dinsdag 27 december 2016

DeDDDD 26 december 2016: Alice meets Escher én Tsjaikovski


De Dutch Don't Dance Division
Alice in WinterWonderland
(Carl Davis, 1936)

Corinne Cilia, Alice
Youri Jongenelen, Konijn
Ana Albutashvili, Witte Koningin
Rinus Sprong, Escher
Hannah de Leeuwe, Hertogin
Michaël Häflinger, Hoedenmaker
Jack Strömland, Witte Koning / Rechter

Thom Stuart (choreografie), Rinus Sprong (dramaturgie)
Ben Voorhaar & Sabrina Zyla (kostuums)
Edwin Kolpa, Pink van Steenvoorden & Ben Voorhaar (decor)

Corps de Ballet DeDDDD
Carl Davis, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Dat Alice verdwaalt in Wonderland weten we allemaal. Maar in de nieuwe balletproductie van De Dutch Don’t Dance Division danst Alice haar weg kwijt in de wereld van M.C. Escher. En dat ook nog eens op muziek van Tsjaikovski! Alice in WinterWonderland van DeDDDD is niet alleen een geweldige voorstelling voor de feestdagen, maar één van de origineelste en leukste van het afgelopen jaar.

Met De Notenkraker, De Schone Slaapster en natuurlijk Het Zwanenmeer is Tsjaikovski hofleverancier van het (klassieke) ballet. Helaas is zijn oeuvre voor ballet tot deze drie werken beperkt gebleven. Maar dan is buiten Carl Davis (1936) gerekend. In 1995 kreeg deze dirigent en componist van Derek Deane van het English National Ballet de opdracht om op grond van het werk van Tsjaikovski (1840-1893) muziek samen te stellen voor een balletversie van Alice in Wonderland. Davis is bekend als componist van muziek voor diverse televisieseries (o.a. Cranford en The World at War) en ‘stomme’ films (o.a. Napoléon uit 1927), maar ook het Liverpool Oratorio dat hij samen met Paul MccCartney schreef en met wie hij recent nog heeft gewerkt aan de animatiefilm Ethel & Ernest. Voor dit nieuwe ballet liet Davis zich inspireren door onder andere Tsjaikovski’s symfonieën, strijkkwartetten, opera’s en pianomuziek waaronder de Vijfde Symfonie en de Ouverture 1812. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een werk dat zo coherent is en daadwerkelijk klink als Tsjaikovski dat het zonder overdrijven ‘het vierde ballet van Tsjaikovski’ genoemd mag worden. De muziek – uitgevoerd door het City of Prague Philharmonic Orchestra onder leiding van Davis zelf – is verkrijgbaar op cd en juist die cd-versie heeft de kiem gelegd voor de nieuwe productie van De Dutch Don’t Dance Division (DeDDDD): Alice in WinterWonderland.

Het nachtkastje van M.C. Escher
Want die cd kwam Thom Stuart, samen met Rinus Sprong artistiek leider van DeDDDD, enkele jaren geleden tegen in New York. Toen Carl Davis werd benaderd met het verzoek tot het geven van toestemming voor het gebruik van zijn werk kreeg DeDDDD meer dan waar ze op gerekend hadden. Carl Davis bleek dermate enthousiast dat hij bereid bleek naar Nederland te komen om de productie te dirigeren. Met de deelname van het Residentie Orkest werd zo een volledige productie mogelijk. Een productie waarvan juist de keuze voor de wereld van de Nederlandse kunstenaar en graficus M.C. Escher het onderscheidende element is. Niet alleen voor het publiek, maar juist ook voor iemand als Carl Davis. De strak vormgegeven decors en kostuums zijn allen in zwart-wit en combineren met de bekendste gravures van Escher. De combinatie van Escher met de klassieker van Lewis Carroll en Tsjaikovski ligt daarmee meer voor de hand dan op het eerste gezicht gedacht zou worden. Want net zoals voor Thom Stuart nu was Alice in Wonderland één van de favoriete boeken van M.C. Escher. Sterker: het verhaal wil dat op het nachtkastje van Escher dit boek altijd te vinden was. Tegelijkertijd waren Lewis Carroll (1832-1898) en Tsjaikovski tijdgenoten waardoor Lewis Carroll en vooral Alice de verbindende factor is tussen Tsjaikovski, Escher, Carroll en DeDDDD. 

Een groot én succesvol ensemble
Met zo’n voorgeschiedenis kan het bijna niet anders dat Alice in WinterWonderland bij voorbaat al geslaagd is. Het feit dat de zes voorstellingen (met 1.000 bezoekers per keer) al enkele weken geleden volledig uitverkocht waren en er zelfs een wachtlijst moest worden aangelegd, spreekt dan ook boekdelen. Door het toegankelijk maken van de generale repetitie op 24 december konden nog eens 400 extra bezoekers Alice in WinterWonderland zien, maar ook deze kaarten waren binnen een mum van tijd uitverkocht. En dit alles voordat de productie goed en wel in de publiciteit was gekomen. Door de hooggespannen verwachtingen is de kans op enige teleurstelling natuurlijk wel aanwezig. Gelukkig maakt Alice in de versie van DeDDDD die verwachtingen meer dan waar. Want niet alleen is de vormgeving oogstrelend en weet Carl Davis het Residentie Orkest te verleiden tot een uitvoering van zijn werk dat de cd-opname in de schaduw stelt, maar spat vooral het plezier van de voorstelling af. Want hoewel de harde kern van de dansers wordt gevormd door de dansers van DeDDDD en enkele extra ingehuurde professionals bestaat een groot deel van de bijna negentig (!) deelnemers uit semi-professionals en amateurs. Dit grote aantal dansers geeft de choreografie van Thom Stuart en de dramaturgie van Rinus Sprons – die overigens zelf de rol van M.C. Escher voor zijn rekening neemt – een dimensie die je niet snel zult tegenkomen bij dansgezelschappen van deze omvang. Beste voorbeeld is misschien wel ‘De Drooglooprace’ waaraan alle dansers deelnemen. Door het grote aantal dansers wordt deze race – indachtig Escher - een soort gezichtsbegoocheling die een onophoudelijke optocht van dansers suggereert. Maar ook in andere scenes zoals net voor de pauze ‘De Theepartij’ van de Hoedenmaker waar Alice en de Hertogin de thee gebruiken en vooral ‘Het Schaakspel’ tussen beide dames na de pauze hebben veel baat bij de inzet van een groot aantal dansers. 

Nu al een Kerstklassieker
Het aardige bij dit alles is dat de werelden van Escher en Carroll moeiteloos in elkaar overlopen en het doldwaze avontuur van Alice buitengewoon goed te volgen is. Escher en Carroll komen halverwege de tweede akte volledig bij elkaar als een parade van dieren opeenvolgend in elkaar overgaan gelijk de overbekende Metamorfoses van Escher. Speciaal voor dit deel heeft Carl Davis aanvullende muziek geschreven voor DeDDDD. Net zoals de dieren in die scene vloeiend in elkaar overgaan, geldt dit voor Alice in WinterWonderland in het geheel waardoor er geen sprake is van verslappende aandacht. Dit was ook te merken aan het publiek dat ondanks dat het grotendeels uit families met (kleine) kinderen bestond, aandachtig hetgeen op het toneel gebeurde volgde. Dit alles ondersteund door uitmuntende prestaties van niet alleen het gehele corps de ballet, maar met name de solisten die niet alleen goed dansen, maar ook hun rol met overtuiging acteren. Zo is de Hertogin van Hannah de Leeuwe heerlijk snobistisch, terwijl de rol van de Witte Koningin – uitgevoerd door de Georgische ballerina Ana Albutashvili niet alleen geweldig gedanst wordt maar zij tevens perfect het arrogante en kinderlijke karakter in haar mimiek tot uiting weet te brengen. Onbetwiste sterren van Alice in WinterWonderland – naast het orkest onder Carl Davis en het design – zijn echter het Konijn en Alice. Corinne Cilia is een echte Alice waardoor je gelooft dat deze uitstekend dansende ballerina een ietwat naïef en dromerig meisje is. Youri Jongenelen is het andere hoogtepunt: het geagiteerde en ietwat nuffige karakter van het Konijn is in goede handen bij hem waarbij hij de daarbij benodigde mimiek en het bijbehorende acteertalent naadloos combineert met een uitstekende danstechniek. Enige aanmerking op de productie is dat door het niet beschikbaar zijn van het Residentie Orkest volgende Kerst Alice in WinterWonderland pas eind 2018 weer te zien is. Volgend jaar herneemt DeDDDD een ‘echt’ ballet van Tsjaikovski: De Notenkraker. Maar met Alice in WinterWonderland heeft DeDDDD een Kerstklassieker gecreëerd die het verdient om door een zo groot mogelijk publiek beleefd te worden. 


Copyright hoofdfoto: The M.C. Escher Company / Studio Oostrum

Van 25 t/m 28 december 2016 voert DeDDDD – in samenwerking met het Residentie Orkest en Carl Davis – de nieuwe eigen productie ‘Alice in WinterWonderland’ met choreografie en dramaturgie van Thom Stuart en Rinus Sprong. Alle voorstellingen (incl. generale repetitie) zijn volledig uitverkocht. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 26 december 2016.

zaterdag 24 december 2016

Nationale Ballet 22 december 2016: Coppelia meets Dr. Seuss


Nationale Opera & Ballet
Coppelia
(Léo Delibes, 1836-1891)

Michaela DePrince, Zwaantje
Remi Wörtmeyer, Frans
Jared Wright, Dr. Coppelius
Riho Sakamoto, Coppelia

Ted Brandsen (choreografie)
Sieb Posthuma (decor en kostuums)

Het Nationale Ballet
Koen Kessels, Het Nationale Ballet
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Geïnspireerd door de feestdagen presenteert Het Nationale Ballet sinds jaar en dag een feestelijke (familie)voorstelling in de aanloop naar en tijdens de Kerstdagen. Na de geweldige klassieker in een zeer Nederlands jasje Notenkraker en Muizenkoning is dit jaar Coppelia hernomen. De eigentijdse én eigenwijze productie uit 2008 lijkt geïnspireerd door het werk van kinderboekenschrijver Dr. Seuss en is het zien meer dan waard. Al worden de dansers van het Nationale Ballet niet bepaald uitgedaagd, maar een feestje is het zonder meer. 

Daar waar de muziek van Tsjaikovski voor Notenkraker en Muizenkoning alom bekend is en vrijwel iedereen bij het horen van de naam van de componist genoeg weet, ligt dat met de Franse componist Delibes toch een tikkeltje anders. Hoewel de muziek van balletklassieker Coppelia vast tot herkenning leidt, komt deze herkenning niet in de buurt van de universeel bekend muziek van Tsjaikovski. Léo Delibes (1836-1891) is een tijdgenoot van Tsjaikovski en net als hij een kind van de Romantiek. Mooie en meeslepende melodieën die zich uitstekend lenen voor een klassiek ballet. Het verhaal van Coppelia draait om de geliefden Swanilda en Franz – in de productie van het Nationale Ballet bekend onder de meer bij deze tijd passende namen Zwaantje en Frans – wiens liefde danig op de proef gesteld. Uiteraard door een liefdesconcurrent, maar niet in bekende zin van het woord. In Coppelia draait het om de gelijknamige pop die het geesteskind is van Dr. Coppelius en die Frans tracht te verleiden. Het oorspronkelijke verhaal over de poppenmaker Dr. Coppelius is in de versie van het Nationale Ballet vertaald naar een modernere setting, vast en zeker ook met het oog op het familievriendelijke karakter van de voorstelling. Dus Frans is opeens een sportleraar terwijl Zwaantje in een – hoe hip! – juicebar werkt. Dr. Coppelius heeft nu geen speelgoedwinkel meer, maar is heer en meester van een kliniek waar bij de beau monde van het tuttige dorp van Zwaantje en Frans mooi maakt in de eeuwige queeste te beantwoorden aan het schoonheidsideaal. De boodschap voor de zaal is daarmee helder. 

Dr. Seuss?
Wat opvalt aan deze productie is de heerlijke look and feel van het geheel. Het prachtige ontwerp van decor en kostuums van de hand van helaas wijlen Sieb Posthuma (1960-2014) is een lust voor het oog. De cartoonachtige uitstraling verhoogt het kijkplezier en geeft de gehele productie schwung. Het doet daarbij denken aan de stijl van de illustraties behorend bij de verhalen van de Amerikaanse kinderboekenschrijver Dr. Seuss (pseudoniem van Theodor Seuss Geisel). De schrijver van onder andere The Cat in the Hat, Horton Hears a Who! en How the Grinch Stole Christmas is al ruim 25 jaar geleden overleden, maar die stijl is tijdloos en is zeer herkenbaar in het werk van Posthuma. Het werk krijgt – mede door de humoristische regie – een vrolijk en grappig karakter dat de kwaliteit van de productie zeer ten goede komt. Daarbij heeft het relatief korte werk (drie aktes van telkens een half uur) vaart. In de eerste akte wordt de liefde van Zwaantje en Frans neergezet en Dr. Coppelius en zijn magische creatuur Coppelia geïntroduceerd terwijl in de tweede akte Frans naar de kliniek van Dr. Coppelius wordt gelokt voor een snood experiment. Gelukkig wordt hij gered door Zwaantje en haar vriendinnen, terwijl Coppelia in de mêlee onklaar wordt gemaakt. De slotakte draait om het huwelijk van Zwaantje en Frans waar Coppelia – ware zij een slechte horrorfilm – samen met Dr. Coppelius nog één keer haar opwachting maakt. Het gekke daarbij is dat ongeveer halverwege die akte het verhaal echt klaar is, maar dan nog een aantal solo’s en duetten van Zwaantje en Frans volgen. Daardoor loopt de productie tegen het einde een beetje weg, maar dat is inherent aan dit ballet en niet vanwege de heerlijke productie. 

Weinig spierpijn
Hoewel er op hoog niveau wordt gedanst en de productie als geheel een lust is voor het oog én – dankzij het energiek spelende Balletorkest – het oor kan de indruk niet weggenomen worden dat we hier niet met de meest complexe choreografie van doen hebben. De immer uitstekend dansende dames en heren van het Nationale Ballet zullen na afloop van deze voorstelling vast en zeker minder spierpijn hebben dan bij menig andere productie. Dit overigens in markante tegenstelling met het publiek dat op gaandeweg de voorstelling bij werkelijk ieder poep en scheet van de dansers ging applaudisseren. Dat sommige leden van het publiek zonder blaren het theater verlieten mag een wonder heten. Dat gezegd hebbende waren de solisten - zoals gebruikelijke bij het Nationale Ballet - van hoog niveau. Met name de immer blije Remi Wörtmeyer als Frans en zeker Michaela DePrince als Zwaantje en Jared Wright als de snode Dr. Coppelius. Hoewel Notenkraker en Muizenkoning het karakter van de feestdagen het beste benadert, is Coppelia een erg fijne en vooral vermakelijke productie die ongetwijfeld de grote schare bezoekers een heerlijke invulling van de feestdagen bezorgt. 


Van 10 december 2016 t/m 1 januari 2017 herneemt Het Nationale Ballet de eigen productie van Coppelia met choreografie van Ted Brandsen die in 2008 in première is gegaan. Muzikale begeleiding door Het Balletorkest onder leiding van Koen Kessels. Meer informatie en kaarten bestellen hier. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 18 december 2016

Concert 17 december 2016: Een vocale dirigent leidt Bach's Weihnachtsoratorium


Bach: Weihnachtsoratorium 

Aleksandra Lewandowska, sopraan
Terry Wey, countertenor
Makoto Sakurada, tenor
Stephan MacLeod, bas

Stephan MacLeod, koor en orkest Gli Angeli Genève
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Voor Bing Crosby, Andy Williams, Mariah Carey en Wham! was Kerstmuziek vooral een zaak van de kerk. Bach's vrolijke Weihnachtsoratorium is daar één van de (gelukkige) gevolgen van. Het authentieke ensemble Gli Angeli Genève weet de jubelende Kerstsfeer van Bach goed te vangen en vormt een mooie opwarmer voor de feestdagen.

In tegenstelling tot de andere feestdagen beschikt Kerstmis over de full package. Het zijn zonder twijfel de belangrijkste feestdagen, zowel binnen het (christelijke) geloof als het jaarlijkse moment waar familie en vrienden elkaar opzoeken. Daarbij kun je om Kerst amper heen in een periode waar in een groot deel van de wereld Kerstbomen- en lichtjes niet te ontwijken zijn. Belangrijk onderdeel van het echte Kerstgevoel is muziek. Wie kan zich een Kerst voorstellen zonder traditionele carols of Kersthits zoals White Christmas en Last Christmas die in enkele weken tijd meer geluisterd worden dan andere muziek tijdens het gehele voorafgaande jaar. Een muzikale traditie die bijna zo oud als Kerstmis omdat muziek al heel lang een belangrijke rol speelt bij de verschillende diensten ter ere van Kerst. Het Weihnachtsoratorium van Johann Sebastian Bach (1685-1750) over de geboorte van Christus is daar ongetwijfeld het bekendste voorbeeld van hoewel het Miserere van Gregorio Allegri ook een flinke duit in het zakje doet. Het is dan ook niet vreemd dat in de aanloop naar en tijdens de Kerstdagen dit oratorium veelvuldig wordt opgevoerd. Zo ook in Den Haag waar één van de uitvoeringen plaats vond in het Zuiderstrandtheater uitgevoerd door het authentieke ensemble Gli Angeli Gèneve.

Geen eenheid
Hoewel het Zuiderstrandtheater - ondanks de tijdelijkheid ervan - een fijn theater is, komt de echte Kerstsfeer natuurlijk pas echt los wanneer Bach's Kerstwerk in een kerkelijke omgeving wordt uitgevoerd. Dan is een kaal theater toch niet de beste locatie. Waarbij het projecteren van passende schilderijen met als thema de geboorte van Christus overigens enigszins helpt. Daarbij is het wellicht sowieso wat vreemd om de zes cantaten die gezamenlijk het Weihnachtsoratorium vormen als één coherent werk te beschouwen. De zes cantaten zijn immers door Bach geschreven om elk uit te voeren bij één van de zes diensten die plaats vinden tussen Eerste Kerstdag en Driekoningen. Hoewel Bach het werk dus niet als één collectief heeft geschreven en ze onderling niet echt verbonden zijn, delen ze allen de vrolijkheid over de geboorte van Christus en is het in die zin helemaal niet vreemd om ze achter elkaar uit te voeren. Overigens is het daarbij niet ongebruikelijk om een selectie te spelen. Ook Gli Angeli Genève kiest hiervoor door zich te beperken tot cantaten I, II, III en VI. 

Een zingende dirigent
Het in 2005 opgerichte Gli Angeli Genève draait in hoge mate om (mede-)oprichter Stephan MacLeod. Het kleine, wendbare ensemble dat de authentieke uitvoeringspraktijk aanhangt heeft als bijzondere eigenschap dat het een zingende dirigent heeft. Want Stephan MacLeod - o.a. docent zang aan het Conservatorium van Lausanne - dirigeert niet alleen het ensemble maar zingt ook volop mee. In dit geval zelfs de rol van solist als bas. Dat geeft het wonderlijke effect dat MacLeod bij de koraal-gedeelten en tijdens zijn solopartijen met zijn gezicht naar het publiek staat en 'met de rug' het ensemble dirigeert. Bij de overige delen neemt MacLeod de 'traditionele' positie van dirigent in. Hoewel het op het eerste oog wat vreemd overkomt en het ook noopt tot een tweezijdige muziekstandaard voor zijn bladmuziek werkt het zeer aanstekelijk. Niet in de laatste plaats omdat MacLeod en zijn collega's overduidelijk genieten van de muziek. Bijzonder daarbij is dat het ensemble grotendeels staand musiceert wat het energieke karakter van het muziekmaken versterkt.  Ze overigens nemen tussen de cantaten rustig de tijd om (opnieuw) te stemmen en wat kleine ditjes en datjes uit te wisselen. Daarbij is de omvang van het ensemble - de solisten worden bij de koraal-gedeelten ondersteund door vier koorleden - groot genoeg om de grandeur van het Weihnachtsoratorium intact te houden. Dat is ook nodig omdat dit jubelende werk - gemarkeerd door Bach's gebruik van trompetten - daadwerkelijk feestelijk te houden. Zeker gezien de alom bekende en briljante opening Jauchzet, frohlocket. Een opening die zo overweldigend goed is dat alles wat daarna komt eigenlijk in de schaduw stelt. Daarmee wordt onrecht gedaan aan de rest van de cantates, maar blijft desalniettemin wel een beetje de handicap van het Weihnachtsoratorium. De rest is zonder meer de moeite waard. Zeker in de uitvoering van Gli Angeli Genève die sprankelt. Zo werd het toch een beetje Kerst in het Zuiderstrandtheater. 

Gli Angeli Genève is op tournee met Bach's Weihnachtsoratorium. De uitvoering in het Haagse Zuiderstrandtheater was de enige Nederlandse stop. Meer info hier

zaterdag 17 december 2016

Concert 16 december 2016: Heroïsche Beethoven zonder opsmuk


Beethoven: Vioolconcert in D
Beethoven: Symfonie Nr. 3 Eroica

Thomas Zehetmair (viool)
Jan Willem de Vriend, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Het Residentie Orkest brengt een ode aan de wegbereider van de Romantiek met een volledig Beethoven-programma. Door de Derde Symfonie en het Vioolconcert juist te ontdoen van een ‘romantische’ uitvoering wordt de kracht van de muziek van Beethoven overduidelijk. 

Mozart en Beethoven. Twee componisten die moeiteloos in één adem worden genoemd als de twee titanen van de klassieke muziek. Titanen wier muziek nog altijd tot de verbeelding spreekt en waarvan zonder twijfel gesteld kan worden dat bij vrijwel iedereen de muziek – op welke manier dan ook – een gevoel van herkenning oproept. Maar tegelijkertijd zijn zij ook vertegenwoordigers van twee muzikale tijdperken: Mozart van het classicisme terwijl Beethoven de aanjager is gebleken van de Romantiek. Een scheiding die ook in de beeldvorming over beide componisten terug komt, niet in de laatste plaats door de “biografische” films Amadeus en Immortal Beloved. Hoewel beide films niet echt gehinderd worden door feiten hebben ze het beeld van Mozart als een vrolijk fladderend genie en Beethoven als een moeilijke en onredelijke wel versterkt. Juist die karakterschets van Beethoven lijkt zich moeilijk te verhouden met zijn revolutionaire invloed op de loop van de muzikale geschiedenis. Want zijn Derde Symfonie (1803-1804) luidde het nieuwe tijdperk van de Romantiek in. Voor Beethoven niet de – weliswaar prachtige – symfonieën in de lijn van Haydn en Mozart als hoogstaand muzikaal vermaak zonder (maatschappelijke) boodschap. Nee, in het werk van Beethoven klinkt de bekende uitspraak van Mahler door dat de symfonie als een wereld moet zijn en alles moet bevatten. Zo zal Beethoven het zelf waarschijnlijk niet hebben gezien, maar die ultieme gevolgtrekking van Mahler een eeuw na hem vormt wel de rechtstreeks lijn tussen de symfonieën van Beethoven en Mahler. Symfonieën die er zonder Mozart en Haydn er nooit waren geweest waarmee de verbinding compleet is. 

Een symfonie van teleurstelling en angst
Alleen al door de plek die de Derde Symfonie in de muzikale geschiedenis inneemt, is het meer dan gerechtvaardigd voor orkesten om dit werk met enige regelmaat te hernemen. Maar dit historische belang valt in het niet bij de muzikale kwaliteit van het werk. Een werk dat na ruim twee eeuwen nog altijd spreekt en wat te vertellen heeft. Dat terwijl de tijdgebonden benaming die Beethoven aan de symfonie gaf Eroica het allesbehalve universeel maakt. Het verhaal is bekend: Beethoven was van plan deze symfonie op te dragen aan Napoleon als voorvechter van de revolutionaire waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Maar toen Napoleon zich tijdens de periode dat Beethoven het werk componeerde liet kronen tot keizer was het met de liefde voor Napoleon gedaan. Bijna nog bekender dan dit historische feit is de woede die Beethoven toeviel en hem ertoe leidde om de naam van Napoleon op het manuscript uit te krassen en daarmee letterlijk een gat in het werk te slaan. Uiteindelijk zou dit werk de geschiedenis in gaan als de Eroica ‘gecomponeerd ter nagedachtenis aan een groot man’. Net zoals Beethoven ervoor koos om de opsmuk van de persoonsverheerlijking achterwege te laten, heeft Jan Willem de Vriend er evenzo voor gekozen om de geschiedenis van de uitvoeringspraktijk van dit werk te laten voor wat het is. Dus voor De Vriend geen vette romantiek voor dit toonbeeld van de Romantiek. Een relatief klein bezet Residentie Orkest werd daardoor verleid tot een transparante en messcherpe uitvoering waardoor de muziek volledig tot leven komt. Deze authentieke uitvoeringsorkest in combinatie met een ‘normaal’ symfonisch orkest werkt aanstekelijk en laat je met nieuwe oren naar een (over)bekend werk luisteren. Een werk waar de oorspronkelijke luisteraars door verward werden omdat de klassieke ontwikkeling van thema’s achterwege werd gelaten en Beethoven zomaar tegen het einde van een deel een nieuw thema kon introduceren. Ongehoord in die tijd! Tegelijkertijd is het maar goed ook dat Napoleons naam is weggekrast aangezien het nu een werk is dat universeel lijkt te gaan over heldendom. Iets wat niet betekent dat helden altijd succesvol is zoals het prachtige maar donkere twee deel, de Marcia Funèbre, zonneklaar maakt. Een deel dat door sommigen ook wordt gezien als een reactie van Beethoven over zijn toenemende doofheid en de angst die hij daardoor had. Zo is de Eroica een symfonie van teleurstelling en angst geworden, maar dan wel van het magistrale soort. En met een uitvoering die allesbehalve teleurstellend of angstig is een bijzondere goede reden om naar het Haagse Zuiderstrandtheater af te reizen.

Een messcherp en eveneens zonder opsmuk
Maar gelukkig hoeft niet alleen daarvoor de reis naar het tijdelijke theater van het Residentie Orkest (en het Nederlands Dans Theater) gemaakt te worden. Want zoals gezegd heeft De Vriend gekozen voor een volledig Beethoven-programma. Een programma dat begint met misschien wel het klassiekste aller vioolconcerten: Beethovens Vioolconcert in D. Ook dit werk kon bij de première op weinig waardering rekenen, maar zou net zoals de Eroica uitgroeien tot een van de meest bekende en invloedrijke werken in de geschiedenis van de muziek. Een werk dat niet lijkt te beginnen als een vioolconcert aangezien de violist pas na ruim drie minuten orkestrale expositie zijn entree maakt. Ook hier dus minder de lol van Mozart, maar de diepere gedachten van Beethoven. Een werk dat in de uitvoeringspraktijk – nog veel meer dan de Derde Symfonie – ten prooi is gevallen aan romantische uitvoeringen die niet noodzakelijkerwijs de Romantiek ervan een plezier doen. Het Vioolconcert is echter in goede handen bij zowel De Vriend, maar vooral violist (en dirigent) Thomas Zehetmair. Gevolg: een messcherpe uitvoering zonder opsmuk waardoor het genie van Beethoven en daarmee de dramatiek volledig tot recht komt. Dit is ook niet echt verbazingwekkend aangezien een opname van Zehetmair met het Orkest van de Achttiende Eeuw van wijlen Frans Brüggen een echte benchmark-opname is. Zehetmair weet met zijn lichte “toets” en ragfijn spel het Vioolconcert van Beethoven tot grote hoogte te brengen. Daarmee is het volledige Beethoven-programma van het Residentie Orkest een groot succes waarbij het enige jammer is dat het programma slechts tweemaal uitgevoerd wordt. 

Op 16 en 18 december 2016 voert het Residentie Orkest in het Haagse Zuiderstrandtheater onder leiding van Jan Willem de Vriend en met violist Thomas Zehetmair in het programma ‘Beethoven door De Vriend’ het Vioolconcert en de Derde Symfonie van Beethoven uit. Voor de uitvoering op 18 december zijn nog kaarten beschikbaar. Deze recensie is gelijktijdig verschenen bij Jalta. 

Nog meer Residentie Orkest?
De liefhebber van het Residentie Orkest wordt de komende weken goed bediend. Tijdens de Kerstdagen (25 t/m 28 december) voert dansgezelschap De Dutch Don’t Dance Division Alice in Wonderland uit. Dit ‘vierde ballet van Tsjaikovski’ is door componist-dirigent Carl Davis samengesteld uit het werk van Tsjaikovski en wordt uitgevoerd door het Residentie Orkest onder leiding van Davis zelf. Het verhaal van Alice in Wonderland is verplaatst naar de wereld van Esscher en vormt de basis voor deze nieuwe dansproductie. Alle voorstellingen zijn helaas uitverkocht, er zijn nog wel kaarten voor de generale repetitie op 24 december. Meer info en kaarten hier.  
En op 6 januari luidt het Residentie Orkest het nieuwe jaar feestelijk in met een bijzonder concert waarbij het orkest – voor het eerst – samen met zangeres en cabaretière Karin Bloemen het podium betreedt. Meer info en kaarten hier.

zaterdag 10 december 2016

Meanderend door de familie-Six én Amsterdam. 'De levens van Jan Six' van Geert Mak


De naam Six is onlosmakelijk verbonden met die van Rembrandt en tegelijkertijd met Amsterdam. Als prominente regentenfamilie heeft de familie-Six een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Amsterdam. Alle reden voor Geert Mak om zich via oervader Jan Six te verdiepen in de geschiedenis van Amsterdam in het algemeen en die van de patriarchen van de familie-Six in het bijzonder. De levens van Jan Six is weliswaar een wat meanderend verhaal geworden, maar ontspint zich als een prachtig verhaal vanuit Rembrandt's fameuze portret van Jan Six. 

De onderwerpen en historische figuren die Geert Mak (1946) inspireren tot het schrijven van een nieuw boek weten op voorhand dat een groot publiek kennis van ze zal nemen. Want Mak is - sinds Hoe God verdween uit Jorwerd (1996) maar vooral De eeuw van mijn vader (1999) - uitgegroeid tot misschien wel de populairste historicus van Nederland. Overigens een amateur-historicus aangezien Mak - zijn eredoctoraat van de Open Universiteit niet meegerekend - nooit een historische studie heeft gedaan, maar van huis uit een jurist is. Mak is wat John Julius Norwich voor het Verenigd Koninkrijk is: een historicus die zonder (academische) noodzaak tot distantie vooral een verhaal vertelt. Zo ook in De levens van Jan Six waarin hij zich - met medewerking van de familie-Six - zich onderdompelt in de geschiedenis van een Amsterdamse regentenfamilie. Een geschiedenis die tegelijkertijd ook de geschiedenis van Nederland in het algemeen en die van Amsterdam in het bijzonder is. Niet alleen omdat de familie-Six - vanuit hun bevoorrechte positie - vaak op de eerste rij zaten bij historische gebeurtenissen, maar met enige regelmaat daar ook (beperkte) invloed op hebben kunnen uitoefenen. Om die geschiedenis te kunnen vertellen, is Mak een tijd lang - voor zover mogelijk binnen een dergelijke familie - embedded geweest bij de familie-Six en met name het dynastieke hoofdkwartier aan de Amstel dat de fameuze Collectie Six herbergt. Zo is de familiegeschiedenis die De levens van Jan Six is ook een geschiedenis van objecten die episodes en leden van de Six-familie symboliseren. Distantie als historicus is dan ook ver te zoeken en dat is in dit geval ook helemaal niet zo erg. Overigens werkt het gebrek aan distantie ook de andere kant op aangezien Mak in de epiloog zich (licht) opwindt over de ongelijkheid en ongelijkwaardigheid waarmee hij door dit boek geconfronteerd is. Een kluwen van regentenfamilies die zichzelf en elkaar uit de wind hielden en bevoordeelden en op deze wijze een oligarchie van politieke macht, handel en rijkdom deelden. Een samenspel dat Mak ook zeer fascineert en een van de redenen vormt waarom hij enkele jaren in de nabijheid van de familie-Six zich heeft opgehouden. 

Het portret van Jan Six
Een familie die in veel opzichten kenmerkend is voor de geschiedenis van de Lage Landen. Want als vluchtelingen voor de oprukkende intolerantie van de Katholieke kerk kozen zij voor de metropolitane en vrije Republiek der Zeven Verenigde Provinciën waar de zijde- en lakenindustrie de basis vormde voor het omvangrijke Six-familiekapitaal. Een kapitaal waarmee oervader Jan Six (1618-1700) in staat werd gesteld een leven van ongekende welvaart en privilege te leiden. Een kapitaal waar zijn navolgers ook profiteerden en op de een of andere manier in staat waren om - op een wat mindere periode in de Napoleontische tijd - het kapitaal op peil te houden. Niet in de laatste plaats door buitengewoon goed te trouwen. Vader Jean Six die twee maanden voor de geboorte van Jan stierf had het familiefortuin gevestigd, maar door het trouwen van Jan met Margaretha, de dochter van Nicolaas Tulp werd het fortuin bevestigd en werd hier politieke macht aan toegevoegd. Want hoewel we Nicolaas Tulp vooral kennen van zijn anatomische les en het gelijknamige schilderij van Rembrandt was deze arts ook burgemeester en hoogleraar en daarmee een belangrijke schakel binnen de Amsterdamse oligarchie van de macht.  Vanaf dat moment spelen Jan Six en zijn nazaten een grote rol in met name het stadsbestuur van Amsterdam en weten zij door grondaankopen buiten Amsterdam een feodale status aan te meten. Het feit dat de nazaten zich nog altijd tooien met de titel Heer van Hillegom is daar een uiting van. Maar los van al deze politieke macht en het verkeren binnen de toplaag van de oudste families van Amsterdam en daarmee de toenmalige Republiek heeft de familie-Six zich weten te onderscheiden door kunst. Niet alleen door een uitgebreide collectie te bezitten, dat was voor dergelijke families niet zeldzaam, maar vooral door het uitbreiden van die collectie (wederom door 'goed' te trouwen) en het feit dat één van de belangrijkste portretten van Rembrandt die is van Jan Six. Een portret dat nog altijd deel uitmaakt van de Collectie Six. Een portret dat - zoals Mak zo mooi vertelt - bij een verbouwing veelzeggend tijdelijk onderdak kreeg bij de koninklijke familie. 

Een meanderende geschiedenis
Gezien de door Mak gekozen titel van De levens van Jan Six zal het niet verbazen dat hij vooral aandacht geeft aan de Jannen van de 17e eeuw tot aan het heden. Overigens hebben de vrouwen van ook zeker hun plek net zoals diverse broers. Waaronder Piet Six die tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke verzetsheld was als opperbevelhebber van één van de grootste verzetsorganisaties: de Ordedienst (OD). Echter blijft Mak het grootste deel van het boek hangen bij oervader Jan Six en diens opvolger. De andere eeuwen komen er wat bekaaider vanaf waarbij hij tegelijkertijd veel aandacht geeft aan de historische ontwikkeling van Nederland in het algemeen en Amsterdam in het bijzonder. Dat is een verrijking van deze familiegeschiedenis. Alleen al omdat de geschiedenis van de familie meer reliëf krijgt door inzicht in de historische ontwikkelingen in Amsterdam en daarbuiten. Ontwikkelingen die ook gevolgen hadden voor de machtspositie van de familie. Een familie die net als zoveel oude families vooral in de twintigste eeuw inzagen dat de oude manier van leven geen soelaas meer bood. Het permanente 'rentenieren' en overgeven aan liefhebberijen met her en der wat stadsbestuur moest langzamerhand ingeruild worden voor een werkend leven. Niet verwonderlijk aangezien de oude families - hoewel nooit arm - door de toename van kinderen die de volwassen leeftijd haalden niet meer genoeg hadden aan het familiefortuin. Apart genoeg is de familie-Six die ontwikkeling goed doorgekomen, want ze ook vanuit dat perspectief aantrekkelijk maakt als onderwerp van een werk als dit. Nadeel van dit alles is dat het boek bij tijd en wijle wat meanderend over komt waardoor de aandacht soms wat verslapt. 

Een verhaal dat af is?
Dit alles laat onverlet dat Geert Mak met De levens van Jan Six een fijn historisch boek heeft geschreven dat liefhebbers van zijn stijl, maar vooral die lezers die bovenmatig geïnteresseerd zijn in de vaderlandse geschiedenis, Amsterdam en de rol van patriciërsgeslachten zoals de familie-Six. Want dat moet Mak zonder meer nagegeven worden: zijn fascinatie voor de familie en alles wat ermee samenhangt, weet hij op aanstekelijke manier aan het papier toe te vertrouwen. En de familie-Six zal Mak zonder meer dankbaar zijn voor dit evenwichtige werk dat zeer zeker geen hagiografie is, maar desalniettemin de naam van Six zonder meer op goede wijze vertegenwoordigt in afwachting van wat de toekomst van de familie gaat brengen. Want met de Collectie Six, de stichting die het erfgoed beheert, lijkt het verhaal van de familie nog niet af. Maar tegelijkertijd is het verhaal wel degelijk rond aangezien - weliswaar wat stevig aangezet - de familie vooral erop gericht is om het verleden levend te houden. Nieuwe avonturen lijken zich dan minder snel aan te dienen, maar behoud is in die kringen al een avontuur op zich. 

'De levens van Jan Six. Een familiegeschiedenis' van Geert Mak is in augustus bij uitgeverij Atlas Contact verschenen. 



woensdag 30 november 2016

Polderhorror in het Rijk van Nijmegen. 'Hex' van Thomas Olde Heuvelt


Thomas Olde Heuvelt is nu niet bepaald een gekende naam in de Nederlandse literaire wereld. Maar inmiddels verovert de Engelse ‘hertaling’ van zijn Hex de Verenigde Staten, is het verkocht aan 16 landen, mag hij iconen als Stephen King en George R.R. Martin tot zijn fans rekenen en heeft Warner Bros. de televisierechten aangekocht. Ter ere hiervan is recent een nieuwe versie voor de Nederlandse markt verschenen. En het mooie: Hex voldoet aan de (hoge) verwachtingen en Olde Heuvelt’s creatie de Wylerheks zal bij menig lezer voor nachtmerries zorgen. 

Boeken getooid met juichende oneliners moeten in de regel met enige scepsis tegemoet getreden worden, aangezien het meestal verbloemt dat het boek in kwestie allesbehalve trouw is aan die uitingen. Zeker wanneer de afzenders ervan allesbehalve bekende (en erkende) criticasters zijn. Ook de omslag van Hex van Thomas Olde Heuvelt (1983) wordt getooid met prachtige aanprijzingen: ‘Briljant en volstrekt origineel’ en ‘Hex is griezelig, pakkend en origineel’. Normaliter zouden alarmbellen moeten rinkelen totdat de afzenders van deze warme woorden duidelijk worden: niemand minder dan Stephen King en George R.R. Martin. Toch twee Amerikaanse schrijvende grootheden die op het gebied van horror en fantasy echt wel weten waar ze het over hebben. Zeker aangezien Hex volledig in hun straatje past: een onvervalste horror over een historische heks die een hedendaags dorp in haar greep houdt. De recente zegetocht van Olde Heuvelt – inmiddels terug van een succesvolle tour door de Verenigde Staten – overziend, is er iets bijzonders aan de hand met Hex. Een boek dat overigens in 2013 voor het eerst is verschenen en waarvan het succes zich langzamerhand heeft opgebouwd en ertoe heeft geleid dat afgelopen zomer een Engelstalige versie is gepubliceerd en meerdere landen nog volgen. Daarbij is geen sprake van een vertaling, maar een hertaling waarbij het oer-Nederlandse verhaal in de kern intact is gebleven, maar niet meer plaats vindt in het vlakbij Nijmegen gelegen Beek. Want in de Engelse versie wordt het dorpje Black Spring in de Hudsonvallei in de staat New York geteisterd door de Amerikaanse evenknie van de Wylerheks. Gezien het grote succes dat Olde Heuvelt in de Verenigde Staten heeft en de lovende kritieken van King en Martin een briljante keuze. Maar – zoals hij aangaf in een recent interview met NRC Handelsblad – een plek die niet zonder reden is gekozen: de geboorteplek van de gothic novel met tegelijkertijd een Nederlandse geschiedenis. Zo blijft Hex in welke vertaling dan ook een typisch Nederlands verhaal. Naar aanleiding van deze nieuwe Engelstalige versie is in september opnieuw de Nederlandse versie verschenen waarbij het einde is aangepast op grond van de Amerikaanse hertaling. En Hex is – in welke versie dan ook – een volstrekt originele horror die – deze lezer incluis – tot het nodige ongemak leidt. Want Hex is goed, maar ook goed eng. 

Tussen Berg en Dal
Dat Olde Heuvelt het onder de rook van Nijmegen gelegen dorpje Beek – tegenwoordig onderdeel van de gemeente Berg en Dal - heeft uitgekozen voor zijn verhaal over een zeventiende-eeuwse heks is niet toevallig. Olde Heuvelt is geboren in Nijmegen en heeft daar tevens Engels en Amerikaanse literatuur gestudeerd. Daarbij is Beek gelegen in de streek Rijk van Nijmegen die niet alleen prachtig is, maar ook kan bogen op de unieke samenkomst van grote hoogteverschillen door het samenspel van heuvels en polders. En een deel van Nederland dat de nodige mythes en legenden kent, niet in de laatste plaats over heksen. Maar de inwoners van Beek zouden er alles voor opgeven om dat prachtige gebied nooit meer terug te zien. Want sinds Katharina van Wyler in 1666 ter dood is veroordeeld vanwege hekserij is Beek vervloekt. Een vloek die enkele maanden na de dood van Katharina van Wyler begon met het van de aardbodem verdwijnen van de gehele bevolking van Beek. 

Sindsdien is Beek weer bevolkt geraakt, maar heeft iedere inwoner moeten leren leven met de aanwezigheid van de Wylerheks die met dichtgenaaide ogen en mond zwijgend door het dorp waart. Een aanwezigheid die na honderden jaar tot gewenning en typisch Nederlandse nuchterheid leidt. Zo ook bij de familie de Graaf die de Wylerheks ‘oma’ noemen en wanneer ze toevallig bij hun thuis rondwaart gewoon een theedoek over haar hoofd gooien. Want alles went, zelfs een vloek. Zeker wanneer het onmogelijk is om eenmaal wonend in Beek je spullen te pakken en Beek (en daarmee de vloek van de Wylerheks) achter je te laten. Voor alle inwoners geldt dat wanneer zij langer dan enkele weken hun woonplaats verlaten zij overmand worden door een onbedwingbare neiging tot zelfmoord. Het is dus niet zonder reden dat nieuwe inwoners ontmoedigd worden om van Beek hun nieuwe thuis te maken. Echter kan dit alleen door tegenwerking, want het geheim van Beek moet dat blijven. Alleen al om te voorkomen dat Beek een soort toeristische attractie wordt waardoor het leven van de inwoners nog helser wordt dan het iss. Tegelijkertijd is door deze vloek een vreemd soort commune ontstaan met haar eigen regels en gebruiken. Een dorp dat – gelijk andere dorpen – gewoon een burgemeester heeft, maar de (morele) leiding van het dorp ligt in handen van de Raadsheer en een Raad die op grond van een antieke Noodverordening de orde handhaaft. Onder andere door een hypermodern Hex-commandocentrum dat via permanente camerabewaking en samenwerking met de AIVD Beek in het oog houdt. Want ten koste van alles moet voorkomen worden dat de Wylerheks haar duivelse krachten inzet en dat haar aanwezigheid buiten Beek bekend raakt. Grote angst is er daarbij met name voor het moment dat haar mond en ogen van de naaisels worden ontdaan. Legende wil dat het ‘boze oog’ van de Wylerheks de oorzaak is van het verdwijnen van de complete bevolking van Beek in de 17e eeuw. In de jaren zestig leidde het deels openen van haar mond tot fatale hersenbloedingen bij drie Beekse ouden van dagen. Dit is de wereld waar je als lezer van Hex in terecht komt. 

Polderhorror
Het knappe aan Hex is dat Olde Heuvelt niet alleen in de kern een bijzonder eng verhaal heeft geschreven en met de Wylerheks iets gecreëerd heeft dat menig lezer de stuipen op het lijf jaagt. Het is tegelijkertijd ook echt een Nederlands verhaal en daarmee misschien wel een volstrekt eigen genre van polderhorror. Het aardige is dat onze pragmatische volksaard – vertaald naar de laconieke inwoners van Beek – een extra dimensie geeft aan dit verhaal. De eerder genoemde theedoek is daar een voorbeeld van, net zoals datzelfde pragmatisme kan omslaan in hysterie en een waar volksgerecht. Olde Heuvelt spint zijn verhaal uitstekend uit over de bijna 340 pagina’s waarbij je als lezer blijft lezen en het liefst pagina’s zou overslaan om te weten te komen hoe de Wylerheks haar onvermijdelijke wraak neemt. Want dat is het knappe aan Hex: Olde Heuvelt bouwt de spanning langzaam maar zeker op en verliest zich niet in effectbejag of een vroege body count. Zijn horror is een tergende en subtiele horror waarbij een aanvullende dimensie wordt aangebracht: een psychologische. Want de ontwikkelingen komen in een stroomversnelling wanneer in de vriendengroep van Timo de Graaf – de familie van de theedoek en tevens hoofdrolspelers van Hex met vader Stefan, moeder Jolanda en hun beider zoons Timo en Max – social media en internet worden benut om hun uitzichtloze leven kleur te geven en dit langzamerhand ontaardt in een (keiharde) confrontatie met de heks. Een confrontatie die ertoe kan leiden dat het hele dorp ten onder gaat. Die angst manifesteert zich in opbouwende spanning binnen de Beekse gemeenschap dat uiteindelijk leidt tot een volksgericht en de vraag doet opkomen wie er nu eigenlijk schadelijker is voor Beek: de heks of de inwoners zelf? Of Hex dat antwoord definitief geeft, is aan de lezer, maar de horrorachtbaan die Hex is, onderstreept zonder enige twijfel de lovende woorden van Stephen King en George R.R. Martin en is daarmee een aanrader van jewelste. 

Afgelopen zomer is – naar aanleiding van de Engelse hertaling – een nieuwe versie van ‘Hex’ van Thomas Olde Heuvelt verschenen met een alternatief einde. ‘Hex’ is oorspronkelijk in 2013 verschenen en wordt uitgegeven door Luitingh-Sijthoff en is tevens als eBook beschikbaar. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 22 november 2016

Tory Big Beasts and where to find them. 'A Kind of Blue. A Political Memoir' van Kenneth Clarke


In een tijd van toenemend cynisme over de politiek en het ontbreken van kleurrijke en onafhankelijke politici zijn de memoires van de Britse Conservatieve politicus Kenneth Clarke een welkom tegengif. Als één van de langstzittende ministers van het Verenigd Koninkrijk wist Clarke zijn stempel te zetten onder zowel Thatcher en Major als Cameron zonder zijn zeer ontspannen, maar vooral onafhankelijk houding aan te passen. Kind of Blue is daarmee een eerbetoon geworden aan de Tory Big Beasts van weleer, die in deze tijd misschien niet meer kunnen, maar wel zeer welkom zijn.

“I now realize that my personality is rather different from others. Compared with most politicians, I must seem so far laid-back as to be horizontal”. Bijna halverwege Kind of Blue. A Political Memoir geeft Kenneth Clarke (1940) blijk van zelfkennis die zijn persoonlijkheid en daarmee zijn (politieke) levenswandel definieert: een invloedrijk politicus die zich schijnbaar nooit (echt) geconformeerd heeft aan zijn politieke omgeving en daarvan zijn kracht wist te maken. Een Eurofiel in een toenemend Eurosceptische partij. Een One Nation Tory in een almaar – tot de komst van David Cameron – rechtser wordende partij voor Little England. Eén van de belangrijkste Big Beasts van de Conservatieven: de grote persoonlijkheden binnen de Conservatieve partij met een grote eigen achterban en eigen invulling van de belangrijkste ministeries en voortdurende invloed binnen de partij. Een Big Beast die in tegenstelling tot David Cameron en vrijwel al zijn voorgangers geen geprivilegieerde afkomst geniet. 

Hoewel Ken Clarke nog steeds Member of Parliament is voor Rushcliffe en dat al onafgebroken sinds 1970 is, is zijn actieve politieke carrière in het hart van de macht voorbij. De zesenzeventigjarige Clarke lijkt daar geen enkel probleem mee te hebben. En dat is ook niet zo gek aangezien hij vanaf 1979 – onder het premierschap van Margaret Thatcher – begonnen is aan een ministeriële carrière die uiteindelijk Clarke tot één van de langstzittende ministers heeft gemaakt in de moderne Britse politiek. Een carrière die begon met de juniorpost van Under Secretary of State for Transport en hem uiteindelijk leidde naar het kernkabinet van zowel Thatcher als haar opvolger John Major. De kolossale en voortdurende overwinning van Tony Blair’s New Labour in 1997 leek een einde te hebben gemaakt aan de toen al imposante carrière van Clarke. Maar met de komst van de coalitieregering van Conservatieven en Liberaal-Democraten voegde Clarke nog een Indian Summer aan zijn politieke carrière toe als onder andere Lord Chancellor en Minister van Justitie. Sinds de verkiezingen van 2015 en de terugkeer van de Conservatieven als meerderheidspartij heeft hij de gang naar de back benches gemaakt en observeert hij de bizarre politieke ontwikkelingen van Brexit, een leiderschapswisseling en de implosie van Labour. Alle reden dus om zijn ervaringen aan het papier toe te vertrouwen.

De minister en de taperecorder
Hoewel ‘aan het papier toevertrouwen’ niet al te letterlijk moet worden genomen. Clarke is een overtuigd ouderwetse politicus die zijn memoires als een aaneenschakeling van anekdotes aan een taperecorder heeft toevertrouwd en daarbij – in tegenstelling tot zijn bijna naamgenoot en eveneens beroemde Tory Alan Clark – nooit iets van een dagboek heeft bijgehouden. Aan zijn staf en uitgever MacMillan de schone taak om structuur aan te brengen, feiten te controleren en tot een coherent verhaal te komen. Daar zijn ze overigens zeer in geslaagd. Kind of Blue – juist door de oorsprong – leest alsof je met Ken Clarke – getooid met zijn trademark bruinsuède schoenen, sigaren rokend en whiskydrinkend – bij een knisperend openhaardvuur zit, luisterend naar zijn vele verhalen en anekdotes over zijn talloze ministeriële posten. Denk daarbij overigens niet dat hij enorm uit de school klapt of zijn privéleven in detail uit de doeken doet. Ook daarin is Clarke van het klassieke soort: het publiek heeft – op wat feitelijke informatie na – geen recht op zijn privéleven en hoewel het boek vol heerlijke anekdotes staat, zal geen van de lijdend voorwerpen zich (echt) beschadigd voelen. Hij gaat daarin in zover dat de dood van zijn geliefde vrouw Gillian – die in de nasleep van de verkiezingen in 2015 – haar gevecht met kanker verloor redelijk afstandelijk wordt beschreven. 

Gek genoeg siert Clarke dat enorm. Net zoals het moment – met groot plezier beschreven in Kind of Blue – dat hij en zo’n andere Tory Big Beast Malcolm Rifkind na het geven van een gezamenlijk interview waarbij de camera nog steeds liep ongefilterd en ongezouten hun mening gaven over de kandidaten voor het Conservatieve leiderschap. Een verkiezing nodig door het aftreden van David Cameron vanwege Brexit waarbij Clarke uiteindelijke winnaar Theresa May omschreef als een “bloody difficult womam”. Een omschrijving die ze – kenmerkend voor haar politieke antenne – benutte om haar kwaliteiten onder de aandacht te brengen. Deze en andere anekdotes geven een mooie inkijk in de werkwijze van Clarke: onafhankelijk, fair en verre van politiek correct of wat politiek geacht wordt door het leiderschap. Het heeft hem geen politieke windeieren gelegd aangezien hij - met name in de jaren negentig onder Major - vrijwel alle belangrijke ministersposten heeft vervuld: Onderwijs, Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie. Die laatste in combinatie met de eeuwenoude positie van Lord Chancellor die ook het nodige ceremonieel inhoudt. Niet zonder reden dat hij zich in zijn eerste dagen begaf naar Ede & Ravencroft (motto: We supply ceremonial robes for all occassions) aan Chancery Lane in Londen. Bij de beschrijving van die periodes gaat hij echter de anekdotes voorbij en weet hij de kern van zijn beleidsvoornemen goed weer te geven, hoewel dit wel de minst geslaagde onderdelen van Kind of Blue zijn. Deze ietwat saaie passages komen echter tot leven door de kleurrijke anekdotes die vooral door zijn verwondering en gebrek aan gene. Over zijn binnenkomst bij het Ministerie van Justitie is hij dan ook glashelder: “I had not the first idea of what the Conservative Party had been doing in terms of justice policy in oppostition but someone handed me a printout of the key section of the Conservative Party website, of which I had never previously been aware”. Duidelijk wordt in ieder geval dat hij vooral ook erg heeft genoten van het internationale aspect van zijn diverse functies en dat het daarom ook erg spijt dat hij nooit Minister van Buitenlandse Zaken is geweest. Gaandeweg Kind of Blue wordt het zonneklaar dat zijn (inter)nationale netwerk immens is. Zo is hij sinds jaar en dag deelnemer aan de Bilderberg Conferentie. Een conferentie waarbij hij alle samenzweringsdenkers van repliek dient: “I would have been delighted to be party to such a plot so long as it was well intentioned and in accordance with my own views”. Mede door zijn internationale contacten, maar ook door zijn eigen overtuiging, is zijn waardering voor Europa en zijn overtuiging dat het Verenigd Koninkrijk binnen Europa hoort navenant gegroeid.

De eeuwige (verliezende) kandidaat voor het Tory-leiderschap
Juist die waardering voor Europa heeft hem altijd in de weg gestaan om het allerhoogste podium te bereiken: leider van de Conservatieven en daarmee uiteindelijk premier. Want deze eeuwige kandidaat voor het leiderschap van de Tories heeft hem in 1997, 2001 en 2005 doen verliezen van achtereenvolgens William Hague, Iain Duncan Smith en David Cameron. Met name in 1997 en 2001 had hij grote kans om leider te worden, maar bleek het gekozen systeem om tot een nieuwe leider te komen in zijn nadeel te werken. Want telkens bestond het electoraat, in 1997 de Conservatieve parlementariërs en in 2001 de (in meerderheid bejaarde) leden van de Conservatieve Partij, uit Eurosceptische kiezers die niets van zijn warme gevoelens voor Europa moesten hebben. Een permanente kloof binnen de Conservatieven die zoveel schade heeft gedaan in met name de Major-jaren, maar ook recent hebben geleid tot de Brexit en de val van David Cameron. In 2005 was er eindelijk ruimte voor een kandidaat als Clarke, maar werd toen overschaduwd door het optimisme van de vooruitkijkende en kosmopolitische David Cameron. Clarke is daarmee één van de beste leiders die de Conservatieven nooit gehad hebben, hoewel het sterk de vraag is of Clarke – gezien zijn wat lodderige en onafhankelijke karakter – wel opgewassen zou zijn geweest tegen de zware rol van leider van de Conservatieven en daarmee op een gegeven moment tevens premier. Zijn moeite met technologische vorderingen vat Clarke mooi samen naar aanleiding van zijn tweede gooi naar het leiderschap in 2001: “Technology had moved on, so although I have still never operated a computer myself, this time I was persuaded to have a website, and a so-called rebuttal unit. I never did discover what we put on the website”. Het aardige aan Kind of Blue is dat hij niet alleen een inkijk geeft in het leiderschap van de Conservatieven, maar ook bijvoorbeeld de impact van de veranderende media daarop. Zo lamenteert hij de veranderingen bij de Daily Telegraph na de overname door de (later in ongenade gevallen) Conrad Black. Van “the voice of the Tory Party at prayer” bleef uiteindelijk niet zoveel meer over. Maar het belangrijkste aan Kind of Blue is dat niet alleen een prachtig tijdsbeeld geeft van het Verenigd Koninkrijk in de tweede helft van de twintigste eeuw, maar vooral een fascinerende inkijk geeft in de machinerie van de politiek-bestuurlijke inrichting van het land en een insider view van de kabinetten onder leiding van Thatcher, Major en Cameron. Maar bovenal zijn het de memoires van een kleurrijk en onafhankelijk politicus waar – welke democratie het ook betreft – er veel meer van zouden moeten zijn.

In oktober zijn – onder de titel ‘Kind of Blue. A Political Memoir’ – de politieke memoires van Kenneth Clarke verschenen. ‘Kind of Blue’ is tevens verschenen als eBook. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 16 november 2016

Ian McEwan's Family Guy. 'Nutshell' van Ian McEwan


Inmiddels is het bijna traditie geworden dat Ian McEwan vrijwel iedere twee jaar een nieuwe roman aan het papier toevertrouwt. Na spionage in Sweet Tooth in 2012 en de gerechtelijke wereld in The Children Act in 2014 kiest McEwan in 2016 voor een weinig opzienbarend verhaal over liefde, verraad en moord. Maar de hoofdrolspeler in zijn nieuwste roman is dat allerminst. Want in Nutshell is die hoofdrol weggelegd voor een bijzonder welbespraakte foetus die letterlijk op de eerste rij zit wanneer zijn moeder en haar minnaar de dood van zijn vader plannen.

Hoewel het uitgangspunt van een foetus die spreekt, redeneert en refereert als een volwassen man uit de Britse upper class met een bijzonder goede neus voor wijn om enige gewenning vraagt, is dat na enkele bladzijden lezen eigenlijk al de gewoonste zaak van de wereld. Eigenlijk net zo gewoon als de wel erg ouwelijke baby Stewie Griffin uit de komische animatieserie Family Guy. Want bij het lezen van Ian McEwan’s nieuwe roman Nutshell dwalen de gedachten toch al snel richting deze zeer intelligente, Brits-Engels sprekende  en zeer volwassen jongste zoon van de familie Griffin. Overigens is dit alleen duidelijk voor dat andere vreemde familielid: de sprekende hond Brian. Daarmee vergeleken heeft de (naamloze) foetus in Nutshell het nog een tikkeltje lastiger omdat de enige die hem verstaat de lezer is. Met de keuze voor een foetus als verteller van zijn verhaal heeft Ian McEwan een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan zijn oeuvre. En dat is maar goed ook aangezien het verhaal zelf slechts een vehikel is ter uitwerking van dit originele uitgangspunt. Het plot van Nutshell is redelijk rechttoe-rechtaan en – zoals in vele recensies al is opgemerkt – een hommage aan Hamlet van Shakespeare. Want in Nutshell zit de vertellende foetus  vanuit het ouderlijk huis in Londen op de eerste rij terwijl zijn moeder Trudy en haar minnaar Claude – tevens de oom van de foetus – hun liefde willen bezegelen door John, de man van Trudy en de broer van Claude, te vermoorden. Trudy en Claude zijn er op gebrand het waardevolle huis dat aan John toebehoort, maar waar de nog niet van John gescheiden Trudy alleen woont, te verkopen zodat zij de rest van hun leven in liefde én rijkdom kunnen vieren. De foetus hoort het allemaal aan en geeft daarmee de lezer een bijzondere inkijk in de relatie tussen Trudy en Claude en hun snode plannen.

Hamlet
Een inkijk die een extra dimensie krijgt door het feit dat Trudy en Claude de hedendaagse versie van Gertrude en Claudius zijn uit Hamlet. De klassieke tragedie over Hamlet, de Prins van Denemarken van de hand van William Shakespeare handelt over de wraak die Hamlet neemt op zijn oom Claudius die zijn vader heeft vermoord en daarbovenop ook nog eens diens troon én vrouw heeft ingepikt. Bij de foetus ligt het natuurlijk allemaal wat gecompliceerder. De foetus krijgt – in tegenstelling tot Hamlet – zijn informatie niet van de geest van zijn vader, immers die leeft nog. Het enige wat de foetus nodig heeft om achter het complot tegen zijn vader te komen, is het feit dat hij in de baarmoeder van zijn moeder zit en daarmee op de eerste rij zit. Tegelijkertijd is dit ook de reden dat hij de snode plannen allerminst kan voorkomen. Zo maak je als lezer – via de foetus – van dichtbij het complot dat Claude en Trudy tegen John smeden alsmede de ontknoping ervan van dichtbij mee. Zo dichtbij dat ook het liefde bedrijven een ongemakkelijke aangelegenheid wordt aangezien Trudy – die ook niet beknibbelt op de wijn – in dit late stadium van haar zwangerschap Claude rustig zijn gang laat gaan. Zeer tegen de zin van haar foetus die flink wat lichamelijk ongemak ondervindt van de hitsige Claude. Daarmee is meteen ook de aantrekkingskracht van dit boek inzichtelijk geworden. Door het aparte vertelperspectief wordt een nogal alledaags en niet bijster complex uitgewerkt verhaal voorzien van een bizarre dimensie dat het lezen van Nutshell bijzonder de moeite waard maakt. Zeker omdat onze foetus een heerlijk meanderende blik op de wereld heeft en er niet voor terugdeinst om dit in prachtig proza aan de lezer kenbaar te maken.

Niet de beste McEwan
Dat laat overigens onverlet dat Nutshell – zeker voor de liefhebbers van de Engelste taal in het algemeen en McEwan in het bijzonder – in de basis een geslaagde roman is geworden en weer wat nieuws aan het genre toevoegt, het desalniettemin meer een tussendoortje is dan een echte klassieker in de mal van Atonement en Saturday. Daar is Nutshell net iets te  ‘licht’  voor en niet een boek dat je er nog eens bij pakt. Desalniettemin laat McEwan zien dat hij ook bij zijn veertiende roman niet in herhaling valt. Telkens weet McEwan te verrassen door een nieuwe dimensie aan zijn oeuvre toe te voegen. En met deze bijzondere hoofdrolspeler is hij daar zonder meer in geslaagd.


In september is ‘Nutshell’ van Ian McEwan verschenen. De Nederlandse vertaling ‘Notendop’ – uitgegeven door Uitgeverij De Harmonie - is inmiddels ook beschikbaar.