zaterdag 30 april 2016

Concert 29 april 2016: The Tallis Scholars in Den Haag


Giovanni da Palestrina: Laudate pueri
Josquin Desprez: Missa Ave maris stella
Nico Muhly: Lamentations
Dominique Phinot: Lamentaties
Carlo Gesualdo: O vos omnes, Astiterunt reges, Aestimatus sum
Giovanni da Palestrina: Tu es Petrus
Antonio Lotti: Cruxifixus (toegift)

Peter Philips, The Tallis Scholars
De Nieuwe Kerk, Den Haag

In de passende omgeving van De Nieuwe Kerk van Den Haag laten The Tallis Scholars de meesters van de geestelijke muziek uit de Renaissance - zoals verwacht - schitteren. 

Een toegift kon niet uitblijven. Niet in de laatste plaats omdat op de (informatieve) website van The Tallis Scholars al was aangegeven dat de toegift zou bestaan uit het Cruxificus van Antonio Lotti (1565/1567-1740). Zijn de dames en heren van The Tallis Scholars dermate overtuigd van hun kunnen dat dit op voorhand al bepaald kan worden? Wie The Tallis Scholars hoort, zal al snel concluderen dat zij de polyfonie uitstekend beheersen, maar dat de ware reden van een voorgeprogrammeerd toegift toch vooral is dat ze met plezier zingen en dit het liefst zo veel mogelijk doen. En hoewel hun repertoire zich richt op de geestelijke muziek van de Renaissance waken zij ervoor om een standaardprogramma af te draaien. Enerzijds door de muziek van die tijd af te wisselen met (passende) polyfonie uit onze tijd en anderzijds door het programma - waar nodig van concert tot concert - te wisselen. Niet voor niets prijkte gisteren tussen de lang geleden overleden componisten van de Renaissance ook een werk van de springlevende Nico Muhly (1981) wiens Lamentations in opdracht van The Tallis Scholars is geschreven. Morgen treedt de a capella-groep op in het Concertgebouw met een programma dat weer heel anders is opgebouwd en gericht op het Miserere van Allegri. Ook in dat programma is de twintigste eeuw niet ver weg door muziek van Arvo Pärt. 

Josquin, meer is niet nodig
Ter aankondiging van de toegift nam dirigent en oprichter Peter Philips het woord en gaf aan dat één keer eerder The Tallis Scholars de Haagse Nieuwe Kerk hadden aangedaan: in 1981... Gezien de evoluerende samenstelling van het gezelschap, zal Philips waarschijnlijk als één van de weinigen dit hebben meegemaakt. Sterker nog: een deel van de huidige bezetting was toen nog niets eens geboren. Dat optreden markeerde waarschijnlijk ook één van de eerste keren dat The Tallis Scholars een concert in het buitenland gaven. Inmiddels staan The Tallis Scholars bekend als een van de meest vooraanstaande uitvoerders van a capella polyfonie in hun focusgebied. Per jaar geven zij ruim zestig concerten in binnen- en buitenland. Naast werken van Giovanni da Palestrina (1525-1594), Dominique Phinot (1510-1556), Carlo Gesualdo (1566-1613) en het eerder genoemde opdrachtwerk van Nico Muhly stond het Missa Ave maris stella van Josquin Desprez (1455-1521) centraal. Gelijk de vorige week overleden Prince en natuurlijk ook Madonna, had Desprez een sterrenstatus die meer dan het noemen van zijn voornaam overbodig maakte. Een eer die in zijn tijd weggelegd was voor grootheden zoals Michelangelo, Titiaan en Rafael. De Maria-hymne Missa Ave maris stella is een vijfdelig werk waarin Josquin een prachtige polyfonie ten gehore brengt. In de handen van The Tallis Scholars komt dat meesterlijk naar voren.

Contemplatief
Diezelfde polyfonie was ook te horen in de andere muzikale meesters van de Renaissance. Een polyfonie die door de Rooms-Katholieke Kerk niet altijd gewaardeerd werd aangezien het Concilie van Trente (1545-1563) verordonneerd dat muziek sober diende te zijn en ten dienste stond aan de verstaanbaarheid van de tekst. Toch bijzonder aangezien voor velen die kunnen bogen op een Katholieke heritage noch Katholiek zijn, de muziek - en natuurlijk de kunst en kerken - een mooie en bovenal positieve connectie vormt met dit geloof. Bij tijd en wijle regels op creatieve ontlopen, leidt ook in de muziek wel eens tot een mooi resultaat. Opvallend daarbij was dat juist bij dit concert in een dergelijk samenspel van (geestelijke) muziek een vooral contemplatief karakter naar voren bracht. Anderhalf jaar gelden hoorde ik The Tallis Scholars voor het eerst, maar toen in de Aula van de La Sapienza Universiteit te Rome. Ditmaal dus in de zeer passende omgeving van de (weliswaar protestantse) Nieuwe Kerk en daarmee een fijn weerzien met deze bijzondere groep zangers. 

