donderdag 27 augustus 2015

Concert 26 augustus 2015: Bergen oerkracht én romantiek met Andrew Litton


Svendsen: Carnaval in Parijs
Mendelssohn-Bartholdy: Vioolconcert
Stravinsky: Le Sacre du Printemps
Grieg: Ases Dood uit Peer Gynt (toegift)
Prokofjev: De kwaadardige God en de heidense monsters 
uit Scythische Suite (toegift)

Alina Ibragimova (viool)
Andrew Litton, Bergen Philharmonisch Orkest
Concertgebouw, Amsterdam

Wat hebben componist Edvard Grieg, toppianist Leif Ove Andsnes en het Bergen Philharmonisch Orkest gemeen? Ze komen allen voort uit Bergen, de tweede stad van Noorwegen. En tijdens de Robeco SummerNights laat Andrew Litton horen dat de Noren over bergen muzikaliteit beschikken. In een programma van Svendsen, Mendelssohn en Stravinsky komen oerkracht en romantiek fijn samen. Maar de toegiften maken het feest pas echt compleet. 

Het aardige aan de Robeco SummerNights is dat je - veel meer dan tijdens het reguliere concertseizoen - in aanraking komt met juweeltjes van buitenlandse orkesten. Het Bergen Philharmonisch Orkest uit Noorwegen is er één van. Opgericht in 1765 is dit één van de oudste orkesten ter wereld en kan onder andere bogen op stadsgenoot Edvard Grieg als artistiek directeur. Sinds 2003 is de Amerikaan Andrew Litton chef-dirigent, maar dit en andere zomeroptredens zijn de laatste concerten in die functie. Met ingang van het komende seizoen wordt hij opgevolgd door de Britse Edward Gardner. Onder Litton's leiding heeft het orkest internationaal faam gemaakt en kan bogen op een serie van goede opnames. Iets wat in het staartje van het concert nog zou terugkomen. Met een programma zonder rode draad, maar wel met klassiekers als het Vioolconcert van Mendelssohn en Le Sacre du Printemps van Stravinsky weet Litton hoe hij een show moet maken. Een show die vooral big and brassy is en zonder meer geen straf.

Intense concentratie
Ondersteund door de warmte van de uitstekende sectie violen vond het concert een aftrap in het eendelige orkestwerk Carnaval in Parijs van de Noorse componist Johan Svendsen (1840-1911). Een ongecompliceerde kickstarter die weinig klinkt als Noorwegen, maar meer op zijn plaats is in de carnavaleske feestjes van de grote Europese hoofdsteden waaronder natuurlijk Parijs. In dit stuk is meteen de aanpak van Litton zichtbaar: een goede chemie met zijn orkest, uitstekende techniek en vooral de focus op show. Dat laat onverlet dat Litton de kunst van begeleiding zonder meer begrijpt, want in het overbekende Vioolconcert van Mendelssohn houdt hij weliswaar van een stevig (doch niet vervelend) tempo, maar geeft hij alle ruimte aan solist Alina Ibragimova om te schitteren. Een solist die overigens ook letterlijk ruimte nodig had, aangezien na haar opkomst de eerste violen toch echt nog een stuk naar achter moesten om haar ruimte te geven tot hoorbare hilariteit van Litton die (gelukkig) weinig met decorum opheeft. Die ruimte had de virtuoos spelende Ibragimova ook zonder meer nodig aangezien zij volledig opgaat in haar spel en pas in het derde en laatste deel wat los leek te komen van haar in zichzelf gekeerde concentratie en de communicatie met het orkest opzocht. Het leek ook wel of ze zelf het meeste van dit deel genoot, hoewel de kwaliteit van haar spel ook in de andere twee delen boven elke twijfel verheven waren. 

Toch wel schrikken
Na de pauze moesten Litton en zijn orkest het doen zonder een solist, maar ook zonder dansers. Want Le Sacre du Printemps - dat in 1913 bij de premiere voor een groot schandaal zorgde - is natuurlijk muziek ter begeleiding van "schandalig" ballet, maar wordt al heel lang en succesvol als zuiver orkestwerk gespeeld. Luisterend naar het werk dat oerkracht verbeeldt en wel heel ver verwijderd is van de Romantiek van bijvoorbeeld Mendelssohn vraag je je toch af wat het schandalige nou precies was. Desalniettemin wist Litton door een aanpak die alleen maar valt te omschrijven als big and brassy het revolutionaire karakter van dit werk te onderstrepen. Litton en zijn orkest pakten massief uit en deden het Concertgebouw op haar grondvesten schudden en een enkele (wat oudere) bezoeker de oren bedekken. Opvallende daarbij was overigens dat de kwaliteit van de houtblazers, met name bij het belangrijke begin, het een beetje liet afweten. Een smetje op een verder spectaculaire uitvoering. En overigens was de uitvoering niet geheel gespeend van dans, want wie de wat lomp doch zeer effectief dirigerende Litton bezig zag, kon daar zonder meer de oerdansen van de Ballets Russes in ontwaren. Aangemoedigd door het enthousiasme van het publiek en zijn laatste dagen als chef-dirigent kwam het niet tot één maar twee toegiften. Toegiften die niet geheel toevallig ook wezen op de opnames die Litton met het orkest heeft gemaakt en waar hij ook nog even op wees. Zakelijk inzicht kan hem niet ontzegd worden. En wat een toegiften! Want een fijne uitvoering van Ases Dood uit Grieg's Peer Gynt benadrukte niet alleen de goede vioolsectie, maar ook de Noorse heritage van het orkest wiens opnames van met name Grieg zeer goed gewaardeerd worden. Daar waar deze toegift alleen het thema dood gemeen heeft met de Sacre, daar was de tweede toegift het antwoord van Prokofjev hierop. Want het tweede deel De kwaadaardige God en de heidense monsters uit de Scythische Suite kanaliseert op muzikale wijze dezelfde oerkracht die ten grondslag ligt aan Stravinsky's revolutionaire werk. Met dit spetterende slotakkoord rondde Litton het programma in stijl af en bracht hij het geheel naar een hoger niveau. Edward Gardner stapt in een gespreid bedje, maar zal ook moeten bewijzen of hij de chemie tussen orkest en Litton kan evenaren laat staan aan tippen.

