maandag 28 december 2015

Ballet 27 december 2015: Een Mokumse Notenkraker


Nationale Opera & Ballet
Notenkraker en Muizenkoning
(Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, 1840-1893)

Anna Tsygankova, Clara Staalboom
Jozef Varga, Neef van oom Drosselmeijer / De Prins
James Stout, De Notenkraker
Nicolas Rapaic, Oom Drosselmeijer
Jared Wright, De Muizenkoning

Het Nationale Ballet
Ermanno Florio, Het Balletorkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Het Nationale Ballet herneemt met Notenkraker en Muizenkoning een voortreffelijke enscenering van Tsjaikovski's klassieker. Een uitvoering die de wondere sprookjeswereld van E.T.A. Hoffmann plaatst in het 19e eeuwse Amsterdam en ook nog eens een verhaal weet te vertellen.

De Notenkraker is ongetwijfeld één van de meest geliefde klassiekers voor de feestdagen en het is daarom niet verrassend dat in de decembermaand ontelbare en drukbezochte voorstellingen van Tsjaikovski's balletklassieker door diverse gezelschappen worden uitgevoerd. Toch zal de uitvoering door het Nationale Ballet - voor het eerst uitgevoerd in 1996 - tot de nodige verrassingen leiden. Niet in de laatste plaats doordat de gemütliche Duitse kerstsfeer plaats heeft gemaakt voor oerhollandse gezelligheid. De familie Stahlbaum is nu de familie Staalboom die een mooi grachtenpand bewoont in het Amsterdam aan het begin van de 19e eeuw. Ook de Kerstman en de Kerstboom hebben plaats moeten maken voor Sinterklaas en Zwarte Piet. Een passende keuze hoewel dit enkele ouders tijdens de voorstelling wel wat in de problemen bracht hoe uit te leggen wat Sinterklaas en Zwarte Piet een kleine maand na hun vertrek nog in Nederland deden... En het plaatste het Nationale Ballet ook voor de keuze wat te doen met Zwarte Piet. In deze uitvoering is Zwarte Piet een compromispiet: zwarte strepen sieren zijn gelaat. Historisch weinig correct, maar voor de aanwezige (Amsterdamse) kinderen vast zeer herkenbaar. 

Een afgerond verhaal
Hoewel geschreven tegen het einde van zijn leven in een weinig vrolijke tijd voor Tsjaikovski is de muziek van de Notenkraker tijdloos en universeel herkenbaar. Het verhaal dat muziek en ballet moet binden is dat helaas niet. In de kern bestaat de Notenkraker uit de viering van de feestdagen bij de familie Staalboom waarbij de kleine Clara van oom Drosselmeijer een notenkraker krijgt. Na afloop van het feest droomt Anna over de notenkraker diens gevecht met de Muizenkoning. Nadat dit gevecht heeft plaats gevonden, moet de tweede helft van het ballet nog beginnen wat zich meestal beperkt tot een exposé van allerhande dansend snoepgoed. Toer van Schayk koos in 1996 niet alleen voor een Mokumse variant, maar ook een ballet waar de strijd tussen de Notenkraker en de Muizenkoning de rode draad vormt van het gehele verhaal. Niet voor niets is het voor het Nationale Ballet Notenkraker en Muizenkoning, want na de (eerste) strijd tussen beide kemphanen neemt de mysterieuze oom Drosselmeijer Clara en haar Prins mee in de magische wereld van zijn toverlantaarn. De Muizenkoning is het liefdespaar echter gevolgd waardoor de strijd doorgaat en na de dood van de Muizenkoning Clara en de Notenkraker diverse landen "bezoeken" die - op de heerlijke muziek van Tsjaikovski - hun kunsten tonen. Uiteraard afgewisseld met prachtige solo's voor Clara en de liefde van haar leven. Hoewel de enscenering bijna twintig jaar oud is, is daar niets van te zien. Niet alleen door het tijdloze en werkelijk prachtige karakter van de decors, maar ook de techniek om alle decorwisselingen vloeiend te laten verlopen is nog steeds van een extreem hoge standaard. Hoewel de voorstelling van 27 december ietwat ontsierd werd door een tijdelijke hapering van de techniek die snel en goed werd opgelost. 

Een klassieker
En niet alleen de enscenering en de choreografie (van Toer van Schayk en Wayne Eagling) zijn van hoog niveau, maar de uitvoering - hoe kan het ook anders - door het Nationale Ballet is dat eveneens. Het Nationale Ballet kan bogen op een groep solisten met toppers als Igone de Jongh, Maia Makhateli, Anna Tsygankova, Arthur Shesterikov en Jozef Varga. Hoewel mijn persoonlijke favoriet Maia Makhateli is, zette Anna Tsyngankova een foutloze en "tragische" Clara neer die een prachtig duo vormde met Jozef Varga en James Stout. Dit alles - zoals altijd - geweldig begeleid door het Balletorkest dat onder leiding van Ermanno Florio Tsjaikovski's muziek echt deed sprankelen. En natuurlijk verder ondersteund door alle toppers van het Nationale Ballet. Met Notenkraker en Muizenkoning heeft het Nationale Ballet - net als met de ensceneringen van Het Zwanenmeer, Giselle en Cinderella) een gouden klassieker in handen die de decembermaand extra feestelijk maakt. Een betere afsluiting van de feestdagen is niet mogelijk. 

Oordeel FerdiBlog: ****½



'Notenkraker en Muizenkoning' is een herneming van de enscenering uit 1996 en wordt door Het Nationale Ballet van 11 december 2015 t/m 1 januari 2016 uitgevoerd. Deze recensies is op basis van de uitvoering op 27 december 2015. Meer informatie en kaarten hier

woensdag 2 december 2015

Een briljante studie in macht: 'The Power Broker. Robert Moses and the Fall of New York' van Robert Caro


Ruim veertig jaar geleden verscheen de biografie van “Meesterbouwer” Robert Moses door Robert Caro. En in die veertig jaar is The Power Broker uitgegroeid tot het schoolvoorbeeld van de kracht van een biografie. Maar het tijdloze karakter komt voort uit een biografie die boven alles een briljante studie in macht is. 

“Van de piramides van Egypte, de wederopbouw van Rome na Nero’s brand tot het ontstaan van de Middeleeuwse kathedralen… Alle grote publieke werken zijn op de een of andere manier verbonden met autocratische macht”. Niet zonder reden citeert Robert Caro (1935) de Amerikaanse politiek-econoom Raymond Moley, want het vormt de essentie van de carrière van Robert Moses (1888-1981). Om deze essentie over te brengen, neemt Caro de lezer mee op een reis door het leven van Moses dat de basis vormt voor The Power Broker. Robert Moses and the Fall of New York, een vuistdikke biografie van bijna 1.200 pagina’s. Het valt bijna niet over te brengen hoe een boek over een – zeker buiten New York, maar helemaal buiten de Verenigde Staten en dan ook nog eens bijna vijftig jaar na het verlies van zijn de macht - “stadsplanner” toen én nu nog relevant kan zijn. De fysieke nalatenschap van Moses is immens. Een nalatenschap die door Caro in inleiding wordt benoemd beslaat een duizelingwekkend aantal wegen en parken, maar ook een ongekende stadsontwikkeling en nog vele andere voorbeelden die Moses tot stand heeft laten komen in met name de stad New York. Is een schim uit het verleden met “ slechts” invloed op een stad zo van belang, ook nu nog veertig jaar na het verschijnen van zijn biografie? Zonder aangezien de invloed van Moses verder reikte dan de stad New York, maar ook de hele staat, maar bovenal toch die stad: het levende hart van de Verenigde Staten en in veel opzichten – mede dankzij het hoofdkwartier van de Verenigde Staten waar Robert Moses een grote hand in heeft gehad – de hoofdstad van de wereld. En toch valt dit alles in het niet bij de wijze waarop Robert Moses van 1924 onder de legendarische gouverneur Al Smith tot 1968 toen diens verre opvolger Nelson Rockefeller de staat bestierde, de absolute macht in handen had en stad en staat naar zijn visie wist te vormen. De fascinatie voor de uitoefening van macht heeft Caro tot deze biografie gebracht en is daarom – nu alle hoofdrolspelers allang overleden zijn – volstrekt tijdloos en verplicht voor allen met enige interesse in de werking van politiek en macht, maar bovenal voor een ieder die compromisloos wil worden meegesleept door misschien wel de beste biograaf ter wereld. 

Een leven in dienst van de macht
Want die status mag zonder twijfel aan Robert Caro worden toegekend. Waarbij het vooral bijzonder is dat hij zijn hele werkzame leven in het teken heeft gesteld van slechts twee Amerikaanse titanen van de twintigste eeuw: Robert Moses en Lyndon B. Johnson. Want na Robert Moses koos Caro voor de macht van de (verkozen) politiek en de meester van het hanteren van politieke macht: Lyndon Baines Johnson, de 36e president van de Verenigde Staten. Een biografie gestart in 1982 en achtereenvolgens in 1990, 2002 en 2012 is uitgegroeid tot een reeks van vier delen waarvan – naar het schijnt – het vijfde deel ergens de komende jaren verschijnt en daarmee het levenswerk van Robert Caro afrondt. Een afronding waar vele fans van Caro met smart op wachten, niet in de laatste plaats omdat hij in zijn testament heeft laten opnemen dat indien zijn werk niet onvoltooid is bij zijn overleden deze niet gepubliceerd mag worden. De nauwgezetheid die de biografie van Lyndon B. Johnson markeert, is volledig zichtbaar in zijn beschrijving van Robert Moses. Na afgestudeerd te zijn aan Princeton werkte Caro als onderzoeksjournalist voor Newsday het dagblad voor het New Yorkse Long Island. Een uitgebreid onderzoek over een voorgestelde brug in die regio deed Caro de ogen openen voor de werking van macht. Denkend dat deze exposé zou leiden tot politieke weerstand in het parlement van de staat New York bleek uiteindelijk dat de macht van de ongekozen Robert Moses meer dan afdoende was om zijn gewenste project zonder een centje pijn door de democratische gekozen volksvertegenwoordiging te loodsen. Caro heeft aangegeven dat deze gebeurtenis de aanleiding heeft gevormd voor zijn biografie over Robert Moses. Een biografie over diens macht, de wijze waarop deze tot stand is gekomen en hoe die macht al die decennia is gebruikt. Net zoals Robert Moses heeft Robert Caro daarom zijn leven in dienst van de macht gesteld.

