zondag 25 oktober 2015

Concert 25 oktober 2015: Harding's feestje van Bach en Brahms


Koninklijk Concertgebouworkest
Bach meets Brahms

Bach: Cantate 'Nach dir, Herr, verlanget mich', BWV 150
Bach: Motet ' Jesu meine Freude', BWV 227
Brahms: Symfonie Nr. 4

Judith van Wanroij, sopraan
Nederlands Kamerkoor

Daniel Harding, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Daniel Harding haalt het beste in het Koninklijk Concertgebouworkest naar boven in een heerlijk programma waar werken van Bach en Brahms elkaar ontmoeten. De vocale kwaliteit van het Nederlands Kamerkoor - zowel solistisch als in gezamenlijkheid - maakt het feest compleet.

Met een vierdelige reeks concerten Bach meets Brahms exploreren Iván Fischer en Daniel Harding de relatie tussen Johann Sebastian Bach (1685-1750) en Johannes Brahms (1833-1897). Niet vreemd aangezien Brahms een groot bewonderaar was van Bach en zich in zijn werk door hem liet beïnvloeden. Daarom worden de vier symfonieën van Brahms gekoppeld aan werken van Bach. Eerder deze maand trapte Fischer de serie af met de Tweede Symfonie van Brahms en een cantate en orkestsuite van Bach. Aan Harding de taak om de machtige Vierde Symfonie van Brahms samen te brengen met een cantate en motet van Bach. Harding is volgens het programmaboekje een graag geziene gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) en een eerder optreden van Harding tijdens de fameuze Mahler-serie waarbij over drie seizoenen alle symfonieën van Mahler door eminenten dirigenten werden gedirigeerd, liet hij in een uitstekende uitvoering van de Eerste Symfonie van Mahler al merken dat hij zonder problemen mee kan met 'de grote jongens'. Gelukkig bleek dit optreden dat beeld alleen maar te bevestigen waarbij kwaliteit van de uitvoering, maar juist ook de inherente kwaliteit van de gekozen werken en de samenhang er tussen een prachtig programma opleverden.

Van alle markten thuis
Hoewel de Matthäus-Passion al sinds jaar en dag op de lessenaars van het KCO is terug te vinden, komt het overige vocale werk er een stuk bekaaider vanaf. Wellicht heeft dit ook met de beperkte bezetting te maken die de cantates en motetten van Bach nodig hebben, maar toch is het jammer dat Bach minder snel op de lessenaar terug te vinden is dan Mahler, Bruckner of Beethoven. Met deze serie wordt dat gemis natuurlijk goed gemaakt en de cantate Nach dir, Herr, verlanget zich en het motet Jesu meine Freude geven een mooi beeld van de vroege en latere Bach. Over cantate nr. 150 is zelfs wat twijfel geweest of het aan Bach moet worden toegeschreven, maar er zijn genoegd bewijzen om er van uit te gaan dat dit het werk van Bach is. Wel overigens werk uit een tijd toen Bach niet kon beschikken over goede musici wat zich vertaalt in een beperkte bezetting en het schrijven voor een koor van beperkte mogelijkheden. De link naar de Vierde Symfonie van Brahms is overigens daarbij een zeer directe: de finale van Brahms' symfonie is gebaseerd op het basismotief van de cantate. Een cantate die wonderschoon werd uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor dat - naast sopraan Judith van Wanroij - zich zowel solistisch als als geheel uitstekend kwijtte van dit werk. Opvallend daarbij is dat Harding ook als koordirigent zeer bedreven is en dus van alle markten thuis is. In het motet kwam dit opvallend naar voren aangezien het - op de basso continuo na - een a capella werk is. Ook hier kwam de collectieve en individuele kwaliteiten van het Nederlands Kamerkoor sterk naar voren.

