-1869)

Alisa Kolosova, contralto
Benjamin Bernheim, tenor
Paul Gay, La Père Laurence (bas)

Matthew Pawlicki-Sinclair, Roméo
Erica Horwood, Juliette
Rink Sliphorst, Le Père Laurence

Het Nationale Ballet
Het Koor van De Nationale Opera
Kazushi Ono, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Met Roméo et Juliette bundelen De Nationale Opera en het Nationale Ballet voor het eerst hun krachten. Hoewel de onderdelen keurig worden uitgevoerd, komt deze productie nooit geheel samen. Eigenlijk leent het werk van Berlioz zich er ook niet echt voor, maar de wijze van invulling laat ook te wensen over. 

Met het samengaan enkele jaren geleden van De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet in Nationale Opera & Ballet kon het natuurlijk niet uitblijven dat een gezamenlijke productie ter hand genomen zou worden. Het ballet is natuurlijk geen vreemde bij de (klassieke) opera waar - zeker in Frankrijk - het zeer gebruikelijk was om ballet onderdeel uit te laten maken van de uitvoering. Echter niet in een gelijkwaardige rol, maar vooral als tussentijds vertier om bijvoorbeeld scènewisselingen voor het publiek draaglijk te maken. Met de gezamenlijke krachten van Nationale Opera & Ballet is dat natuurlijk geen optie en is met Roméo et Juliette gepoogd om een gesamtkunstwerk op gelijkwaardige voet van opera én ballet te creëren. Een werk van de Franse componist Hector Berlioz (1803-1869) is dan op het eerste gezicht niet zo vreemd, zeker gezien het succes dat (de voorloper van) de Nationale Opera boekte met de spectaculaire uitvoering van Les Troyens. Het klassieke liefdesverhaal van Romeo en Julia is natuurlijk altijd een fijne uitvalsbasis en zie daar de eerste gezamenlijke productie van Nationale Opera & Ballet.

Afstandelijkheid troef
Toch is de keuze voor het in 1839 in première gegane Roméo et Juliette een vreemde. Wat dit werk is alles behalve een opera en dramatiek is - ondanks het werk - ook redelijk ver te zoeken. Want Berlioz' vertaling van de klassieke liefdestragedie is feitelijk een uit de kluiten gewassen symfonie met relatief spaarzaam gebruik van een aantal solisten en koor. Tussen het opwindende begin en het dramatische slot kabbelt de muziek eigenlijk een beetje voort waarbij de solo van de contralto en de koorstukken verlichting brengen. Daarmee is het een relatief afstandelijk werk geworden waarin de liefdestragedie wel belicht maar niet doorvoelt wordt. De uitvoering door Nationale Opera & Ballet staat daarmee vanaf het begin al op achterstand, alhoewel dit wel de vraag rechtvaardigt waarom men gekozen heeft voor deze al in 2007 in premiere gegane versie - onder regie van Sasha Waltz  - bij de Opéra Bastille te Parijs. In tegenstelling tot de Franse opera's van weleer heeft het ballet hier zonder twijfel de hoofdrol en vertaalt het liefdesverhaal naar dans. Een verhaal dat gelukkig bij een ieder wel in het hoofd zit, want de enscenering alsmede de choreografie is dermate abstract dat die voorkennis toch echt wel nodig is. Het klassieke geschoolde Nationale Ballet verlaat daarbij haar comfort-zone door een (relatief) moderne choreografie waarbij bepaalde onderdelen eerder verwacht zouden worden bij het Nederlands Dans Theater (NDT). En dat is soms ook wel een klein beetje te zien.

Minder dan de som der delen
Dat laat onverlet dat er goed gedanst wordt, niet in de laatste plaats door Roméo en Juliette. De mooiste momenten zijn die waar het ballet in combinatie wordt gebracht met het - zoals altijd uitstekend zingende - Koor van De Nationale Opera. Ook de inbreng van de solisten, - met name Alisa Kolosova - is voorbeeldig. Want dan weer typisch daarbij is dat de solisten ook gezellig een dansje hebben meegekregen want nogal geforceerd aandoet. Gelukkig is dit Kolosova - wiens jurk dit ook technisch onmogelijk maakt - bespaard gebleven. Dit alles begeleid door een prima spelend Nederlands Philharmonisch Orkest dat lekker aangejaagd werd door dirigent Kazushi Ono. Opvallend was echter wel dat de introductie nogal zacht was en lang niet altijd in balans. Foutjes die je - zeker bij de laatste voorstelling - niet zou verwachten van dit geoliede orkest. Voor dit alles lijkt de afstandelijk die in de muziek van Berlioz ten opzicht van het onderwerp opgeld doet (helaas) ook te gelden voor dit huwelijk van opera en ballet. Een dappere poging, maar zowel de vraag of hier sprake is van toegevoegde waarde als de vraag of gekozen is voor de meest passende compositie is in beide gevallen maar lastig positief te beantwoorden. 

Oordeel FerdiBlog: ***


Van 15 april t/m 1 mei 2016 voeren - voor het eerst - De Nationale Opera en het Nationale Ballet een gezamenlijke productie uit: 'Roméo et Juliette' van Hector Berlioz. Deze recensie is op basis van de (laatste) uitvoering op 1 mei.