Honger naar macht
Hoewel grotendeels chronologisch is Caro’s beschrijving van het leven van Moses naar de verschillende stadia van “macht” ingedeeld. Een honger naar macht die ooit begon als middel om de doelen van idealist en hervormer Robert Moses te behalen, maar gaandeweg omvormde naar de zucht naar macht om de macht zelf waarmee Moses zich volstrekt doof hield voor andersdenkenden en deze “tegenstanders” rücksichtsloos ruïneerde. Want in de wereld van Moses kon slechts één wil dominant zijn: de zijne. Een wil die werd ondersteund door een ongekende kennis van de wet- en regelgeving waardoor deze benoemde ambtenaar meer macht en invloed had dan zijn politieke bazen, zelfs legendarische burgemeesters zoals Fiorello La Guardia. Het zal dan ook niet verwonderen dat de enige keer dat Moses zichzelf onderwierp aan het democratisch proces door op te gaan voor het burgemeesterschap hij smadelijk verloor. Door de talloze interviews die Caro heeft afgenomen en het – mede met dank aan zijn vrouw die immer optreedt als zijn researcher – uitputtende onderzoek schetst Caro dit opmerkelijke leven van Robert Moses die hij zelf ook enkele malen interviewde totdat Moses er niet meer van gediend was. 

Het imperium van Robert Moses
Via de gouverneur van New York Al Smith betrad Moses voor het eerst de overheid en kon hij zijn leven ten dienste stellen van de hervorming ervan. Maar met de toekenning van autoriteit over de parken van de staat New York breidde de macht van Moses zich gestaag uit. Door de populariteit van parken bij de inwoners van New York en daarmee het politieke nut ervan wist Moses keer op keer iedere tegenstand de kop in te drukken en zijn macht uit te breiden. Moses werd de man van Getting Things Done en zette zijn populariteit bij de mensen die hij feitelijk minachtte om in een onaantastbaarheid waar menig politicus zijn moeder voor in de uitverkoop zou doen. Een onaantastbare macht die zich uitstrekte naar de stad New York en de infrastructuur die nodig is om een dergelijke wereldstad in leven te houden. Want door een algehele visie op die infrastructuur breidde Moses langzamerhand zijn zeggenschap uit naar wegen en bruggen. Kenmerkend daarbij was dat iedere nieuwe bevoegdheid er niet toe leidde dat zijn bestaande bevoegdheden werden afgestoten. Moses bleef stapelen en met oprichting van de Triborough Authority die het beheer over de bruggen (en later tunnels) van New York voerde, creëerde Moses zijn eigen imperium dat door tolopbrengsten en de creatieve inzet van obligaties voor die bruggen een enorme geldstroom veroorzaakte waardoor de macht van Moses alleen maar verder toenam. Door een briljante kennis van de wet wist hij die autoriteit zo in te richten dat opeenvolgende burgemeesters noch gouverneurs enige grip op hem hadden. Op het hoogtepunt van zijn macht beschikte zijn imperium over vrijwel onuitputtelijke inkomsten, een leger aan werknemers en tal van middelen om zijn politieke wil door te drukken. 

Een literaire odyssee
Het knappe aan Robert Caro is dat hij niet alleen de kern van de macht van Robert Moses heeft doorgrond, maar tegelijkertijd een biografie heeft geschreven die een literaire odyssee is en daarmee vrijwel iedere biografie ontstijgt. Bij het beschrijven van een park leunt Moses even op The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald, maar eigenlijk is dat niet nodig, want Caro’s stijl is zo fascinerend dat The Power Broker – in al zijn bijna 1.200 glorieuze pagina’s – bijna niet weg te leggen valt. Langzamerhand bouwt Caro in dit grote aantal pagina’s zijn exposé over de macht en diens werking uit. Een macht die natuurlijk ondanks alle kracht van Robert Moses natuurlijk eindig is. En in glorieus detail beschrijft Caro de teloorgang van de grote Robert Moses die uiteindelijk door gouverneur Rockefeller te gronde wordt gericht. Maar het is een uiting van de ongekende macht van Moses dat dit alleen mogelijk was doordat Rockefeller op dat unieke moment zijn politieke macht en de financiële macht van de familie Rockefeller kon samenvoegen tot het wapen dat de onverwoestbare Robert Moses weet te treffen. Zo weet Caro tot op de dag nauwkeurig het verkrijgen én verliezen van de macht door Robert Moses vast te stellen: “The age of Moses was over. Begun on April 23, 1924, it had ended on March 1, 1968. After forty-four years of power, the power was gone at last.” Maar deze geweldige biografie en studie in macht is een blijvende herinnering aan Robert Moses en het corrumperende karakter van ongebreidelde en ongecontroleerde macht en een monument ter ere van het vakmanschap van Robert Caro. 

Oordeel FerdiBlog: *****

‘The Power Broker. Robert Moses and the Fall of New York’ (1974) van Robert Caro is afgelopen juli – speciaal voor de Britse markt - in een nieuwe hardcover-editie verschenen . Er is geen Nederlandse vertaling beschikbaar. Deze recensie is ook gepubliceerd bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 29 november 2015

Concert 29 november 2015: Een trefzekere Tsjech op de bok


Smetana: De Moldau en Sárka uit Má Vlast
Sjostakovitsj: Vioolconcert Nr. 2
Janácek: Taras Bulba

Frank Peter Zimmermann (viool)
Jakub Hrůša, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Trefzeker en met zichtbaar plezier debuteert Jakub Hrůša bij het Koninklijk Concertgebouworkest met een ode aan zijn thuisland Tsjechië. Een ode waarin hij De Moldau muzikaal laat stromen en Frank Peter Zimmermann uitstekend begeleidt bij diens karakteristieke uitvoering van Sjostakovitsj' desolate Tweede Vioolconcert. En als uitsmijter veel klokgelui en het Concertgebouw-orgel in Taras Bulba van Janácek. 

Hoewel het al een tijdje bekend is dat Daniele Gatti de opvolger van Mariss Jansons is als chefdirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, gaat zijn benoeming pas in tijdens het 2016-2017-seizoen en geeft dat het komende seizoen ruimte aan het KCO om diverse gastdirigenten de revue te laten passeren. En dus ook debutanten waaronder de Tsjechische Jakub Hrůša (1981) die de laatste tijd bij onder andere Glyndebourne hoge ogen gooit en met ingang van het volgende seizoen de opvolger is van Jonathan Nott bij het eminente Bamberger Symphoniker. Enkele jaren geleden hoorde ik deze dirigent voor het eerst bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Die "ontmoeting" leverde een gemengd beeld op door een prachtige uitvoering van Dvořák's Zesde Symfonie en een wat matig Vioolconcert van Korngold. Met name door een te gesticulerende houding van Hrůša die daarmee wat afbreuk deed aan de uitvoering. Nu in het Concertgebouw was Hrůša even trefzeker als in Rotterdam en ook even enthousiast, maar zijn dirigeerhouding was daar in overeenstemming mee. Tel daarbij op een programma bestaande uit louter gerelateerd aan zijn heimat en met medewerking van de immer goede violist Frank Peter Zimmermann en een muzikaal feestje tekende zich af.

Een gloedvol stromende Moldau
En wat voor feestje! Het overbekende De Moldau (Vltava) uit Má Vlast (Mijn Vaderland) van Bedrich Smetana (1824-1884) bleek Hrůša op het lijf geschreven te zijn. Hij liet het KCO stralen in dit prachtige werk en zorgde daarmee dat je - bijna letterlijk - werd meegevoerd in de muzikale reis langs de Moldau door het hart van de Bohemen. Diezelfde Bohemen die lang onderworpen waren aan het Habsburgse Rijk dat haar eigen identiteit steeds meer op de voorgrond stelde niet in de laatste plaats door een eminente rij componisten waaronder Smetana, Janácek en Dvořák. Met oog voor detail, de balans in het stuk én het orkest zette Hrůša een voorbeeldige uitvoering mee die het publiek van het Concertgebouw op deze gure en winderige zondagmiddag deed wegdromen. Een uitvoering waar je - als je heel goed luisterde - soms ook de Rijn zoals verbeeld door Wagner kon horen stromen. Het minder bekende derde deel -  Sárka - over de gelijknamige legendarische strijdster werd met evenzo veel aplomb neergezet en deed geen moment onder voor het alom bekende tweede deel. Om het programma voor de pauze af te ronden was Frank Peter Zimmermann wederom van de partij bij het KCO. Deze uitmuntende violist zonder opsmuk was - sinds zijn debuut in 1990 - al 39 keer eerder te gast bij het KCO. Een orkest - 'dat vriendelijke orkest' in de woorden van hemzelf - dat zichtbaar een goede band onderhoudt met Zimmermann want de synergie tussen orkest en solist was overduidelijk. Een synergie die werd versterkt door de wijze waarop Hrůša Zimmermann begeleide. Compleet anders dan toen hij James Ehnes begeleidde in het Vioolconcert van Korngold. Het desolate en troosteloze Tweede Vioolconcert van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) is niet bepaald makkelijk voor het oor en een aantal jonge luisteraars in de Grote Zaal zullen het niet altijd plezierig hebben gevonden, maar wat voor iedereen overduidelijk was, is dat met Zimmerman een uitmuntende solist was aangetreden die vol pathos maar zonder de eerder gememoreerde opsmuk dit werk van de geplaagde Sjostakovitsj bracht. Want onder het juk van het Sovjet-dictatuur moest Sjostakovitsj immer op zijn tellen passen en zich - althans aan de oppervlakte - houden aan de muzikale regels die het regime stelde. De tekenen van protest zijn ook in dit werk te horen wat daarmee meteen de kracht en tegelijkertijd de moeilijkheid van het stuk verklaren. Want een gezellig stuk is het niet, technisch uitdagend en werken op de emotie des te meer. Een terecht groots applaus en een prachtig toegift was het resultaat.

