zondag 9 april 2017

Driemaal Hella Haasse: 'Sleuteloog', 'Fenrir' en 'Huurders en onderhuurders'


Ruim vijf jaar geleden overleed Hella Haasse, de grande dame van de Nederlandse literatuur. Bekend vanwege haar Indische en historische romans, maar tegelijkertijd lijkt haar naam bekender dan de literatuur die zij geschreven heeft. Een hernieuwde kennismaking daarom met  Haasse via drie (willekeurige) romans: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders

De Nederlandse naoorlogse literatuur is lange tijd gedomineerd door de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Veelal volgde daarna als snel de naam van Hella S. Haasse.    Na de dood van Harry Mulisch in 2010 (Hermans overleed al in 1995 en Reve in 2006) was zij nog de enige levende representant van een trotse en wereldwijd bekende Nederlandse literaire traditie. Nog geen jaar later overleed ook Haasse en eindigde een tijdperk. Geroemd bij haar dood maakte toenmalig staatssecretaris voor Cultuur Halbe Zijlstra zich sterk voor het spreken over de Grote Vier. Ook collega-auteur Cees Nooteboom ergerde zich aan "dat gekakel over de Grote Drie" en vond dat zij de allure had die haar toegang gaf tot het literaire Pantheon van Nederland. Opvallend daarbij is dat hoe bekend we ook allemaal nog zijn met deze schrijvers hun werk verder weg lijkt dan dat het relatief recente overlijden doet vermoeden. Zo wordt De Avonden van Gerard Reve amper nog gelezen terwijl de recente Engelse vertaling The Evenings tot uitmuntende recensies in het buitenland heeft geleid waardoor een nieuwe Nederlandstalige editie binnenkort het licht ziet. 

Haasse is vooral bekend geworden door haar romans over Nederlands-Indië (Heren van de Thee, Oeroeg en Sleuteloog) en haar historische romans (Scharlaken Stad, Een Nieuwer Testament en Het Woud der Verwachting) en minder vanwege haar contemporaine romans. Juist hierdoor zou het kunnen dat het werk van de in 1918 geboren schrijfster minder courant geworden is. Want de interesse voor in ieder geval de koloniale geschiedenis van Nederland is weleens groter geweest. 

Vorig jaar was ik in de nieuwe boekhandel Grand Theatre Breda. Dit prachtige rijksmonument dat voorheen diende als theater en bioscoop is nu de thuishaven voor liefhebbers van boeken. Een mooie toevoeging op het toch al heerlijke Breda en zonder meer een aanrader. Op wat voorheen het balkon was, is de ramsj te vinden. Ik trof daar een behoorlijk aantal exemplaren van de in 2006 door Uitgevrij Querido gestarte uitgave van een stemmige hardcover-editie van het verzameld werk van Haasse. In 2014 verscheen de laatste uitgave in deze reeks. Door het toevallige bezoek aan Grand Theatre Breda keerde ik naar huiswaarts met Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Tegelijkertijd leek deze vondst ook symbool te staan voor een schrijfster die - althans op dit moment - minder courant lijkt. De afgelopen weken heb ik achtereenvolgens en met veel plezier deze boeken gelezen. Daarom hoog tijd voor het (opnieuw) onder de aandacht brengen van een literaire grootheid wiens stem - alleen al vanwege ons verleden in Nederlands-Indië - gehoord moet worden. 

Sleuteloog (2002)
Door Sleuteloog wordt de unieke bijdrage van Haasse aan de Nederlandse literatuur meteen duidelijk. Net als haar debuut Oeroeg en De Heren van de Thee is het Nederlandse koloniale verleden in Nederlands-Indië het leitmotiv. Met haar prachtige Indische romans levert Haasse een grote bijdrage aan de gevoelswereld over een periode die grote invloed op onze geschiedenis heeft gehad, maar tegelijkertijd steeds minder deel uitmaakt van het collectieve geheugen. Eén van de mogelijke redenen waarom het werk van Haasse minder in trek is. Hoewel na het verschijnen van Sleuteloog in 2002 nog wel het nodige van Haasse is gepubliceerd, was dit de laatste grote roman en tegelijkertijd publiekstrekker - winnaar van de NS Publieksprijs van 2003 - van haar hand. 