Oordeel FerdiBlog: ****

The Tallis Scholars - opgericht in 1973 door dirigent Peter Philips - geven jaarlijks een zestigtal concerten met repertoire met name gericht op de geestelijke muziek uit de Renaissance. Naast dit concert in De Nieuwe Kerk van Den Haag treden ze - met een ander programma ditmaal gericht op het 'Miserere' van Allegri - op zondag 1 mei op in het Concertgebouw. Meer informatie over The Tallis Scholars en het bestellen van kaarten hier

zondag 24 april 2016

Concert 24 april 2016: Viktoria Mullova's vingervlugheid


Het Zondagochtend Concert

Sibelius: Vioolconcert
Nielsen: Symfonie Nr. 5

Viktoria Mullova (viool)
Dmitri Slobodeniouk, Radio Filharmonisch Orkest
Het Concertgebouw

De winst bij het Sibelius Concours in 1980 vormde de doorbraak van Viktoria Mullova. Ruim drie decennia later weet haar vingervlugheid en soepele spel in het Vioolconcert van Jean Sibelius nog steeds te imponeren. De uitstekende begeleiding door het Radio Filharmonisch Orkest onder Dmitri Slobodeniouk én een spetterende uitvoering van de Vijfde Symfonie van Carl Nielsen maken een fijne editie van het Het Zondagochtend Concert compleet.

De Vioolconcerten van Jean Sibelius (1865-1957) en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) vormen - samen met die van Mendelssohn, Beethoven, Bruch en Brahms - de absolute top van de 'klassieke' vioolconcerten. Dat de Russische Viktoria Mullova (1959) in 1980 het Sibelius Concours en de Internationale Tsjaikovski Wedstrijd van 1984 op haar naam wist te zetten, zegt veel over het grote talent waar zij over beschikt. Een talent dat haar in staat stelde om in 1983 het Communistische regime te ontvluchten door tijdens een Westerse tournee in Finland politiek asiel aan te vragen. Niet veel later nam ze - begeleid door het Boston Symphony Orchestra onder Seiji Ozawa - de vioolconcerten van Sibelius en Tsjaikovksi op voor Philips. Een opname die nog steeds geldt als één van de beste benchmark-opnames van beide (!) vioolconcerten. Meer dan drie decennia later timmert ze nog even stevig aan de weg en heeft ze haar discografie uitgebreid van het kernrepertoire met de vioolconcerten natuurlijk ook van Beethoven en Mendelsohn naar het meer barokke en kamermuziekrepertoire aangevuld met uitstapjes naar de popmuziek, jazz en wereldmuziek. Haar spel kenmerkt zich door een grote technisch vermogen dat zich onder andere uit door een uitmuntende vingervlugheid dat haar in staat stelt om complexe vioolconcerten zoals dat van Sibelius nog steeds vloeiend en melodieus te spelen. 

Vingervlug én fijn begeleid
Ruim drie decennia na haar vlammende debuut valt op dat het met die vingervlugheid nog steeds uitstekend gesteld staat. Hoewel dirigent Dmitri Slobodeniouk - vast en zeker met volledige instemming van de solist - er een een (heerlijk) straf tempo op nahield, wist Mullova dit moeiteloos bij te houden en stelt haar technisch kunnen haar in staat om de (lastige) solopartij op vloeiende en melodieuze wijze ten gehore te brengen. Mullova is van het beweeglijke noch "gezellige" soort, want haar lichaam staat ferm op het toneel terwijl haar vingers en armen het werk doen. Dit alles met een redelijk stuurse blik die geen desinteresse of irritatie inhoudt, maar opperste concentratie. Een concentratie die pas ophield bij het wegsterven van de laatste noot waarna een grote glimlach en blik van voldoening tevoorschijn kwam. En dat was niet zonder reden, want Mullova tekende voor een puntgave uitvoering van één van de mooiste (en moeilijkste) vioolconcerten in de geschiedenis van de muziek. Zij werd daarbij overigens op haar wenken bediend door een uitstekend spelend Radio Filharmonisch Orkest (RFO) dat zicht met graagte liet leiden door de duidelijke aanwijzigingen van de Russische gastdirigent Dmitri Slobodeniouk. Niet zo vreemd overigens aangezien Slobodeniouk zeer bekend is met Finland en diens beroemdste muzikale zoon Sibelius. Niet alleen studeerde hij orkestdirectie bij Finse muzikale grootheden als Leif Segerstam en Esa-Pekka Salonen, maar is hij een graag geziene gast bij de diverse Finse orkesten en is hij sinds afgelopen zomer chef-dirigent van het Symfonieorkest van Lahti. Ten slotte maakt Slobodeniouk zich op om het artistiek leiderschap van het Sibelius Festival op zich te nemen. Een man die weet waar hij in Sibelius mee bezig is. Opvallend daarbij was dat een dergelijke live-uitvoering zo veel details prijsgeeft die je anders snel mist. Met als hoogtepunt het mooie spel van de contrabassen gesymboliseerd door een moment van perfecte harmonie tussen orkest en solist toen een enkele contrabas een noot vast hield bij de start van een solostuk en exact gelijk met Mullova het deel afsloot. Dan weet je dat er iets moois gaande is op het podium. 

De wreedheid van de Eerste Wereldoorlog
Na een dergelijke uitvoering wordt het resterende programma al snel een also ran, maar dan is buiten Slobodeniouk en het RFO gerekend. Want voor het tweede deel van het Zondagochtend Concert stond de belangrijkste muzikale zoon van Denemarken in de schijnwerpers. Met de Vijfde Symfonie heeft Sibelius'  Scandinavische generatiegenoot Carl Nielsen (1865-1931) een symfonie geschreven die niet tot het standaard symfonisch repertoire wordt gerekend, maar - zeker in de spetterende uitvoering door het RFO - zonder meer aanspreekt. Deze symfonie is allesbehalve alledaags, niet in de laatste plaats omdat Nielsen's voorlaatste symfonie uit tal van muzikale ideeën bestaat, maar slechts twee delen beslaat. Het (informatieve) programmaboekje van het Zondagochtend Concert legt de link naar het Eerste Wereldoorlog door de hoofdrol die - in het eerste deel - wordt opgeëist door de (militaire) kleine trom die de telkens het hoofdthema wreed verstoord en daarmee wordt gezien als verbeelding van de Eerste Wereldoorlog. Een dream come true voor de slagwerker in kwestie die - net als zijn overige collega's van het RFO - met verve de symfonie van Nielsen tot leven bracht. Een mooi slot voor een fijn concert. 