Een symfonie boordevol ideeën
Geïntimideerd door de muzikale grootsheid van de symfonieën van Beethoven zou Brahms pas op latere leeftijd het aandurven om zich te wagen aan de symfonie. Zijn Eerste Symfonie werd een ongekwalificeerd succes en Brahms zou uiteindelijk vier symfonieën componeren die overlopen van de (muzikale) ideeën. Zijn laatste en voor velen favoriete Vierde Symfonie is de culminatie van zijn symfonische stijl: alleen al het prachtige eerste deel kent zoveel thema's en ideeën dat het op zich al rechtvaardigt om uitgewerkt te worden tot een symfonie. De connectie met het werk van Bach voor de pauze versterkte de muzikale gelaagdheid van deze symfonie, maar vooral ook door de visie van Harding die het KCO noopte tot een prachtige en voorbeeldige uitvoering. Het KCO speelde met momenten van grote schoonheid waarbij Harding vooral ook oog had voor de spanningsopbouw van de verschillende delen. En hoewel Harding de opening van de symfonie een tikkeltje trager nam dan bijvoorbeeld de legendarische opname van deze symfonie door de Wiener Philharmoniker onder Carlos Kleiber en de recent evenzo geslaagde opname door Riccardo Chailly met het Gewandhausorchester wist Harding - live! - dezelfde kwaliteit te benaderen. Met dit concert heeft Harding wederom zijn kwaliteiten getoond en een prachtige bijdrage geleverd aan het nu al geslaagde KCO-project Bach meets Brahms.

Oordeel FerdiBlog: ****½


Iván Fischer en Daniel Harding brengen in het kader van 'Bach meets Brahms' de werken van Bach en Brahms samen door vier concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest. Een cantate en motet van Bach in combinatie met de Vierde Symfonie van Brahms is het tweede concert in de reeks en is uitgevoerd op 23 en 25 oktober 2015. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 25 oktober.

vrijdag 23 oktober 2015

Concert 22 oktober 2015: Aards én Rotterdams genot met Yannick


Beethoven: Symfonie Nr. 6
Mahler: Das Lied von der Erde

Sarah Connoly, sopraan
Robert Dean Smith, tenor

Yannick Nézet-Séguin
Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Met “aardse” werken van Beethoven en Mahler beweegt de immer vrolijke Yannick Nézet-Séguin het Rotterdams Philharmonisch Orkest wederom tot muzikale prestaties van lyrische schoonheid. Yannick bevestigt hiermee de recente en terechte toekenning van de titel Musician of the year 2016 van het Amerikaanse blad Musical America. 

In tegenstelling tot zijn (bijna-)generatiegenoot Gustavo Dudamel bouwt het muzikale succes van de Canadese Yannick Nézet-Séguin zich langzaam, maar zeer gestaag op. De inmiddels veertigjarige Yannick wiens voornaam bekender – en vooral makkelijker uit te spreken – is dan zijn achternaam heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij het beste haalt uit de door hem geleide orkesten. Of dat nu “zijn” orkesten zijn zoals het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het eminente Philadelphia Orchestra of gastdirecties bij onder andere de Metropolitan Opera van New York maakt daarbij niet uit. Niet voor niets gaat zijn naam al rond als mogelijke opvolger van James Levine bij de Met en is het – gelijk zijn voorganger Gergjev – altijd de vraag hoe lang “Rotterdam” deze in lengte kleine maar in muzikaliteit grootse maestro aan zich kan blijven binden. Met de toekenning door Musical America van de Musician of the year 2016 is bevestigd wat velen al weten die Yannick in actie hebben gezien (en vooral gehoord): hij is in staat om orkesten te verleiden tot buitengewone muzikale prestaties. Het woord ‘verleiden’ is daarbij geen slip of the tongue, want wie het plezier ziet waarmee Yannick voor het orkest staat en zo orkest én publiek mee neemt op zijn muzikale reis kan dat niet anders dan verleiden noemen. Overigens heeft ook Yannick weleens mindere dagen en moet hij oppassen dat hij niet teveel hooi op zijn vork neemt wat juist afbreuk doet aan de kwaliteit en spontaniteit van zijn dirigeerstijl. Om het te vertalen naar het politieke landschap van zijn vaderland: hij moet meer een vrolijke en springerige Justin Trudeau zijn dan een te serieuze Stephen Harper. Of dat qua politieke voorkeur ook geldt, is wellicht een heel ander verhaal…