Sleuteloog staat niet bekend als de beste Indische roman van Haasse maar was voor mij een prachtige inleiding op haar oeuvre op dit vlak. Haasse kenmerkt zich door een prachtig, maar vooral ook helder proza. Een herinneringsroman waar de inmiddels bejaarde Herma Warner door een journalist wordt benaderd of zij informatie heeft over de mensenrechtenactiviste Mila Wychinska. Het blijkt de pseudoniem van haar Indische jeugdvriendin Dee Mijers. Door het verzoek van deze Bart Moorland worden herinneringen ontsloten over haar tijd in Nederlands-Indië. Een structuur van brieven van Moorland gevolgd door herinneringen van Warner leidt tot een intrigerende roman die een inkijk geeft in een verloren wereld. Een wereld die voor Warner gesymboliseerd wordt door een prachtige antieke ebbenhouten kist waar de tastbare symbolen van die tijd zijn opgeslagen. De sleutel is al jaren zoek waardoor Warner moet vertrouwen op haar herinneringen. De toegang tot de "feiten" van die tijd bevindt zich achter het voor haar ontoegankelijke sleuteloog. 

Voor lezers die (nog) onbekend zijn met het oeuvre is Sleuteloog een meer dan prima inleiding. Niet voor niets roemde De Volkskrant Haase's Sleuteloog als 'kroon op haar oeuvre.

Fenrir (2000)
Toen Fenrir in 2000 verscheen was het onderwerp van lichte sensatie omdat het voor het eerst in jaren was dat een nieuwe roman van de hand van Haasse verscheen. Een roman die historisch was noch met Nederlands-Indië van doen had. Fenrir is een contemporaine roman die minder geslaagd is als Sleuteloog maar desalniettemin fascineert. In Fenrir - de mythologische wolfzoon van de Noorse god Loki - staan wolven en neonazisme centraal. Dit alles verbonden door de journalist Matthias Crone en de sterpianiste Edith Waldschade. Crone is weliswaar journalist maar is gefascineerd door wolven en werkt aan een wolvenencyclopedie. Bij toeval komt hij erachter dat de befaamde pianiste Edith Waldschade op haar landgoed in de Ardennen een privé-wolvenkamp houdt. Een landgoed dat toebehoorde aan haar vader die enige bekendheid genoot als germanist en volkenkundige. Deze specialisatie - in de tijd van de Tweede Wereldoorlog - maakte hem verdacht en verzamelpunt voor neonazi's en extremistische sympathieën. Uiteindelijk belandt Crone op het landgoed en landt midden in een familiedrama van Edith, haar zus en een mysterieuze man die een familielid blijkt te zijn. Uiteraard komt dit alles tot een dramatische apotheose. Een apotheose die overigens anders verloopt dan je op voorhand zou denken en daardoor zowel verrassend als verwarrend is.

Op het eerste gezicht lijkt Fenrir een poging van Haasse om door te dringen tot het detective-genre. Maar dan wel de meer literaire variant waar ieder antwoord in de regel tot meer vragen leidt en veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Daardoor bevredigt Fenrir niet volledig omdat niet helemaal duidelijk wat Haasse met deze roman beoogt. Toch fascineert Fenrir van begin tot einde en toont dat Haasse meer is dan een (Indische) historica. 

Huurders en onderhuurders (1971)
Het laatste boek uit deze volstrekt willekeurige bij elkaar gebrachte reeks van Haasse-romans is net als Fenrir één van haar contemporaine romans. Huurders en onderhuurders verscheen in 1971 en heeft eigenlijk een huis als hoofdpersoon. Een huis van rond de eeuwwisseling aan het Amsterdamse Vondelpark. Frits Dupels, een getroebleerde ambtenaar bij het Ministerie van Culturele Zaken, belandt via zijn leidinggevende die van hem af wil als huisbewaarder van dit huis. Samen met zijn vrouw Dora bewonen zij dit huis en verzorgen zij de verhuur ervan voor de huiseigenaar die zich op afstand bevindt. Het leven van het echtpaar draait volledig om het huis waarbij Frits zich steeds meer verliest in een kleinere wereld een megalomaan masterplan dat de wereld zal veranderen. Voor de eenzame Dora komen de onderhuurders als geroepen. Door in hun leven te graven kan zij zich onttrekken van haar eigen weinig gelukkige leven. Spil van de onderhuurders is de frauderende Lilian Hornkes die een 'bondje' sluit met een leraar die eerst een kamer betrekt voor het geven van naschoolse les. Een schrijfster completeert het gezelschap terwijl de huiseigenaar zich op de achtergrond beweegt. Door de alwetende verteller krijg je een inkijk in de verschillende levens, de samenhang ertussen die voor velen noodlottig zal uitpakken.