Oordeel FerdiBlog: ****½

Het Vioolconcert van Sibelius tijdens het 'Vrijdagconcert' in TivoliVredenburg:


De Vijfde Symfonie van Nielsen tijdens het 'Vrijdagconcert' in TivoliVredenburg:



AVROTROS en het Concertgebouw programmeren - in samenwerking met het Radio Filharmonisch Orkest - in het kader van 'Het Zondagochtend Concert' vrijwel wekelijks een concert. Op 24 april waren Viktoria Mullova en Dmitri Slobodeniouk te gast met een programma van Sibelius en Nielsen. Terugluisteren van de concerten uit deze reeks kan hier. Op vrijdag 22 april vond hetzelfde concert als 'Vrijdagconcert' plaats in TivoliVredenburg.

zaterdag 16 april 2016

Rijk van Zink. 'Moresnet. Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje' van Philip Dröge


Met Moresnet. Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje haalt Philip Dröge een bizar staatkundig fenomeen uit de vergetelheid: Neutraal Morsenet dat meer dan een eeuw heeft bestaan, maar compleet is weggevaagd uit het collectief bewustzijn. Tegelijkertijd vertelt hij het verhaal van dit vreemde “landje” met grote flair en heeft daarmee één van de meest opvallende non-fictie boeken van de afgelopen tijd geschreven. 

Het aantal Nederlanders dat niet weet dat bij Vaals het Drielandenpunt ligt, zal op de vingers van een hand geteld kunnen worden. Maar dat het Drielandenpunt lange tijd een Vierlandenpunt is geweest, was voor mij – en vast velen met mij – volstrekt onbekend. En hoe bizar het klinkt, van 1816 tot 1920 kwamen niet alleen de landsgrenzen van Nederland, Duitsland en België bij Vaals bij elkaar, maar ruim een eeuw lang ook de grenzen van een staatkundige anomalie als dwerg tussen drie reuzen: Neutraal Moresnet. De geschiedenis van dit vreemde minilandje was al onderwerp van David van Reybrouck’s Boekenweekessay Zink. Maar hij wordt daarin overklast door Philip Dröge van wiens hand in februari Moresnet. Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje verscheen. Neutraal Moresnet – maar iets groter dan Monaco – vormt de afspiegeling van de Europese geschiedenis van de 19eeeuw tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Philip Dröge slaagt erin om Neutraal Moresnet te bevrijden van de ashoop van de geschiedenis en hierover één van de meest intrigerende non-fictieboeken sinds jaren te schrijven. 

Foutje, bedankt!
Philip Dröge begint zijn boek met ‘Niets in dit boek is verzonnen’. Een nogal vreemde aftrap voor een boek in de categorie non-fictie. Maar wie de ruim 240 met flair geschreven pagina’s over de geschiedenis van Neutraal Moresnet heeft gelezen, zal zich menigmaal achter de oren hebben gekrabd over hoe het kan dat zoiets ooit tot stand is gekomen en al helemaal vol ongeloof moet constateren dat Neutraal Moresnet het meer dan een eeuw heeft volgehouden. Het fijne aan dit boek is dat Philip Dröge blijkbaar met veel plezier deze vreemde geschiedenis heeft uitgeplozen, want dat plezier spat van de pagina’s af en doet de historie van Moresnet lezen als een roman. Een historie die – gelijk een groot aantal Europese landen – start met het Congres van Wenen (1814-1815). Na de desastreuse verlopen Russische veldtocht van Napoleon is de tot dan toe onoverwinnelijke Grande Armee gedecimeerd en komt het Franse Keizerrijk ten einde. Met Napoleon veilig opgeborgen in zijn ballingsoord Elba komende de grootmachten van Europa in Wenen bij elkaar om de wereldorde te bepalen en nieuwe grenzen voor Europa te trekken. Halverwege het congres weet Napoleon Elba te ontsnappen en eenmaal met vaste voet op Franse bodem het Keizerrijk uit het slop te halen om uiteindelijk – op het nippertje en ditmaal defintief – verslagen te worden bij Waterloo. De uitkomsten van het congres kunnen dus doorgang vinden. En bij de uitwerking van Wenen wordt al snel duidelijk dat de onophoudelijke stroom van bals en drank niet tot de meest secure besluitvorming heeft geleid. Want wanneer op 11 februari 1816 Duitse en Nederlandse functionarissen de precieze grenzen tussen beide landen pogen vast te leggen op grond van het Congres van Wenen blijkt dat twee artikelen van het verdrag – nummers 25 en 66 – elkaar tegenspreken. Doordat op het breedste punt het verschil tussen de Duitse Westgrens en de Nederlandse Oostgrens maar liefst 2 kilometer is, ontstaat een stukje niemandsland waarvan uiteindelijk besloten wordt dat dit zal worden bestuurd door beide landen als Neutraal Moresnet, maar daardoor de facto in de loop der tijd een zo goed als onafhankelijk landje ontstaat. Een ministaatje dat meer dan een eeuw zal bestaan evenzo lang de gemoederen tussen Nederland, Duitsland en later België bezig houdt. Wijlen Rijk de Gooyer in de legendarische REAAL-reclame uit de jaren negentig had het wel geweten: foutje, bedankt!