Volle bak met Yannick
Met een vol programma waarin werken van publiekslievelingen Beethoven en Mahler samengebracht zijn, zal het niet verbazen dat de grote zaal van De Doelen bijna volledig gevuld was. Toch waren nog een kleine 100 stoelen vacant, waarop iemand terecht opmerkte dat toeristen de concertzaal vooralsnog minder goed weten te vinden. Daarentegen was het wel weer opvallend dat Yannick schijnbaar ook jongere concertgangers aan zich weet te binden al was het gekuch en het geknisper van Anta Flu-papiertjes niet van de lucht. Met de Zesde Symfonie bracht het orkest - enthousiast aangespoord door Yannick - Beethoven’s ode aan de natuur in volle glorie. Want hoewel de Pastorale net als de Vijfde Symfonie in 1808 is geschreven, is de Pastorale een doorkijk naar de toondichten van een latere muzikale generatie. Beethoven schildert een prachtig landschappelijk en “aards” muzikaal beeld waardoor je de kalme beekjes voelt stromen en het onweer bijna “ziet” naderen. Zeker in de handen van Yannick en het uitstekend spelende Rotterdams Philharmonisch heeft deze symfonie een bijna betoverende werking op het publiek. 

Missend volume
Diezelfde muzikale kwaliteit maar ook “aardsheid” kwam ook terug in de uitvoering van Das Lied von der Erde van Gustav Mahler. In deze symfonische cyclus van zes liederen gebaseerd op Chinese gedichten zijn leven, dood en afscheid onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor vrolijkheid wordt afgewisseld met berusting en smart. Mahler trachtte de vloek van de negende symfonie waarbij componisten zoals Beethoven en Bruckner stierven tijdens het schrijven of na het afronden van de negende symfonie te ontlopen door Das Lied een plek te geven in zijn symfonische cyclus. Uiteindelijk zou Mahler zijn Tiende Symfonie niet voltooien en gelijk Beethoven en Bruckner op zijn sterfbed slechts negen symfonieën nalaten. Maar niet zonder volmaakt tevreden te kunnen zijn over zijn muzikale prestaties. Want Das Lied is zonder meer prachtig, zeker in de handen van Yannick en met name sopraan Sarah Connolly wiens breekbare maar desalniettemin stevige stemgeluid de show stal. Helaas gold dit in mindere mate voor tenor Robert Dean Smith. Net als bij een eerdere uitvoering van dit werk maar dan met het Koninklijk Concertgebouworkest onder Fabio Luisi in 2011 mist deze tenor volume. Daarbij wel de aantekening dat de plaatsing schuin achter hem dan niet hielp, maar het effect daarvan op Connolly was minder groot. Wellicht heeft het ook te maken met het feit dat de orkestratie in de liederen voor de tenor nogal groots is en de balans daardoor al snel zoek is. Dit rechtvaardigt misschien ook wel de conclusie dat studio-opnames van Das Lied – zeker op dit punt – live-uitvoeringen in de schaduw stellen. Dit is overigens klein leed tijdens een concert waarin Yannick wederom zijn kwaliteiten en die van het Rotterdams Philharmonisch toonde en het “aardse” werk van Beethoven en Mahler een hemels randje gaf. 