Huurders en onderhuurders was het laatste boek in deze reeks en gek genoeg is de volgorde van deze reeks ook exemplarisch voor de waardering. Naar verluidt was dit boek één van de favorieten van Haasse terwijl Fenrir en met name Sleuteloog evenwichtiger en sterker zijn. Dat laat onverlet dat het wederom een mooi voorbeeld is van de krachtige en heldere schrijfstijl van Haasse die nog altijd aanspreekt en verdient om gelezen te worden. 

Het oeuvre van Hella Haasse en deze besproken boeken in het bijzonder zijn - in diverse edities - nog altijd meer dan goed verkrijgbaar. Ook als eBook. 

zaterdag 8 april 2017

Meer dan klassieke muziek voor dummy's. 'Alles begint bij Bach' van Merlijn Kerkhof


Met Alles begint bij Bach weet Merlijn Kerkhof op aanstekelijke wijze zijn liefde en enthousiasme voor klassieke muziek over te brengen. Een boek dat niet alleen een welkome en toegankelijke inleiding is, maar ook een tijdig pleidooi is voor al het moois dat klassieke muziek kan bieden. Alleen mag bij een eventuele herziene druk het kaftdesign - dat nog het meest doet denken aan een schreeuwerige reclamefolder van de Media Markt - achterwege gelaten worden. 

“Hij maakt er levend weefsel van, met rode blosjes en broeierige plooien, onderhuidse trillingen en kippenvel. Merkwaardig, hoe je kunt juichen bij toefjes tuba en het stofgoud van een glissanderende harp” en “Tegelijkertijd verbrokkelde het eerste deel bij gebrek aan psychologisch bindmiddel. Veel ambacht en weinig Freud is niet per se een nadeel in een metier dat zich soms verliest in gesnotter". Zomaar fragmenten uit respectievelijk een cd-recensie en een concertbespreking van een collega-recensent van Merlijn Kerkhof. Het mooie, bijna poëtische gebruik van de Nederlandse taal schrikt potentiële liefhebbers van klassieke muziek eerder af dan dat het een nieuw publiek aanspreekt.  Tegelijkertijd versterkt dit het vooroordeel dat klassieke muziek 'ingewikkeld' is en 'zeker niet voor iedereen'. De recensies van schrijver, journalist en muziekcriticus Merlijn Kerkhof (1986) zijn daarentegen lezenswaardig en toegankelijk. In zijn stukken voor De Volkskrant verlaat hij gebaande paden en brengt hij - ook door langere artikelen te schrijven met een andere insteek - klassieke muziek iets meer in de mode. Van het jureren van de mooiste stukken van de vergeten componist Telemann tot waarom de beste klassieke pianisten nog altijd uit Rusland komen. De bijdragen van Kerkhof lees ik - en vast velen met mij - met plezier. Om zijn liefde voor de klassieke muziek voor een groter publiek te etaleren en tegelijkertijd het publiek ervoor te vergroten én te verjongen, levert Kerkhof zijn eerste boek af: Alles begint bij Bach. De ondertitel ‘wat je moet weten over klassieke muziek’ maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een muziekgeschiedenis op hoofdlijnen om lezers te verleiden op ontdekkingstocht te gaan door de klassieke muziek. 