Rijk van Zink
In die ruim honderd jaar dat Neutraal Moresnet heeft bestaan, zijn er overigens onophoudelijk pogingen gedaan om tot een vergelijk te komen. Eerste tussen Nederland en Duitsland en nadat België zich afscheidde van Nederland en daarmee een nieuw buurland aan de westgrens van Neutraal Moresnet ontstond tussen België en Duitsland. Met de diverse (kleine) grenscorrecties in de geschiedenis is het natuurlijk de vraag waarom het bij Moresnet maar niet wilde lukken. De hoofreden hiervoor ligt in het feit dat precies dit gebied rijk aan zink is en de betreffende landen elkaar het licht niet in de ogen gunden. Zo kan een klein gebied rijk aan zink een semionafhankelijk Rijk van Zink worden. Juist dit perspectief vanuit het zink wordt – zoals eigenlijk het gehele boek – op heerlijke wijze door Philip Dröge ingeleid met de anekdote dat het verwarmde en mobiele zinken bad dat Napoleon overal mee naar toe nam een cadeau was van de uitvinder Jean-Jacques Daniel Dony. Met dit cadeau sleepte hij de concessie voor het winnen van zink in het toekomstige Neutraal Moresnet binnen. Een concessie die zeer waardevol zou blijken omdat Dony het winnen van zink efficiënter en dus winstgevender wist te maken door een speciale oven. En zo is Napoleon niet alleen (indirect) verantwoordelijk voor de grenzen van Neutraal Moresnet, maar ook de reden waarom het zo lang heeft kunnen bestaan. Met verve vertel Philip Dröge de geschiedenis van dit bizarre landje dat niet alleen een Rijk van Zink was, maar door de statkundige vorm een vluchthaven werd voor allerhande (illegale) praktijken en een soort Europese variant op de boomtowns van het Wilde Westen. 

Net zoals de Eerste Wereldoorlog een einde maakte aan het oude Europa van Koningen en Keizers, was het uiteindelijk ook gedaan met Neutraal Moresnet. Wat rest is een heerlijk boek waarmee Philip Dröge in één klap frontrunner is voor allerhande boekenprijzen voor non-fictie. 

Oordeel FerdiBlog: *****

In februari is ‘Moresnet. Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje’ van Philip Dröge verschenen en wordt door Unieboek|Het Spectrum uitgegeven.

woensdag 13 april 2016

Concert 12 april 2016: Muzikaal schilderen én schitteren met Gustavo Dudamel


Rachmaninov: Het Dodeneiland
Reger: Vier Tondichtungen nach Arnold Böcklin
Moessorgski/Ravel: Schilderen van een tentoonstelling 
Tsjaikovksi: Valse uit Het Zwanenmeer (toegift)

Gustavo Dudamel, Wiener Philharmoniker
Het Concertgebouw, Amsterdam

Met werken van componisten geïnspireerd door werken van Arnold Böcklin en Viktor Hartmann schilder Gustavo Dudamel een geweldig muzikaal tableau. Met veel dank aan het immer indrukwekkende Wiener Philharmoniker dat zich met plezier liet leiden in fijne uitvoeringen van Rachmaninov, Reger en Moessorgski. Met uiteraard een (Russische) wals als toetje. 

De Wiener Philharmoniker zetelt - net als de Berliner Philharmoniker en ons eigen Koninklijk Concertgebouworkest - al geruime tijd op de muzikale berg Olympus en combineert een volstrekt eigen geluid met een immer hoog kwaliteitsniveau. Zonder - in markant contrast met de andere bewoners van Olympus en eigenlijk elk ander orkest van naam en faam - een vaste dirigent. Want sinds 1933 ontbeert de Wiener Philharmoniker deze en maakt het orkest gebruik van een schare aan gastdirigenten. Dus toen de Wiener Philharmoniker met gastdirigent Hans Knappertsbusch in 1940 in het kader van de Weense week voor het eerst optrad in het Concertgebouw in (bezet) Amsterdam was dit gebruik al zeven jaar oud.  Sindsdien is het orkest met enige regelmaat te gast in het Concertgebouw, hoewel de laatste keer alweer in januari 2014 was met Riccardo Chailly op de bok en Sibelius en Bruckner op de lessenaar. Ditmaal was het echter de beurt aan Gustavo Dudamel die nog geen maand geleden zijn eigen orkest - het Los Angeles Philharmonic Orchestra - aanvoerde in de Derde Symfonie van Mahler. Dezelfde Dudamel die zich stilletjes aan heeft ontwikkeld van dirigerende wonderboy naar een dirigent van statuur die de grote belofte lijkt in te lossen waarmee hij de muziekwereld in zijn beginjaren bestormde.

De muzikale vertaling van kunst
Want wanneer je door het eerbiedwaardige Wiener Philharmoniker wordt gevraagd, ben je zonder meer gearriveerd. Voor zijn (eenmalige) optreden in het Concertgebouw heeft Dudamel gekozen voor een programma dat kunst en muziek samen brengt. Want Rachmaninov, Reger en Moessorgski hebben zich allen laten inspireren door schilderijen voor hun (programmatische) muziek. Sterker nog: de Zwitserse schilder, graficus en beeldhouwer Arnold Böcklin (1827-1901) inspireerde met zijn mysterieuze en mythologische Toteninsel zowel Rachmaninov als, weliswaar vier jaar later, Reger tot schitterende toondichten. Met name Het Dodeneiland van Sergei Rachmaninov (1873-1943) is een fantastisch stuk dat de sfeer van Böcklin's meesterwerk volstrekt weet te vatten in een zorgvuldig opgebouwd toondicht waar het spookachtige centrale thema één is met dat mysterieuze eiland  omringd door dichttrekkende mist. Het eiland dat het eindstation is voor de gestorvene die door veerman Charon in diens boot daar naartoe wordt gebracht. Juist door die opbouw is het bij uitstek een werk dat nooit helemaal gevangen kan worden door een opname, maar pas live volledig tot recht komt. Dudamel - getuige de fenomenale en sfeervolle vertolking door de Wiener Philharmoniker - weet dat als geen ander en liet het stuk sprankelen en tekende daarmee meteen voor het feitelijke hoogtepunt van de avond.

