maandag 30 september 2013

Concert 25 september 2013: Bernard Haitink to the rescue!

© ClassicFM

Beethoven:
Ouverture 'Leonore' Nr. 2
Tweede Pianoconcert
Vierde Symfonie
Ouverture 'Egmont' 

Maria João Pires (piano)
Bernard Haitink, Orchestra Mozart
Concertgebouw, Amsterdam

Na jaren zou Claudio Abbado weer Nederland aandoen. Een doktersadvies gooide roet in het eten, maar zorgde voor een subliem Beethoven-programma door niemand minder dan Bernard Haitink en pianiste Maria João Pires.

Langzamerhand beginnen de big beasts onder de dirigenten een dermate hoge leeftijd te bereiken dat hun gezondheid de beoefening van hun mooie vak in de weg staat. Het komt steeds vaker voor dat toppers zoals Pierre Boulez (1925), maar ook de veel jongere Mariss Jansons (1943), concerten moeten afzeggen. Dit tot grote teleurstelling van de concertbezoekers die vooral komen voor de kunsten van legendarische maestro’s en – ondanks een goed gerepeteerd orkest – opgescheept komen te zitten met een onbekende vervanger.

Onheil
Woensdag zou voor het eerst in jaren Claudio Abbado (1933) weer zijn opwachting maken in Nederland. Ditmaal met zijn Orchestra Mozart uit Bologona dat sinds het debuut in november 2004 stevig aan de weg timmert en de afgelopen jaren – met Claudio Abbado – furore maakt met prachtige opnames van onder andere de symfonieën en concerto’s van Mozart en recent de Tweede Symfonie van Schumann uitbracht. Helaas moest de al jaren met een broze gezondheid worstelende Abbado op doktersadvies de concerten in het Amsterdamse Concertgebouw afzeggen. Dit geldt niet alleen voor de concerten in Nederland, maar ook de overige concerten van de Europese tour van het Orchestra Mozart. En passant besloot pianiste Martha Argerich, die het Eerste Pianoconcert van Beethoven ten gehore zou brengen, ook voor dit concert af te zeggen. Een recipe for disaster tekende zich af, maar het Concertgebouw heeft het naderende onheil in een daverend succes weten om te zetten door niemand minder dan Bernard Haitink en sterpianist Maria João Pires te strikken voor dit concert

Kwiek
Hoewel Bernard Haitink (1929) de tachtig ruimschoots is gepasseerd, zegt hij zelden om gezondheidsredenen af. Schijnbaar kwieker dan een tijd geleden betrad de muzikale grootmeester het Concertgebouw en leidde het Orchestra Mozart alsof hij al jaren niet anders deed. Het programma van Abbado met alleen werken van Beethoven werd met een kleine wijziging overgenomen: de ouverture Leonore Nr. 2, het Tweede Pianoconcert en de Vierde Symfonie. Argerich zou het Eerste Pianoconcert spelen, Pires koos voor het Tweede Pianoconcert. De liefde was wederzijds want orkest en dirigent vonden elkaar in hun muzikale opvattingen. Het Orchestra Mozart speelde in een intiemere kamerbezetting waardoor de uitvoering volstrekt transparant was. De subtiele dirigeerwijze van Haitink kwam hierdoor volledig tot zijn recht en gaven een uniek inzicht in deze werken van Beethoven. Een wijze van uitvoering die eventuele oneffenheden in het orkest meteen hoorbaar zou maken. Het Orchestra Mozart speelde uitermate strak en was daarom een genot voor het oor en oneffenheden waren non-existent.

Na een subtiele uitvoering van Leonore met uitgekiende spanningsboog volgde het Tweede Pianoconcert. Van Haitink en Pires is bekend dat zij uitermate succesvol samenwerken en dat was goed te horen. Het prachtige virtuoze spel van de Portugese Pires sloot naadloos aan op het orkestwerk van Haitink. De balans was immer goed met als resultaat een voorbeeldige en meeslepende uitvoering.