Legendarische doden
Na de pauze was het de beurt aan die andere Tsjechische grootheid: Leos Janácek (1854-1928). Zijn orkestrale toondicht Taras Bulba handelt over de gelijknamige 17e eeuwse kozakkenhoofdman die het niet makkelijk heeft. Ga maar na als de drie delen die het orkestwerk samenvormen allen relateren aan de dood van zijn zoons en zichzelf: 'De dood van Andrij', 'De dood van Ostap' en 'De voorspelling en de dood van Taras Bulba'. Het laatste deel eindigt desalniettemin - met veel klokgelui en het Concertgebouw-orgel - spectaculair en relatief opgewekt aangezien Taras Bulba - vanaf de brandstapel, dat dan wel weer - voorspelt dat zijn volk uiteindelijk zal triomferen. En dat volk was niet het enige dat zou triomferen. Ook hier liet Hrůša zijn kwaliteiten niet onbetuigd en verleidde het KCO tot een heerlijke uitvoering die volledig past bij zijn Tsjechische roots. Een uitvoering die overigens in aantal opzichten deed denken aan het werk van Benjamin Britten die evenwel van een latere muzikale periode is, maar gek genoeg leek Taras Bulba wat elementen van Britten in zich te herbergen die soms deden denken aan bijvoorbeeld Britten's bekendste opera Benjamin Britten. En laat Hrůša nu juist ook met het werk van Britten recent grote triomfen gevierd te hebben... Eén ding is duidelijk:  Hrůša heeft ontegenzeggelijk uitstekend gedebuteerd bij het KCO en moge dit de eerste van een lange reeks gastdirigentschappen zijn in Amsterdam. In Bamberg kunnen ze zich in ieder geval al volop verheugen op zijn komst.

Oordeel FerdiBlog: ****

Op 25, 26 en 29 november 2015 maakt Jakub Hrůša zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest met werken van Smetana, Sjostakovitsj en Janácek en met medewerking van violist Frank Peter Zimmermann. Deze recensie is op basis van het concert op 29 november. 

vrijdag 27 november 2015

Concert 26 november 2015: Een dirigerende Monica Seles


Wagner: Ouverture en Venusberg uit Tannhäuser
Liszt: Concert voor Piano en Orkest Nr. 1
Mendelssohn: Symfonie Nr. 5 Reformatie

Bertrand Chamayou (piano)
Jérémie Rhorer, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Een op papier prachtig programma wordt volledig vergald door een dirigent die subtiliteit mist en vergeet muziek te laten 'ademen'. Dat hij daarnaast steunt en kreunt ware hij de muzikale evenknie van Monica Seles maakt de blamage compleet. Een kandidaat voor de zwarte lijst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest dat zoveel beter verdient. 

Er zijn van die concerten waar je ontzettend naar uit kunt kijken. Enkele dagen geleden viel mijn oog op een reeks van twee concerten door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van de voor mij onbekende Franse dirigent Jérémie Rhorer. Het programma van Wagner, Liszt en Mendelssohn is gewoon een fijne combinatie dus geen wonder dat hier een mooi concert uit moest volgen. Gezeten bij het orgel met maximaal zicht op de dirigent en daarmee zijn dirigeerstijl kon het feest beginnen. Helaas bleek dit feest van korte duur. Een oneven aanzet bij de ouverture uit Wagner's vroege opera Tannhäuser bleek een voorbode van veel ellende. Ellende die overigens vooral door de dirigent zelf werd gecreëerd. Want hoewel de ouverture prachtig is, is het nu niet bepaald een stuk om je als dirigent compleet in te verliezen c.q. je gecontroleerde houding te verlaten. Helaas is dan buiten Jérémie Rhorer gerekend die alleen al vreselijk afleidt door een stijl van dirigeren die meer op de werkzaamheden van een verkeersregelaar lijkt dan daadwerkelijk muziek maken. Alsof dat nog niet genoeg is, begint Rhorer te puffen, steunen en mee te grommen met de muziek zodra dit in zijn ogen een beetje spannend is en toont zich daarmee de muzikale equivalent van tennisster Monica Seles. Met dien verstande dat de geluiden van Seles voortkomen uit grootse inspanning en dat dit voor Rhorer toch in veel mindere mate geldt. Gelukkig was er tussen de ouverture van Wagner en het pianoconcert van Liszt wat tijd nodig om de piano in stelling te brengen en was de Grote Zaal van De Doelen verre van gevuld waardoor nog snel een plek ver weg van de dirigent en zijn gegrom te vinden was. 

Een slechte aflevering van Maestro
Hoewel het gegrom op die afstand - met gelukkig ook nog de piano van de eveneens Franse pianist Bertrand Chamayou er nog tussen - veel minder opviel, werd nog meer duidelijk dat van het edele vak van dirigent Rhorer weinig tot geen kaas heeft gegeten. Niet alleen kiest Rhorer voor een te snel tempo waardoor Chamayou hem in het opwindende pianoconcert van Liszt amper kon bijbenen, tevens nam hij niet eens de moeite om echt contact te leggen met de pianist waardoor deze tijden lang naar de dirigent keek zonder opgemerkt te worden. In de tussentijd bleef Rhorer maar druk het verkeer regelen en ontstond bij deze steeds ongelukkig wordende concertbezoeker het idee bij een uitzending van Maestro beland te zijn en dat hier een celebrity een poging doet om het vak van dirigent te leren c.q. na te doen. Wat dat blijft vooral bij het dirigeren van Rhorer een probleem: hij dirigeert niet, hij imiteert of hij een grootse dirigent is. Uiteindelijk is het vooral een vertoning. 

Muziek moet "ademen" 
Een vertoning omdat een ware dirigent oog voor de muziek en de musici heeft. Een ware dirigent laat muziek "ademen" zelfs wanneer een straf tempo wordt aangehouden. Een ware dirigent heeft oog voor de balans in het orkest en zal altijd aan de blazers vragen om zich een tikkeltje in te houden. Niets van dit alles was het geval bij Rhorer. De hoop dat na de pauze met de Reformatie-symfonie van Mendelssohn het tij nog enigszins  zou keren, bleek ongegrond. Weer een (te) snel tempo waarbij de muziek op alle punten werd afgeknepen en de blazers veel te hard waren, zelfs nu achter in de zaal gezeten. Alleen tijdens het spelen van het beroemde Dresdener Amen - ook door Wagner jaren later gebruikt in Parsifal - en de start van het Andante wanneer de strijkers vrij spel hadden, klonk de pracht van de muziek van Mendelssohn door. Het is een grof schandaal dat een goed orkest zoals het Rotterdams Philharmonisch Orkest met zo'n dirigent is opgescheept. Laten we hopen dat dit een typisch geval is van "eens maar nooit meer" en dat we Rhorer nooit meer in Rotterdam hoeven te begroeten. Het orkest verdient beter en alleen daarom blijven er toch nog twee van de vijf sterren onder aan de streep. Rohrer verdient er namelijk geen. 

Oordeel FerdiBlog: ** 

Op 26 en 27 november 2015 is Jérémie Rhorer - samen met pianist Bertrand Chamayou - te gast bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 26 november.

zondag 22 november 2015

Opera 21 november 2015: Een klassieke Butterfly in Budapest


Hongaarse Staatsopera
Madama Butterfly
(Giacomo Puccini, 1858-1924)

Gabriella Létay Kiss, Cio-Cio-San (Madame Butterfly)
Andrea Ulbrich, Suzuki
István Kovácsházi, Pinkerton
Csaba Szegebi, Sharpless
Gergely Boncsér, Goro
Erika Markovics, Kate

Koor en Orkest van de Hongaarse Staatsopera
Péter Halász
Hongaarse Opera, Budapest 

De Hongaarse Staatsopera doet haar geschiedenis eer aan met een prachtig uitgevoerde Madama Butterfly, maar kiest voor een wel erg degelijke enscenering die door inventieve belichting (gelukkig) toch nog een beetje moderniteit uitstraalt. 

Hoewel de Weense Staatsopera één van de heilige plekken van de opera is, doet de Hongaarse Staatsopera ook een flinke duit in het zakje. Want de opera van Wenen vormde - zeker onder het Habsburgse Rijk en - een cultureel epicentrum met onder andere Gustav Mahler als chef. De Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie leidde echter ook tot een eveneens indrukwekkende opera in Budapest. Wie de twee operagebouwen van Wenen en Budapest in ogenschouw neemt, ziet veel overeenkomsten. Daarbij aangetekend dat de opera in Budapest nog beschikt over het (schitterende) oorspronkelijke interieur terwijl de Weense opera - met dank aan de Tweede Wereldoorlog - weer opnieuw (en minder geslaagd) moest worden opgebouwd. Met een prachtig uitgevoerde Madama Butterfly laat de Hongaarse Staatsopera haar herkomst horen en toont aan dat - ondanks de ondemocratische ontwikkelingen in het land - de muzikaliteit nog altijd de boventoon voert.

Vuige Pinkerton
De Hongaarse Staatsopera kiest voor een (oudere) enscenering van Miklós Gábor Kerényi die in de nadagen van de Habsburgers niet had misstaan. Puccini's verhaal over de liefde tussen de Amerikaan Pinkerton en de vijftienjarige (!) Cio-Cio-San wordt verteld door een decor zonder poespas en volledig trouw aan het libretto. Geen ingewikkelde symboliek dus, maar een decor dat het huis van Butterfly in Japan weergeeft en de (enige) plaats van handeling is van haar relatie met Pinkerton. Hoewel "relatie" wel heel veel eer geeft aan deze Pinkerton die in beginsel weliswaar verliefd is op Butterfly, maar met haar trouwt zodat hij makkelijk in haar (wel heel erg jonge...) kimono kan geraken. Want deze liefde slaat heel snel om in (berekende) lust waarbij een dialoog tussen Pinkerton en de Amerikaanse consul ter plaatse, Sharpless, duidelijk maakt dat dergelijke huwelijken in Japan makkelijk gesloten én verbroken worden. Na zijn prijs te hebben binnen gehaald, verlaat Pinkerton Japan om een immer hoopvolle Butterfly achterlaten. Daarbij niet wetende dat zij zijn kind heeft gebaard. Wanneer hij hier drie jaar later achterkomt, keert hij - met zijn nieuwe vrouw Kate - terug naar Japan om het kind terug te halen. Om het geluk van haar zoontje te garanderen terwijl de laffe Pinkerton haar niet onder ogen durft te komen, ontneemt Butterfly zichzelf het leven en eindigt Madama Butterfly in een regelrechte tragedie. Velen zullen hier ook (deels) het verhaal van de musical Miss Saigon in herkennen, maar het moge duidelijk zijn dat Madama Butterfly de inspiratie vormde voor Claude-Michel Schönberg en Alain Boublil. Daar waar Miss Saigon relateert aan de aanwezigheid van de Verenigde Staten in Vietnam, is de context van Madama Butterfly de Amerikaanse aanwezigheid in het Japan aan het begin van de 20e eeuw en is in premiere gegaan in 1904. Hoewel Puccini vele memorabele muziek op zijn naam heeft staan en ook in deze opera de melodie - waaronder variaties op de Star-Spangled Banner - 'aan zijn kont heeft hangen' is hier meer sprake van een doorgaande melodieuze verhandeling dan fameuze aria's zoals bijvoorbeeld in Turandot, La Bohème of Tosca