Nog meer Böcklin
Laat overigens daarmee niet het beeld bestaan dat de rest van het programma louter vulling betrof, want ook in de Vier Tondichtungen nach Arnold Böcklin van Max Reger (1873-1916) wist Dudamel te imponeren. Nu is dat ook niet zo gek want de Wiener Philharmoniker is een machtige muzikale machine die moeiteloos de muziek dient en zo haar positie op de muzikale Olympus waar maakt.  En hoewel twee variaties op Toteninsel de voorhoede lijken van een melancholisch programma is dat verre van juist. Want Reger liet zich breder inspireren door Böcklin en vormde een viertal schilderijen van zijn hand om tot een muzikaal vierluik waar eigenlijk alleen Toteninsel tot melancholie stemde. Hoewel de versie van Rachmaninov superieur is, hield de interpretatie van Reger zich staande en vormde zich in de hoofden van het publiek vast en zeker ook het Dodeneiland dat Reger voor ogen had. Ditmaal in combinatie met een muzikale vertaling van de Der geigende Hermit, een kluizenaar die zich verloren heeft in zijn vioolspel. Een rol die met verve door concertmeester Albena Danailova werd gebracht. Im Spiel der Wellen en met name in het feestelijke slotstuk Bacchanal komt de niet-melancholische kant van Reger in alle glorie naar voren, zeker in de handen van Dudamel en de Wiener Philharmoniker die met overtuiging de vrolijkheid van de muziek onderstreepten.

Van piano naar orkestraal succesnummer
Ravel's bewerking voor orkest van Schilderijen van een tentoonstelling is al lange tijd een succesnummer. Ravel baseerde zich op het oorspronkelijke pianowerk van Modest Moessorgski (1839-1811) geïnspireerd door de (postume) tentoonstelling van de schilderijen van de Russische schilder Viktor Hartmann (1834-1873). Het overbekende Promenade-thema is de verbinding tussen diverse muzikale miniaturen die allen een schilderij van Hartmann als basis hebben. Dit alles eindigend in een glorieuze doorvertaling van het Promenade-thema in het finale spektakelstuk De grote poort van Kiev. En in de handen van Dudamel en zijn Weense orkest werd het ook echt een spektakel. Met een programma zoals deze in combinatie met het grote enthousiasme van het publiek kon een toegift niet uitblijven. En met een Weens orkest kan dit niet anders dan een wals zijn. Maar geen Weense wals, maar een wals van de Russische Romanticus Tsjaikovski. De Valse uit Het Zwanenmeer mocht rekenen op een magistrale uitvoering en daarmee de perfecte afsluiting voor een buitengewoon fijn concert. 

Oordeel FerdiBlog: *****

Gustavo Dudamel was twee keer in één maand te gast bij het Concertgebouw. Op 17 maart met de Los Angeles Philharmonic Orchestra waar hij chef-dirigent van is met een uitvoering van de Derde Symfonie van Mahler. En op 12 april als gastdirigent van het Wiener Philharmoniker met een programma van Rachmaninov, Reger en Moessorgski. Deze recensie is op basis van het concert op 12 april. 

zaterdag 9 april 2016

Klem tussen Japan en de Nazi's: 'The Man in the High Castle' van Philip K. Dick


Voordat Robert Harris, Philip Roth en Guy Saville het romangenre van de alternatieve historie ontdekt hadden, was daar al Philip K. Dick. Met The Man in the High Castle won hij de Hugo Award in 1963. In 2015 baseerde Amazon een eigen geproduceerde TV-serie (losjes) op het verhaal van een alternatieve wereld waar Japan en Duitsland de Tweede Wereldoorlog wonnen. Dit jaar volgt het tweede seizoen, dus alle reden om terug naar de bron te gaan en te bezien wat de aantrekkingskracht is van een werk van meer dan een halve eeuw oud. 

Het werk van auteur Philip K. Dick (1928-1982) is een onuitputtelijke bron voor filmmakers. Van Ridley Scott’s Blade Runner (gebaseerd op Do Androids Dream of Electric Sheep) en Total Recall van Paul Verhoeven (We Can Remember It For You Wholesale) tot Steven Spielberg’s Minority Report en het minder succesvolle A Scanner Darkly, de impact van Dick op het genre van de science fiction is groot, maar zijn doorbraak kwam door zijn alternatieve historie The Man in the High Castle dat in 1962 verscheen en in 1963 werd bekroond door de prestigieuze science fiction-prijs de Hugo Award. Alle reden voor Amazon om – op de slippen van het eigen content-succes van Netflix met o.a. House of Cards – het boek losjes als uitgangspunt te nemen voor de gelijknamige serie die dit jaar een tweede seizoen krijgt, maar in Nederland (legaal) niet beschikbaar is. Een serie die voor de nodige #ophef zorgde door een reclamecampagne met een New York vol met Nazi-symbolen waaronder een campagne in de metro die niet op ieders sympathie kon rekenen. 