Oordeel FerdiBlog: ****½


In het kader van de Robeco SummerNights trad het Bergen Philharmonisch Orkest onder leiding van Andrew Litton en met Alina Ibragimov op in het Concertgebouw op 26 augustus. Een dag later treedt het orkest in grotendeels hetzelfde programma op tijdens de BBC Proms.

maandag 24 augustus 2015

From Persia with love: 'Teheran, Een Zwanezang' van F. Springer



Nu Iran – naast zo veel andere brandhaarden in die regio – volop in het nieuws is vanwege het akkoord over het nucleaire programma, is een duik in de geschiedenis van Iran niet onhandig. Want nog geen veertig jaar geleden was Iran nog een trouwe bondgenoot van het Westen. In Teheran, Een Zwanezang duikt F. Springer in de bizarre periode toen Iran voor het Westen verloren ging en de Islamitische Republiek een realiteit werd. 

Carel Jan Schneider (1932-2011) had de gave om als diplomaat zich veelal te begeven in landen waar historische gebeurtenissen zich voltrokken. Het is daarom niet verwonderlijk dat hij daar volop gebruik van maakte in zijn romans die onder zijn pseudoniem F. Springer verschenen en niet zelden een groot autobiografisch karakter kennen. Deze avonturen combineert F. Springer met een studentikoze en vooral tongue in cheek-toon die mij altijd enorm heeft aangesproken. Het zal daarom niet verbazen dat veel van zijn werk door mij gelezen met als favoriet – als sinds de middelbare school – het en in Angola zich afspelende Quissama. Dit laat onverlet dat F. Springer hoewel altijd vermakelijk schrijft, niet altijd een succesvolle roman wist af te leveren. Tegenover toppers als Bougainville, Bandoeng-Bandung en Bangkok, Een Elegie staan ook mindere werken zoals Quadriga. En hoewel bij het lezen het er lang op lijkt dat het indertijd behoorlijk goed ontvangen Teheran, Een Zwanezang behoort tot de eerste groep, moet het uiteindelijk tot de minder geslaagde tweede groep gerekend worden. Hoe vermakelijk en spannend de avonturen in Iran ook zijn. 

Een vleiend portret van de Sjah
Precies rondom de omwenteling in Iran waarbij de Sjah van Perzië ten val kwam en onder leiding van Ayatollah Khomeini de Islamitische Republiek tot stand kwam – waar we nu nog steeds zo ontzettend veel lol van hebben – was Schneider in Iran gepost. De hoofdpersoon in Teheran, Een Zwanezang is echter allesbehalve een diplomaat, maar een schrijver van pulpbiografieën. Onder het pseudoniem Toby Harrison reist de verder niet bij naam genoemde hoofdpersoon de wereld rond op zoek naar amusante feiten om zijn “boeken” te schrijven. Een opdracht vanuit Iran om een biografie te schrijven over de Pahlavi-clan leidt Harrison naar Teheran. Via die opdracht is hij kind aan huis in de hoogste regeringskringen en zal hij de Sjah – vlak voor diens vlucht naar Egypte – ontmoeten. Hierdoor krijg je als lezer een beeld van het Iran onder de Sjah. Een weinig vleiend beeld aangezien het enige vleiende de wijze is waarop de Sjah door jaknikkers wordt bejegend en hij niet inziet dat zijn beleid van corruptie en zijn gevreesde inlichtingendienst SAVAK de wegbereiding vormen voor de komst van Khomeini. 

Te lang en te studentikoos
Natuurlijk is dit niet het enige waar de lezer van Iran in de fantasie van F. Springer over leest. Harrison is in gezelschap van een Haagse jeugdvriend die inmiddels in Zwitserland woont. Een nogal kinderachtig spel waarbij aan een jeugdliefde van deze vriend – Yvonne – continu wordt gerefereerd, moet zorgen voor wat afleiding. En natuurlijk als aanloop voor een liefdesverhaal tussen Harrison en de Iraanse vrouw die zijn vreselijke proza moet typen: Pat Jahanbari. En dan is er ook nog de Nederlandse diplomaat ter plaatse, de wel erg eendimensionale en karikaturale Bill Turfjager die desondanks enige heldhaftigheid niet onthouden kan worden. F. Springer staat bekend om zijn wat studentikoze schrijfstijl doorspekt met BuZa-jargon en wat James Bond-achtige sfeer, maar in dit boek maakt hij het wel erg bont. Juist dat wel erg flauwe toontje en de meanderende stukken over de Nederlandse gemeenschap in Teheran leiden op een gegeven moment tot verveling. Dit terwijl de context van het verhaal natuurlijk buitengewoon interessant is. Dat bewijzen de in een paar pagina's aan het einde van het boek opgenomen Aantekeningen waar een aantal gruwelijke details van de regime change worden weergegeven. In een nogal markant contrast met de rest van het boek. Misschien juist zo bedoeld, maar die wat meer serieuze toon had her en der niet misstaan.Het aparte is dat met 285 pagina’s Teheran, Een Zwanezang niet bijzonder lang is, maar juist door de aanpak langer lijkt dan nodig. En dat is jammer, want in dit boek zit een prachtig verhaal over een omwenteling in één van de belangrijkste landen van de regio. Het etiket ‘een gemiste kans’ doet dan weer geen recht aan dit boek, maar er had meer in gezeten. 