Een lichtend voorbeeld
Juist door het continue karakter is Madama Butterfly een van de vaste onderdelen van het operarepertoire. En daarom niet zonder reden dat de een klassieke opera als de Hongaarse Staatsopera deze met enige regelmaat laat terugkeren op het programma. Dit vertaalt zich ook in het klassieke en weinig vernieuwende decor, waarbij veel wordt goed gemaakt door de uitstekende belichting en de personenregie. De belichting liet het koor als schaduwen op de achtergrond een rol spelen terwijl de personenregie het lot van Butterfly onderstreept door een stil leven van de gehele cast met de in de armen van Pinkerton gestorven Cio-Cio-San als tragisch middelpunt. Samen met de prachtige aria van Butterfly tijdens het begin van de tweede akte het absolute hoogtepunt én kippenvel-moment van de uitvoering. Niet in de laatste plaats door het meer dan uitstekende optreden van Gabriella Létay Kiss - wiens gezichtsuitdrukking overigens niet altijd in overeenstemming is met de emotie die de muziek vertolkt en daardoor nodeloos af kan leiden - en bovenal het orkest van de Hongaarse Staatsopera dat de melodieuze muziek van Puccini sprankelend en "vol" speelde. Een tikkeltje ouderwetse, maar voorbeeldige én stiekem toch heel fijne Madama Butterfly van de Hongaarse Staatsopera.

Oordeel FerdiBlog: ****


Van 19 november tot en met 5 december 2015 voert de Hongaarse Staatsopera Puccini's 'Madama Butterfly' op in de enscenering van Miklós Gábor Kerényi. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 21 november. 

maandag 16 november 2015

Concert 16 november 2015: Een handkus van Haitink


Schumann: Ouverture 'Manfred' 
Schumann: Pianoconcert
Schumann: Symfonie Nr. 2

Murray Perahia (piano)
Bernard Haitink, Chamber Orchestra of Europe
Het Concertgebouw, Amsterdam

De oude meester was weer terug in Nederland. In het Concertgebouw brachten Bernard Haitink en het Chamber Orchestra of Europa vrijwel het volledige orkestrale oeuvre van Robert Schumann ten gehore. De aanstekelijke virtuositeit van Murray Perahia in het Pianoconcert en de zichtbare affectie tussen Haitink en de musici zorgden voor een onvergetelijke avond. 

Wanneer bij een concert zoals gisteren alles klopt, wordt de magie van muziek bijna tastbaar. Des te meer in de schaduw van de vreselijke gebeurtenissen in Parijs waar liefhebbers van muziek slachtoffer werden van de ideologie van haat. Deze gebeurtenissen hebben ook het Chamber Orchestra of Europe (COE) niet onberoerd gelaten en leidde tot een terecht verzoek van de concertmeester tot een moment van stilte ter nagedachtenis aan alle slachtsoffers in Parijs. De Grote Zaal van het Concertgebouw overziend zal vast menig bezoeker – in ieder geval deze – hebben doen stil staan bij hoe kwetsbaar we ook in Nederland zijn en wat de gevolgen van een dergelijke aanslag in het Concertgebouw kunnen zijn. Gelukkig is muziek meer dan tijdverdrijf, maar gaat er ook een helende werking van uit. Want het effect van Haitink op dit orkest was niet mis te verstaan. Het is sinds enkele jaren traditie dat het COE enkele dagen vertoeft in het Concertgebouw en het werk van één componist centraal stelt. Beethoven en Brahms passeerden afgelopen jaren al de revue, maar nu was het de beurt aan het werk van Robert Schumann (1810-1856). In drie concerten en met medewerking van topsolisten als Isabelle Faust , Gautier Capuçon en Murrah Perahia zijn het viool-, cello- en pianoconcert alsmede de vier symfonieën en enkele ouvertures uitgevoerd. Een muzikale hoorn des overvloeds door een overvloed van talent.

Het ongemak van Schumann
Na Beethoven en Brahms is Schumann een misschien wat minder voor de hand liggende keuze omdat diens werk minder universeel populair is dan de die andere muzikale grootheden. In een interview met Preludium geeft Haitink aan dat Schumann pas later voor hem in beeld is gekomen en dat hij ambivalent tegenover diens symfonieën stond. Echter ‘Al werkend heb ik er een grote liefde voor ontwikkeld’. De uitvoering van de Tweede Symfonie maakte dat zonneklaar. Deze bij tijd en wijle dreigende symfonie en geschreven door Schumann ten tijde van zijn psychische inzinking, werd door Haitink virtuoos en gevoel voor impact gedirigeerd. Moeiteloos vuurde hij het Chamber Orchestra of Europe – opgericht in 1981 en voortkomend uit het European Union Youth Orchestra – aan tot grootse prestaties. In het razendsnelle Scherzo benadrukte Haitink het manische karakter en vroeg veel van met name de strijkers. Maar dat bleek niet teveel gevraagd en werd – terecht – na afloop van het Scherzo door Haitink beloond met een handkus voor alle strijkers. Daar konden zelfs enkele oneffenheden van de koperblazers niet tegenop. Dezelfde meeting of minds was al te horen in de Ouverture ‘Manfred’ die het concert opende en Schumann’s muzikale vertaling is van het gelijknamige gedicht van Lord Byron en fantasie over zonde en schuldgevoel. Muziek alleen als amusement is niet aan de orde bij Schumann: het gaat ergens over, muziek moet een verhaal hebben.

Twee oude vrienden
Het ongetwijfelde hoogtepunt van het concert was echter het Pianoconcert waar Haitink zijn oude en goede vriend Murray Perahia voor gestrikt had. Hoewel Haitink niet altijd de makkelijkste is – getuige zijn gecompliceerde verhouding met het Koninklijk Concertgebouworkest – staat er op de bok immer een dirigent die zich ten dienste stelt van de muziek: zowel de componist als de solist. Het is dus geen wonder dat topsolisten zoals Perahia, maar ook de eerder genoemde Capuçon en Faust en andere toppers zoals Maria João Pires, Alfred Brendel en Mitsuko Uchida zo graag met Haitink werken. Het vanaf de première immer populaire Pianoconcert toont Schumann op zijn best: een virtuoze samensmelting van piano en orkest met een grote rol voor met name de houtblazers levert een synergie van sprookjesachtige allure op. De diverse thema’s worden tussen de drie delen heen en weer geslingerd en zorgen daardoor voor een eenheid die je op het puntje van je stoel doen zitten. Zeker in de handen van meesterpianist Murray Perahia die het concert speelde alsof hij het zelf allemaal geschreven had: met gedecideerde toets en groot gevoel voor muzikaliteit. Samen met het orkest en Haitink vormde Perrahia zo een muzikale drie-eenheid die het publiek in extase bracht. Gezien het stormachtige applaus voor Perahia voor de pauze en het zo mogelijk nog stormachtigere applaus aan het einde van het concert - Haitink grapte dat hij er doof van werd – onderstrepen het verlangen dat ondanks zijn gevorderde leeftijd we hopelijk nog vele jaren mogen genieten van Haitink. 

Oordeel FerdiBlog: *****

Op 11, 13 en 15 november 2015 bracht het Chamber Orchestra of Europe onder leiding van Bernard Haitink vrijwel het volledige orkestwerk van Robert Schumann in het Concertgebouw. Deze recensie is op basis van het concert op 15 november. Deze recensie is tevens gepubliceerd bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 15 november 2015

Ballet 14 november 2015: Tragische én magische Giselle


Nationale Opera & Ballet
Giselle
(Adolphe Adam, 1803-1856)

Sasha Mukhamedov, Giselle
James Stout, Graaf Albrecht
Dario Elia, Hilarion
Floor Eimers, Myrtha

Het Nationale Ballet
Ermanno Florio, Het Balletorkest
Het Muziektheater, Amsterdam 

Het Nationale Ballet benadrukt in de herneming van Giselle de tragiek en magie van deze boerendochter wiens hart wordt gebroken door haar adelijke geliefde. Door de tegenstelling van kneuterig boerendorp en een meer abstract magisch bos waar dood over leven heerst, tekenen het technisch uitmuntende ensemble voor een memorabele avond. 

Hoewel het ballet Giselle sinds jaar en dag één van de pilaren is waar het klassieke ballet op rust, geldt deze status niet voor de componist van het ballet. Want hoewel de muzikale nalatenschap van opera's en balletten van Franse componist Adolphe Adam (1803-1856) flink is, is tegenwoordig alleen nog Giselle courant. En hoe! Met dit ballet over de gelijknamige boerendochter die - och nee! - verliefd raakt op ene Albrecht. Daar is natuurlijk niet zo veel mis mee en voor Giselle alleen maar mooi omdat ook jachtopziener Hilarion een oogje op haar heeft. Het probleem is echter dat deze Albrecht incognito zijn tour d'amour onderneemt. Want - houdt u uw tweede 'och nee!' maar gereed - deze Albrecht blijkt stiekem een graaf. En het geeft natuurlijk geen pas en kan zonder twijfel worden geclassificeerd als onmogelijke liefde. Een concept waar Hilarion meer dan oog voor heeft en al snel vermoedt dat zijn net iets te beschaafde en hoffelijke tegenstrever meer is dan hij zich voordoet. Voor Hilarion alle aanleiding om op onderzoek uit te gaan en een smoking gun te vinden zodat hij - ware hij een uit de commissie-Stiekem lekkende fractievoorzitter - deze informatie met de hele wereld (lees: gezellig boerendorpje gesitueerd in een sprookjesachtig bergdal) kan delen en zo Giselle voor zich winnen. Terwijl de agrarische Miss Marple zijn onderzoek uitvoert, bouwt de liefde tussen Giselle en Albrecht zich op en ontvangt het dorp - terwijl Albrecht gelukkig zich uit de voeten heeft gemaakt -  de hertog en diens gevolg. Noodlot slaat echter snel toe wanneer Hilarion het zwaard van Albrecht vindt en zo Albrecht's nobele afkomst onthult en Giselle - uit puur ongeluk en met een slechte gezondheid waar haar moeder Giselle continu voor waarschuwt - zich letterlijk dood danst. Exit Giselle. 