Niet alleen voor beginners
Merlijn Kerkhof
Aangezien – oneerbiedig gezegd – dit vertaald zou kunnen worden naar ‘klassieke muziek voor dummy’s’ rijst natuurlijk de vraag waarom een bespreking van dit boek juist op dit cultuurblog verschijnt. Net als Kerkhof hoef ik niet van de waarde van klassieke muziek overtuigd te worden. En net zoals Kerkhof constateer ik dat het nog redelijk gaat met de klassieke muziek in Nederland, maar dat de toekomst verre van zonnig is. De vergrijzing lijkt bijna onomkeerbaar terwijl het aanbod van klassieke muziek – door Kerkhof ook als ‘kunstmuziek’ omschreven – relatief statisch blijft aangezien “moderne” klassieke muziek weliswaar mondjesmaat terrein wint, maar in de huidige omvang zeker niet het redmiddel is voor het ontelbare aantal concertzalen dat Nederland telt. Het leuke aan Alles begint bij Bach is dat het niet alleen een fijne inleiding vormt over de klassieke muziek, maar dat ook voor de al bekeerde liefhebber er het nodige te genieten valt. Natuurlijk is het een mooie samenvatting van al bekende anekdotes zoals Brahms die jarenlang zwoegde op zijn eerste symfonie uit angst vergeleken te worden met Beethoven tot de mysterieuze ontstaansgeschiedenis van Mozarts Requiem en de wel zeer innige band tussen de nazaten van Richard Wagner en Adolf Hitler. Tegelijkertijd is er nog genoeg onontgonnen gebied zodat er voor een ieder wel iets verrassends in staat en Kerkhof in staat is de bijbehorende historische context te schetsen. Want muziek ontwikkelt zich niet in isolement, maar als onderdeel van de maatschappij. Ook sluit Kerkhof vrijwel ieder hoofdstuk af met een aantal luistertips. Door de aanstekelijke en aansprekende wijze waarop Kerkhof zijn enthousiasme voor de klassieke muziek onder woorden brengt, kan het niet anders dan dat de lezer een aantal van die tips gaat luisteren. En als op deze wijze een groter en vooral jonger publiek voor klassieke muziek wordt getrokken dan is de missie van Kerkhof zonder meer geslaagd. 

Je kunt je natuurlijk afvragen of een boek nu het ideale medium is om voorbij het kernpubliek voor de klassieke muziek te komen, maar dat is muggenziften. Zeker ook omdat diverse orkesten – met name het Koninklijk Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest – via allerhande nieuwe concertvormen hetzelfde pogen als Kerkhof en de resultaten hoopgevend en dan weer teleurstellend zijn. Klassieke muziek, maar vooral hetgeen de (geduldige) luisteraar oplevert, is het meer dan waard. Daarbij is muziek één van die vormen van cultuur die aantoont waarom de menselijke beschaving daadwerkelijk een beschaving mag heten. Maar vooral omdat muziek kan leiden tot een toevoeging op je leven: van geluk en contemplatie tot het bieden van troost. Muziek – mits passend bij ieders voorkeur – kan het allemaal teweeg brengen. Het inleidende hoofdstuk waarbij Kerkhof de lezer (letterlijk) meeneemt naar een (fictief) concert is daarbij niet alleen ontwapenend, maar rekent ook af met een aantal van de misvattingen over het bezoek aan een concert. Sowieso worden vele mythes over klassieke muziek door Kerkhof ontkracht: van het idee dat opera dood zou zijn en het failliet van de moderne klassieke muziek tot aan het feit dat klassieke muziek elitair is. Opvallend is dat Kerkhof heel zijdelings of eigenlijk geen aandacht besteedt aan ballet- en filmmuziek. Juist deze twee genres zijn een toegankelijk middel om richting de klassieke muziek te gaan. Gezinnen met kinderen zijn niet weg te slaan bij balletklassiekers zoals Notenkraker en Muizenkoning, Coppelia en Assepoester. Maar ook moderne dansgezelschappen zoals het NDT hebben moderne choreografieën op werken variërend van Beethoven tot Glass. Hetzelfde geldt voor filmmuziek waarbij de grens tussen wat filmmuziek is en wat niet soms moeilijk te stellen is. En de stap van de inmiddels zeven soundtracks van Star Wars van John Williams naar Also Sprach Zarathustra van Richard Strauss is voor een klassieke muziekliefhebber in de dop snel gemaakt. Alles begint bij Bach is inmiddels al aan de derde druk toe, dus wellicht is er op termijn nog aanleiding om een herziene versie te publiceren. Een tweetal extra hoofdstukken over ballet- en filmmuziek zouden dan niet misstaan. En mocht er een herziene versie komen, dan is het ook aan te bevelen om het kaftdesign nog eens onder de loep te nemen. Want hoewel ik grote waardering heb voor het boek dat Kerkhof geschreven heeft, strekt deze waardering zich zeker niet uit tot de kaft die nog het meest doet denken aan zo’n schreeuwerig reclamekrantje van de Media Markt. Dat moet toch beter kunnen. Budget of geen budget.