Oordeel FerdiBlog: ***

‘Teheran, Een Zwanezang’ van F. Springer (pseudoniem van Carel Jan Schneider) is in 1991 door Querido voor het eerst uitgegeven en op dit moment alleen als eBook verkrijgbaar. Tevens is het opgenomen in het eveneens door Querido uitgegeven ‘Verzameld Werk’ van F. Springer. Bestellen kan hier

zondag 23 augustus 2015

Leven voor een ander: 'Never let me go' van Kazuo Ishiguro


Kazuo Ishiguro levert met Never let me go zijn bijdrage aan de discussie over moraliteit en wetenschap. In een alternatief jaren negentig vertelt hij het verhaal van Kathy die als resultaat van de wetenschap een leven leidt dat volop ten dienste staat van anderen: in iedere zin van het woord. Wat op voorhand een sciencefictionverhaal lijkt, is uiteindelijk een verhaal over liefde en moraliteit. 

Kazuo Ishiguro (1954) is niet voor één gat te vangen. Waar zijn meest bekende werk The Remains of the Day – vanuit het perspectief van butler Stevens - speelt in het aristocratische milieu van het Verenigd Koninkrijk, zo is zijn meest recente The Buried Giant een queeste van een bejaard echtpaar in een Middeleeuws Engeland waar mythische dieren en magie nog bestaan. Zijn voorlaatste boek Never let me go (recent in het Nederlands verschenen als Laat me nooit alleen) speelt dan juist weer in het Engeland van de jaren negentig. Maar niet de jaren negentig zoals wij dat kennen. In een parallel, maar toch ook wel erg gelijkend, universum heeft de wetenschap een andere weg ingeslagen. Een weg waar het klonen van mensen zonder meer gebruikelijk is en deze nieuwe menselijke klasse – opgedeeld in ‘verzorgers’ en ‘donoren’ – ten dienste staat van de gezondheid van de rest van de bevolking. Met dit uitgangspunt lijkt Ishiguro te kiezen voor sciencefiction. Niets is echter minder waar.

Een driehoeksverhouding
Want hoewel de premisse van Never let me go toch wel heel erg in de hoek van sciencefiction zit, is dit alles slechts de context voor het verhaal dat Ishiguro wil vertellen. En het aardige aan het boek – en de reden om spoilers alhier zoveel mogelijk te voorkomen – is dat de wetenschap van het klonen en de toepassing ervan een fact of life zijn. De bredere implicaties voor de samenleving worden door Ishiguro buiten beschouwing gelaten. Iets wat overigens ook een bron van kritiek is voor een deel van de recensies die het boek ten deel vielen. Juist door de focus te leggen op het leven van in dit geval ‘verzorger’ Kathy vertelt Ishiguro uiteindelijk een heel ander verhaal. Ishiguro kiest daarbij – zoals vaker bij zijn romans – voor het perspectief van de hoofdpersoon. Via Kathy kom je stukje en beetje meer te weten over haar leven. Een leven waarin zij is grootgebracht in Hailsham dat niet alleen haar school, maar ook haar huis is. Daar raakt zij bevriend met Ruth en Tommy wat al snel – zeker wanneer ze gaan puberen – leidt tot een klassieke driehoeksverhouding waar Ruth en Tommy een stelletje zijn, Ruth en Kathy beste vrienden en een niet uitgesproken diepe band bestaat tussen Tommy en Kathy. Door stukje bij beetje te vertellen over haar leven worden de implicaties van de natuur van hun leven steeds duidelijker, maar is het tegelijkertijd ook een klassiek verhaal over de vele facetten van liefde en vriendschap. 

Een sluimerend onbehagen
Wat Never let me go zo krachtig maakt , is dat de relatie tussen vrienden en geliefden juist plaats vindt in die sciencefictionachtige context die op de achtergrond immer sluimert en het onbehagen bij de lezer almaar doet toenemen. Zoals gezegd, kiest Ishiguro er bewust voor om zijn alternatieve universum slechts in hoofdlijnen te schetsen. Toch komen de grote morele vragen naar aanleiding van deze context vlijmscherp terug in het leven van Kathy. Never let me go zal daarom niet een boek voor iedereen zijn, want juist wat bovenstaande identificeert als de kracht van het boek, zal menigeen juist tegenstaan. Voor liefhebbers van het werk van Kazuo Ishiguro is het ongetwijfeld een aanrader en voor de rest geldt: laat je verrassen door dit niet alledaagse boek. 