Wat als de Nazi’s gewonnen hadden?
Een alternatieve toekomst waarin de Nazi’s de Tweede Wereldoorlog gewonnen hebben is – gelijk het werk van Dick voor filmmakers – een even zo onuitputtelijke bron voor schrijvers. Van Fatherland van Robert Harris tot Philip Roth’s Het Complot tegen Amerika en – meer recent – The Afrika Reich en The Madagaskar Plan van Guy Saville, stuk voor stuk romans over een toekomst waar niet de Verenigde Staten, maar Nazi-Duitsland de wereldorde bepaalt. Opvallend daarbij is dat elke schrijver die zich waagt op het vlak van de alternatieve historie meestal terugvalt op een andere uitkomst van de Tweede Wereldoorlog en niet een andere historische periode. Evenzo opvallend is dat de plaats van handeling wisselt: Harris situeert zijn verhaal in Duitsland, terwijl Roth in de V.S. blijft en Saville tot twee keer toe een uitstap maakt naar Afrika. Roth heeft zich wellicht laten inspireren door Dick aangezien The Man in the High Castle zich afspeelt in de Verenigde Staten. Maar dan een Verenigde Staten opgedeeld in drieën: de Pacific States of America onder de invloedssfeer van Japan, het Westen als onderdeel van het Derde Rijk en een neutrale bufferstaat rondom de Rocky Mountains. Tegelijkertijd laat Dick zich kennen als een echte science fictionschrijver want hoewel het verhaal zich in de jaren zestig afspeelt, is de techniek van een verre toekomst: snelle raketverbindingen tussen Berlijn en San Francisco en Nazi’s die hun blik inmiddels op de ruimte hebben gericht en voorbereidingen treffen voor de kolonisatie van Mars. Dat zorgt ook voor een cruciaal verschil met de literaire opvolgers van Dick, want hoewel de alternatieve historie van Dick gelijk Harris, Roth en Saville geloofwaardig is, is de stand van de techniek dat niet. En het blijft een blik op de techniek van de toekomst door de bril van de jaren zestig en zal daarom hedendaagse lezers als wat koddig aandoen. 

De voorspellende waarde van I Ching
Maar laat duidelijk zijn dat The Man in the High Castle ook nu nog leest als een trein en ondanks de beperkte omvang van bijna 250 pagina’s een wereld creëert die het veelvoudige daarvan suggereert. Het aardige daarbij is niet alleen de samensmelting van science fiction en alternatieve historie, maar ook hoe Dick het dagelijks leven in (met name) San Francisco neerzet en hoe inwoners – Amerikaans, Japans of Duits – dit ondergaan. Opvallend daarbij is dat de Japanse karakters én de Amerikaanse karakters die zich onderdanig opstellen ten opzicht van de Japanners bedienen van een Japans-Engels zonder gebruik te maken van lidwoorden. Dit is een wat bevreemdende ervaring als lezer, maar onderstreept het doel van Dick om het inleven mogelijk te maken. Daarnaast is The Man in the High Castle tegelijkertijd een boek over andere boeken. Eén daarvan is de (daadwerkelijk bestaande) I Ching, een oude Chinese tekst dat tevens bekend staat als ‘Boek der Veranderingen’ en de lezer via hexagrammen helpt de toekomst te voorspellen c.q. besluiten voor te leggen. Een aantal van de hoofdrolspelers in het boek benut de I Ching om hun toekomstige pad te doorzien. Een boek dat tevens een link heeft met de geheimzinnig auteur Hawthorne Abendsen die de gelijknamige man in het hoge kasteel is en de auteur is van The Grasshopper Lies Heavy. Dit is meteen het tweede boek dat centraal staat in The Man in the High Castle, want het is een boek dat in het Derde Rijk verboden is aangezien het –oh ironie – een alternatieve geschiedenis schetst waarin Franklin D. Roosevelt niet in 1933 omgekomen is bij een moordaanslag, maar – in tegenstelling tot de daadwerkelijke realiteit – na twee termijnen het stokje overdroeg aan President Tugwell die op Roosevelt-achtige wijze de V.S. voorbereidde voor de oorlog en daarmee Japan en Duitsland weet te verslaan. Om overigens te eindigen in een Koude Oorlog van twee varianten op het kapitalisme: de Amerikaanse en de quasi-koloniale Britse variant. Dick weet deze boeken te laten samen gaan met een beperkt aantal karakters dat gevolgd wordt en geeft daarmee een inkijk in een bizar alternatief universum dat vooral een snapshot is. Want een echt afgerond einde heeft The Man in the High Castle niet, maar Dick heeft nooit meer de behoefte gehad om een echt vervolg te schrijven aangezien hij zich niet meer wilde verdiepen in de Nazi’s met het oog op zijn eigen geestelijke gesteldheid. 

Desalniettemin alle reden om The Man in the High Castle te lezen als geslaagd onderdeel van het science fiction-subgenre van de alternatieve historie. En ook genoeg reden om te hopen dat de Amazon-bewerking van The Man in the High Castle in Nederland beschikbaar komt. Want als het maar een beetje in lijn is met het werk van Dick is het vast en zeker een feestje. 

Oordeel FerdiBlog: ****


In 1962 verscheen ‘The Man in the High Castle’ van Phlip K. Dick. In Nederland is deze science fiction-roman verschenen als ‘Laarzen in de nacht’ en later als ‘De man in het hoge kasteel’. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta. 

zondag 3 april 2016

Concert 3 april 2016: Daniele Gatti's generale repetitie


Wagner: Ouverture Tannhäuser
Liszt: Orpheus
Berlioz: Symphonie Fantastique

Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Aan de vooravond van de start van zijn chef-dirigentschap leidt Daniele Gatti het Koninklijk Concertgebouworkest in werken van Wagner, Liszt en Berlioz. Trefzeker brengt Gatti de Romantiek in de muziek naar boven, maar het toondicht van Liszt had achterwege gelaten kunnen worden.