Het einde van de klassieke muziek?
Door de geschiedenis van de klassieke muziek episodisch te bespreken, biedt Kerkhof de lezer een scala aan opstappunten voor de klassieke muziek-trein. Zijn grote liefde voor Bach – de titel zegt het al – stopt hij daarbij niet onder stoelen of banken, maar tegelijkertijd maakt hij duidelijk dat Bach niet per se het eerste opstappunt hoeft of moet zijn. Klassieke muziek is ook een kwestie van gewenning. Een uitgangspunt dat hij ook hanteert voor hedendaagse kunstmuziek. Hoewel ik het met Kerkhof eens ben dat het aanbod van zowel klassieke muziek als moderne klassieke muziek zo groot is, dat je nooit het hele oeuvre kunt afdoen met ‘daar hou ik niet van’, ben ik zelf iets minder optimistisch over de rol van moderne klassieke muziek. Zeker, er valt op dat punt ontzettend veel te genieten. De opera Nixon in China van John Adams (1947) is niet alleen één van de meest succesvolle eigentijdse opera’s, maar heeft inmiddels ook een vaste plek verworven in de canon van ‘klassieke’ opera’s. Om over de populariteit van de muziek van Philip Glass (1937) nog maar te zwijgen. Maar in alle eerlijkheid: er zijn veel moderne stukken die het genieten waard zijn, maar het nooit in zich zullen hebben om het kernrepertoire in de schaduw te stellen. En juist dat is nodig om de toekomst van klassieke muziek zeker te stellen. Maar zoals Kerkhof terecht opmerkt, telde de wereld in Bachs sterfjaar 1750 slechts 791 miljoen mensen en zijn we inmiddels richting het tienvoudige aantal. Dan moet er toch genoeg talent zijn voor een hedendaagse Bach, Mozart of Beethoven? Samen met Merlijn Kerkhof hoop ik het van harte. En in de tussentijd ga ik gezellig door met luisteren naar prachtige muziek. Een leven zonder zou toch wel heel saai zijn.

In september 2016 is ‘Alles begint bij Bach’ van Merlijn Kerkhof verschenen bij uitgeverij Thomas Rap. Tevens beschikbaar als eBook. Deze recensie verschijnt gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 2 april 2017

Een onmogelijke biografie van een gewelddadige dynastie: 'The Romanovs:1613-1918' van Simon Sebag Montefiore


Simon Sebag Montefiore stelt zijn onmiskenbare talent voor meeslepende geschiedschrijving ten dienste van de Romanov-dynastie. Als geen ander weet Montefiore een kluwen aan karakters en gebeurtenissen bij elkaar te brengen. Desalniettemin blijft er (te) veel onbesproken en had de voorliefde voor de ongekende hoeveelheid geweld en seks die de dynastie in de ogen van Montefiore typeert een tandje minder gemogen. 