Oordeel FerdiBlog: ****

‘Never let me go’ van Kazuo Ishiguro is in 2005 door Faber & Faber uitgegeven. Een Nederlandse vertaling ‘Laat me nooit alleen’ door Bartho Kriek voor Olympus in eerder dit jaar verschenen. Bestellen kan hier

Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta

donderdag 20 augustus 2015

Concert 19 augustus 2015: De koddige vakman en de elegante solist


Sibelius: Andante Festivo
Tsjaikovski: Vioolconcert
Rachmaninoff: Symfonische Dansen

Arabella Steinbacher (viool)
Neeme Järvi, Orchestre de la Suisse Romande
Het Concertgebouw, Amsterdam

De koddigheid waarmee Neeme Järvi dirigeert alleen al is reden genoeg om een concert onder zijn leiding te bezoeken. Maar een heerlijk programma van Sibelius, Tsjaikovski en Rachmaninoff met ook nog eens de elegante topvioliste Arabella Steinbacher zorgde voor een geweldig concert.

Al sinds jaar en dag warmt Robeco het Concertgebouw in de zomer op door de reeks zomerconcerten. Tegenwoordig hip and happening de Robeco SummerNights geheten. Voor schappelijke prijzen wordt het (wat toegankelijker) klassieke repertoire uitgevoerd door topensembles en orkesten uit binnen- en buitenland. Ditmaal was het de beurt aan het Zwitserse Orchestre de la Suisse Romande. Dit orkest is in 1918 door de eminente Ernest Ansermet opgericht en – tot 1967 – door hem geleid. Inmiddels kan het orkest bogen op een indrukwekkende lijst chef-dirigenten waaronder Wolfgang Sawallisch, Armin Jordan en Marek Janowski. Sinds 2012 zwaait Neeme Järvi (1937) de scepter die overigens met ingang van het seizoen 2016-2017 wordt opgevolgd door Jonathan Nott die volgend jaar afscheid neemt van die andere regionale topper: de Bamberger Symphoniker. Järvi is geen onbekende in de wereld van de muziek in het algemeen en in Nederland in het bijzonder. Hij kan inmiddels bogen op bijna vijfhonderd opnamen en de teller loopt nog steeds. Daarnaast was hij lange tijd chef-dirigent van het Haagse Residentie Orkest. Hoewel Järvi in beginsel nogal stoïcijns overkomt, is een live-uitvoering met hem onnavolgbaar door zijn onderkoelde humor en zijn – bij gebrek aan een beter woord – koddige maar hoogst effectieve dirigeerstijl. Dit gecombineerd met een uitstekend en warm spelend orkest en de elegante perfectie van violiste Arabella Steinbacher zorgde ervoor dat dit concert van het begin tot het einde een groot feest was.

Verbonden door onderdrukking
Voor het optreden in Amsterdam heeft Järvi gekozen voor een fijn programma van het feestelijke Andante Festivo van Sibelius, Tsjaikovski’s Romantische vioolconcert en de spetterende Symfonische Dansen van Rachmaninoff. Opvallende daarbij is dat het optimistische van deze drie werken in schril contrast staat met de Russische onderdrukking waar deze drie componisten in hun leven aan onderworpen zijn geweest. Ga maar na: Finland werd lange tijd onderdrukt door de Russen waarbij de muziek van Sibelius een belangrijke rol speelde bij het Finse nationale ontwaken. De weinig gelukkige Tsjaikovski wiens muziek vaak is veroordeeld als te westers zag zich (hoogstwaarschijnlijk) genoodzaakt zijn leven te benemen uit vrees voor de publieke reactie op zijn seksuele geaardheid. En dan Rachmaninoff die na het uitbreken van de Russische Revolutie zijn thuisland is ontvlucht. Ondanks of misschien wel dankzij deze context zijn deze drie componisten in staat geweest om prachtige en ook opwekkende muziek te schrijven. Muziek die dankbaar gebruik maakt van de kwaliteiten van de uitvoerenden.

Minimale inspanning, maximaal resultaat
Want zoals gezegd: het Orchestre de la Suisse Romande is zonder meer een uitstekend orkest en liet dat meer dan goed horen. Hoewel Järvi – zeker in de laatste periode – een mindere band had met het Residentie Orkest, is de synergie tussen de Est en zijn Zwitserse Garde zonneklaar. Het mooie aan Järvi is dat zijn dirigeerstijl echt het zien waard is. Järvi gaat volledig in de muziek op, maar markeert dat door minimale bewegingen en een maximale mimiek. Vooral het publiek op de podiumplaatsen kan daarvan genieten. In Den Haag ging de mimiek soms zover dat het leek alsof het orkest bij tijd en wijle door de wenkbrauwen van Järvi werd gedirigeerd. Enige nadeel voor het publiek op het podium was dat ze fors op achterstand stonden bij de weergaloze uitvoering van zowel orkest als solist van het Vioolconcert. Järvi koos voor stevige tempowisselingen en een over het algemeen fors tempo dat de spanning in het werk fors deed toenemen. De Duitse soliste Arabella Steinbacher draaide hier haar hand echter niet voor om en zette een magistrale solo neer die immer elegant en technisch zeer bedreven bleef, hoe moeilijk Järvi het soms haar ook maakte. Haar spel werd al na het eerste deel beloond met een applaus en een terechte staande ovatie viel haar ten deel. Het publiek mocht daarna rekenen op een zeer toepasselijk toegift: een improvisatie op het Presto  van De Zomer uit Vivaldi's Vier Jaargetijden. Maar ook Järvi alleen stond zijn mannetje met een heerlijke opzwepende en perfect gebalanceerde uitvoering van Rachmaninoff's zwanenzang. Järvi toonde zijn inzicht in de structuur van de muziek die hij vast en zeker heeft opgedaan in zijn talloze opnamesessies van vrijwel alle belangrijke, maar ook de minder bekende orkestwerken. Ook Järvi mocht ten slotte rekenen op een zeer enthousiaste staande ovatie. Aanleiding voor hem om lekker koddig de grappenmaker uit te hangen, maar ook een toegift te verzorgen die voor de verandering niet bestond uit een nog niet gespeelde uitsmijter, maar een herhaling van het Andante Festivo ter gelegenheid van het feit dat het dit jaar 150 jaar geleden is dat Sibelius is geboren. En hoewel de eerste uitvoering van dit werk voor strijkorkest en pauken al geweldig was, spatte de pathos en enthousiasme er bij de reprise af. Kortom: een heerlijke afsluiting van een fijn programma in een uitmuntende uitvoering. Zo is een klassieke zomernacht een echt feestje!