Oordeel FerdiBlog: ****½

Op 22 en 23 oktober brengt het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Yannick Nézet-Séguin werken van Beethoven en Mahler. Deze recensie is op basis van het concert van 22 oktober.

dinsdag 20 oktober 2015

De onderschatte grootsheid van vliegen: 'De Gebroeders Wright' van David McCullough


In zijn magistrale vertelling toont David McCullough de onderschatte grootsheid van Wilbur en Orville Wright. Want met hun baanbrekende werk is de mens – letterlijk – los van de aarde gekomen. Wie na het lezen van De Gebroeders Wright niet een beperkt moment zich verwondert over de vanzelfsprekendheid waarmee we van hot naar her vliegen mist – in de woorden van F. Scott Fitzgerald – de capacity for wonder

Vliegen, zeker in uitgestrekte landen zoals de Verenigde Staten, is niet meer weg te denken en vooral een vanzelfsprekend onderdeel van ons leven. Toch was het ruim een eeuw geleden volstrekt niet voorstelbaar dat de mens – op de luchtballon en zeppelin na – het luchtruim net zoals de aarde zelf zou domineren. Zeker in het licht van het feit dat de auto pas net was geïntroduceerd. De volgende mijlpaal om het luchtruim te veroveren, leek nog ver weg en volstrekt ongeloofwaardig. Dit ondanks allerhande pogingen die met name in Frankrijk werden gedaan om deze grens te slechten. Uiteindelijk zouden twee doodgewone broers uit het even doodgewone Amerikaanse Dayton (Ohio) de mensheid één van de grootste giften uit de geschiedenis geven: de mogelijkheid tot vliegen. Hoewel de gebroeders Wright voor de meesten wel bekend zijn als de grondleggers van de luchtvaart zal de kennis hierover – deze lezer incluis – niet veel meer zijn dan dat zij de eerste succesvolle (gemotoriseerde) vlucht uitvoerden. In dit gapende gat treedt de bekende chroniqueur van de Amerikaanse geschiedenis David McCullough in zijn prachtige nieuwe boek De Gebroeders Wright. De onverschrokken pionier van de luchtvaart

Zonder poespas, maar wat een motivatie
Op 17 december 1903 was het moment daar: de eerste gemotoriseerde vlucht met de door Wilbur en Orville Wright ontworpen en gebouwde Flyer bij Kitty Hawk in North Carolina. Het bizarre is dat het nog jaren zou duren voordat publieke erkenning de broers ten deel zou vallen. Sterker nog: door het gebrek aan aanwezigheid van pers of andere (belangwekkende) getuigen is de grootsheid van de prestatie van de Wright-broers jarenlang onderschat en soms zelfs bespot. Pas toen Wilbur naar Frankrijk trok om te onderhandelen over de (commerciële) inzet van hun uitvinding en hij demonstraties nabij Le Mans gaf – iets wat Orville later bij Fort Myer in Arlington nabij Washington, D.C. dunnetjes overdeed – rees hun ster snel en werd het monumentale karakter van hun vinding duidelijk. Des te meer bijzonder wanneer in ogenschouw wordt genomen dat Wilbur (1867-1912) en Orville (1871-1948) typische voorbeelden zijn van autodidacten die door hun intrinsieke interesse in vliegen hun motivatie vonden om – zelf bekostigd vanuit hun fietsenhandel – de mensheid de gift van het vliegen te geven. McCullough - bekend van zijn biografieën van onder andere John Adams en Harry Truman maar ook het revolutionaire jaar 1776 – richt zich in amper 300 pagina’s volledig op de broers en hun alles overstijgende wens om te vliegen. Hun vroege jaren, maar ook hun latere jaren komen er in deze biografie buitengewoon bekaaid af. Daarnaast is het overduidelijk dat McCullough een grote sympathie heeft voor zijn hoofdpersonen en een kritische noot daarom niet echt terug te vinden is. De vraag is ook of dit nodig is aangezien juist de meerwaarde van het boek zit in het vertellen van dit bijzondere verhaal dat juist in de 21e eeuw eigenlijk volstrekt niet bekend is.