Een "geestelijke" sekte
Na ruim een uur met prachtig ballet en amusante intermezzo's waar het technisch begaafde ensemble van het Nationale Ballet haar kunnen toont, lijkt het voorbij en kan het publiek ietwat confuus de pauze in met vragen als 'Hoe komt dit nu nog goed?' en 'Wat gaan we na de pauze überhaupt nog zien?'. Gelukkig blijkt  de schijnbaar immer het leven vrolijk tegemoet te gaande Adolphe Adam een hele tweede akte uit zijn mouw te hebben geschud. Scene van handeling: een magisch bos gedomineerd door de gedenksteen voor Giselle. Rondom deze treurige plek waren de wiki's, geesten van voor hun huwelijk gestorven bruiden. Giselle is er nu één van en gedoemd om jonge en vooral fitte mannen te verleiden richting hun dood. Hilarion is hun eerste slachtoffer en ook Albrecht lijkt aan dat lot - dat adel en boerenstand niet onderscheidt - niet te kunnen ontkomen. De liefde van Giselle redt hem uiteindelijk, hoewel het ook helpt dat de dageraad zich aankondigt en daarmee de macht van opperwild Myrthe en haar volgelingen breekt. Giselle keert terug naar het graf en Albrecht naar zijn leven. Niet echt een happy end maar wel een positieve reflectie op het concept liefde.

Voorbeeldig
En hoewel het natuurlijk allemaal wat kneuterig klinkt, weet het Nationale Ballet - zoals altijd uitmuntend muzikaal begeleid door het Balletorkest ditmaal onder de gedecideerde Ermanno Florio - het met volle overtuiging op de planken te brengen. Zoals gezegd staat de technische souplesse van het ensemble buiten kijf, maar zijn ook de solisten van hoge kwaliteit: Sasha Mukhamedov, James Stout en Dario Elia. Het zegt overigens veel over de kwaliteit van het Nationale Ballet wanneer beseft wordt dat dit niet de eerste solisten zijn maar "slechts" de tweede solisten. Het misschien wat ouderwets en - zeker in het geval van het boerendorp - kneuterig aandoende decor- en kostuumontwerp van Toer van Schayk slaagt juist wonderwel door de tegenstelling tussen de tragiek van het boerendorp en de spookachtige magie van het bos in schemer. De tweede akte is door de meer abstracte uitvoering, de feeërieke sfeer en bijna hypnotiserende samenspel van het ensemble het absolute hoogtepunt, maar heeft het tragische boerenkarakter van de eerste akte nodig om tot één geheel te komen. Geen wonder dus dat Giselle deel uitmaakt van het vaste repertoire van het klassieke ballet in het algemeen en die van het Nationale Ballet in het bijzonder.  

Oordeel FerdiBlog: ****


Van 13 oktober t/m 15 november 2015 heeft het Nationale Ballet 'Giselle' hernomen. Deze recensie is gebaseerd op grond van de uitvoering op 14 november 2015. 

vrijdag 6 november 2015

Concert 5 november 2015: Sjostakovitsj in context


Sjostakovitsj: Symfonie Nr. 5

Jaap van Zweden, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Jaap van Zweden spoort “het beste Russische orkest ten westen van Minsk” aan tot een geweldige en ruige uitvoering van de Vijfde Symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. De combinatie met een muzikale talkshow en de Wolfgang-app brengen de context van het werk en de onderdrukking van het Sovjetregime angstig dichtbij en maken dit concert af. 

Uit ellende kan veel moois voortkomen. Die boodschap komt met de Vijfde Symfonie van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) luid en duidelijk over. Aan de schaduw van Stalin’s terreur die over de Sovjetunie hing, kon niemand ontsnappen. En toen Sjostakovitsj’ succesvolle opera Lady MacBeth van Mtsensk door Stalin niet op waarde werd geschat, moest Sjostakovitsj – na negatieve berichtgeving in de Pravda – niet alleen vrezen voor gebrek aan (muzikaal) succes, maar voor zijn leven. Zijn Vijfde Symfonie werd zijn goedmakertje richting Stalin die genoot van deze optimistisch eindigende muziek. Gelukkig voor Sjostakovitsj had Stalin niet door dat in de gelaagdheid van dit complexe werk rebellie zich schuil hield. Een opstandigheid die voor de goede luisteraar zonneklaar is. Nu is deze context (relatief) algemeen bekend, maar heeft het Rotterdams Philharmonisch Orkest ervoor gekozen om deze symfonie op te nemen in hun Core Classics-serie waar een werk voor de pauze via een muzikale talkshow wordt besproken om het werk na de pauze uit te voeren. Met medewerking van Jaap van Zweden, televisie- en radiomaker Wilfried de Jong en enkele leden van het orkest kon het publiek zich voorbereiden op wat komen zou. En alsof dat niet genoeg was, kon het publiek via de Wolfgang-app nog meer context tot zich nemen. Een geslaagde combinatie die een extra dimensie gaf aan de wervelende uitvoering en het publiek het werk van Sjostakovitsj compleet en in alle facetten liet voelen. 

Een muzikale talkshow
Orkesten doen allerlei pogingen om klassieke muziek meer toegankelijk te maken, maar ook de verbinding met het publiek te zoeken. Het Core Classics-concept is daar een voorbeeld van. En door te kiezen voor een setting van een muzikale talkshow ontstond – zelfs met een moderator die zijn gasten wat meer ruimte had kunnen geven en zijn eigen kennis iets minder op de voorgrond had kunnen plaatsen – een inleiding op de muziek die echt van toegevoegde waarde was. Wilfried de Jong kon zijn passie voor deze symfonie delen en zat er dus niet als de “Moeten we niet ook een BN’er aan het programma toevoegen?”-gast, maar als een liefhebber die tevens een mooie column uitsprak over een concertervaring in een tuin in Italië met cellowerk van Sjostakovitsj. Jaap van Zweden – ondersteund door enkele leden van het orkest met voorop de gehele contrabas-sectie – vertelde over de achtergrond van de muziek, de wijze van uitvoering en de verschillen in interpretatie die variëren van het schmierende van Bernstein en – zijn eigen voorkeur – de getrouwe, rauwe en ruige uitvoering door de legendarische Russische dirigent Kirill Kondrashin. 

Een Russisch orkest
Het Rotterdams Philharmonisch onder de immer energieke en van de muziek genietende Van Zweden liet horen dat de jaren met Gergjev en de voorkeur voor Russische muziek het orkest terecht aanspraak kan maken op de titel “het beste Russische orkest ten Westen van Minsk”. De bij tijd en wijle ruige uitvoering met een intrinsiek gevoel voor het juiste tempo en uitmuntende bijdragen van onder andere de houtblazers en de kopersectie zorgden voor een uitvoering die indruk maakte en op momenten kippenvel bezorgde. Inmiddels is het Rotterdams Philharmonisch – net als het Nederlands Philharmonisch Orkest - ook aan de Wolfgang-app waardoor op gezette momenten toelichtende teksten op je smartphone verschijnen om de muziek en de context van de muziek te duiden. Een erg goede vondst die niet afleidt van de muziek, maar juist meer betekenis geeft door niet voor te schrijven wat je hoort, maar wat je zou kunnen horen. Door deze kennis en de talkshow kan je het werk in haar context plaatsen, de onderdrukking van het communisme voelen en één worden met de muziek. 

Oordeel FerdiBlog: *****


Op 5 en 6 november bracht het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder gastdirigent Jaap van Zweden de Vijfde Symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. Het concert op 5 november vond plaats in de ‘Core Classics’-serie met voorafgaand een muzikale talkshow met o.a. Jaap van Zweden en Wilfried de Jong. Op 6 november vond een “regulier” concert plaats met voor de pauze het Vioolconcert van Benjamin Britten. Deze recensie is op basis van het ‘Core Classics’-concert op 5 november.

woensdag 4 november 2015

Berlusconi, wat een portret... 'Berlusconi, een portret' van Alan Friedman


Voor velen is het verwonderlijk dat Berlusconi – de clown van Europa – jarenlang premier van Italië is geweest. Nu het tijdperk-Berlusconi definitief voorbij is, verschijnt voor het eerst een door Berlusconi geautoriseerde biografie van de hand van journalist Alan Friedman. En zonder een blad voor de mond te nemen, schetst hij een intrigerend portret van een politicus-zakenman die in veel opzichten ook een portret is, maar daarmee tegelijkertijd ook tekort wordt gedaan. 

De economische crisis die Europa sinds 2008 in haar greep hield en in de jaren daarna de Eurozone op haar grondvesten zou doen schudden, bleek uiteindelijk fataal voor het premierschap van Berlusconi. Italië – één van de grootste economieën van Europa en de wereld – leek hard op weg naar faillissement en uitreding uit de Eurozone lonkte. Alleen stevige hervormingen konden het land nog redden. Het door internationale geldschieters en de Eurozone gewenste zakenkabinet onder leiding van voormalig Europees commissaris Mario Monti betekende de exit van Berlusconi. Een exit die – mede door het succes van de huidige Italiaanse premier Matteo Renzi – het definitieve einde van Berlusconi’s politieke macht lijkt te hebben ingeluid. Een goed moment dus voor een biografie van de omstreden politicus-zakenman. Hoewel het clowneske karakter, de bunga bunga-feestjes en gerechtelijke problemen van Berlusconi het beeld over hem permanent zullen bepalen, is hij tevens drievoudig premier van Italië en is zijn tweede kabinet het langstzittende kabinet in de geschiedenis van Italië. Tel daarbij zijn invloed als zakenman via mediaconglomeraat Mediaset op en zijn eigenaarschap van AC Milan en een biografie lijkt zich bijna vanzelf te schrijven. Aan de Amerikaanse journalist-schrijver Alan Friedman de uitdaging om het leven van Berlusconi te gieten in een biografie. Let wel: een door Berlusconi geautoriseerde (!) biografie. 