Feestje
Na de pauze volgde de Vierde Symfonie van Beethoven. Een symfonie die de vergelijking met bijvoorbeeld de Derde, Vijfde of Zevende (laat staan de epische Negende) minder goed doorstaat. In de handen van Haitink werd deze symfonie toch nog een feestje. Desalniettemin is het niet echt een geschikt werk om een dergelijk concert af te sluiten. Haitink voelde dit zonder meer aan en keerde – na omstandig en terecht door het publiek én het orkest te zijn bejubeld – terug op de bok voor een toegift en sloot een fantastische avond af met een spetterende uitvoering van de Egmont-ouverture. 

Claudio Abbado zou met zijn ‘Orchestra Mozart’, met medewerking van pianiste Martha Argerich, op 25 & 26 september twee concerten met werk van Beethoven dirigeren. Op doktersadvies heeft Abbado moeten afzeggen. Argerich heeft eveneens afgezegd. Abbado is op 25 september vervangen door Bernard Haitink en op 26 september door Diego Matheuz. Op beide data is Argerich vervangen door Maria João Pires.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

vrijdag 27 september 2013

De corruptie van de jeugd revisited: 'The Catcher in the Rye' van J.D. Salinger


Groot was de controverse over de vermeende corruptie van de jeugd door The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, maar wie schrikt tegenwoordig nog van deze schelmenroman?

De corruptie van de jeugd en het aanzetten tot geweld is een thema waarbij films en televisieseries, maar vooral games de gebeten hond zijn. De (lichte) ophef over het gewelddadige effect van het recent verschenen Grand Theft Auto V is daar een goed voorbeeld van. De moord op twaalf scholieren tijdens de Columbine Shooting (1999) leidde tot beschuldigingen richting games als Wolfenstein en Doom, maar ook Oliver Stone’s film Natural Born Killers. De relatie tussen gewelddadige films en games is – zover deze recensent weet althans – nog nooit echt overtuigend aangetoond, toch wordt de relatie – niet geheel onbegrijpelijk – wel vaak gelegd. Het lijkt daarbij overigens wel voor de hand te liggen dat indien dergelijke films en/of games als inspiratiebron dienen, er bij de geïnspireerde  aspirant-moordenaar toch in beginsel al een steekje (of meerdere steekjes) los moet zitten.

Deze thematiek lijkt toch vooral iets van het laatste deel van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw waarin de onschuldige jeugd steeds meer (gewelddadige) prikkels voorgeschoteld krijgt. Toch is de corruptie van de jeugd een thema dat zo oud als de wereld zelf is en elk tijdperk kent zijn eigen steen des aanstoots. Toen de wereld halverwege de 20ste eeuw niet beschikte over (video)games, maar slechts spellen van een hele andere orde, speelde dezelfde discussie over de corruptie van de jeugd in relatie tot boeken. Het bekendste Nederlandse voorbeeld is de zogenaamde ‘schelmenroman’ Ik, Jan Cremer (1964) van de gelijknamige Jan Cremer. De voor die tijd expliciete seksualiteit deed het keurige en burgerlijke Nederland toch licht op haar grondvesten schudden. 

Jan Cremer was overigens niet de eerste wiens boek de tere kinderziel tot het kwade verleidde. J.D. Salinger (1919-2010) was hem al ruim een decennium voor met het in 1951 uitgebrachte The Catcher in the Rye. In The Catcher in the Rye volgen we de zestienjarige Holden Caulfield die na van school getrapt te zijn omzwervingen maakt door zijn hometown New York en daarbij de moeilijkheden van puberteit en seksualiteit inzichtelijk maakt. Deze thema’s en het (voor die tijd!) expliciete karakter van het boek zorgden ervoor dat The Catcher in the Rye ten prooi viel aan censuur in het Amerikaanse onderwijs. Mede door deze censuur is The Catcher in the Rye één van de bekendste boeken in de Engelstalige literatuur en wordt er grote invloed aan toebedacht. Het knappe daarbij is dat J.D. Salinger zich zo goed wist in te leven in het personage van Holden Caulfield en de tienercultuur van die tijd. Holden Caulfield is daarmee een icoon van die tijd geworden. Een literaire James Dean zo u wilt. 

Overigens heeft The Catcher in the Rye zijn faam ook te danken aan de schrijver. J.D. Salinger heeft meer geschreven dan alleen dit boek, maar The Cather in the Rye is wel zijn meest omvattende werk. Door de relatie die Time legde tussen het werk en het eigen leven van Salinger, leidde hij vanaf 1965 het leven van een kluizenaar. Een makkelijke man schijnt het daarvoor, maar zeker daarna, ook niet te zijn geweest. Dit kluizenaarsbestaan en de controverse rondom het boek hebben geleid tot een bijna mythische status.