Een andere tijd
Het aparte maar misschien ook wel treffende aan het boek van McCullough is dat hij het verhaal als “één geheel” vertelt en niet bijzonder stilstaat bij momenten zoals die eerste gemotoriseerde vlucht. Daarmee maakt McCullough inzichtelijk dat een dergelijke prestatie niet iets is wat van de één op de andere dag gerealiseerd wordt, maar een langdurig proces is waarbij de technische aanloop evenzo belangrijk is als de brede erkenning ervan. Een proces dat gespeend is van overduidelijk geluk of ongeluk. Op een crash na die Orville zwaargewond maar niet levensbedreigend achterlaat en de dood van een passagier tijdens diezelfde vlucht is er weinig dramatiek terug te vinden in de queeste om het luchtruim te beheersen. Lezers die een uitgebreide biografie verwachten dan wel hopen een (psychologische) inkijk te krijgen in de gedachtewereld van beide broers komen bedrogen uit. McCullough bespreekt genoeg van hun vrijgezelle leven en wondere constructie van wonen in één huis met hun (bisschoppelijke) vader en bijzondere band met hun zus Katharine om context te geven, maar houdt het daar wijselijk bij. Het hele doel van het boek, waar McCullough buitengewoon in slaagt, is het onderkennen van de grootsheid van de prestatie van deze broers en de enorme impact die het heeft gehad op het de wereldgeschiedenis en ons dagelijkse leven. Een impact waaraan onze beperkte kennis geen recht doet. Een boek daarom dat – in de woorden van F. Scott Fitzgerald – de capacity for wonder doet ontwaken.

Oordeel FerdiBlog: ****½

‘De Gebroeders Wright. De onverschrokken pioniers van de luchtvaart’ is de vertaling door Erik de Vries voor uitgeverij Unieboek|Het Spectrum van David McCullough’s ‘The Wright Brothers. The Dramatic Story-Behind-the-Story’ en is sinds enkele weken verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 17 oktober 2015

Minder dan de som der delen: 'Wereldschaduw' van Nir Baram


In Wereldschaduw van Nir Baram vloeien drie verhaallijnen langzaam in elkaar over om gezamenlijk een aanklacht tegen de schaduwachtige machinaties van het grootkapitaal te vormen. Hoewel Baram met twee van de verhaallijnen de interesse wekt, komt het geheel niet genoeg bij elkaar om een volledig succesvol te zijn. De (over)ambitie van Baram stelt het succes in de schaduw. 

De macht van het grootkapitaal, de opstand van de wereldburger en de levenswandel van een bijzonder individu zijn stuk voor stuk thema’s waar een roman aan gewijd kan worden. Voor de Israëlische schrijver Nir Baram (1976) vormen deze drie thema’s gezamenlijk de aanleiding voor zijn recent in het Nederlands vertaalde roman Wereldschaduw. In Wereldschaduw schetst Baram een ontluisterend beeld van de huidige maatschappij waar de macht van het geld de idealen van de underdog hard met elkaar in botsing komen. Gelijk iedere goede romanschrijver begint Baram echter klein met het leven van de Israëliër Gavriël Mantsoer wiens wonderlijke vader een wel heel bijzondere manier erop nahoudt om zijn geld te verdienen: biograaf van de stervende. Deze Albèrt struint de stervenden af die aan hem hun levensverhaal toevertrouwen. Hij is hier dermate succesvol dat één van zijn klanten die het sterfbed overleeft hem en zijn zoon uit dank enkele weken laat overkomen naar New York. Deze Jonathan Buckman is een schatrijke zakenman waardoor vader en zoon Matsoer in aanraking komen met de wereld van het grootkapitaal. Gavriël raakt bevriend met Michael Buckman die als erfgenaam van zijn vader het werk zaal doorzetten en Gavriël vraagt om in Israël het Joods Fonds voor de Democratie te verstieren. Hiermee wordt Gavriël onderdeel van een wereld van rijkdom en macht waar hij als een soort Alice in Wonderland vertoeft. Al snel zal hij die vreemde wereld zich eigen maken waardoor zijn invloed binnen en buiten Israël toeneemt. 