Fair and balanced
In alle eerlijkheid: bij deze lezer bestond een grote dosis wantrouwen vanwege het geautoriseerde karakter van dit portret van Berlusconi. Hoe gerespecteerd als journalist ook, het is bij een dergelijke biografie altijd schipperen en de kans is eerder aanwezig dat het een hagiografie wordt dan een schets die als fair and balanced kan worden betiteld. En dan wordt niet de betekenis aan fair and balanced bedoeld zoals Fox News die vaak hanteert. Verrassend genoeg neemt Friedman geen blad voor de mond en blijkt Berlusconi tijdens de diverse (op video opgenomen) interviews geen blad voor de mond te nemen en – hoewel met duidelijke tegenzin – ook de controverses rondom vrouwen en de wet te willen bespreken. Groot voorbeeld voor Friedman hierbij zijn de beroemde en beruchte Frost/Nixon-gesprekken. Een echte smoking gun vindt Friedman niet, maar door de feiten én de zienswijze van Berlusconi objectief weer te geven, wordt een wel heel duidelijk beeld geschapen van de schaduwzijden van Berlusconi en zijn imperium. Tegelijkertijd geeft Friedman – mede door zijn wortels in de Italiaanse samenleving (via zijn vrouw) – een goed inzicht in de politiek van Italië en daarmee de voedingsbodem voor de opkomst van Berlusconi en diens beweging Forza Italia. Een opkomst die in drie maanden tijd tot het eerste (kortdurende) kabinet-Berlusconi leidde. Een start van een periode waarin Berlusconi via zijn drie kabinetten in het hart van de geopolitiek opereerde en tal van historische gebeurtenissen vanaf de eerste rang meemaakte en in sommige gevallen ook mede bepaalde. 

Mijn goede vriend Poetin
Dat Berlusconi goede relaties onderhield met onder andere George W. Bush is bekend. Evenals het feit dat hij en Sarkozy elkaars bloed wel konden drinken en dat zijn verslechterende verhouding met Angela Merkel één van de oorzaken van zijn (laatste) exit als premier was. Maar binnen dat scala van wereldleiders is daar ook de bijzondere vriendschappelijke relatie tussen Berlusconi en Poetin. Als onderdeel van het portret sprak Friedman onder andere ook met Poetin die scherp observeerde dat een man die zolang en vaak premier van Italië is geweest, “betekent dat mensen op hem hebben gestemd, het betekent dat doorsnee Italiaanse burgers iets heel aantrekkelijk vonden in zowel zijn politieke agenda als zijn persoonlijkheid. Ik geloof dat er een positieve chemie bestaat tussen hem en een groot deel van de Italiaanse burgers. Hij is een opmerkelijke, eerlijke en heel interessante persoon. Dat alles suggereert dat Silvio Berlusconi, zowel als politicus als de persoon, de plaats in de Italiaanse geschiedenis krijgt die hij verdient”. In een notendop vat dit de (terechte) aanleiding voor dit portret samen waarbij Friedman in ruim 300 pagina een heerlijke lezend, interessante en bij tijd en wijle verrassende biografie heeft geschreven waarbij de positieve en negatieve kanten van Berlusconi aan bod komen die bepalend zijn niet zozeer voor die plaats in de geschiedenis, maar hoe deze wordt ingevuld. The jury’s still out…

Oordeel FerdiBlog: ****

‘Berlusconi. Een portret’ is de vertaling door Bep Fontijn en Maarten van der Werf voor uitgeverij Unieboek|Het Spectrum van Alan Friedman’s ‘Berlusconi. The Epic Story of the Billionaire Who Took Over Italy’ en is sinds kort verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 25 oktober 2015

Concert 25 oktober 2015: Harding's feestje van Bach en Brahms


Koninklijk Concertgebouworkest
Bach meets Brahms

Bach: Cantate 'Nach dir, Herr, verlanget mich', BWV 150
Bach: Motet ' Jesu meine Freude', BWV 227
Brahms: Symfonie Nr. 4

Judith van Wanroij, sopraan
Nederlands Kamerkoor

Daniel Harding, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Daniel Harding haalt het beste in het Koninklijk Concertgebouworkest naar boven in een heerlijk programma waar werken van Bach en Brahms elkaar ontmoeten. De vocale kwaliteit van het Nederlands Kamerkoor - zowel solistisch als in gezamenlijkheid - maakt het feest compleet.

Met een vierdelige reeks concerten Bach meets Brahms exploreren Iván Fischer en Daniel Harding de relatie tussen Johann Sebastian Bach (1685-1750) en Johannes Brahms (1833-1897). Niet vreemd aangezien Brahms een groot bewonderaar was van Bach en zich in zijn werk door hem liet beïnvloeden. Daarom worden de vier symfonieën van Brahms gekoppeld aan werken van Bach. Eerder deze maand trapte Fischer de serie af met de Tweede Symfonie van Brahms en een cantate en orkestsuite van Bach. Aan Harding de taak om de machtige Vierde Symfonie van Brahms samen te brengen met een cantate en motet van Bach. Harding is volgens het programmaboekje een graag geziene gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) en een eerder optreden van Harding tijdens de fameuze Mahler-serie waarbij over drie seizoenen alle symfonieën van Mahler door eminenten dirigenten werden gedirigeerd, liet hij in een uitstekende uitvoering van de Eerste Symfonie van Mahler al merken dat hij zonder problemen mee kan met 'de grote jongens'. Gelukkig bleek dit optreden dat beeld alleen maar te bevestigen waarbij kwaliteit van de uitvoering, maar juist ook de inherente kwaliteit van de gekozen werken en de samenhang er tussen een prachtig programma opleverden.

Van alle markten thuis
Hoewel de Matthäus-Passion al sinds jaar en dag op de lessenaars van het KCO is terug te vinden, komt het overige vocale werk er een stuk bekaaider vanaf. Wellicht heeft dit ook met de beperkte bezetting te maken die de cantates en motetten van Bach nodig hebben, maar toch is het jammer dat Bach minder snel op de lessenaar terug te vinden is dan Mahler, Bruckner of Beethoven. Met deze serie wordt dat gemis natuurlijk goed gemaakt en de cantate Nach dir, Herr, verlanget zich en het motet Jesu meine Freude geven een mooi beeld van de vroege en latere Bach. Over cantate nr. 150 is zelfs wat twijfel geweest of het aan Bach moet worden toegeschreven, maar er zijn genoegd bewijzen om er van uit te gaan dat dit het werk van Bach is. Wel overigens werk uit een tijd toen Bach niet kon beschikken over goede musici wat zich vertaalt in een beperkte bezetting en het schrijven voor een koor van beperkte mogelijkheden. De link naar de Vierde Symfonie van Brahms is overigens daarbij een zeer directe: de finale van Brahms' symfonie is gebaseerd op het basismotief van de cantate. Een cantate die wonderschoon werd uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor dat - naast sopraan Judith van Wanroij - zich zowel solistisch als als geheel uitstekend kwijtte van dit werk. Opvallend daarbij is dat Harding ook als koordirigent zeer bedreven is en dus van alle markten thuis is. In het motet kwam dit opvallend naar voren aangezien het - op de basso continuo na - een a capella werk is. Ook hier kwam de collectieve en individuele kwaliteiten van het Nederlands Kamerkoor sterk naar voren.

Een symfonie boordevol ideeën
Geïntimideerd door de muzikale grootsheid van de symfonieën van Beethoven zou Brahms pas op latere leeftijd het aandurven om zich te wagen aan de symfonie. Zijn Eerste Symfonie werd een ongekwalificeerd succes en Brahms zou uiteindelijk vier symfonieën componeren die overlopen van de (muzikale) ideeën. Zijn laatste en voor velen favoriete Vierde Symfonie is de culminatie van zijn symfonische stijl: alleen al het prachtige eerste deel kent zoveel thema's en ideeën dat het op zich al rechtvaardigt om uitgewerkt te worden tot een symfonie. De connectie met het werk van Bach voor de pauze versterkte de muzikale gelaagdheid van deze symfonie, maar vooral ook door de visie van Harding die het KCO noopte tot een prachtige en voorbeeldige uitvoering. Het KCO speelde met momenten van grote schoonheid waarbij Harding vooral ook oog had voor de spanningsopbouw van de verschillende delen. En hoewel Harding de opening van de symfonie een tikkeltje trager nam dan bijvoorbeeld de legendarische opname van deze symfonie door de Wiener Philharmoniker onder Carlos Kleiber en de recent evenzo geslaagde opname door Riccardo Chailly met het Gewandhausorchester wist Harding - live! - dezelfde kwaliteit te benaderen. Met dit concert heeft Harding wederom zijn kwaliteiten getoond en een prachtige bijdrage geleverd aan het nu al geslaagde KCO-project Bach meets Brahms.

Oordeel FerdiBlog: ****½


Iván Fischer en Daniel Harding brengen in het kader van 'Bach meets Brahms' de werken van Bach en Brahms samen door vier concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest. Een cantate en motet van Bach in combinatie met de Vierde Symfonie van Brahms is het tweede concert in de reeks en is uitgevoerd op 23 en 25 oktober 2015. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 25 oktober.

vrijdag 23 oktober 2015

Concert 22 oktober 2015: Aards én Rotterdams genot met Yannick


Beethoven: Symfonie Nr. 6
Mahler: Das Lied von der Erde

Sarah Connoly, sopraan
Robert Dean Smith, tenor

Yannick Nézet-Séguin
Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Met “aardse” werken van Beethoven en Mahler beweegt de immer vrolijke Yannick Nézet-Séguin het Rotterdams Philharmonisch Orkest wederom tot muzikale prestaties van lyrische schoonheid. Yannick bevestigt hiermee de recente en terechte toekenning van de titel Musician of the year 2016 van het Amerikaanse blad Musical America. 