In Nederland is de historicus Simon Sebag Montefiore (1965) vooral bekend vanwege Jerusalem. The Biography, zijn geslaagde en alomvattende geschiedenis van het kruispunt van de geschiedenis. Zijn fascinatie voor Jeruzalem is ondanks de omvang van die biografie gek genoeg niet meer dan een uitstapje voor de historicus. Montefiore heeft zich gespecialiseerd in Rusland waardoor de afgelopen jaren een tweetal boeken over Stalin zijn verschenen, maar ook boeken over Catharina de Grote, Potemkin en hun onderlinge relatie. Tussendoor is zijn bekendheid verder toegenomen door geslaagde BBC-documentaires over Jeruzalem en Byzantium. Overigens zijn deze uitstapjes minder buitenissig dan gedacht aangezien de Tsaren en Tsarina's van Rusland een grote fascinatie hadden voor zowel Jeruzalem als Constantinopel/Istanbul. Want de Romanov-dynastie vormde niet alleen het symbool voor de eenheid van Rusland, maar ook van de Russisch-Orthodoxe Kerk en daarmee hoeder van deze hoofdsteden van geloof. De symboliek van deze dynastie vormt meteen de rode draad van The Romanovs: 1613-1918 en de rise to fame van een familie die drie eeuwen lang het Russische Keizerrijk domineerde en daarmee een ongekend grote invloed heeft uitgeoefend op de wereldgeschiedenis in het algemeen en de toekomst van Rusland in het bijzonder. 

Van Michaël I tot Nicholaas II
Tsaar Michaël I
Het schrijven van een dergelijke geschiedenis vraagt veel van een historicus. Drie eeuwen geschiedenis overzichtelijk terug brengen naar een leesbaar boek is geen kleine opgave. Zeker niet in het geval van de uitgebreide Romanov-dynastie waar de familieleden je om de oren vliegen. Als geen ander is Montefiore hier geschikt voor omdat hij het talent heeft om op meeslepende wijze de lezer door een geschiedenis te loodsen, niet in de laatste plaats vanwege zijn fijne pen die allesbehalve saai is. Wat dat betreft is dit boek eigenlijk alleen vergelijkbaar met zijn biografie van Jeruzalem waarbij hij in staat is gebleken om een complexe en uitgebreide geschiedenis begrijpelijk te houden door zich op de hoofdlijnen te richten. Toch is hij in het geval van de Romanovs hier minder in geslaagd. Niet alleen omdat bij dergelijke ondernemingen in de regel na het dichtslaan van het boek weinig echt blijft hangen, maar omdat het grote aantal personages een wel heel groot beroep doet op het overzicht van de lezer. De handige familiestambomen en een cast van de belangrijkste 'hoofdrolspelers' aan het begin van ieder hoofdstuk zijn daarbij zeer welkom, maar kunnen het dit elementaire probleem uiteindelijk niet oplossen. Nu hoeft dat ook niet aangezien het vast niet de bedoeling is van een lezer van een dergelijk boek om tot op detailniveau familie, vrienden en kennissen te verblijden met allerhande (triviale) kennis over de Romanovs. Uiteindelijk is het doel van een dergelijk boek een idee te krijgen van de ontwikkeling van de Romanovs en de impact op Rusland. In dat eerste slaagt Montefiore zonder twijfel: van de allereerste Romanov-Tsaar Michaël I (1596-1645) tot aan het tragische lot van Nicholaas II (1868-1918). In de proloog van het boek weet Montefiore op geniale wijze een verband te leggen tussen Michaël I en Aleksej, zoon van Nicholaas II en laatste (echte) troonopvolger van de Romanov-dynastie. Een proloog die ook een prachtig voorbeeld is van de verhalende kracht van Montefiore. Want in deze proloog schetst Montefiore de omstandigheden en gemoedstoestand van beide jonge troonpretendenten. Jongens die allebei in het oog van de storm verkeerden in een Tijd der Troebelen. Maar voor Michaël betekende dit dat het land naar hem en zijn familie keek om de eenheid in Rusland te herstellen, terwijl de aan hemofilie lijdende Aleksej in de ogen van de Bolsjewieken juist in de weg stond van een glorieuze toekomst zonder Tsaren. De ene startte de dynastie terwijl de ander  op gruwelijke wijze - samen met zijn familie - werd vermoord in Jekaterinenburg. 