Oordeel FerdiBog: *****

In het kader van de jaarlijkse Robeco SummerNights trad het Orchestre de la Suisse Romande – onder leiding van haar chef-dirigent Neeme Järvi en met medewerking van violiste Arabella Steinbacher – deze zomer eenmalig op in het Concertgebouw met een programma van Sibelius, Tsjaikovksi en Rachmaninoff.

woensdag 12 augustus 2015

Een caleidoscoop van zeloten: 'De oorlog van het einde van de wereld' van Mario Vargas Llosa


Voor Mario Vargas Llosa vormen de gebeurtenissen aan het einde van de 19e eeuw in het Braziliaanse Canudos de inspiratie voor zijn epische roman De oorlog van het einde van de wereld. Met zijn caleidoscopische vertelling van een Brazilië in overgang van keizerrijk naar republiek en de strijd tegen een uitdijende sekte weet hij bijna 35 jaar nadat het boek voor het eerste verscheen nog steeds te fascineren. Wat de heilloze strijd van zeloten is (helaas) tijdloos. 

In 2010 bevestigde het toekennen aan Mario Vargas Llosa (1936) van de Nobelprijs van Literatuur formeel zijn status als één van de grootste schrijvers van Latijns-Amerika. Zijn boeken geven een inkijk in die regio waarbij politiek engagement nooit ver weg is. Het zal dan ook niet verbazen dat Vargas Llosa zich in 1990 opwierp voor het presidentschap van zijn vaderland Peru om uiteindelijk te verliezen van Alberto Fujimori. Politiek, strijd en de geschiedenis van Latijns-Amerika maken daarom vaker wel dan niet deel uit van zijn romans. Het prachtige Het Feest van de Bok over de dictatuur van de Dominicaanse Republiek is daar een goed voorbeeld van. Zijn De oorlog van het einde van de wereld is een ander voorbeeld en tegelijkertijd – alleen al vanwege de omvang van 700 pagina’s – zijn meest epische roman. Het epische karakter wordt overigens onderstreept door het onder de aandacht brengen van een voor velen onbekende geschiedenis van Brazilië: de sekte van Antônio Vicente Mendes Maciel. Bekend geworden onder zijn bijnaam Antônio de Raadgever hield hij eind 19e eeuw het stadje Canudos en haar (immer toestromende) inwoners in de Braziliaanse Noordoostelijke deelstaat Bahia in zijn greep. Het zou uiteindelijk vier militaire expedities kosten om de Raadgever en zijn volgelingen de dood in te jagen. Vargas Llosa gebruikt dit gegeven om de verschillende spelers in een caleidoscoop van afwisselende verhalen in één verhaal samen te vatten.

Van Keizerrijk naar Republiek
Mario Vargas Llosa
Door deze episode als inspiratie te gebruiken voor dit boek geeft Vargas Llosa tegelijkertijd aandacht aan een turbulente periode in de geschiedenis van Brazilië: de overgang van Keizerrijk naar Republiek. Na lang een kolonie van Portugal te zijn geweest werd Brazilië in 1822 een onafhankelijk Keizerrijk onder keizer Peter I onderdeel van de koninklijke familie van Portugal. Het Keizerrijk werd in 1889 ten val gebracht en een republiek was geboren. Juist in die beginjaren van de republiek vormde de commune van de Raadgever een gevaar voor de autoriteit van de republiek en kon een (militaire) afrekening niet uitblijven. In De oorlog van het einde van de wereld schetst Vargas Llosa deze context voortreffelijk en opent daarmee een wereld die voor weinigen bekend zal zijn. Om zijn verhaal te vertellen maakt Vargas Llosa gebruik van een techniek die later (in iets bescheidener vorm) terugkeert in Het Feest van de Bok: afwisselen tussen de gezichtspunten van diverse personages en daarmee verschillende kanten van het verhaal schetsen. Zo wisselt het boek onophoudelijk af tussen Canudos en haar (toekomstige) inwoners, de krachten van de republiek en de regionale machthebbers van de deelstaat Bahia. Hoewel deze stijl in het begin voor nogal wat verwarring kan zorgen – de namen en gebeurtenissen vliegen je om de oren – leidt het er uiteindelijk toe dat de lezer volledig grip krijgt op het hele verhaal en de facetten die daarvoor van belang zijn. Het geeft Vargas Llosa tegelijkertijd de mogelijkheid om de persoonlijke geschiedenis van de hoofdrolspelers uit te werken, maar bijvoorbeeld ook te schetsen hoe de belangrijkste inwoners van Canudo en daarmee raadgevers van de Raadgever zijn geëindigd waar ze zijn geëindigd. 