Het cynisme van consultancy
Hoewel deze levenswandel al genoeg is voor een roman, biedt Baram de lezer nog eens twee verhaallijnen. Eén van die verhaallijnen wordt slechts verteld aan de hand van mailberichten over en weer van de oprichters en (ex-)medewerkers van het Amerikaanse consultancybureau MSV alsmede enkele nieuwsberichten. Hier geeft Baram een zeer cynische blik op deze wereld weer waar dit fictieve bureau proclameert zich alleen in te zetten voor mensen en instellingen ter ondersteuning van de democratie maar in werkelijkheid een schaduwachtige praktijk op na wordt gehouden waar de almighty Dollar dominant is. Alsof deze (overigens zeer vermakelijk geschreven) verhaallijn niet genoeg is, trakteert Baram de lezer ook nog eens op een derde verhaallijn dat lange tijd compleet los staat van de andere verhaallijnen. In deze minst intrigerende verhaallijn worden een stel antiglobalisten ten tonele gevoerd die oproepen tot een wereldwijde staking op 11/11 waar ze 1,1 miljard deelnemers voor willen motiveren. Gaandeweg het boek komen deze drie verhaallijnen steeds meer bij elkaar waarbij die laatste verhaallijn gevoelsmatig het minst overtuigt en ook het minst past bij de andere verhaallijnen. Zelfs zo dat de samenvoeging van deze drie verhaallijnen minder is dan de som der delen.

Een tandje minder
Bij het lezen van deze ambitieuze poging van Baram om tot een meeslepende en wereldomvattende roman te komen, kan de indruk niet altijd ontnomen worden dat het allemaal wel een tandje minder had gekund. Er zit genoeg in de diverse verhaallijnen om tot een succesvolle roman te komen en met name de delen over Mantsoer en MSV fascineren behoorlijk. Desalniettemin komen de drie verhaallijnen niet afdoende bij elkaar om een complexe gezamenlijke wereld te creëren die de fascinatie om verder te lezen versterkt. Daarvoor is de kern van ieder verhaal niet complex genoeg. Zeker tegen het einde van het boek kan de lezer het gevoel bekruipen dat het wel mooi geweest is. En op dat moment lijkt de ambitie het van de realiteit gewonnen en blijft de lezer achter met een aantal interessante en fascinerende uitgangspunten die gezamenlijk niet afdoende zijn om een roman van wereldklasse af te leveren. Maar hou Nir Baram zeker in de gaten, want de belofte is er zeker. Nu de (geslaagde) uitvoering nog.

Oordeel FerdiBlog: ***

‘Wereldschaduw’ van Nir Baram – in de vertaling door Sylvie Hoyinck – is in september door De Bezige Bij uitgeven. De oorspronkelijke versie is in 2013 in Israël voor het eerst uitgegeven. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 5 oktober 2015

Concert 1 oktober 2015: Een troostend KCO met dissonant


Brahms: Tragische Ouverture
Brahms/Glanert: Vier Präludien und Ernste Gesänge
Fauré: Requiem

Russell Braun, bariton
Christina Landshamer, sopraan
Groot Omroepkoor

Stéphane Denève, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Het Koninklijk Concertgebouworkest vervolgt haar requiemtraditie met het troostende Requiem van Fauré. Een minder geslaagde combinatie met Brahms en een bariton die soms letterlijk “loszingt” zorgen voor een jammerlijke dissonant. 