Bij het lezen van The Catcher in the Rye ruim zestig jaar na de eerste uitgave, moet geconstateerd worden dat die mythische status, gerelateerd aan dat tijdperk en de samenkomst van controverse met het teruggetrokken bestaan van Salinger, begrijpelijk is, maar op grond van het boek zelf toch een stuk minder. Het boek is een mooi tijdsbeeld van de Verenigde Staten van de naoorlogse jaren en dan vooral van New York, maar geen hedendaagse lezer die zal schrikken van het taalgebruik en de (tamme) seksualiteit. Dat is overigens geen diskwalificatie van het boek, aangezien een boek nooit volledig los kan worden gezien van het tijdperk waarin het is geschreven.

Met de uitgave van de – de recensies in ogenschouw nemend –  definitieve biografie van J.D. Salinger van David Shields en Shane Salerno en het nieuwtje uit een documentaire dat Salinger bij zijn dood opdracht heeft gegeven tot het uitbrengen van ‘nieuw’ werk van zijn hand, is het helemaal geen gek idee om deze klassieker nog eens te lezen. Maar na het lezen de handjes netjes boven de dekens!

‘Het Goede Leven’ bespreekt klassiekers uit de Amerikaanse literatuur van de 20ste eeuw. Eerder werden ‘The Great Gatsby’ van F. Scott Fitzgerald, ‘Of Mice and Men’ van John Steinbeck en ‘The Old Man and the Sea’ van Ernest Hemingway besproken. 

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

donderdag 19 september 2013

Niet al het goede komt uit Scandinavië: 'The Hypnotist'


Met The Hypnotist laat Lasse Hallström zien dat ook de Scandinavische film- en televisiehausse de plank kan misslaan.

Het succes van de Scandinavische film- en televisie-industrie – met name op het gebied van (politie)thrillers – behoeft geen introductie meer. Series als The Killing en Borgen, maar ook de filmversie van de Millennium-trilogie zijn overbekend in Nederland en daarbuiten. En voor wie nog een opfrisser op dit vlak nodig heeft kan terecht bij een eerdere recensie van het derde (en laatste) seizoen van The Killing

De Zweede regisseur Lasse Hallström hiphopt als MC Hammer achter de trend aan en keert na een reeks van Engelstalige films (waaronder The Cider House Rules, Casanova, Shipping News en What’s Eating Gilbert Grape) terug naar zijn vaderland voor de verfilming van Hypnotisören van de Zweedse bestsellerschrijver van thrillers Lars Kepler.

De film begint voorspoedig met een beklemmende moord op een gymleraar en de ontdekking dat kort daarna de rest van zijn familie – op zijn zoon na die zwaargewond is geraakt – eveneens door messteken op gruwelijke wijze om het leven is gebracht. De enige getuige en daarmee hoop voor de dienstdoende inspecteur is de zwaargewonde zoon die echter in een coma ligt.

Tot op dat moment ben je als kijker in de volle verwachting dat je twee heerlijk spannende uurtjes tegemoet gaat in de traditie van The Killing. Gezien de titel van de film – The Hypnotist – is het feit dat een hypnotiseur aan bod komt al in het verwachtingspatroon opgenomen, dus niets belet deze film om aan die verwachtingen te voldoen. De constatering dat de coma de zoon van de gymleraar het onmogelijk maakt om de moordenaar aan te wijzen en de (op hetzelfde moment ontdekte) informatie dat er nog een dochter is die niet thuis woont en daarmee in levensgevaar verkeert, doet inspecteur Joona Linna een noodgreep uithalen. Een noodgreep die hem overigens op ongeloofwaardige wijze op een presenteerblaadje wordt aangereikt door de dienstdoende verpleegster. Een belangrijke getuige in coma toch laten praten, zie je haar denken. En jawel hoor: ze brengt de inspecteur op het idee een medische collega, die vroeger bijkluste als hypnotiseur, erbij te halen.

Gelukkig voor alle betrokkenen is deze hypnotiseur, ondanks het trauma dat hij aan zijn bijklussen heeft overgehouden, niet te beroerd zijn steentje bij te dragen aan het onderzoek. Vanaf dat moment wordt de film een invuloefening waarbij de sfeer immer goed getroffen wordt, maar van karakterontwikkeling niet echt sprake is en de loop van het verhaal van toevalligheden aan elkaar hangt. En in alle eerlijkheid: als kijker interesseert het je allemaal eigenlijk ook niet meer. Dit alles wordt afgesloten door een slotscène in de sneeuw waar natuurlijk de laatste confrontatie met de (echte) moordenaar plaatsvindt en met behulp van een grote passagiersbus (in Zweden kun je in de middle of nowhere blijkbaar gewoon nog bussen vinden) en wat krakend ijs nog een lekker actiemoment wordt gepakt.

Met alle goede wil van de wereld valt deze film, die vandaag op DVD verschijnt en al eerder even in de bioscoop draaide, niet aan te bevelen, hoe graag ik als liefhebber van de Scandinavische film- en televisie-industrie dit ook zou willen. Hypnose kan misschien nog soelaas bieden. 

De trailer van 'The Hypnotist':


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zaterdag 14 september 2013

Concert 13 september 2013: Filmmuziek als redding van het modernisme


AAA-Festival:
Suspense: Music & Cinema

Herrmann: delen uit Vertigo 
(Prelude - The Nightmare - Scène d'Amour)

Schönberg: Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene

Merkies: Elevator Sequence
(muziek bij een scène uit de film 'The Silence of the Lambs')

Van Warmerdam: Louisiana Story
(muziek bij een scène uit de gelijknamige film)

Roukens: Chase
(muziek bij een scène uit de film 'Ronin')

Herrmann: delen uit Psycho
(Prelude - The City - The Rainstorm- The Murder - 
The Water - The Swamp - The Cellar - Finale)

Lutyens: delen uit The Skull

Bartók: suite De Wonderbaarlijke Mandarijn

David Robertson, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Het Koninklijk Concertgebouworkest onder David Robertson presenteer een geslaagde crossover tussen film- en klassieke muziek en verbindt filmmuziek met het modernisme.

This suspense is terrible. I hope it will last. Oscar Wilde’s uitspraak is volledig van toepassing op het heerlijke concert van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in de avontuurlijke AAA-serie. Onder de titel Suspense: Music & Cinema leidde gastdirigent David Robertson het orkest en het publiek door een muzikale reis die modernisten in de klassieke muziek Arnold Schönberg (1874-1951) en Béla Bartók (1881-1945) verbond met modernisten van de filmmuziek: Bernard Herrmann (1911-1975) en Elisabeth Lutyens (1906-1983). En passant werden ook nog drie nieuwe werken uitgevoerd van de Nederlandse (film)componisten Fons Merkies (1966), Vincent van Warmerdam (1956) en Joey Roukens (1982).

De AAA-serie is sinds enkele jaren vast onderdeel van het aanbod van het KCO en richt zich op de relatie tussen verschillende kunstvormen en actualiteit. Met ingang van dit seizoen is het EYE Filmmuseum een partner in de AAA-serie en kan een filmische dimensie uiteraard niet ontbreken. Daarbij is gekozen voor het samenbrengen van modernisme in de klassieke en filmmuziek waarbij muziek een uiting is van suspense. En laat Bernard Herrmann – de huiscomponist van de Master of Suspense Alfred Hitchcock – nou het ideale voorbeeld zijn van een filmcomponist die met zijn muziek de avant-garde naar het grote publiek bracht. Want luisterend naar de uitvoering van delen uit Vertigo en Psycho door het beste orkest ter wereld is niet alleen genieten, maar laat zonneklaar de relatie zien tussen de muziek van Herrmann met componisten zoals Schönberg en Bartók. Dit geldt overigens evenzo voor de Britse componist Elisabeth Lutyens met haar muziek voor The Skull van de legendarische horrorfilmstudio Hammer.

Niet alleen speelde het KCO voor het eerst het werk van Herrmann – die overigens ook een mislukte (doch niet onverdienstlijke!) poging heeft gedaan om als ‘reguliere’ componist aan de bak te komen – tevens was de Grote Zaal van het Concertgebouw uitgerust met een groot scherm waarop de muziek door beeld werd begeleid, in het geval van de muziek van Herrmann, door scènes uit Vertigo en Psycho. En dat is niet zo vreemd, want hoe goed sommige filmmuziek te beluisteren is zonder de bijbehorende film, de ervaring is nooit geheel compleet zonder het beeld. Immers is filmmuziek gecomponeerd in onlosmakelijke relatie met het verhaal dat op het scherm wordt verteld en versterkt moet worden door de muziek. Dit werd nog eens onderstreept door Schönbergs Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene. Deze ‘compositie voor een denkbeeldige film’ als materiaal voor een ‘filmmuziekbank’ bleek – tot grote verbazing van Schönberg wiens muziek niet vaak enthousiast door het toenmalige publiek werd onthaald – populair te zijn. In de AAA-serie werd de muziek de achtergrond voor Bits&Pieces, een compilatie van ‘snippers’ film uit het archief van EYE.

Overigens maakten vooral de composities in opdracht van het KCO inzichtelijk waarom beeld en muziek hand in hand gaan, maar ook dat filmcomponisten minder vrij kunnen opereren dan andere componisten. Fons Merkies, Vincent van Warmerdam en Joey Roukens schreven muziek voor een scène uit respectievelijk The Silence of the Lambs, Louisiana Story en Ronin. Het knappe was dat – en dat gold met name voor The Silence of the Lambs – de nieuwe muziek volledig paste bij het beeld ook al was de oorspronkelijke muziek overbekend. Hiermee werd treffend aangetoond wat de meerwaarde van muziek in films kan zijn, maar ook hoe de componist niet ongestraft het beeld links kan laten liggen. 

Hoewel filmmuziek nu niet bepaald een dagelijkse bezigheid is bij het KCO was daar door het enthousiasme van dirigent David Robertson niets van te merken. Alleen al de volle en magistrale klank die het KCO in Vertigo ten gehore bracht, maakte de gang naar Amsterdam meer dan de moeite waard. En dan werd het programma ook nog eens afgesloten met een zinderende uitvoering van de suite van De Wonderbaarlijke Mandarijn van Béla Bartók waarbij de horror van het verhaal als basis voor de muziek de laatste relatie legde in dit meer dan geslaagde concert uit de verrassende AAA-serie. Het muzikale seizoen is met een knaller begonnen!

Van 11 tot en met 15 september vindt het AAA-festival 'Suspense: Music & Cinema' plaats op diverse plekken in Amsterdam waaronder het Concertgebouw en het Stedelijk Museum. Deze recensie is op basis van het concert op 13 september 2013 in het Concertgebouw.

Lees hier een eerdere recensie van de film ‘Vertigo’.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

donderdag 5 september 2013

Opera 4 september 2013: DNO én Stephen Gould schitteren in Wagner's 'Siegfried'

© De Nederlandse Opera

De Nederlandse Opera:
Wagner: Siegfried

Stephen Gould, Siegfried
Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, Mime
Thomas Johannes Mayer, Der Wanderer
Werner van Mechelen, Alberich
Jan-Hendrik Rootering, Fafner
Marina Prudenskaja, Erda
Catherine Naglestad, Brünnhilde

Hartmut Haenchen, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Met Siegfried is De Nederlandse Opera (DNO) is gestart met het voorlaatste deel uit Richard Wagner's monumentale Der Ring des Nibelungen. En nog steeds doet de voortreffelijke DNO-productie uit 1997 van Pierre Audi (regie), George Tsypin (decor) en Hartmut Haenchen (muzikale leiding) dienst in het  Muziektheater.  In november wordt Götterdämmerung opgevoerd en komt langzaam een einde aan deze productie. Het einde van deze productie en het feit dat het dit jaar 200 jaar geleden is dat Richard Wagner (1813-1883) geboren is voor DNO aanleiding om in januari en februari de gehele Ring achtereenvolgens uit te voeren. Na het wegsterven van de laatste noot zal het decor hetzelfde lot ondergaan als het goddelijke Walhalla: totale vernietiging. 

Het zegt veel over de kwaliteit van DNO dat een productie met zoveel succes al zolang meegaat. Want gelijk de eerdere reprises van Das Rheingold en Die Walküre is Siegfried in de visie van Pierre Audi en Hartmut Haenchen een genot om naar te kijken en te luisteren.  En misschien is Siegfried wel het hoogtepunt van de hele Ring. Dat zou je op het eerste gezicht niet zeggen aangezien de bekende bleeding chunks uit Wagner's magnum opus toch vooral lijken te komen uit de de drie andere delen van Der Ring. Daarbij komt ook nog eens het opmerkelijke feit dat Richard Wagner halverwege de Ring door gebrek aan geld en creativiteit juist bij Siegfried zijn werk staakte. Pas na het financiële infuus van de Beierse koning Ludwig II en creatieve impuls door Tristan und Isolde en Die Meistersinger von Nürnberg hervatte Wagner Siegfried en daarmee Der Ring. Deze cesuur is in de muziek ook goed te horen door het verschil tussen enerzijds de eerste twee aktes en anderzijds de derde akte van Siegfried. In de laatste akte van Siegfried is bijvoorbeeld in het slotduet van Siegfried en Brünnhilde de invloed van Tristan und Isolde goed te horen. En toch is er voor ondergetekende - zeker in de uitvoering door DNO - zeker een mogelijkheid dat Siegfried aanspraak kan maken op de titel eerste onder diens gelijken binnen de Ring.

Op de een of andere manier lijkt het verhaal, maar vooral ook de emoties waar het verhaal voor staat meer aan te spreken en in balans dan in de andere delen. In Siegfried ontmoeten we de held (en oorspronkelijke inspiratiebron voor de gehele Ring) Siegfried wiens moeder Sieglinde aan het einde van Die Walküre onder bescherming van Wotan's dochter Brünnhilde het woud in vlucht. In dit woud wordt Siegfried geboren als vrucht van de incest tussen broer Siegmund en zus Sieglinde. Sieglinde sterft bij de bevalling waarna Siegfried wordt opgevangen en opgevoed door Mime, ook bekend als kolderieke broer van de gemene Alberich die in Das Rheingold het goud uit de Rijn omsmelt tot de machtige Ring die de bron van alle ellende is. De moeizame relatie tussen Mime en Siegfried is onderwerp van de eerste akte terwijl in de tweede akte Siegfried - die geen angst kent - de strijd aangaat met de draak Fafner die - wederom als gevolg van Das Rheingold - beschikt over de Ring. Dit aangejaagd door de alom op de achtergrond aanwezige Wanderer (Wotan!) en Mime die Siegfried wil misbruiken om zelf de Ring te bemachtigen. Een doel dat zijn in een kleine rol opduikende broer Alberich (wederom) probeert na te streven. Mime wordt doorzien door Siegfried en vindt daarmee zijn dood. Daarmee heeft Siegfried echter nog geen angst gevonden. In derde akte gaat hij op zoek naar Brünnhilde op wiens bestaan hij door de Waldvogel is gewezen. Hij treft echter eerst de Wanderer (thans zijn grootvader Wotan). Wat volgt is een strijd tussen de generaties waarbij de speer van Wotan het onderspit delft en daarmee definitief het einde van de goden wordt ingeleid. Siegfried treft zijn bruid en via een prachtig duet bezingen ze elkaar's liefde niet wetende dat een Götterdämmerung in het verschiet ligt. 

Wagner weet dit verhaal en de emoties op prachtige wijze op muziek te zetten waarbij de diverse leitmotiven op steeds ingenieuzere wijze in de muziek verwerkt worden.  Hartmut Haenchen laat het Nederlands Philharmonisch Orkest daarbij schitteren, maar moet - sans rancune - zijn meerdere erkennen in de werkelijk fantastische wijze waarop Stephen Gould (begonnen bij de Amerikaanse versie van The Phantom of the Opera!) Siegfried gestalte geeft. Wat een stemgeluid en een beheersing. Een goede tweede is overigens de Mime van Ablinger-Sperrhacke die op koddige maar doortrapte wijze zich uitleeft in zijn rol. Deze zlefde Ablinger-Sperrhacke deed ook al als Mime mee in Das Rheingold. Het mooie aan deze DNO-productie is dat het qua solisten een feest van herkenning is: Der Wanderer/Wotan, Alberich, Fafner en Erda herhalen hun rol uit de eerdere delen van de Ring. Alleen de Brünnhilde van Catherine Naglestad is nieuw (geen straf!). Daarbij mag de Wotan van Thomas Johannes Mayer niet onvermeld blijven. Met een goddelijke waardigheid en vereenzelvigd met naderende einde van de macht van de goden domineert hij op de achtergrond. 

Voor de liefhebber van opera in het algemeen en het werk van Richard Wagner in het bijzonder is de DNO-productie van Der Ring een must-see en deze Siegfried is daarbij wellicht het absolute hoogtepunt.


De uitvoeringen van de vier delen van 'Der Ring des Nibelungen' maken deel uit van een bredere uitvoering van de opera's van Wagner door De Nederlandse Opera die ook uitvoeringen omvatte van Parsifal en Die Meistersinger von Nürnberg

maandag 2 september 2013

'Man's World' van Rupert Smith & 'London Triptych' van Jonathan Kemp


Het lezen van Man's World van Rupert Smith en London Triptych van Jonathan Kemp - beide boeken zijn in 2010 voor het eerst gepubliceerd - leidt tot het besef dat de homoliteratuur sinds de Tweede Wereldoorlog ontzettend is veranderd. Homoseksuele schrijvers en aartsvaders van de homoliteratuur zoals Truman Capote, Gore Vidal, Christopher Isherwood en Tennessee Williams schreven besmuikt  en gecamoufleerd over the love that dares not speak it's name en openden daarmee langzaam een deur naar de acceptatie van homoseksualiteit in de Westerse wereld. Voor hedendaagse schrijvers ligt dit anders. De scheidslijn tussen 'gewone' literatuur en homoliteratuur is een dunne en vaak in the eye of the beholder. Want waarom zou een roman waar toevallig één (of meerdere) van de hoofdrolspelers homo is meteen geclassificeerd moeten worden als homoliteratuur? Immers gaat het niet gewoon om menselijke relaties of deze nu hetere- of homoseksueel van aard zijn? 

Gevoelsmatig trekt ondergetekende de scheidslijn wanneer de thematiek van een roman homogerelateerd is en zeggingskracht heeft over de positie van homo's binnen de samenleving dan wel de focus legt op het homoseksuele leven. Het oeuvre van de Britse schrijver Alan Hollinghurst is hier een goed voorbeeld van. Een tweetal van zijn boeken die ik eerder las, The Spell en The Swimming-Pool Library, zijn relatief expliciet en handelen met name over gay life in het Verenigd Koninkrijk. The Line of Beauty en The Stranger's Child hebben ook hun fair share aan homoseksuele hoofdfiguren, maar die worden beschreven tegen de achtergrond van een breder maatschappelijk tableau. The Line of Beauty is bijvoorbeeld ook een weergave van het Verenigd Koninkrijk in het tijdperk-Thatcher. Weliswaar met een focus op het leven van homo's en de opkomst van HIV/AIDS, maar gevoelsmatig toch breder dan eerdere boeken van Hollinghurst. 

Zoals gezegd is deze scheidslijn arbitrair, maar ontegenzeggelijk hebben de huidige homoseksuele schrijvers een volstrekt andere rol hebben dan hun befaamde voorgangers. Gore Vidal, Christopher Isherwood c.s. waren wegbereiders wiens werk een emancipatoire werking kreeg. De huidige generatie schrijvers hebben daar veel voordeel van: hun werk is gericht op het homoleven zoals het is en niet zoals het zou moeten zijn. Daarbij overigens de stevige voetnoot dat deze constatering (helaas) alleen geldt voor het grootste deel van de Westerse wereld. Homo's in landen zoals Rusland staan er - dit moge bekend verondersteld zijn - een stuk slechter voor en moeten vrezen voor een verdere verslechtering. 

Vanuit dit perspectief zijn Man's World van Rupert Smith en London Triptych van Jonathan Kemp wel degelijk representanten  van de moderne homoliteratuur. Hun hoofdpersonen zijn zonder meer homo, maar tegelijkertijd hebben zijn de ontwikkeling van de homo-emancipatie tot onderwerp van hun respectievelijke boeken gemaakt. Zowel Smith als Kemp kiezen ervoor om de kijker mee te nemen in een aantal verhalen die in verschillende tijdperken spelen, maar wel met elkaar verbonden zijn. En beide schrijvers kiezen voor Londen als de stad waar het gebeurt en homoseksualiteit de normaalste zaak van de wereld is. Londen is - naast de hoofdpersonages - misschien wel dé hoofdrolspeler van deze boeken.

Man's World van Rupert Smith
Rupert Smith vertelt in Man's World de verhalen van Robert en Michael. Het verhaal van Robert is het leven van een homoseksuele man in het hedendaagse Londen terwijl Michael vijftig jaar eerder leeft en net na de Tweede Wereldoorlog zijn homoseksualiteit moet verbergen terwijl hij dienstplicht heeft bij de Royal Airforce. Tijdens die dienstplicht leert hij zijn toekomstige partner Mervyn kennen die worstelt met zijn homoseksualiteit en Stephen van wie iedereen weet dat hij homo is en uiteindelijk wordt verwijderd van de basis en wordt opgenomen om te genezen van de ziekte die homoseksualiteit toen nog was. Het leven van Robert is volstrekt anders: voor hem geen vrees dat hij vanwege zijn homoseksualiteit een leven in de marge moet leven. Zijn homo-zijn is gewoon onderdeel van zijn leven en geen aanleiding tot ellende. Ondanks een - op z'n zachtst gezegd - onstuimig leven kent hij weinig vrees voor die homo-buggaboo uit de jaren tachtig: HIV/AIDS. Uiteindelijk komt Robert, zoals velen van zijn evenzo losgeslagen hetero-leeftijdgenoten, tot rust en vindt hij geluk met een collega van kantoor en blijken de levens van Robert en Michael elkaar via Stephen gekruist te zijn. 

London Triptych van Jonathan Kemp
In London Triptych vertelt Jonathan Kemp zelfs drie verhalen. Ditmaal allemaal rondom (fictieve) homo's die het oudste beroep ter wereld uitoefenen in een Londen van drie tijdperken waarbij de achtergrond van het verhaal gebaseerd is op de werkelijkheid. We maken kennis met Jack Rose in 1894 die de kost verdient als prostituee en in aanraking komt met Oscar Wilde. Via Jack wordt de homowereld van het negentiende-eeuwse Londen inzichtelijk gemaakt en komt zijdelings het fameuze proces tegen Oscar Wilde aan bod. Rose is onderworpen aan het humeur van de politie en justitie en komt veelvuldig in aanraking met hem, niet alleen vanwege het verkopen van zijn lichaam, maar vooral vanwege het feit dat hij zijn lichaam aan andere mannen verkoopt. Vijftig jaar later wordt het verhaal van Colin Read verteld. Deze schuchtere artistieke vijftiger worstelt met zijn homoseksualiteit en heeft een bijzondere relatie met zijn (teken)model Gregory die zijn lichaam aan alle mannen verkoopt behalve aan Colin. Door Gregory komt Colin in aanraking met de politie die zonder aanleiding homo's lastig vallen om de simpele reden dat ze homo zijn. In het derde verhaal vertelt de prostituee David zijn verhaald over het verkopen van liefde en het vinden van echte liefde bij een andere prostituee die hem niet op die manier liefheeft en uiteindelijk in aanraking doet komen met justitie, maar niet vanwege zijn homoseksualiteit. Ook deze verhalen - het kan bijna niet anders - worden ook met elkaar verbonden door het feit dat Jack Rose in het verhaal van Colin Read vijftig jaar later een kleine rol speelt en dit evenzo geldt voor Gregory in het verhaal van David. 

Hoewel deze boeken bij toeval gecombineerd zijn, lezen ze allebei heerlijk weg en maken ze onbewust veel duidelijk over de stand van homo-emancipatie. Juist door dit soort volwassen boeken waar homoseksualiteit een hoofdrol speelt zonder hysterisch te worden, wordt de verdere emancipatie van homo's een dienst bewezen. Tegelijkertijd geven ze een inkijk in een intolerante wereld die nog niet zo lang in ons verleden ligt en - in wredere vorm - lijkt op te komen in landen zoals Rusland waarbij homo's steeds meer en vaker in de rol van nationale zondebok worden geduwd. Dan mag vastgesteld worden dat de publicatie van dit soort boeken veelzeggend is over de wijze waarop in onze maatschappij wordt omgegaan met homoseksualiteit.