Het zijn spannende tijden voor het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Want na het afscheid van Mariss Jansons vorig seizoen maakt het eerbiedwaardige orkest zich op voor de komst van de nieuwe maestro Daniele Gatti die met ingang van het 2016/2017-seizoen het orkest gaat leiden. En dat is maar goed ook aangezien het huidige seizoen in alle opzichten een tussenseizoen is. Tot op heden wil het KCO niet schitteren zoals je mag verwachten. De uitvoeringen zijn in de regel prima, maar opzienbarende vertolkingen en een vernieuwend programma is ver te zoeken. Het programma voor het komende seizoen biedt trouwens nog weinig soelaas met voornamelijke veilige keuzes zoals Bruckner, Mahler en Beethoven. De keuze voor Gatti is niet onverdeeld enthousiast ontvangen, maar tegelijkertijd moet ook geconstateerd worden dat wellicht ook een teken des tijds is aangezien het Jaap van Zweden met zijn benoeming bij het New York Philharmonic niet veel anders is afgegaan en dat sowieso kritischer wordt gekeken naar benoemingen waar dan ook. Eerst zien dan geloven, is daarbij het (niet altijd onbegrijpelijke) devies. Het KCO is er dus veel aan gelegen om de periode-Gatti zo goed mogelijk te beginnen. In dat licht moet daarom misschien ook de documentaire Daniele Gatti. Ouverture voor een dirigent gezien die vorige week in premiere is gegaan en in diverse bioscopen door het hele land te zien is. Maar het begint en eindigt uiteindelijk met de kwaliteit van de muziek en aan de vooravond van deze nieuwe periode voor dirigent en orkest is het publiek des te nieuwsgieriger naar de verrichtingen van Gatti in de laatste reeks concerten voordat 'zijn' tijdperk daadwerkelijk van start gaat.

Mottenballen 
Het publiek begroet Gatti in ieder geval al voordat een noot is gespeeld met warmte en overgave en wordt (gelukkig) niet teleurgesteld door de kwaliteit die KCO en dirigent laten horen in werken van Wagner, Liszt en Berlioz. Gatti heeft gekozen voor een programma waarin de Romantiek hoogtij viert  en het verhalende karakter de werken bindt. Met de ouverture uit Wagner's opera Tannhäuser levert Gatti een trefzekere, maar 'eigen' uitvoering af die de Romantiek onderstreept en de spanning langzaam doet opbouwen door te kiezen voor wat langzamere tempi en bij de climaxen juist wat meer te versnellen. Gatti inspireert het KCO om een puike uitvoering af te leveren die terecht op veel enthousiasme van het publiek mocht rekenen. Ook Liszt's toondicht Orpheus krijgt dezelfde trefzekere en Romantische behandeling, maar zoals Volkskrant-recensent Frits van der Waa in zijn recensie van dit concert (maar dan op grond van de uitvoering op 31 maart) al schreef, blijft het de vraag waarom Gatti dit stuk uit de mottenballen heeft gehaald, waar het blijkbaar al een tijd lag. Bedoeld als aanvullende ouverture voor Gluck's Orfeo ed Euridice is het vooral een wat kabbelend stuk dat weliswaar het verhaal van Orpheus muzikaal verteld, maar wel erg veraf staat van de energieke en opwindende opera die Gluck ervan maakte. Een mooi toondicht van bijvoorbeeld Richard Strauss (Don Juan?) was wellicht beter geweest. 

Woest verlangen als muzikaal idioom 
Maar in een concert waar Berlioz' Symphonie Fantastique geprogrammeerd staat, weet iedere liefhebber meteen dat dit symfonische werk van de hand van de slechts 27-jarige Hector Berlioz (1803-1869) immer het hoogtepunt is. Deze vijfdelige symfonie is autobiografisch van aard en beschrijft een muzikale koortsdroom over Berlioz's onbeantwoorde liefde voor de Ierse actrice Harriet Smithson. De muziek leidt de luisteraar van zijn verlangen, via een bal en een verblijf op het platteland tot een nachtmerrieachtige mars naar het schavot en de ondergang richting de hel. Gatti kiest - net als bij de Tannhäuser-ouverture - zijn eigen weg en neemt de eerste drie delen veel "rustiger" dan menig collega en benadrukt ook hier weer het romantische karakter van de muziek. Tegelijkertijd laat hij het orkest in de laatste twee delen flink uitpakken en onderstreept daarmee het vooruitstrevende karakter van het werk van Berlioz. Want wie deze symfonie zet naast werk van Beethoven zal verbaasd zijn deze symfonie zes jaar na de Negende van Beethoven en slechts 3 jaar na diens dood is gecomponeerd. Dit terwijl het muzikale idioom als vertaling van woest verlangen een nieuw tijdperk inluidt. Hoewel de interpretatie van Gatti lang niet iedereen zal bekoren, gaf het een originele draai aan een overbekend werk en deed in een aantal opzichten denken aan het laatste concert voor zijn dood van Claudio Abbado met de Berliner Philharmoniker waarin Berlioz (naast A Midsummer Night's Dream van Mendelssohn) op de lessenaar stond en eenzelfde aanpak liet horen. Een aanpak die tot nadenken stemt en misschien niet meteen overtuigt, maar zeker een toevoeging is op de uitvoeringspraktijk van deze immer fascinerende symfonie. Al met al kunnen Gatti en het KCO terugkijken op een behoorlijk geslaagde generale repetitie aan de vooravond van een nieuw tijdperk. Maar de criticasters zullen zeker nog niet tot zwijgen zijn gebracht. Werk aan de winkel dus, maar de basis is er zeker. Alleen al vanwege het plezier waarmee orkest en dirigent met elkaar musiceren. 