Een grootscheepse vertelling
Juist deze manier van schrijven zorgt dus voor een grootscheepse vertelling die fascineert. Niet alleen omdat een geschiedenis (alhoewel behoorlijk gefictionaliseerd) inzichtelijk wordt gemaakt, maar ook omdat Vargas Llosa duidelijk maakt dat zeloten een groot gevaar zijn. Niet alleen de overduidelijke zeloot Antônio de Raadgever en diens volgelingen, maar allen die in naam van geloof, republiek, eigendom of anderszins radicaliseren. In een beschouwing van De oorlog van het einde van de wereld ruim 10 jaar geleden wordt gesteld dat het boek aan zeggingskracht heeft gewonnen omdat een verhaal over fanatisme nu niet meer een ver-van-mijn-bed-show is maar door de toenmalige aanslagen op het World Trade Center angstvallig dichtbij gekomen zijn. In deze tijden van onder andere Islamitische Staat geldt dat misschien nog wel des te meer. Tegelijkertijd zijn zeloten van alle tijden, maar is de verschijningsvorm aan verandering onderhevig. Hoewel door de tijdloze en kwalitatief hoogstaande vertelling er altijd aanleiding is om het werk van Vargas Llosa te lezen, is het – gelijk de observatie meer dan een decennium geleden – er nu weer alle aanleiding om De oorlog van het einde van wereld te lezen.

Oordeel FerdiBlog: ****½

Lees hier een eerdere recensie op FerdiBlog van ‘Het Feest van de Bok’ van Mario Vargas Llosa. 

‘De oorlog van het einde van de wereld’ is in 1984 uitgegeven door Meulenhoff en is de Nederlandse vertaling door Mariolein Sabarte Belacortu van ‘La guerra del fin del mundo’ (1981) van Mario Vargas Llosa. Bestellen kan hier. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 11 augustus 2015

Een los geheel: 'Winesburg, Ohio' van Sherwood Anderson


Sherwood Anderson laat zich met Winesburg, Ohio slecht in een hokje plaatsen. Want deze kenschets van een Amerikaans stadje aan het begin van de 20e eeuw is teveel een geheel om een verhalenbundel te zijn, maar te los om als roman door het leven te gaan. Juist het fragmentarische karakter doet veel van zijn verhalen vervliegen, maar de sfeer blijft gek genoeg wel heel goed hangen. 

Zonder het te kunnen reproduceren trok een tijdje geleden Winesburg, Ohio mijn aandacht. Dit boek van Sherwood Anderson (1876-1941) is vlak na de Eerste Wereldoorlog uitgegeven en was voor mij volslagen onbekend. Toch heeft - na wat nalezen her en der - het werk van Anderson zonder meer indruk gemaakt. Hij vormde de inspiratie voor literaire grootheden zoals John Steinbeck en Ernest Hemingway. Zijn meest bekende c.q. duurzame bijdrage aan de literatuur is Winesburg, Ohio en zoals de ondertitel A Group of Tales of Ohio Small-Town Life al aangeeft is het een verhalenbundel en niet een roman. En daar begint eigenlijk het "probleem" van dit werk van Anderson. Winesburg, Ohio bestaat uit 21 relatief erg korte verhalen en één langer verhaal bestaande uit vier delen. Het is daarmee gefragmenteerd, maar er is zeker geen sprake van een "losse" verhalenbundel. Niet alleen hebben alle verhalen één of meerdere inwoners van het fictieve Winesburg (er bestaat overigens ook een daadwerkelijk Winesburg in Ohio), maar is ook de grote gemene deler dat ene George Willard een hoofd- of bijrol in vrijwel alle verhalen speelt. Daarmee zijn deze losse verhalen toch meer één geheel dan je op voorhand zou denken. 

Begin van volwassenheid, einde van het verhaal
Sherwood Anderson
Door de vele verhalen kom je steeds meer te weten over Winesburg. Niet zozeer de opbouw en inrichting van de stad, maar vooral de inwoners van het stadje. Want Anderson richt zich eigenlijk volledig op het wel en wee van de inwoners van dit typische Amerikaanse stadje van rond de (vorige) eeuwwisseling. Opvallende daarbij is dat alle verhalen iets tragisch hebben. Echt gelukkige mensen lijken niet in Winesburg te wonen. De verhalen spelen overigens door de jaren heen waardoor op de achtergrond George Willard langzamerhand volwassen wordt. Niet dat zijn levensverhaal nu in detail wordt beschreven. Wat schetsen van zijn jeugd en het feit dat hij aantreedt als jonge verslaggever bij de plaatselijke krant komt Anderson niet. Het boek eindigt dan ook op passende wijze door het vertrek van Willard te beschrijven. Een typisch vertrek van een jonge die zijn volwassenheid en de rest van zijn leven tegemoet gaat door te verhuizen naar de grote stad. En gezien de toch wat sneu inwoners kan iedere lezer zich goed voorstellen dat Willard die stap maakt. Het aardige daarbij is overigens ook dat Anderson - zich losjes baserend op zijn eigen jeugd in Ohio - een beeld schetst van een dergelijk Amerikaans stadje. Of misschien juist wel meer het gevoel weergeeft van leven in een dergelijke stad. 