In tegenstelling tot zijn (bijna-)generatiegenoot Gustavo Dudamel bouwt het muzikale succes van de Canadese Yannick Nézet-Séguin zich langzaam, maar zeer gestaag op. De inmiddels veertigjarige Yannick wiens voornaam bekender – en vooral makkelijker uit te spreken – is dan zijn achternaam heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij het beste haalt uit de door hem geleide orkesten. Of dat nu “zijn” orkesten zijn zoals het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het eminente Philadelphia Orchestra of gastdirecties bij onder andere de Metropolitan Opera van New York maakt daarbij niet uit. Niet voor niets gaat zijn naam al rond als mogelijke opvolger van James Levine bij de Met en is het – gelijk zijn voorganger Gergjev – altijd de vraag hoe lang “Rotterdam” deze in lengte kleine maar in muzikaliteit grootse maestro aan zich kan blijven binden. Met de toekenning door Musical America van de Musician of the year 2016 is bevestigd wat velen al weten die Yannick in actie hebben gezien (en vooral gehoord): hij is in staat om orkesten te verleiden tot buitengewone muzikale prestaties. Het woord ‘verleiden’ is daarbij geen slip of the tongue, want wie het plezier ziet waarmee Yannick voor het orkest staat en zo orkest én publiek mee neemt op zijn muzikale reis kan dat niet anders dan verleiden noemen. Overigens heeft ook Yannick weleens mindere dagen en moet hij oppassen dat hij niet teveel hooi op zijn vork neemt wat juist afbreuk doet aan de kwaliteit en spontaniteit van zijn dirigeerstijl. Om het te vertalen naar het politieke landschap van zijn vaderland: hij moet meer een vrolijke en springerige Justin Trudeau zijn dan een te serieuze Stephen Harper. Of dat qua politieke voorkeur ook geldt, is wellicht een heel ander verhaal…

Volle bak met Yannick
Met een vol programma waarin werken van publiekslievelingen Beethoven en Mahler samengebracht zijn, zal het niet verbazen dat de grote zaal van De Doelen bijna volledig gevuld was. Toch waren nog een kleine 100 stoelen vacant, waarop iemand terecht opmerkte dat toeristen de concertzaal vooralsnog minder goed weten te vinden. Daarentegen was het wel weer opvallend dat Yannick schijnbaar ook jongere concertgangers aan zich weet te binden al was het gekuch en het geknisper van Anta Flu-papiertjes niet van de lucht. Met de Zesde Symfonie bracht het orkest - enthousiast aangespoord door Yannick - Beethoven’s ode aan de natuur in volle glorie. Want hoewel de Pastorale net als de Vijfde Symfonie in 1808 is geschreven, is de Pastorale een doorkijk naar de toondichten van een latere muzikale generatie. Beethoven schildert een prachtig landschappelijk en “aards” muzikaal beeld waardoor je de kalme beekjes voelt stromen en het onweer bijna “ziet” naderen. Zeker in de handen van Yannick en het uitstekend spelende Rotterdams Philharmonisch heeft deze symfonie een bijna betoverende werking op het publiek. 

Missend volume
Diezelfde muzikale kwaliteit maar ook “aardsheid” kwam ook terug in de uitvoering van Das Lied von der Erde van Gustav Mahler. In deze symfonische cyclus van zes liederen gebaseerd op Chinese gedichten zijn leven, dood en afscheid onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor vrolijkheid wordt afgewisseld met berusting en smart. Mahler trachtte de vloek van de negende symfonie waarbij componisten zoals Beethoven en Bruckner stierven tijdens het schrijven of na het afronden van de negende symfonie te ontlopen door Das Lied een plek te geven in zijn symfonische cyclus. Uiteindelijk zou Mahler zijn Tiende Symfonie niet voltooien en gelijk Beethoven en Bruckner op zijn sterfbed slechts negen symfonieën nalaten. Maar niet zonder volmaakt tevreden te kunnen zijn over zijn muzikale prestaties. Want Das Lied is zonder meer prachtig, zeker in de handen van Yannick en met name sopraan Sarah Connolly wiens breekbare maar desalniettemin stevige stemgeluid de show stal. Helaas gold dit in mindere mate voor tenor Robert Dean Smith. Net als bij een eerdere uitvoering van dit werk maar dan met het Koninklijk Concertgebouworkest onder Fabio Luisi in 2011 mist deze tenor volume. Daarbij wel de aantekening dat de plaatsing schuin achter hem dan niet hielp, maar het effect daarvan op Connolly was minder groot. Wellicht heeft het ook te maken met het feit dat de orkestratie in de liederen voor de tenor nogal groots is en de balans daardoor al snel zoek is. Dit rechtvaardigt misschien ook wel de conclusie dat studio-opnames van Das Lied – zeker op dit punt – live-uitvoeringen in de schaduw stellen. Dit is overigens klein leed tijdens een concert waarin Yannick wederom zijn kwaliteiten en die van het Rotterdams Philharmonisch toonde en het “aardse” werk van Beethoven en Mahler een hemels randje gaf. 

Oordeel FerdiBlog: ****½

Op 22 en 23 oktober brengt het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Yannick Nézet-Séguin werken van Beethoven en Mahler. Deze recensie is op basis van het concert van 22 oktober.

dinsdag 20 oktober 2015

De onderschatte grootsheid van vliegen: 'De Gebroeders Wright' van David McCullough


In zijn magistrale vertelling toont David McCullough de onderschatte grootsheid van Wilbur en Orville Wright. Want met hun baanbrekende werk is de mens – letterlijk – los van de aarde gekomen. Wie na het lezen van De Gebroeders Wright niet een beperkt moment zich verwondert over de vanzelfsprekendheid waarmee we van hot naar her vliegen mist – in de woorden van F. Scott Fitzgerald – de capacity for wonder

Vliegen, zeker in uitgestrekte landen zoals de Verenigde Staten, is niet meer weg te denken en vooral een vanzelfsprekend onderdeel van ons leven. Toch was het ruim een eeuw geleden volstrekt niet voorstelbaar dat de mens – op de luchtballon en zeppelin na – het luchtruim net zoals de aarde zelf zou domineren. Zeker in het licht van het feit dat de auto pas net was geïntroduceerd. De volgende mijlpaal om het luchtruim te veroveren, leek nog ver weg en volstrekt ongeloofwaardig. Dit ondanks allerhande pogingen die met name in Frankrijk werden gedaan om deze grens te slechten. Uiteindelijk zouden twee doodgewone broers uit het even doodgewone Amerikaanse Dayton (Ohio) de mensheid één van de grootste giften uit de geschiedenis geven: de mogelijkheid tot vliegen. Hoewel de gebroeders Wright voor de meesten wel bekend zijn als de grondleggers van de luchtvaart zal de kennis hierover – deze lezer incluis – niet veel meer zijn dan dat zij de eerste succesvolle (gemotoriseerde) vlucht uitvoerden. In dit gapende gat treedt de bekende chroniqueur van de Amerikaanse geschiedenis David McCullough in zijn prachtige nieuwe boek De Gebroeders Wright. De onverschrokken pionier van de luchtvaart

Zonder poespas, maar wat een motivatie
Op 17 december 1903 was het moment daar: de eerste gemotoriseerde vlucht met de door Wilbur en Orville Wright ontworpen en gebouwde Flyer bij Kitty Hawk in North Carolina. Het bizarre is dat het nog jaren zou duren voordat publieke erkenning de broers ten deel zou vallen. Sterker nog: door het gebrek aan aanwezigheid van pers of andere (belangwekkende) getuigen is de grootsheid van de prestatie van de Wright-broers jarenlang onderschat en soms zelfs bespot. Pas toen Wilbur naar Frankrijk trok om te onderhandelen over de (commerciële) inzet van hun uitvinding en hij demonstraties nabij Le Mans gaf – iets wat Orville later bij Fort Myer in Arlington nabij Washington, D.C. dunnetjes overdeed – rees hun ster snel en werd het monumentale karakter van hun vinding duidelijk. Des te meer bijzonder wanneer in ogenschouw wordt genomen dat Wilbur (1867-1912) en Orville (1871-1948) typische voorbeelden zijn van autodidacten die door hun intrinsieke interesse in vliegen hun motivatie vonden om – zelf bekostigd vanuit hun fietsenhandel – de mensheid de gift van het vliegen te geven. McCullough - bekend van zijn biografieën van onder andere John Adams en Harry Truman maar ook het revolutionaire jaar 1776 – richt zich in amper 300 pagina’s volledig op de broers en hun alles overstijgende wens om te vliegen. Hun vroege jaren, maar ook hun latere jaren komen er in deze biografie buitengewoon bekaaid af. Daarnaast is het overduidelijk dat McCullough een grote sympathie heeft voor zijn hoofdpersonen en een kritische noot daarom niet echt terug te vinden is. De vraag is ook of dit nodig is aangezien juist de meerwaarde van het boek zit in het vertellen van dit bijzondere verhaal dat juist in de 21e eeuw eigenlijk volstrekt niet bekend is.

Een andere tijd
Het aparte maar misschien ook wel treffende aan het boek van McCullough is dat hij het verhaal als “één geheel” vertelt en niet bijzonder stilstaat bij momenten zoals die eerste gemotoriseerde vlucht. Daarmee maakt McCullough inzichtelijk dat een dergelijke prestatie niet iets is wat van de één op de andere dag gerealiseerd wordt, maar een langdurig proces is waarbij de technische aanloop evenzo belangrijk is als de brede erkenning ervan. Een proces dat gespeend is van overduidelijk geluk of ongeluk. Op een crash na die Orville zwaargewond maar niet levensbedreigend achterlaat en de dood van een passagier tijdens diezelfde vlucht is er weinig dramatiek terug te vinden in de queeste om het luchtruim te beheersen. Lezers die een uitgebreide biografie verwachten dan wel hopen een (psychologische) inkijk te krijgen in de gedachtewereld van beide broers komen bedrogen uit. McCullough bespreekt genoeg van hun vrijgezelle leven en wondere constructie van wonen in één huis met hun (bisschoppelijke) vader en bijzondere band met hun zus Katharine om context te geven, maar houdt het daar wijselijk bij. Het hele doel van het boek, waar McCullough buitengewoon in slaagt, is het onderkennen van de grootsheid van de prestatie van deze broers en de enorme impact die het heeft gehad op het de wereldgeschiedenis en ons dagelijkse leven. Een impact waaraan onze beperkte kennis geen recht doet. Een boek daarom dat – in de woorden van F. Scott Fitzgerald – de capacity for wonder doet ontwaken.