Nu de zomer definitief voorbij is en het drukke najaar zich aandient, is een moment van contemplatie zonder meer welkom. Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) lijkt dit perfect aan te voelen en neemt sinds 2010 elk jaar een requiem in het programma op. Na geslaagde uitvoeringen van onder andere de requiems van Mozart en Brahms onder (inmiddels voormalig) chef-dirigent Mariss Jansons is het nu de beurt aan het Requiem van Gabriel Fauré (1845-1924). Zijn requiem is by far het bekendste werk van deze tijdgenoot van Debussy en Ravel en is geen vreemde keuze gezien zijn kerkelijke verleden en zijn verbondenheid aan de Madeleinekerk in Parijs als koordirigent en organist. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat dit – terecht – als troostrijk betitelde requiem een grote rol toekent aan zowel het koor als het orgel. Met het Groot Omroepkoor en het Maarschalkerweerd-orgel in combinatie met het KCO is succes dan vrijwel een gegeven. En hoewel het KCO onder de Franse dirigent Stéphane Denève garant stond voor een prachtige uitvoering ging deze uitvoering op zich en het programma in het algemeen toch gebukt onder enige dissonantie. 

De tragiek van Brahms
Een dissonantie die eigenlijk startte met de koppeling van het Requiem van Fauré met werken van Johannes Brahms (1833-1897). Hoewel de titel anders doet vermoeden is de Tragische Ouverture van Brahms vooral lekker stevig en niet dermate tragisch dat de troost van Fauré nodig is. Het is een goede opener die in de handen van het KCO en Denève vakkundig werd uitgevoerd. De dissonantie deed zich echter voor in een tweede werk van Brahms dat aan het programma was toegevoegd: zijn Vier Ernste Gesänge die Brahms schreef als memento mori voor de door hem geliefde Clara Schumann. Deze liederen worden normaliter gezongen begeleid door alleen een piano, maar op de lessenaars in het Concertgebouw stond de versie voor orkest in de orkestratie van de hedendaagse Duitse componist Detlev Glanert (1960). Voor het gemak heeft Glanert aan zijn orkestratie ook nog vier preludes toegevoegd zodat de cyclus van vier liederen één geheel vormt. Aan de Canadese bariton Russell Braun (1965) de schone taak om de hartenkreet van Brahms gestalte te geven. Helaas bleek dit allemaal wat minder geslaagd. Niet alleen omdat Braun lang niet altijd (hoorbaar) boven het orkest uitkwam, maar ook omdat zijn stem niet heel erg leek te passen en daarom een dissonant vormde. Een dissonantie die wellicht ook gelegen ligt in de aanpassingen van Glanert. Hoewel de preludes zeker niet onverdienstelijk waren, zorgde de combinatie met de orkestratie er wel voor dat van het oorspronkelijke werk van Brahms weinig overbleef. In het geheel hoorde je soms eerder Mahler dan Brahms. En hoewel dat op zich geen straf is, kan dat natuurlijk niet echt de bedoeling zijn van wat vast bedacht is als hommage aan Brahms.

De tragiek van Russell Braun
Deze dissonantie zette zich voort in de uitvoering van het requiem. Het troostrijke karakter van Fauré’s meesterwerk kwam zonder meer tot uiting in de passende combinatie van orkest en het altijd uitstekende Groot Omroepkoor met als bonus het fameuze orgel van het Concertgebouw. Het overbekende en prachtige Pie Jesu kon rekenen op een voorbeeldige en breekbare bijdrage van sopraan Christina Landshamer (1977). Wederom was hier Braun de spelbreker. Zijn bariton-stem leek soms boven het orkest te zweven en niet vanwege het engelachtige karakter, maar als losstaand element. Of Braun zijn dag niet had of zijn stemgeluid gewoon niet geschikt is voor dit programma is lastig te zeggen, maar het is wel de verkeerde soort tragiek voor een dergelijk concert. En dat is jammer want het leidt af van een voor de rest fijne uitvoering. 

Oordeel FerdiBog: ***½

Op 1 en 4 oktober heeft het Koninklijk Concertgebouworkest, ditmaal onder Stéphane Denève, de jaarlijkse requiemtraditie voortgezet met een programma rondom het Requiem van Fauré. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 1 oktober.