Een familiesoap
Ex-Tsaar Nicholaas II
Na deze veelbelovende inleiding neemt Montefiore je mee in het wel en wee van de Romanov-dynastie en daarmee Rusland. Het boek zit vol met anekdotes en weetjes waaronder het feit dat Nicholaas II eigenlijk helemaal niet de laatste Tsaar van Rusland was. Die "eer" is weggelegd voor zijn broer Michaël die na de troonsafstand van Nicholaas nog een dag zou "regeren" als Michaël II waardoor de dynastie zowel begint als eindigt met een Michaël. Tussendoor maken we kennis met geslaagde en minder geslaagde Romanov-autocraten. Van Peter de Grote en Catharina de Grote tot Napoleon-nemesis Alexander I en één van de weinige hervormende Romanovs Alexander II. Opvallend daarbij is dat niet alleen dat de familieleden je om de oren vliegen,  maar ook de ledematen. Montefiore's tocht langs de Romanovs is namelijk ook een verhaal van veel geweld en seks. In interviews ter gelegenheid van het verschijnen van The Romanovs gaf Montefiore al aan dat deze uiteenzetting nodig is om de familie te begrijpen en in perspectief te plaatsen. Dat klopt zeker, maar binnen de zevenhonderd pagina's die Montefiore nodig heeft, wordt wel heel veel ruimte gereserveerd voor de soap die deze familie ook is. De hogere Europese politiek komt ook voldoende aan bod, maar wie een overzicht wil hebben van de echte impact van de familie op Rusland komt toch een beetje bedrogen uit. Dat laat onverlet dat Montefiore zijn verhaal met smaak vertelt en dat het allerminst een straf is om deze biografie te lezen. Een kwaliteit die voor gelijksoortige biografieën lang niet altijd geldt. In die zin leent dit boek zich minder voor een BBC-documentaire zoals over Jeruzalem en Byzantium, maar zou een soap in de lijn van The Tudors nog best een optie kunnen zijn. 

'The Romanovs: 1613-1918' van Simon Sebag Montefiore is begin 2016 voor het eerst uitgegeven en recent verschenen in een paperbackversie. Een Nederlandse vertaling is eveneens beschikbaar. Deze recensie is op basis van de Engelstalige editie. 

zaterdag 1 april 2017

Smoke and Mirrors: contrast tussen verleden en toekomst van NDT


Nederlands Dans Theater
Smoke and Mirrors

Imre en Marne van Opstal: The Grey
Sharon Eyal en Gai Behar: Sara
Marco Goecke: Midnight Raga
Léon & Lightfoot: SH-BOOM!

NDT2
Zuiderstrandtheater, Den Haag


Met het programma Smoke and Mirrors voor de jonge dansers van Nederlands Dans Theater 2 worden diverse contrasten getoond. Maar het meest treffende contrast is de impact van de maatschappelijk veranderingen op de NDT-choreografieën. Zo bezien zijn de ongedwongen jaren negentig een stuk humorvoller dan de serieuze jaren tien van de 21e eeuw. 

Het succes van het Nederlands Dans Theater (NDT) is nauw verbonden met de choreografieën van Sol Léon & Paul Lightfoot. In 2002 werden zij de officiële huischoreografen van NDT terwijl Paul Lightfoot sinds 2011 artistiek directeur is. Het duo Léon & Lightfoot heeft inmiddels een enorm aantal programma’s gecreëerd met klassiekers als Shoot the Moon, Sad Case, Subject to Change en Sehnsucht/Schmetterling. Het begin van deze succesvolle samenwerking wordt gemarkeerd door SH-BOOM! dat het ontluikende duo creëerde in 1994 voor de jaarlijkse Dansers Choreografie Workshop (nu: Switch). Precies dit werk is onderdeel van het nieuwe programma Smoke and Mirrors waar SH-BOOM! wordt gecombineerd met een tweetal nieuwe producties en een reprise van een recente productie. SH-BOOM! was voor het laatst te zien als onderdeel van Programma III in 2012 en is een humoristische en ironische uitwerking van de onderlinge relatie tussen mensen in het algemeen en in het bijzonder pogingen van mannen om indruk te maken op vrouwen. Dit alles op muziek van crooners uit de jaren vijftig. Een tijdbeeld dat nog eens extra ondersteund wordt door een vintage “hangende” microfoon. Dit leidt tot een strakke en bij tijd en wijle zeer serieuze ‘donkere’ choreografie, ondersteund door inventief gebruik van licht. Een aanpak die een scherp contrast vormt met de humor en ironie van de kostuums en muziek. 