Oordeel FerdiBlog: ****

Trailer van de documentaire 'Daniele Gatti. Ouverture voor een dirigent':


Op 31 maart en op 1 en 3 april 2016 heeft aankomend chef-dirigent Daniele Gatti het Koninklijk Concertgebouworkest geleid in een programma van Wagner, Liszt en Berlioz. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 3 april.

vrijdag 1 april 2016

Ballet 1 april 2016: Een dansende Meester van de Zwarte Molen


Czech National Ballet
Krabat

Zbynek Mateju (muziek), Jan Kodet (choreografie)
Jakub Kopecky (decor), Alexandra Gruskova (kostuums)
Daniel Tesar (licht)

Czech National Ballet
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Het Czech National Ballet maakt indruk met de balletvoorstelling Krabat gebaseerd op het bekende én duistere jeugdboek Meester van de Zwarte Molen van Otfried Preussler. Helaas is het boek in de Haagse regio minder bekend en was een matig gevuld Zuiderstrandtheater geen weerspiegeling van de succesvolle vertaling van boek naar dans. 

Iedereen heeft ze: van die boeken die je in je jeugd hebt gelezen en je altijd bijblijven. Voor mij zijn dat De Zevensprong van Tonke Dragt en Sjakie en de Chocoladefabriek van Roald Dahl terwijl voor anderen dit juist weer Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman is of Koning van Katoren van Jan Terlouw. In Duitsland en delen van Nederland is Krabat zo'n jeugdherinnering. Het verhaal van de hand van de Duitse kinderboekenschrijver Otfried Preussler (1923-2013) is een bewerking van een sage over de molenaarsjongen Krabat. Krabat raakt - net als een groot aantal van zijn leeftijdgenoten - onder de betovering van de Meester van de Zwarte Molen, tevens de titel van de Nederlandse versie van Krabat. De molenaarsjongen weet zich uiteindelijk van de sekte van de Meester te bevrijden en de liefde van zijn leven te volgen. Het best wel naargeestige verhaal heeft daarmee uiteindelijk een happy end, maar veel valt er niet te lachen. Dit heeft de populariteit van het boek niet geschaad, sterker nog: het vormt blijkbaar de aanleiding voor het Czech National Ballet om het verhaal om te zetten in de een avondvullende balletvoorstelling. En gezien de innemende uitwerking en goede uitvoering is het Tsjechische dansgezelschap in die opzet meer dan geslaagd.

De Tsjechische Philip Glass
Een dergelijke vertaling van boek naar dans is erg afhankelijk van de muziek die de dansvoorstelling voortstuwt. Aan de Tsjechische componist Zbynek Mateju (1958) de schone taak om muziek te schrijven die enerzijds geschikt is voor een expressieve dans en anderzijds publiek meteen kan boeien en daarmee de voorstelling maakt. Mateju slaagt in die opzet wonderwel door muziek die meteen een snaar raakt en het beste te vergelijken is met het werk van Philip Glass. Ogenschijnlijke repeterende simpele motieven worden steeds op een andere manier uitgewerkt en staan juist in deze voorstelling ten dienste van het verhaal en de dansende invulling daarvan. Sowieso kan het Czech National Ballet allesbehalve amateurisme worden verweten. Niet alleen de muzikale vertaling van Krabat is dik in orde, hetzelfde geldt voor decor, kostuums en licht. Hierdoor ontstaat de juiste sfeer om de magische wereld van de Meester van de Zwarte Molen te vertalen naar het danstheater. 

Een duidelijke genoeg verhaal
Het ter plekke uitgedeelde programma bevatte een flinke synopsis van Krabat wat enigszins deed vrezen over de duidelijkheid waarmee het verhaal aan dans zou zijn toevertrouwd. Maar het samenspel van choreografie met decor en kostuums deed deze angst als sneeuw voor de zon verdwenen. Op basis van moderne dans wordt het verhaal van Krabat overzichtelijk - maar evenzo duister - verteld en weet men het verhaal op punten ook zo samen te vatten dat er bij het publiek eigenlijk nooit ruimte voor verwarring is. De voorstelling krijgt er daarmee ook een bepaalde snelheid mee die alleen maar van toegevoegde waarde is. Mooi voorbeeld is meteen in het begin terug te vinden wanneer Krabat gedwongen wordt bloem te vegen terwijl dat natuurlijk ondoenlijk is: het dwarrelt telkens terug. Om dit uit te beelden fladderen in wit gestoken vrouwelijk dansers plagerig om Krabat heen. Een goede vondst die exemplarisch is voor de vertaalslag die met Krabat is gemaakt. Het is daarom des te teleurstellender voor zowel theater als het Czech National Ballet dat het Haagse Zuiderstrandtheater maar matig gevuld was. Blijkbaar is Meester van de Zwarte Molen in de Haagse regio - of misschien wel in de gehele Randstad - een minder gedeelde jeugdherinnering dan in Duitstalige laden of die delen van Nederland die een grens met Duitsland delen. En dat is jammer want deze balletvertaling van Krabat verdient een breder publiek. 

Oordeel FerdiBlog: ****


'Krabat' door het Czech National Ballet is op 31 maart en 1 april 2016 opgevoerd in het Haagse Zuiderstrandtheater. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 1 april.