Vluchtig, maar niet diep
Het aparte is dat door de grote hoeveelheid aan verhalen er uiteindelijk weinig details blijven hangen van Anderson's bekendste werk. Daarvoor zijn de meeste verhalen toch net iets te vluchtig en maken de personages - op zichzelf dan - niet genoeg indruk. Toch blijft het gevoel van het stadje Winesburg wel degelijk hangen en maakt zich van de lezer bijna een gevoel van weemoed meester wanneer George Willard zijn onzekere toekomst tegemoet gaat.

Oordeel FerdiBlog: ****

'Winesburg, Ohio. A Group of Tales of Ohio Small-Town Life' van Sherwood Anderson is in 1919 voor het eerst verschenen. Onder de titel 'Winesburg, Ohio' is een Nederlandse vertaling van Nele Ysebaert voor Uitgeverij G.A. van Oorschot uitgegeven. Bestellen kan hier. Deze recensie is op basis van de Engelstalige ebook-versie. 

vrijdag 7 augustus 2015

Wat een Allende: 'Zorro' van Isabel Allende


Met Zorro duikt bestsellerauteur Isabel Allende in de mythe rondom Zorro. En hoewel deze origin story voortvarend begint, moddert het boek uiteindelijk langzaam voort naar een ontknoping die dan eigenlijk al niet meer interesseert. De kinderlijke toon van de verteller helpt daar geenszins bij. Zorro verdient beter. 

Zorro is in veel opzichten de Robin Hood van de Nieuwe Wereld. Gelijk zijn Middeleeuwse Engelse counterpart strijdt deze gemaskerde held voor de goede zaak en komt hij op zijn weg veel onrecht tegen. Tegelijkertijd doet zijn gemaskerde voorkomen natuurlijk denken aan weer een andere superheld, maar dan van latere datum: Batman. In ieder geval bevindt Zorro zich in goed gezelschap en is deze held, ontsproten aan de fantasie van Johnston McCulley (1883-1958), onderwerp geweest van tal van boeken, films en series. Meest recent nog in de films The Mask of Zorro (1998) en The Legend of Zorro (2005) met Antonio Banderas als Zorro. En laten we vooral de onderschatte televisieserie Zorro uit de jaren negentig met Duncan Regehr niet vergeten. In 2005 heeft Isabel Allende (1942) haar bijdrage geleverd aan de mythe van Zorro met een gelijknamige roman die gericht is op de ontstaansgeschiedenis van onze gemaskerde held. Alle aanleiding dus voor een spannende roman die leest als een trein... 

Goed uit de startblokken, maar dan...
En Allende - vooral bekend van Het huis met de geesten en recent nog het goed ontvangen Ripper - komt goed uit de startblokken weg door de jeugd van Zorro te schetsen die wordt gekenmerkt door een ambitieuze vader in het Spaanse Californië en - in tegenstelling tot de mythe - een Indiaanse moeder. De eerste jaren van Diego de la Vega - die op latere leeftijd zal uitgroeien tot Zorro - lezen heerlijk en spannend weg. Helaas zakt het boek daarna snel weg. In het kader van zijn opvoeding wordt Zorro naar Spanje gestuurd en het grootste deel van het boek speelt zich daar af. Een periode waarin Diego volwassen wordt, verliefd raakt en langzamerhand zich ontwikkelt als Zorro en daarbij natuurlijk een aartsvijand opdoet. Dit meanderende deel doet al snel de interesse verliezen en het verhaal kan ook al niet echt boeien. Storend daarbij is dat er in het boek ook wat continuïteitsfouten zitten wat het boek er zeker niet op vooruit doet gaan. Wat ook niet helpt is de verteller die op kinderlijke wijze het verhaal van Zorro vertelt en de lezer lastig valt met allerhande stompzinnigheden waardoor je tijdens het lezen sterk afvraagt waarom Allende überhaupt gekozen heeft voor een dergelijke vertelwijze aangezien de verteller eigenlijk helemaal niets aan het verhaal toevoegt. Uiteindelijk keert Diego terug naar Californië waar het verhaal wordt afgerond, hij natuurlijk de strijd aangaat met zijn aartsvijand en de avonturen van de volwassen Zorro kunnen beginnen. Daarmee is de klus van Allende geklaard. Dat Allende hier nog 461 pagina's voor nodig heeft gehad, is tamelijk bizar, want zoveel heeft deze origin story die soms van ongeloofwaardigheden aan elkaar hangt niet om het lijf. Kortom: wat een prachtboek had kunnen zijn over een fascinerende held is nu een redelijke mislukking geworden waarbij gaandeweg het boek het lezen steeds meer tegen gaat staan. En het is zeker geen aanbeveling om ander werk van Allende te lezen. Wat een ellende.

Oordeel FerdiBlog: **

'Zorro' (2005) is de Nederlandse vertaling door Rikkie Degenaar voor uitgeverij Wereldbibliotheek van 'Zorro. Comienza la Legenda' van Isabel Allende. Bestellen kan hier

woensdag 5 augustus 2015

Subtiele spanning in de 'Deep South': 'To Kill a Mockingbird' van Harper Lee


Met het recente verschijnen van Go Set a Watchman is To Kill a Mockingbird weer volop in de aandacht. Niet dat dit echt nodig was aangezien dit eerste en – tot voor kort – enige boek van Harper Lee vrijwel meteen te boek is komen te staan als één van de belangrijkste en invloedrijkste klassiekers in de Engelstalige literatuur. Een goed moment om nog eens stil te staan bij het boek dat in Nederland als Spaar de Spotvogel is verschenen. Is het werkelijk zo’n goed boek of heeft de tand des tijds haar vernietigende werk gedaan? 