Broedplaats van choreografen
In de stal van het NDT zijn niet alleen zeer getalenteerde en technisch uitmuntende dansers te vinden, maar ook de choreografen van de toekomst. Bij NDT wordt ruimte aan dansers geboden om zich ook zo te ontwikkelen. Dit leidde al tot succesvolle choreografieën van onder andere Medhi Walerski. In zijn voetsporen treden nu broer en zus Marne en Imre van Opstal met The Grey dat uitgevoerd door de jonge dansers van NDT2 de wereldpremière beleefde in het Haagse Zuiderstrandtheater. Het geven van ruimte wordt ook letterlijk genomen aangezien The Grey maar liefst 36 minuten duurt en qua duur de overige producties van Smoke and Mirrors in de schaduw stelt. Op een onheilspellende en donkere Daft Punk-achtige (denk aan de Daft Punk-soundtrack voor de film Tron: Legacy) nieuwe muziek van Amos Ben-Tal presenteren broer en zus Van Opstal een drieluik dat de keuzes in het leven voorstelt en de wens om die keuzes en daarbij behorende richting in je leven opnieuw in overweging te nemen. Die wens wordt zeer letterlijk genomen door tussen de onderdelen van het drieluik een pauze in te lassen in de meest letterlijke zin van het woord. De muziek stopt, het licht gaat aan en de dansers gaan er even rustig bij zitten en drinken wat water om na enkele minuten de productie weer te hervatten. Het is een gewaagde eerste productie die toont – zeker het tweede meest overtuigende deel waar muziek, dans en drama het beste bij elkaar komen en enigszins hypnotiserend uitpakt – dat Imre en Marne van Opstal op zoek zijn naar een eigen signatuur. Opvallend daarbij is het contrast met SH-BOOM! waarbij Léon & Lightfoot met name door de humorvolle aanpak emotie losmaken bij het publiek. Bij The Grey is dat eigenlijk niet het geval. Als publiek ben je onder de indruk van de uitmuntende danstechniek, maar fascineert The Grey zonder echt emotie op te roepen. Wellicht ook een vertaling van het huidige tijdsgewricht dat in tegenstelling tot de jaren negentig allesbehalve zorgeloos is. Het aardige is overigens dat, bedoeld of onbedoeld, het gebruik van een hangende microfoon in The Grey een zichtbare verbinding legt met het werk van Léon & Lightfoot. 

Contrast tussen de muziek van Inda en de zenuwen van Marco Goecke
Naast de wereldpremière van het jonge NDT-talent was er ook een wereldpremière van de gevestigde choreograaf en NDT-partner Marco Goecke. Een relatief korte choreografie Midnight Raga voor twee mannen op muziek van Ravi Shankar en I’d rather go blind van Etta James. Opvallend daarbij is het contrast tussen de ‘zenuwachtige’ choreografie en de muziek. Goecke heeft er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om op de Indiase muziek van Ravi Shankar juist geen ‘Indiase’ choreografie te creëren. Deze tegenstelling leidde her en der tot gelach aangezien de krachtige techniek van de veelal simultaan dansende mannen zo afwijkt van de muziek. Het was niet naar ieders smaak maar oorspronkelijk was het zeker. Het contrastrijke programma bestond verder nog uit de choreografie Sara van Sharon Eyal en Gai Behar uit 2013 die op verzoek van het publiek aan het programma is toegevoegd. Speciaal voor NDT2 gemaakt en is een soort intuïtief gedanste droomwereld. Door het programma met SH-BOOM! af te ronden, sloot de avond op een vrolijke noot af, maar gaf het ook zeer te denken over het grote contrast tussen het verleden en de toekomst van NDT.

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT2-programma ‘Smoke and Mirrors’ bestaat uit de choreografieën ‘The Grey’, ‘Sara’, ‘Midnight Raga’ en ‘SH-BOOM!’ en toert van 30 maart t/m 1 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 30 maart in het Haagse Zuiderstrandtheater. Deze recensie is gelijktijdig bij online nieuwsmagazine Jalta verschenen.