Oordeel FerdiBlog: ****½

‘De Gebroeders Wright. De onverschrokken pioniers van de luchtvaart’ is de vertaling door Erik de Vries voor uitgeverij Unieboek|Het Spectrum van David McCullough’s ‘The Wright Brothers. The Dramatic Story-Behind-the-Story’ en is sinds enkele weken verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 17 oktober 2015

Minder dan de som der delen: 'Wereldschaduw' van Nir Baram


In Wereldschaduw van Nir Baram vloeien drie verhaallijnen langzaam in elkaar over om gezamenlijk een aanklacht tegen de schaduwachtige machinaties van het grootkapitaal te vormen. Hoewel Baram met twee van de verhaallijnen de interesse wekt, komt het geheel niet genoeg bij elkaar om een volledig succesvol te zijn. De (over)ambitie van Baram stelt het succes in de schaduw. 

De macht van het grootkapitaal, de opstand van de wereldburger en de levenswandel van een bijzonder individu zijn stuk voor stuk thema’s waar een roman aan gewijd kan worden. Voor de Israëlische schrijver Nir Baram (1976) vormen deze drie thema’s gezamenlijk de aanleiding voor zijn recent in het Nederlands vertaalde roman Wereldschaduw. In Wereldschaduw schetst Baram een ontluisterend beeld van de huidige maatschappij waar de macht van het geld de idealen van de underdog hard met elkaar in botsing komen. Gelijk iedere goede romanschrijver begint Baram echter klein met het leven van de Israëliër Gavriël Mantsoer wiens wonderlijke vader een wel heel bijzondere manier erop nahoudt om zijn geld te verdienen: biograaf van de stervende. Deze Albèrt struint de stervenden af die aan hem hun levensverhaal toevertrouwen. Hij is hier dermate succesvol dat één van zijn klanten die het sterfbed overleeft hem en zijn zoon uit dank enkele weken laat overkomen naar New York. Deze Jonathan Buckman is een schatrijke zakenman waardoor vader en zoon Matsoer in aanraking komen met de wereld van het grootkapitaal. Gavriël raakt bevriend met Michael Buckman die als erfgenaam van zijn vader het werk zaal doorzetten en Gavriël vraagt om in Israël het Joods Fonds voor de Democratie te verstieren. Hiermee wordt Gavriël onderdeel van een wereld van rijkdom en macht waar hij als een soort Alice in Wonderland vertoeft. Al snel zal hij die vreemde wereld zich eigen maken waardoor zijn invloed binnen en buiten Israël toeneemt. 

Het cynisme van consultancy
Hoewel deze levenswandel al genoeg is voor een roman, biedt Baram de lezer nog eens twee verhaallijnen. Eén van die verhaallijnen wordt slechts verteld aan de hand van mailberichten over en weer van de oprichters en (ex-)medewerkers van het Amerikaanse consultancybureau MSV alsmede enkele nieuwsberichten. Hier geeft Baram een zeer cynische blik op deze wereld weer waar dit fictieve bureau proclameert zich alleen in te zetten voor mensen en instellingen ter ondersteuning van de democratie maar in werkelijkheid een schaduwachtige praktijk op na wordt gehouden waar de almighty Dollar dominant is. Alsof deze (overigens zeer vermakelijk geschreven) verhaallijn niet genoeg is, trakteert Baram de lezer ook nog eens op een derde verhaallijn dat lange tijd compleet los staat van de andere verhaallijnen. In deze minst intrigerende verhaallijn worden een stel antiglobalisten ten tonele gevoerd die oproepen tot een wereldwijde staking op 11/11 waar ze 1,1 miljard deelnemers voor willen motiveren. Gaandeweg het boek komen deze drie verhaallijnen steeds meer bij elkaar waarbij die laatste verhaallijn gevoelsmatig het minst overtuigt en ook het minst past bij de andere verhaallijnen. Zelfs zo dat de samenvoeging van deze drie verhaallijnen minder is dan de som der delen.

Een tandje minder
Bij het lezen van deze ambitieuze poging van Baram om tot een meeslepende en wereldomvattende roman te komen, kan de indruk niet altijd ontnomen worden dat het allemaal wel een tandje minder had gekund. Er zit genoeg in de diverse verhaallijnen om tot een succesvolle roman te komen en met name de delen over Mantsoer en MSV fascineren behoorlijk. Desalniettemin komen de drie verhaallijnen niet afdoende bij elkaar om een complexe gezamenlijke wereld te creëren die de fascinatie om verder te lezen versterkt. Daarvoor is de kern van ieder verhaal niet complex genoeg. Zeker tegen het einde van het boek kan de lezer het gevoel bekruipen dat het wel mooi geweest is. En op dat moment lijkt de ambitie het van de realiteit gewonnen en blijft de lezer achter met een aantal interessante en fascinerende uitgangspunten die gezamenlijk niet afdoende zijn om een roman van wereldklasse af te leveren. Maar hou Nir Baram zeker in de gaten, want de belofte is er zeker. Nu de (geslaagde) uitvoering nog.

Oordeel FerdiBlog: ***

‘Wereldschaduw’ van Nir Baram – in de vertaling door Sylvie Hoyinck – is in september door De Bezige Bij uitgeven. De oorspronkelijke versie is in 2013 in Israël voor het eerst uitgegeven. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

maandag 5 oktober 2015

Concert 1 oktober 2015: Een troostend KCO met dissonant


Brahms: Tragische Ouverture
Brahms/Glanert: Vier Präludien und Ernste Gesänge
Fauré: Requiem

Russell Braun, bariton
Christina Landshamer, sopraan
Groot Omroepkoor

Stéphane Denève, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Het Koninklijk Concertgebouworkest vervolgt haar requiemtraditie met het troostende Requiem van Fauré. Een minder geslaagde combinatie met Brahms en een bariton die soms letterlijk “loszingt” zorgen voor een jammerlijke dissonant. 

Nu de zomer definitief voorbij is en het drukke najaar zich aandient, is een moment van contemplatie zonder meer welkom. Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) lijkt dit perfect aan te voelen en neemt sinds 2010 elk jaar een requiem in het programma op. Na geslaagde uitvoeringen van onder andere de requiems van Mozart en Brahms onder (inmiddels voormalig) chef-dirigent Mariss Jansons is het nu de beurt aan het Requiem van Gabriel Fauré (1845-1924). Zijn requiem is by far het bekendste werk van deze tijdgenoot van Debussy en Ravel en is geen vreemde keuze gezien zijn kerkelijke verleden en zijn verbondenheid aan de Madeleinekerk in Parijs als koordirigent en organist. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat dit – terecht – als troostrijk betitelde requiem een grote rol toekent aan zowel het koor als het orgel. Met het Groot Omroepkoor en het Maarschalkerweerd-orgel in combinatie met het KCO is succes dan vrijwel een gegeven. En hoewel het KCO onder de Franse dirigent Stéphane Denève garant stond voor een prachtige uitvoering ging deze uitvoering op zich en het programma in het algemeen toch gebukt onder enige dissonantie. 

De tragiek van Brahms
Een dissonantie die eigenlijk startte met de koppeling van het Requiem van Fauré met werken van Johannes Brahms (1833-1897). Hoewel de titel anders doet vermoeden is de Tragische Ouverture van Brahms vooral lekker stevig en niet dermate tragisch dat de troost van Fauré nodig is. Het is een goede opener die in de handen van het KCO en Denève vakkundig werd uitgevoerd. De dissonantie deed zich echter voor in een tweede werk van Brahms dat aan het programma was toegevoegd: zijn Vier Ernste Gesänge die Brahms schreef als memento mori voor de door hem geliefde Clara Schumann. Deze liederen worden normaliter gezongen begeleid door alleen een piano, maar op de lessenaars in het Concertgebouw stond de versie voor orkest in de orkestratie van de hedendaagse Duitse componist Detlev Glanert (1960). Voor het gemak heeft Glanert aan zijn orkestratie ook nog vier preludes toegevoegd zodat de cyclus van vier liederen één geheel vormt. Aan de Canadese bariton Russell Braun (1965) de schone taak om de hartenkreet van Brahms gestalte te geven. Helaas bleek dit allemaal wat minder geslaagd. Niet alleen omdat Braun lang niet altijd (hoorbaar) boven het orkest uitkwam, maar ook omdat zijn stem niet heel erg leek te passen en daarom een dissonant vormde. Een dissonantie die wellicht ook gelegen ligt in de aanpassingen van Glanert. Hoewel de preludes zeker niet onverdienstelijk waren, zorgde de combinatie met de orkestratie er wel voor dat van het oorspronkelijke werk van Brahms weinig overbleef. In het geheel hoorde je soms eerder Mahler dan Brahms. En hoewel dat op zich geen straf is, kan dat natuurlijk niet echt de bedoeling zijn van wat vast bedacht is als hommage aan Brahms.

De tragiek van Russell Braun
Deze dissonantie zette zich voort in de uitvoering van het requiem. Het troostrijke karakter van Fauré’s meesterwerk kwam zonder meer tot uiting in de passende combinatie van orkest en het altijd uitstekende Groot Omroepkoor met als bonus het fameuze orgel van het Concertgebouw. Het overbekende en prachtige Pie Jesu kon rekenen op een voorbeeldige en breekbare bijdrage van sopraan Christina Landshamer (1977). Wederom was hier Braun de spelbreker. Zijn bariton-stem leek soms boven het orkest te zweven en niet vanwege het engelachtige karakter, maar als losstaand element. Of Braun zijn dag niet had of zijn stemgeluid gewoon niet geschikt is voor dit programma is lastig te zeggen, maar het is wel de verkeerde soort tragiek voor een dergelijk concert. En dat is jammer want het leidt af van een voor de rest fijne uitvoering. 

Oordeel FerdiBog: ***½

Op 1 en 4 oktober heeft het Koninklijk Concertgebouworkest, ditmaal onder Stéphane Denève, de jaarlijkse requiemtraditie voortgezet met een programma rondom het Requiem van Fauré. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 1 oktober.