To Kill a Mockingbird is nog altijd een fenomeen in de Verenigde Staten, maar zeker ook daarbuiten. Want hoe anders is de buitensporige aandacht te verklaren die is uitgegaan naar Go Set a Watchman (in Nederland uitgegeven als Ga heen, zet een Wachter). Want niet alleen betekende To Kill a Mockingbird het sensationele en met een Pullitzer Prize onderscheiden debuut van Harper Lee (1926), maar het zou tevens 55 jaar het enige boek van haar hand blijven. Ook heeft Lee in al die jaren de spotlights vermeden en vrijwel nooit van zich laten horen of interviews gegeven. Totdat eerder dit jaar het bericht kwam dat een vergeten eerder boek van Lee was gevonden en werd uitgegeven. Zowel deze berichtgeving als het uiteindelijke boek Go Set a Watchman zelf zijn omgeven door controverse. Er zijn grote vraagtekens geplaatst of het daadwerkelijk de wil van de – inmiddels de vrijwel blinde en dove – Lee is om dit boek uit te brengen. Daarnaast zijn de recensenten verdeeld over dit boek omdat Go Set a Watchman ook te typeren is als een “kladversie” van To Kill a Mockingbird waaruit uiteindelijk de roemruchte klassieker is ontstaan. Ook het feit dat in dit nieuwe boek Atticus Finch blijk lijkt te geven van een minder verheven karakter is een grote bron van controverse. Juist daarom is het goed om terug te gaan naar de reden waarom Harper Lee wordt gerangschikt onder de grote schrijvers van de 20e eeuw en To Kill a Mockingbird te lezen. 

Segregatie als way of life
Harper Lee met president George W. Bush (2007)
Het grote gevaar bij klassiekers uit de literatuur is dat de mythe de realiteit overvleugelt, maar in het geval van To Kill a Mockingbird is daar geen sprake van. Het verhaal vanuit het perspectief van de jonge Jean Louise “Scout” Finch is een indrukwekkend tijdsbeeld. Want hoewel het verhaal zich afspeelt in het fictieve Maycomb in Alabama (Lee is zelf opgegroeid in Monroeville, Alabama), is het een tijdsbeeld van het gesegregeerde Zuiden van de Verenigde Staten in de jaren dertig. Het knappe aan To Kill a Mockingbird is dat je stukje bij beetje in het leven van Scout, haar broer Jem, hun vader Atticus en hun (zwarte) huishoudster Calpurnia wordt getrokken. Voor velen – deze lezer incluis – is de rechtszaak die Atticus voert ten faveure van zijn ten onrechte van verkrachting beschuldigde cliënt Tom Robinson het enige bekende van het boek is zonder deze gelezen te hebben. Dit niet in de laatste plaats door de gelijknamige en evenzo geroemde filmversie met Gregory Peck als Atticus Finch. En juist ook omdat die rechtszaak de sleutel is tot de betekenis van de roman. Want de cliënt van Atticus is niet zomaar een cliënt, hij is zwart. En in het gesegregeerde Zuiden van die tijd stond de schuld van een zwarte man (of vrouw) bij voorbaat vast. De slavernij was dan al lang afgeschaft, maar het zou nog dertig jaar duren (en door toedoen van Southerner Lyndon B. Johnson) dat met de Civil Rights Act van 1964 – althans formeel – een einde werd gemaakt aan de segregatie. Via het gezinsleven van de familie Finch en het effect dat de rechtszaak op hun leven heeft, brengt Harper Lee de subtiele en onderhuidse spanning van de Deep South krachtig tot leven. Juist hierdoor krijg je zin om (voor het eerst of opnieuw) te grijpen naar de nog altijd niet afgeronde biografiereeks van Robert Caro over Lyndon B. Johnson en dan met name de delen die gaan over zijn tijd in de Senaat en zijn eerste daden als president na de moord op Kennedy. Want juist in die delen wordt het leven en segregatie in de Deep South en de invloed op de nationale politiek fantastisch inzichtelijk gemaakt. 

Een terechte klassieker
Juist vanwege het historische karakter van To Kill a Mockingbird over een periode die nog altijd bepalend is voor de huidige Verenigde Staten is het een terechte klassieker. Maar Lee snijdt in het boek zoveel meer thema’s aan: moraliteit, de rol van klasse, verantwoordelijkheid en de onschuld en fantasie van jeugd. Dit alles wordt versterkt door een totaal gebrek aan effectbejag en overmatige dramatiek. Een boek als To Kill a Mockingbird biedt perspectief op bepalende episode uit de geschiedenis van de Verenigde Staten maar is tegelijkertijd een parabel over de menselijke waardigheid. Na het schrijven van zo’n klassieker is het voor te stellen dat Lee nooit echt meer een poging heeft gedaan om een volgend boek af te ronden. En wellicht dat Go Set a Watchman ondanks dat het misschien geen volwaardig boek is, maar slechts een studie die weg heeft geplaveid voor To Kill a Mockingbird is er daarom juiste alle reden om het boek juist te lezen.

Oordeel FerdiBlog: ****½

‘To Kill a Mockingbird’ van Harper Lee is in 1960 voor het eerst uitgegeven. In Nederland is het in een Nederlandse vertaling als ‘Spaar de Spotvogel(s)’ uitgegeven. Deze recensie is op basis van de oorspronkelijke Engelstalige versie. Bestellen kan hier. De Nederlandse vertaling uitgegeven door De Bezig Bij vind je hier

Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta