zondag 29 maart 2015

Geen stap verder: 'Autoriteit' van Jeff VanderMeer


Wie had gehoopt dat Jeff VanderMeer in het tweede deel van de Southern Reach-trilogie een deel van de raadselen rondom Gebied X zou ontrafelen, komt flink bedrogen uit. Maar tegelijkertijd houdt Autoriteit de spanning er goed in tot het derde en laatste deel hopelijk alle vragen beantwoordt. Of niet…

Vorig jaar zomer verscheen de Nederlandse vertaling van het eerste deel van de raadselachtige scifi-cyclus Southern Reach-trilogie. In het inmiddels door Jeff VanderMeer (1968) voltooide drieluik schetst hij een toekomstperspectief van onze huidige wereld waarbij het westelijk halfrond wordt geteisterd door een bizar fenomeen dat een groot gebied afsluit van de rest van het continent. Dit zogenaamde Gebied X is door de simpele aanwezigheid een bedreiging voor de mensheid. Maar diezelfde mensheid kan geen bevredigende verklaring vinden wat de kern van het gevaar is. Is het een milieucatastrofe of is er sprake van een buitenaardse aanwezigheid of misschien wel een combinatie of iets compleet anders? Om hier achter te komen is de Southern Reach-organisatie opgezet die expedities naar Gebied X stuurt. Een bijzonder gevaarlijke missie aangezien vrijwel alle leden van de inmiddels twaalf expedities niet of (geestelijk) ziek terugkeren. In het eerste deel Vernietiging volgde je vanuit het gezichtspunt van de biologe het wel en wee van de vierkoppige twaalfde expeditie. In ruim 200 pagina’s wist Jeff VanderMeer de lezer in het mysterie te trekken zonder eigenlijk maar een tipje van de sluier over de aard van het mysterie op te lichten. Nu in het tweede deel Autoriteit pakt VanderMeer met ruim 400 pagina’s nog grootser uit, maar de toegenomen kennis over Gebied X is omgekeerd evenredig aan het aantal pagina’s… 

Spanningsboog
Jeff VanderMeer
Normaal zou een oordeel na 600 pagina’s en vrijwel geen vooruitgang in een mysterie weinig vleiend zijn, maar gek genoeg blijft ook dit tweede deel van de Southern Reach-trilogie het mysterie van Gebied X dermate fascineren dat toch zeker ook het derde en laatste deel met spanning wordt afgewacht. Enerzijds vanwege het feit dat VanderMeer een zekere flair heeft voor het schrijven van een dergelijk niet altijd even makkelijk te classificeren roman. Door telkens net een klein beetje meer informatie te verschaffen, slaat de nieuwsgierigheid niet om in wanhoop of ergernis. Anderzijds slaat VanderMeer met Autoriteit een weg in die je bij het lezen van de laatste pagina’s van het eerste deel niet zou hebben vermoed. Zonder spoilers kan daarover gezegd worden dat het eerste boek een mooie opzet leverde voor het vervolg van het verhaal van de biologe. En hoewel de biologe in Autoriteit een niet onbelangrijke bijrol heeft, vraag je je na de eerste pagina’s af of je wel het goede vervolg te pakken hebt. Want Autoriteit staat in het teken van het verhaal van John Rodriquez die met codenaam Control waarnemend directeur is van Southern Reach. Een organisatie die betere tijden heeft gekend, terwijl het mysterie van Gebied X allerminst is opgelost. Via de zoektocht van Control wordt allengs steeds meer duidelijk en blijkt de vorige directeur een dubieuze rol te hebben gespeeld bij de expedities waarvan er blijkbaar meer dan twaalf hebben plaats gevonden. Nog meer dan in Vernietiging is (paranoïde) dubbelzinnigheid aan de orde van de dag, maar daarom niet minder fascinerend. 

Niet voor iedereen
Net als Vernietiging is Autoriteit vast en zeker voor een groep lezers vooral een frustrerende ervaring omdat nergens echt een antwoord op wordt gegeven en welke antwoorden er zijn hoogstens als ambigu kunnen worden omschreven. De liefhebbers van het eerste deel, komen in het tweede deel zonder meer aan hun trekken hoewel niet uitgesloten kan worden dat sommige lezers de handdoek in de ring zullen gooien. Maar ook voor lezers voor wie Jeff VanderMeer’s Southern Reach-trilogie (nog) onbekend terrein is, maar wel houden van mysterie met een scifi-sausje is het zonder meer de moeite waard om gewoon met het eerste deel te beginnen en dan het voordeel te hebben om meteen door te kunnen in het tweede deel. Voor alle overige volgers van de Southern Reach-trilogie betekent dit nog wachten tot september in de angst dat zelfs in het derde en laatste deel het mysterie rondom Gebied X misschien wel nooit opgelost gaat worden… 

Oordeel FerdiBlog: ****

Lees hier de recensie op FerdiBlog van ‘Vernietiging’, het eerste deel uit de ‘Southern Reach’-trilogie.

‘Autoriteit’ is de vertaling door Luud Dorresteyn en Otto Biersma van ‘Authority’, het tweede deel van de ‘Southern Reach’-trilogie van Jeff VanderMeer. De Bezige Bij heeft dit tweede deel recent uitgegeven in navolging van het eerste deel dan in de zomer van 2014 verscheen. Het laatste deel verschijnt in september 2015. Bestellen kan hier

Deze recensie is eerder verschenen op Jalta, het online nieuwsmagazine. Met enige regelmaat zullen recensies op het gebied van Kunst & Cultuur ook daar gepubliceerd worden.

zaterdag 28 maart 2015

Concert 27 maart 2014: Een Johannes-Passion minder dan de som der delen


Bach: Johannes-Passion

Michael Schade, Evangelist (tenor)
Andrew Foster-Williams, Christus (bas-bariton)
Christopher Purves, Pilatus (bas)
Benjamin Hulett, tenor
Carolyn Sampson, sopraan
Ann Hallenberg, mezzosopraan

Nederlands Kamerkoor
Richard Egarr, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Richard Egarr kiest in de Johannes-Passion duidelijk zijn eigen weg en hoewel er veel te genieten valt, is deze uitvoering uiteindelijk jammer genoeg minder dan de som der delen. 

De jaarlijkse Passie-manie die Nederland rondom Goede Vrijdag in de ban houdt, is voor ieder orkest immer een uitgelezen mogelijkheid om uit te pakken. Opvallend daarbij is dat steeds vaker er voor wordt gekozen om de Matthäus-Passion te laten alterneren met de Johannes-Passion die in Nederland onmiskenbaar aan een opmars bezig is. Orkesten kijken daarbij wellicht ook graag naar elkaar, want waar vorig jaar het Koninklijk Concertgebouworkest de Matthäus onder Philippe Herreweghe ten gehore bracht, stond Jan Willem de Vriend voor het Rotterdams Philharmonisch om de Johannes te doen. Dit jaar zijn de rollen omgedraaid en staat de in Nederland woonachtige Britse dirigent Richard Egarr (1951) - voor het eerst - op de bok bij het KCO. Jan Willem de Vriend tekent volgende week voor een Rotterdamse Matthäus. En dat is niet het enige wat beide dirigenten bindt, want sinds 2014 heeft het Haagse Residentie Orkest haar dirigentenstructuur gewijzigd en afscheid genomen van de vaste alomvattende chef-dirigent. Het Residentie Orkest wedt nu op meerdere paarden waarbij Jan Willem de Vriend de komende vier jaar de vaste dirigent aldaar is en vergezeld wordt door Egarr als vast gastdirigent. Het is daarbij de bedoeling dat er nog een vaste dirigent wordt aangesteld. Het (voorheen) kwakkelende Residentie Orkest doet daarmee goede zaken, want zowel De Vriend als Egarr zijn goede, maar vooral enthousiasmerende dirigenten die energie brengen. Het is niet voor niets dat - sinds het bijwonen van een repetitie van Richard Egarr bij het Residentie Orkest in 2011 - deze blogger groot fan is van Egarr. En hoewel er gisteren veel te genieten viel bij Egarr's interpretatie van Bach's Johannes-Passion viel het uiteindelijke resultaat nogal tegen. 

Een Pilatus die niet met zich laat sollen

Het KCO en Egarr tijdens de stroomstoring
Het vreemde is dat gisteravond - ondanks de stroomstoring eerder die dag waardoor Egarr en het KCO deels in het donker moeste repeteren - eigenlijk alle ingrediënten aanwezig waren voor een geweldige uitvoering. De solisten zijn stuk voor stuk van hoge kwaliteit waarbij Christopher Purves een Pilatus neerzette die niet met zich liet sollen en de kwaliteit van sopraan Carolyn Sampson algemeen bekend is. Ook de Evangelist Michael Schade en Andrew Foster-Williams als Christus zijn toppers in hun genre.  Voeg dit samen met de kwaliteit van het KCO en Egarr's karakteristieke eigen invulling van het voorliggende werk en een mooie avond zou zich moeten aandienen. Zeker omdat Egarr - zoals hij vaker placht te doen - niet alleen optrad als dirigent, maar tevens de klavecimbel voor zijn rekening nam. Maar op de één of andere manier wilde het allemaal niet samen komen. Zo ontstond een technisch uitstekende uitvoering waarbij je toch al snel naar je horloge kijkt hoe laat het is. Immer een slecht teken. En hoe moeilijk het in dergelijke gevallen is aan te geven waar het aan schort, valt dit alles samen te vatten als gebrek aan pathos. Egarr kiest - gelijk zijn recente opname van de Johannes-Passion met de Academy of Ancient Music - voor een dynamische uitvoering met grote wisselingen in tempo en interpretatie. Juist daar ligt de basis voor het niet meer worden dan de som der delen. Daar waar zijn collega De Vriend vorig jaar met het Rotterdams Philharmonisch Orkest een zelfde dynamiek koos, volgde een heel andere uitvoering waar - niet in de laatste plaats door een geweldige Evangelist van James Gilchrist die ook de Evangelist is in Egarr's opname - de pathos van af spatte. Hopelijk laat dit het KCO er niet van weerhouden om Egarr vaker voor het orkest te vragen, soms valt het allemaal niet geheel op zijn plaats. 

Oordeel FerdiBlog: ***½

Lees hier de recensie van de 'Johannes-Passion' vorig jaar uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Jan Willem de Vriend. 

Op 27 en 29 maart voert het Koninklijk Concertgebouworkest haar jaarlijkse Passie uit. Ditmaal de Johannes-Passion met voor het eerst voor het orkest gastdirigent Richard Egarr. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 27 maart. 

dinsdag 24 maart 2015

Concert 22 maart 2015: Herreweghe's Rotterdamse 'Eroica'. Oh ja en Schumann...


Schumann: Symfonie Nr. 2
Beethoven: Symfonie Nr. 3 'Eroica' 

Philippe Herreweghe, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Philippe Herreweghe laat Beethoven's machtige Eroica subtiel en transparant stralen. In vergelijking is de Tweede Symfonie van Schumann een wat vlakke aangelegenheid dat onbedoeld leidt tot een mooi maar wat eenvorming concert.

Hoewel Ludwig van Beethoven (1770-1827) al twee symfonieën geschreven had, brak met zijn  in 1804 afgeronde Derde Symfonie het tijdperk van de Romantiek aan. Deze omwenteling heeft natuurlijk pas in hindsight betekenis gekregen, maar de Eroica bleek toch echt iets anders te zijn dan de klassieke Haydn- en Mozart-symfonieën van weleer. Een symfonie die Beethoven - zoals algemeen bekend - wilde opdragen aan Napoleon, maar toen deze zich tot keizer liet kronen met woede afscheid (en behoorlijk wat schade aan het manuscript) nam van dat idee en de naam Eroica werd geboren. Niet zonder reden presenteert het Rotterdams Philharmonisch Orkest, ditmaal onder leiding van graag geziene gastdirigent Philippe Herreweghe, Beethoven's Big Bang de symfonie die - samen met de Vijfde en Negende Symfonie, het symfonische aangezicht van Beethoven bepaalt. En in de handen van Herreweghe is dat zonder meer een feestje. Want Herreweghe is er de man niet naar om pompeus de symfonieën van Beethoven (of werk van andere componisten) te brengen. Net als zijn klassieke opnames van de (koor)werken van Bach kiest Herreweghe voor subtiliteit, transparantie en dynamiek. Een combinatie waarvan de Eroica alleen maar kan profiteren. Opvallend daarbij blijft de voor de Vlaming Herreweghe kenmerkende houterige stijl van dirigeren. Een stijl waarvan je als publiek soms kan afvragen hoe in hemelsnaam de leden van het orkest kunnen volgen wat hij bedoelt, maar het resultaat horende kan alleen maar geconstateerd worden dat ze perfect weten wat Herreweghe wil met deze symfonie. 

Een wat vlakke symfonie
Verrassend daarbij was de keuze voor het werk dat de Derde Symfonie moest vergezellen. Het feit dat de titel van het programma de focus zo legt op Beethoven doet natuurlijk al het andere werk in de schaduw staan. De keuze voor de Tweede Symfonie van Robert Schumann (1810-1856) is daarbij misschien wat vreemd. Hoewel de laatste tijd de liefhebber van klassieke muziek wordt gebombardeerd met allerhande cycli van Schumann's vier symfonieën. Simon Rattle, Robin Ticciati en Rotterdams eigen Yannick hebben allen recent de symfonieën uitgebracht. Eén van de fijnste cycli blijft echter die van Riccardo Chailly met zijn Gewandhausorchester Leipzig. Hoewel al wat ouder heeft Chailly gekozen voor de door Gustav Mahler georkestreerde versie van Schumann's symfonieën. Een keuze die niet zo vreemd is aangezien er soms wat aan te merken valt op Schumann's orkestratie. Hoe het ook zij deze Tweede Symfonie (1845) is geschreven in een periode dat Schumann te kampen met een zenuwinzinking en de mood swings zijn in de diverse delen ook terug te horen. Van de tranquiliteit van het Adagio tot het Mendelssohn-achtige Scherzo, het komt allemaal langs. En hoewel Herreweghe dit werk voor de pauze met hetzelfde oog voor subtiliteit en transparantie liet spelen, bleef het allemaal toch wat vlak. Iets wat toch ook vooral in de symfonie zelf besloten ligt. Want de wijze waarop Herreweghe de symfonie liet horen, volgde de lijnen zoals uitgezet in één van de laatste opnames van wijlen Claudio Abbado van deze symfonie met het Orchestra Mozart. Een mooie opname die zeker aan te raden is. 

Iets met piano of hoorn?
Hoewel Herreweghe wederom zijn kwaliteit liet horen, is het wel de vraag waarom hij überhaupt heeft gekozen voor het programmeren van twee symfonieën. Juist de combinatie vlakte het gehele concert toch een beetje af. Zeker omdat de Eroica zo bepalend is geweest en de symfonie van Schumann allesbehalve. In de aankondiging van het programma werd nog een link naar Mahler gelegd, maar die link lijkt wat vergezocht. Een betere combinatie was wellicht geweest het combineren van  de Derde Symfonie van Beethoven met bijvoorbeeld Schumann's pianoconcert of het heerlijke Konzerstücke für 4 Hörner, dan was het feest pas echt compleet geweest! 

Oordeel FerdiBlog: ****

Op 19, 20 en 22 maart leidde Philippe Herreweghe het Rotterdams Philharmonisch Orkest in het programma 'Beethoven's Big Bang' met de Derde Symfonie van Beethoven en de Tweede Symfonie van Schumann. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 22 maart 2015. 

zaterdag 21 maart 2015

Concert 19 maart 2015: Een volks afscheid voor Mariss Jansons

Mariss Jansons en Thomas Hampson tijdens de repetitie
AAA-serie
Oorsprong. Volkskunst als inspiratie 

Mahler: Liederen uit Des Knaben Wunderhorn
Padding: Ick seg adieu
Copland: Liederen uit Old American Songs
Bartók: Concert voor Orkest

Thomas Hampson (bariton)
Mariss Jansons, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Een serie reguliere concerten markeert het afscheid van Mariss Jansons als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest. Maar juist in het reguliere schuilt de kracht van Jansons die gelukkig als conductor emeritus nog vaak zal terugkeren. 

Hoewel de aanhoudende gezondheidsproblemen van Mariss Jansons al langer wezen op een afscheid van het Koninklijk Concertgebouworkest kwam het in april 2014 aangekondigde afscheid toch nog redelijk onverwacht. Zoals de afgelopen dagen in diverse publicaties al was te lezen, was zijn broze gezondheid niet meer te combineren met het leidinggeven aan zowel het KCO als het Symphonieorhester des Bayerischen Rundfunks. Jansons heeft daarbij zijn Beierse orkest voorrang gegeven schijnbaar omdat hij ze niet in de steek kon laten vanwege zijn tomeloze inzet voor een nieuwe concertzaal in München. Het wrange is dat inmiddels duidelijk is geworden dat ondanks de inzet van Jansons de nieuwe concertzaal er niet komt en Jansons ook nog eens heeft aangegeven dat zijn recente hartoperatie hem nieuwe energie heeft gegeven en hij mogelijkerwijs nu er niet voor had gekozen om één van de orkesten vaarwel te zeggen. Toch wie Jansons donderdag op het podium zag, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat een dergelijke combinatie van orkesten - ook na de operatie - wat te veel van het goede is. Dan toch liever op je hoogtepunt vertrekken dan dat je - wat de afgelopen jaren al veelvuldig voorkwam - concerten moet afzeggen. Maar juist door de onverwachte aankondiging nadat het nieuwe seizoen al was ingevuld, zorgt er dus voor dat Jansons niet afscheid neemt met een groots en meeslepend afscheidsconcert, maar gewoon met een abonnementsconcert. Maar dan wel in de avontuurlijke AAA-serie waar klassiek en modern elkaar ontmoeten. In het achterhoofd de moeizame samenwerking tussen Jansons en Louis Andriessen bij de premiere van diens Mysteriën gaf dit afscheid op moderne leest nog een extra dimensie. 

The Entertainer
Eigenlijk was het helemaal niet zo erg dat Jansons op deze wijze afscheid neemt. Want Jansons is voor het KCO niet verloren want net als Riccardo Chailly en Bernard Haitink is hij benoemd tot conductor emeritus. En aangezien zijn afscheid niet met "gedoe" gepaard gaat, zal hij eerder voor het KCO staan dan zijn voorgangers, waarbij de één (Chailly) pas in 2013 weer voor het KCO stond en de ander (Haitink) in 2014 aangaf - onder de huidige directie - niet meer met het KCO te willen optreden. Want Jansons is volgend seizoen al weer terug bij het KCO onder andere voor De Nationale Opera met Pique Dame van Tsjaikovski. En laten we wel wezen: met het Sterrenjubileum in 2013 ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan, heeft het groots feestconcert al plaats gevonden. Een concert waarbij Jansons goede vriend Thomas Hampson een grote rol speelde. Niet toevallig was Hampson ook nu weer van de partij en voorzag het concert van een persoonlijke en vriendschappelijke noot. Met heerlijke - doch erg Amerikaanse - uitvoeringen van selecties liederen uit Gustav Mahler Des Knaben Wunderhorn en Aaron Copland's Old American Song kreeg Hampson - uiteraard uitstekend begeleid door het KCO onder Jansons - het publiek plat. Is het ietwat gemaniëreerde vocale talent van Hampson niet altijd even toepasselijk voor Mahler (Das Irdische leven over een hongerend kind werd gezongen met de grootste kracht), maar is zonder meer gemaakt voor de Old American Songs van Aaron Copland (1910-1990). Het was daarom echt genieten bij die heerlijke liederen, vooral toen Hampson zich liet verleiden tot een extra Old American Song waarin de rasechte entertainer die hij is een ontzettende komische uitvoering gaf van I bought myself a cat. Dit lied dat doet denken aan de boerderij-versie van The Twelve Nights of Christmas gaf Hampson de mogelijkheid om zich vocaal in te leven in het geheel aan boerderijdieren. De lol op het podium en in de zaal spatte eraf. 

Volkskunst als inspiratie
Nynke Laverman
Met deze liederen van Mahler en Copland werd recht gedaan aan het thema van deze AAA-serie Oorsprong. Volkskunst als inspiratie. Want de volkspoëzie van Des Knaben Wunderhorn van Clemens Brentano en Achim von Arnim inspireerde Mahler terwijl Copland uiteenlopende Amerikaanse volksliederen als zijn uitgangspunt nam. Het goede aan de AAA-serie is dat het onderdeel is van een breder festival waar diverse culturele instellingen hun krachten samenvoegen. Dit concert werd daarom gecombineerd met een inleiding door de zangeres Nynke Laverman die - in haar eigen worden - bekend staat als de Fryske fado zangeres, maar zich inmiddels ook gewijd heeft aan de volksmuziek van Mexico en Mongolië. Laverman hield een interessant betoog over de waarde van volkskunst en sloot af met één van haar laatste nummers begeleid door een aantal leden van het KCO. 

Volksmuziek als redding van de klassieke muziek
Een mooie opmaat voor het daadwerkelijke concert waarbij werk van Bëla Bartók (1881-1945) natuurlijk niet kon ontbreken. Want als geen andere componist - met uitzondering van gelijkgestemden zoals Zoltán Kodály - belichaamt Bartók de samensmelting van volks- en klassieke muziek. Een queeste die voor hem de redding van de klassieke muziek betekende en weerwoord tegen de allesoverheersende Romantiek. Zijn verzameling van volksliederen uit Midden-Europa vormde de basis voor zijn muzikale stijl. Zijn prachtige Concert voor Orkest uit 1945 en tevens één van zijn laatste werken is een perfecte weergave van zijn stijl en een prachtig orkestraal werk om het talent van Jansons en de kracht van het KCO te onderstrepen. Want juist in dit soort complexe werken  is bij Jansons in goede handen. Als geen ander weet hij dynamiek, transparantie en muzikaliteit samen te voegen tot de unieke KCO-klank. Juist in dergelijk werk - en minder dan in modern werk - laat Jansons zijn grote klasse zien. En met deze heerlijke uitvoering van het Concert voor Orkest sloot Jansons het concert op geweldige wijze af. Om overigens en passant - in weerwil van Louis Andriessen - tijdens het concert te laten horen dat moderne klassieke muziek misschien niet zijn grote affiniteit heeft, maar geef hem de wereldpremière van Martijn Padding's Ick zeg adieu en ook daar toont Jansons zijn grote kwaliteiten. Want dit werk - in opdracht van het KCO speciaal voor het afscheid van Jansons gecomponeerd en gebaseerd op een anonieme melodie uit het Middeleeuwse Antwerpen - paste perfect in het programma en markeerde op luchtige en bijna komische wijze het afscheid van Jansons. Een afscheid dat orkest, publiek en critici de komende jaren ongetwijfeld zullen voelen, want vrijwel alles wat Jansons heeft gedaan was van dermate hoge kwaliteit dat het KCO er alleen maar beter op is geworden en zijn opvolger Daniele Gatti nog een flinke klus heeft te klaren om in de schaduw van Jansons te kunnen staan. Gelukkig tot ziens en niet vaarwel Mariss!

Oordeel FerdiBlog: *****

Eén van de vele hoogtepunten van het chef-dirigentschap van Mariss Jansons de afgelopen 11 jaar, de Tweede Symfonie van Gustav Mahler:


De concerten in de AAA-serie op 19 en 20 maart 2015 markeren het einde van het chef-dirigentschap van Mariss Jansons bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Na een periode van 11 jaar aan het muzikale roer bij het KCO wordt Jansons 'conductor emeritus'.  

woensdag 18 maart 2015

Honden aan de lijn! 'De gele hond' van Georges Simenon


De elite van het Franse havenstadje Concarneau valt ten prooi aan een gewetenloze moordenaar wiens gele hond de enige aanwijzing is. Aan inspecteur Maigret de taak om dit mysterie op te lossen in deze fijne heruitgave van het werk van Georges Simenon. 

Inspecteur Maigret is terug! Niet zoals zijn Belgisch-Britse evenknie Poirot door het recente en hier gerecenseerde nieuwe verhaal van de hand van Sophie Hannah als opvolger van Agatha Christie, maar door een heruitgave van het werk van Georges Simenon (1903-1989). Deze Franstalige Belg heeft een schat aan boeken achtergelaten waarvan diens boeken over de nukkige Franse inspecteur Jules Maigret die maar al te graag zijn kaarten dicht bij de borst houdt de meest bekende zijn. Een heruitgave van zowel de Maigret-boeken als de andere romans die door een vaak nieuwe vertaling de tand des tijds goed hebben doorstaan. Nog steeds spelen de verhalen zich af in een ver verleden, maar het onderliggende steekspel tussen inspecteur en schuldige is tijdloos. In De Gele Hond wordt Maigret van stal gehaald om een vreemde aanslag op de lokale wijnhandelaar in Concarneau te onderzoeken. Een aanslag die de wijnhandelaar overleeft, maar het startschot is voor meerdere (succesvolle) aanslagen die de elite van het havenstadje in hun greep houden. Aanslagen waarbij telkens een mysterieuze gele hond wordt gesignaleerd… 

Een roman policier
De Gele Hond is gelijk de andere Maigret-romans een echte roman policier. Een schijnbare toevallige aanslag op de wijnhandelaar nadat hij het hotel De l’Amiral heeft verlaten na een potje kaarten blijkt de voorbode van aanslagen op zijn kaartgenoten. Kaartgenoten die allen behoren tot de maatschappelijke elite van Concarneau, maar tegelijkertijd ook heel Concarneau in angst stort en de bewoners flink on edge. Zeker wanneer duidelijk wordt dat een gele hond telkens wordt gesport op de misdaadplek. Langzaam ontrafelt Maigret het mysterie. Een mysterie waarvan de burgemeester graag ziet dat deze wordt toegewezen aan een vreemde bonkige landloper die – net als de gele hond – overal wordt gesignaleerd. Maigret wordt daarbij door de burgemeester steeds meer onder druk gezet om maar met een verdachte te komen, zodat de rust in het stadje kan terugkeren. Maigret – niet snel onder de indruk – laat zich niet van de wijs brengen en brengt de spelers en gebeurtenissen in kaart en zal uiteindelijk de oplossing geven die Concarneau nog meer in de gordijnen jaagt dan de gele hond. 

Een fijne heruitgave
Het knappe aan het werk van Simenon, dat in dit geval dateert De Gele Hond (Le chien jaune) uit 1931, is dat het nogal altijd fijn leest en – zeker door de frisse vertaling van de hand van Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre – vooral dat doet wat een misdaadroman hoort te doen: intrigeren. Dat Maigret echt een personage is zoals Hercule Poirot, Miss Marple en Sherlock Holmes helpt natuurlijk ook. Dit is ook meteen de terechte aanleiding om het werk af te stoffen, nieuwe glans te geven en te introduceren aan een nieuw lezerspubliek dat waarschijnlijk nog nooit van inspecteur Maigret heeft gehoord.
Oordeel FerdiBlog: ****

‘De Gele Hond’ is onderdeel van de heruitgave en nieuwe vertaling van het werk van Georges Simenon door De Bezige Bij. De heruitgave betreft zowel de Maigret-romans als andere romans van Simenon. ‘De Gele Hond’ is onderdeel van de tweede reeks van vier heruitgaven. De eerste reeks verscheen in september 2014. Bestellen kan hier

Lees hier de eerder op FerdiBlog gepubliceerde een recensie van ‘Een Misdaad in Holland’ en ‘De Premier’ op FerdiBlog. Deze recensie is eerder verschenen op Jalta, het online nieuwsmagazine. Met enige regelmaat zullen recensies op het gebied van Kunst & Cultuur ook daar gepubliceerd worden.

vrijdag 13 maart 2015

Politieke intrige op Australische leest: 'The Code'


Met The Code probeert de Australische staatsomroep ABC een graantje mee te pikken van het succes van de Scandinavische zusteromroepen. Een behoorlijk geslaagde poging waarbij intrige Aussie Style wordt gebracht. 

De Australian Broadcasting Cooperation (ABC) zal met enige jaloezie hebben gadegeslagen dat de staatsomroep in de Scandinavische landen - met het Deense DR voorop - de laatste jaren keer op keer drama produceert dat niet alleen in het eigen land en bij critici populair is, maar ook grote successen viert in het buitenland. Met The Code probeert de ABC mee te liften op dat succes en en passant aan Australië te laten zien dat ook de ABC in staat is tot het produceren van hoogstaand én populair drama. Hoewel de ABC goed gekeken heeft naar de concurrentie is The Code geen kopie van niet-Australische succesverhalen maar een redelijk geslaagde poging om een dramaserie op Australische leest op de markt te brengen.

Rare jongen die Australiërs
De zesdelige miniserie The Code lijkt de gebaande paden te betreden wanneer twee onschuldige tieners een mysterieus ongeluk krijgen waarbij er één overlijdt en de andere het overleeft maar een warrig verhaal vertelt over een mysterieuze vrachtwagen en mannen in witte pakken. Wie denkt dat dit slechts de opmaat is naar een Australische versie van The X-Files komt (gelukkig) bedrogen uit. Want een nieuwsgierige journalist die bij toeval op het verhaal is gestuit, raakt langzamerhand verstrikt in een web van politieke intrige die zich uitstrekt tot de hoogste regeringskringen. Want - hoe kan het ook bijna anders - natuurlijk ligt aan The Code een complot ten grondslag. Maar het aardige aan deze miniserie is dat de makers het complot tot realistische proporties terugbrengen waardoor de serie een stuk geloofwaardiger - en wellicht voor een enkeling ook wat saaier - wordt. Hoewel journalist Ned Banks (Dan Spielman) van geluk mag spreken dat hij Jesse heeft, zijn wat autistische broer gespeeld door Ashley Zukerman die een hacker is en zo informatie achterhaald die niet voor publieke consumptie is bestemd. Informatie die beide broers ook in gevaar brengt, want door hun acties hebben ze ook de aandacht op hun gevestigd. Aandacht die ze liever niet hadden gehad. En tegelijkertijd speelt ook het menselijke aspect van de nasleep van het ongeluk en het herstel van Clarence Boyd en diens bij het ongeluk overleden vriendin. Juist in die dimensie stapt Australië's eigen Xena Warrior Princess Lucy Lawless  binnen die - gezien haar bekendheid - een een relatief kleine maar vooral ook onbelangrijke rol speelt. De rol van femme fatale is weggelegd voor een "toevallig" betrokken hacker Hani Parande (Adele Perovic) die meteen ook het liefje van Jesse wordt. En ten slotte zijn de politiek en de enforcers van de politiek ook in ruime mate voorhanden met de ambitieuze vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken en zijn coterie van medewerkers en agenten. 

Natuurlijk een plottwist
En natuurlijk kan een serie zoals The Code niet eindigen zonder plottwist. En ook daarvoor geldt dat deze - zeker gezien wat gebruikelijk is - redelijk understated en daardoor geloofwaardiger dan menig plottwist. Al moet wel gezegd worden dat de laatste aflevering dermate veel losse eindjes aan elkaar moet vastknopen dat je aan het einde van de vijfde aflevering zeker denkt te weten dat er sowieso nog een tweede serie moet komen. Daardoor doet overigens die laatste aflevering ook wat rommelig aan wat afbreuk doet aan de opbouw van de eerdere afleveringen. Dit mag echter de pret niet drukken want wie een degelijk drama zoekt met een Australisch sausje en Australië - niet alleen door de mooie beelden van de outback - eens van een andere kant laat zien, kan best de gok nemen met The Code.

Oordeel FerdiBlog: ***½


'The Code' is vorige maand op DVD uitgebracht door Lumière. 'The Code' is eind 2014 in Australië uitgezonden en is inmiddels ook te zien geweest op BBC Four en DR. Bestellen kan hier

woensdag 11 maart 2015

Opera 9 maart 2015: De komische betovering van ‘Die Zauberflöte’


De Nationale Opera
Die Zauberflöte
(Wolfgang Amadeus Mozart, 1756-1791)

Maximilian Schmitt, Tamino
Thomas Oliemans, Papageno
Chen Reiss, Pamina
Brindley Sherratt, Sarastro
Iride Martínez, Koningin van de Nacht
Regula Mühlemann, Papagena
Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, Monostatos

Simon McBurry (regie), Michael Levine (decor)
Nicky Gillibrand (kostuums), Jean Kalman (licht)

Koor van De Nationale Opera
Marc Albrecht, Nederlands Kamerorkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Een reprise na slechts één seizoen, lovende recensies en bomvolle zalen: Die Zauberflöte van De Nationale Opera maakt het allemaal waar. Maar los van de inventieve en komische enscenering en de hoge kwaliteit van de uitvoering is het aanstekelijke enthousiasme van solisten en musici de ruggengraat van dit Mozart-feestje.

Ruim twee jaar geleden was Simon McBurry’s nieuwe enscenering van Die Zauberflöte van Mozart het absolute hoogtepunt van het operaseizoen. Juichende kritieken van zowel publiek als critici vielen deze coproductie de English National Opera en de (toenmalige) De Nederlandse Opera ten deel. Met slechts een pauze van één operaseizoen brengt de Nationale Opera Mozart’s Singspiel en tevens laatste opera voor zijn dood terug op de planken. Een productie moet wel erg goed zijn wil het niet getuigen van artistieke armoede om oude en nieuwe operarijkdom in de wacht te zetten om een succesnummer weer te hernemen. Gelukkig is deze herneming – zonder een uitvoering in de eerste reeks te hebben gezien – een absoluut succes. Wie ook maar een beetje van Mozart of opera houdt, maakt snel de gang naar Amsterdam, want naast de artistieke kwaliteit is vooral het plezier dat bij de uitvoerende ervan af spat dé reden om Die Zauberflöte te horen én zien.

Bizar vrijmetselaarssprookje
Natuurlijk helpt het dat Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) met Die Zauberflöte een vanaf het allereerst begin populair werk schreef. In 1791, enkele maanden voor zijn vroegtijdige dood, dirigeerde Mozart zelf de première van zijn muzikale vertaling van het libretto van theaterproducent Emanuel Schikaneder. Een libretto dat duidelijk geïnspireerd is door de cultus van de vrijmetselaars waar zowel Mozart als Schikaneder toebehoorden. Maar Die Zauberflöte is vooral een luchtig moraalsprookje waar Prins Tamino en de wat simpele  doch hilarische vogelvanger Papageno – fantastisch vertolkt door Maximilian Schmitt en Thomas Oliemans – op pad worden gestuurd door de Koningin van de Nacht om haar dochter Pamina te redden uit de klauwen van de tovenaar Sarastro. Eenmaal aangekomen bij Pamina blijkt de wereld er toch een tikkeltje anders uit te zien en is niet Sarastro het Kwaad, maar juist de Koningin van de Nacht. Nadat Tamino en Papageno hun queeste hebben bijgesteld dienen zij zich – in de meest duidelijke referentie aan de vrijmetselaars – te onderwerpen aan de inwijdingsrituelen van Sarastro en zijn volgers om hun ware liefde te vinden. In het geval van Tamino de bijna gelijkluidende Pamino en voor Papageno zijn vrouwelijke evenknie Papagena. De Koning van de Nacht, zinnend op wraak (‘Die Hölle Rache kocht in meinem Herze’), probeert tegelijkertijd Sarastro van zijn troon te stoten, maar faalt hier jammerlijk in waardoor het Licht het wint van het Donker en Pamino en Papageno verenigd worden met hun ware liefdes.

Serieus in de uitvoering, humor in de uitwerking
Dit bij vlagen toch bizarre sprookje dat – het is immers een Singspiel – wordt onderbroken door gesproken dialogen heeft juist geen baat bij een al te serieuze enscenering. En voor wie opera ziet als een hoogst serieuze bedoening moet met een grote boog om de enscenering van McBurry heenlopen, maar dat geldt dan eigenlijk voor Die Zauberflöte in het algemeen. In een op het oog simpel decor van een groot bewegend en zwevend podium worden de diverse scènewisselingen verbeeld. Grote rol daarbij voor het orkest dat onderdeel is van de enscenering en de inzet van “creatieve flanken”. Want aan de ene kant van het toneel is een sneltekenaar continu in de weer om het decor te “bespelen” doordat zijn schoolbord geprojecteerd wordt op het toneel. En aan de andere kant staat een mini Foley Studio waar de geluidseffecten voor het grootste deel live worden geproduceerd. De wijze waarop de enscenering is vormgegeven en hoe de solisten hun rol neerzetten leidt met enige regelmaat tot grote hilariteit bij het publiek. Een hilariteit die overigens geen afbreuk doet aan de opera. Zeker wanneer de uitstekende prestaties van de solisten in ogenschouw worden genomen. Alle rollen zijn goed gecast waarbij aan de Koningin van de Nacht iets meedogenlozer gestalte mogen krijgen hoewel de zangprestaties wel dik in orde zijn. Dit alles begeleid door het uitstekend en transparant musicerende Nederlands Kamerorkest die zichtbaar met plezier de muziek van Mozart ten gehore brengen. Maar wat wil je wanneer chef-dirigent Marc Albrecht met zijn aanstekelijke enthousiasme iedereen opzweept tot een uitvoering die in alle opzichten compleet is en vast nog veel vaker hernomen gaat worden. En dat is voor niemand een straf!

Oordeel FerdiBog: *****



 ‘Die Zauberflöte’ van Mozart wordt van 4 t/m 27 maart 2015 uitgevoerd door De Nationale Opera. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 9 maart 2015. Klik hier voor meer informatie en het bestellen van kaarten.

woensdag 4 maart 2015

Don't let the postman ring twice: 'Het Oude Frankrijk' van Roger Martin du Gard


Roger Martin du Gard ontmaskert via de goedlachse maar venijnige postbode Joigneau het idyllische plattelandsleven van het oude Frankrijk in een fijne novelle. 

Het zal weinigen zijn ontgaan dat de Franse schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur Roger Martin du Gard (1881-1958) met een opmars bezig is in Nederland. De romancyclus De Thibaults die de reden was om hem de Nobelprijs toe te kennen is begin 2014 voor het eerst in een volledig Nederlandse vertaling door Meulenhoff uitgegeven. Daarbij heeft Meulenhoff gekozen om de cyclus in twee delen uit te brengen waarvan het tweede deel in mei verschijnt. De kritieken op het magnum opus van Martin du Gard waren niet verkeerd en het is daarom niet vreemd dat ook zijn andere werk (opnieuw) het licht ziet. Daar waar Martin du Gard het verhaal van De Thibaults vanaf het einde van de 19e eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog bijna 2.000 pagina’s beslaat, is zijn Het Oude Frankrijk (Vieille France) een korte novelle van slechts 120 pagina’s. Maar in dat beperkte aantal pagina’s schetst Martin du Gard wel een genadeloos beeld van het Franse plattelandsleven.

De levensader van het dorp
Roger Martin du Gard
Het verhaal van De Thibaults – geschreven verspreid over de jaren twintig – gaat langzamerhand richting de Eerste Wereldoorlog, terwijl Het Oude Frankrijk (1933) na de Eerste Wereldoorlog plaats vindt. Plaats van handeling is Maupeyrou, een typisch Frans dorpje zoals er zovelen zijn. Martin du Gard schetst het leven van één dag in Maupeyrou en geeft daarmee een inkijkje in zijn beeld van het dorpse leven. Een schets door de ogen van postbode Joigneau die bijna letterlijk de levensader van het dorp vormt. Want via zijn vaste ritme is hij kind aan huis bij alle inwoners van zijn dorp waarbij het respect voor zijn functie als boodschapper van de buitenwereld – in ons digitale tijdperk amper nog voor te stellen – hem een onaantastbare positie verschaft. Een positie die hij zonder meer gebruikt om zijn handeltjes “erbij” zonder scrupules uit te voeren. Zo is hij de ogen en oren van de burgemeester die hem graag betaalt voor dirt over zijn politieke tegenstanders en is hij tevens ambassadeur van een gezien die graag een oude weduwe zouden opnemen en daarmee kunnen beschikken over een riant huis. Een oude weduwe die zonder meer luistert naar het “neutrale” advies van de postbode die door slachtoffer en daders in gelijke mate wordt beloond. Tegelijkertijd neemt Joigneau zijn rol serieus door altijd ongeadresseerd drukwerk bij zich te hebben om zich op die manier toegang te verschaffen tot huizen waar hij vermoedt dat er iets aan de hand is. Want in tegenstelling tot het Amerikaanse gezegde is het onbestaanbaar dat iemand in Mauperou het motto ‘Let the postman ring twice!’ hanteert.

Mooie schets en een fijne novelle
In de goede vertaling van Jan Keppler is Het Oude Frankrijk een erg fijne novelle die heerlijk weg leest en laat weg dromen, maar onder dat dunne vernislaagje rustiek een dorp laat zien waar de schaduwen lang zijn en er veel achter de voordeuren speelt dat het daglicht amper of in veel gevallen helemaal niet kan verdragen. Zo schetst Martin du Gard in een korte een uitgebreid beeld van een dergelijk dorpje waarbij na het lezen van de laatste pagina het gevoel ontstaat dat je het dorp goed hebt leren kennen en je afvraagt hoe de bewoners ervan de volgende dagen zich zullen houden. En daarin ligt nu juist de kracht van Martin du Gard: inzicht in een andere fascinerende wereld door een tijdelijk bezoek dat de lezer achterlaat smachtend naar meer.

Oordeel FerdiBlog: ****

‘Het oude Frankrijk’ van Roger Martin du Gard is een vertaling van de oorspronkelijke Franse roman ‘Vieille France’ door Jan Keppler. Deze vertaling is eerder bij Comenius en L.J. Veen verschenen, maar recent opnieuw uitgegeven door Meulenhoff. Bestellen kan hier

Deze recensie is eerder verschenen op Jalta, het online nieuwsmagazine. Met enige regelmaat zullen recensies op het gebied van Kunst & Cultuur ook daar gepubliceerd worden.

zondag 1 maart 2015

Concert 28 februari 2015: Venzago's lichtvoetige Mozart én Bruckner


Mozart: Vioolconcert Nr. 3
Bruckner: Symfonie Nr. 2

Isabelle van Keulen (viool)
Mario Venzago, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Mario Venzago verlaat gebaande paden en presenteert Bruckner als lichtvoetig, terwijl hij Isabelle van Keulen alle ruimte geeft om te stralen in Mozart. 

Wanneer een dirigent zijn huis en levensverzekering verpandt om de opera's van de onbekende Zwitserse componist Othmar Schoeck (1886-1957) aan het publiek bekend te maken, heb je te maken met een gek of een liefhebber. Gelukkig voor de muzikale wereld is Mario Venzago (1948) allesbehalve gek, maar een groot liefhebber van muziek. Een liefhebberij die zich niets gelegen laat aan conventie. Een hang tegen de conventie niet om te shockeren maar om componisten en hun muziek te dienen. In het muzikaal café dat het Nederlands Philharmonisch Orkest regelmatig voorafgaand aan hun concerten organiseert, gaf Venzago een inkijk in zijn denken over Bruckner. Een visie die er op neer komt dat hij Bruckner niet speelt als een "Duitse tank" maar lichtvoetig als een kamerorkest. In datzelfde muzikale café geeft Venzago ook hoog op van de kwaliteiten van violiste Isabelle van Keulen en hun artistieke partnerschap. En ook voor deze uitspraken geldt dat het niet uitspraken zijn van een gek, maar een liefhebber want er volgde een prachtig concert met een stralende Van Keulen in Mozart en dan toch echt die lichtvoetige Bruckner!

Een opera vol verrassingen
Isabelle van Keulen
Hoewel Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) zich op latere leeftijd vooral zou toeleggen op de piano als zijn favoriete soloinstrument zijn de vioolconcerten uit zijn jeugd ook een uiting van zijn muzikale genialiteit. Zijn vijf vioolconcerten schreef hij in 1775 in een tijd dat hij - in opdracht - tevens schreef aan een opera. En juist dat operakarakter - later nog terug te horen in werken als Cosi Fan Tutte en Le Nozze de Figaro - is evident in zijn Derde Vioolconcert. Een vioolconcert dat in de woorden van Venzago lichtvoetig is en vol verrassingen zit. Venzago benadrukt de lichtvoetigheid door een sprankelend tempo te hanteren en daarmee de sfeer van een intiem kamerorkest te onderstrepen. Daarbij krijgt Isabelle van Keulen - bekend van haar artistieke partnerschap met Ronald Brautigam en als jurylid van Maestro - alle ruimte om kraakhelder en met plezier te soleren. De lofuitingen "intelligent", "vernieuwend" en "technisch goed" van Venzago over Van Keulen zijn zonder meer van toepassing op deze uitvoering. Enige minpunt is dat dit kleinschalige werk niet helemaal geschikt is voor de Grote Zaal van het Concertgebouw: een kleinere zaal zou de intimiteit versterken en voorkomen dat het werk - zeker voor de achterste rijen en het balkon - wat wegvalt. 

Een opera van een organist
Anton Bruckner (1824-1896) is geen onbekende voor Venzago. Met de eind 2014 verschenen cd-opname van de Vijfde Symfonie van Bruckner heeft Venzago - met wisselende orkesten waaronder zijn eigen Northern Sinfonia en Berner Symphonieorchester - voor CPO zijn Bruckner-cyclus afgesloten. Venzago's visie op de uitvoering van Bruckner is veelal gelijk: Bruckner 'by way of a German tank' is voor hem een onbegaanbare weg. Ook zal je in zijn Bruckner-uitvoeringen geen vibrato tegenkomen. Een vibrato dat pas in 1906 is ontstaan en nu permanent onderdeel uit maakt van de uitvoeringspraktijk van strijkers. Voor Venzago zijn religie en volksdansen de basis voor het werk van Bruckner en moet hij niets hebben van de veelgehoorde kenschets dat Bruckner eigenlijk de symfonische Wagner is. Op de symfonieën 7 en 8 na is er niets van Wagner in het werk van Bruckner te horen. Dat laat voor Venzago onverlet dat Bruckner wel degelijk opera is, maar dan de religieuze variant met Bijbelse figuren in de hoofdrol. Dit laatste punt lijkt wat twijfelachtig omdat Bruckner - vanwege zijn achtergrond als organist - vooral een compleet eigen symfonische wereld heeft gecreëerd die onvergelijkbaar is. Het moet daarbij gezegd worden dat Venzago's aanpak niet altijd tot resultaat leidt aangezien de verschillende delen van zijn Bruckner-cyclus verdeeld zijn ontvangen. Zijn visie op de Tweede Symfonie - een opname met zijn Northern Sinfonia - is overigens een regelrechte hit, juist door zijn afwijkende visie. Op de een of andere manier leent de Tweede Symfonie zich voor een lichtvoetige kamerorkest-aanpak. Waarbij overigens lichtvoetig moet worden gelezen als 'lichtvoetig voor Bruckner', iets wat voor menigeen nog best als zwaar en groots orkestraal zal worden gezien. Een afwijkende visie die overigens een perfecte compagnon vormt voor de meer traditionele uitvoeringen van deze symfonie. Het zal daarom niet verwonderen dat de opname van Venzago - naast de klassiekere en legendarische uitvoering door de Wiener Symphoniker onder Carlo Maria Guilini - mijn favoriete opname is. 

Perfecte spanningsopbouw
En het fijne aan de uitvoering van gisteravond is dat hoewel Venzago aantreedt met het grotere Nederlands Philharmonisch Orkest de sfeer van de opname perfect benadert. Het orkest volgde de visie van Venzago totaal waarbij - gezien het tempo - echt wel het nodige van het orkest wordt gevraagd, maar dit ook soeverein gaf. De vele pauzes in deze symfonie die de organist in Bruckner kenmerken zijn voorbodes van wat nieuws en vergen daarom van orkest én publiek concentratie en nieuwsgierigheid. Iets wat Freud als een "extreme vorm van Schubert" betitelde. Orkest en publiek speelden hun rol met verve en gaven Venzago de mogelijkheid om een prachtige en lichtvoetige uitvoering van de Tweede Symfonie neer te zetten waarbij in ieder deel telkens sprake was van een perfecte spanningsopbouw waarbij elke finale ook echt zo aanvoelde. Een spanningsopbouw begeleid door het grote enthousiasme van Venzago die zijn beweeglijkheid van ineenduiken tot springen omzette in aanwijzingen die door het orkest met plezier en resultaat werden opgevolgd. Een heerlijk concert dat wat mij betreft mag leiden tot het vaker uitnodigen van de muziekliefhebber Mario Venzago.  

Oordeel FerdiBlog: ****½

Op 28 februari en 1 maart 2015 zijn dirigent Mario Venzago en violiste Isabelle van Keulen te gast bij het Nederlands Philharmonisch Orkest met een programma van Mozart en Bruckner. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 28 februari.