maandag 29 april 2013

Concert 28 april 2013: Russische Romantiek met Venezolaanse klankkleur in de Residentie


Rachmaninoff: Pianoconcert Nr. 2
Rimski-KorsakovShéhérazade
Symfonische suite naar Duizend-en-een-nacht

Gabriela Montero (piano)
Christian Vasquez, Residentie Orkest
Dr. Anton Philipszaal, Den Haag

Dirigent Christian Vasquez voegt een Romantische klankkleur toe aan het Residentie Orkest, maar zou iets meer op tempo en balans moeten letten, terwijl pianist Gabriela Montero de show steelt in een volledig Russisch programma. 

Het Residentie Orkest beschikt, na het vertrek van Neeme Järvi, nog steeds niet over een nieuwe chef-dirigent en wisselt daarmee diverse dirigenten af de concerten van dit Haagse orkest leiden. In 2010 debuteerde Christian Vasquez (1984) al bij het Residentie Orkest en zal dit jaar ook het traditionele Koninginnedagconcert  dirigeren. Vasquez is, gelijk zijn wereldberoemde collega Gustavo Dudamel, een 'product' van het Venezolaanse El Sistema en stond voor de taak een volledig Russisch Romantisch programma te leiden met het Tweede Pianoconcert van Sergej Rachmaninoff (1873-1943) en Shéhérazade van Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908). Een taak die hij prima volbracht, maar wel wat vraagtekens plaatste bij de bepaling van het tempo en de balans.

Het Tweede Pianoconcert van Rachmaninoff is een van de bekendste pianoconcerten en, naar de bescheiden mening van ondergetekende, naast het Twintigste Pianoconcert van Mozart ook een van de mooiste. Het geheimzinnige en pulserende begin gaat, met behulp van de strijkers, over in een Russische variant van Sehnsucht en laat niet meer los om een vervolg te krijgen in een lyrisch Adagio en een spetterende finale. Achter de piano zat de eveneens Venezolaanse pianiste Gabriela Montero die met haar ferme aanslag demonstreerde het werk volledig te kennen en haar passie voor muziek via dit moeilijke werk van Rachmaninoff ten gehore te brengen. Daarbij gesteund door Vasquez die een prachtige vol-vette klankkleur het (door de bezuinigingen en het gebrek aan een chef-dirigent toch wel geplaagde) Residentie Orkest wist te ontlokken. Zo was weer eens goed te horen dat de dames en heren van het orkest van de Hofstad serieus mee willen blijven doen in de top van het Nederlandse orkestleven. Opvallend was echter wel dat Vasquez koos voor een langzamer tempo dan gebruikelijk bij dit pianoconcert. Wellicht heeft dat iets met de moeilijkheidsgraad van dit pianoconcert te maken dat, ondanks het niet zo klinkt, hoog ligt. Nadeel hiervan was dat dit werk nog meer de neiging krijgt om bij tijd en wijle te verzanden in zwelgende Romantiek. Daarbij hielp het ook niet echt dat bij de grootse en meeslepende orkestpassages Vasques het orkest all out liet gaan waar meer subtiliteit de zeggingskracht van de uitvoering had versterkt. Daar kon op sommige momenten zelfs die ferme aanslag van Montero niet tegenop en dat is jammer. Overigens hadden Vasquez en Montero wel een goed samenspel waarbij de dialoog tussen pianist en orkest voorbeeldig was.

Het publiek in de Dr. Anton Philipszaal reageerde enthousiast op het gehoorde en verleidde Montero tot een (gepland) toegift dat bestond uit een improvisatie van een door het publiek aangedragen thema. Schijnbaar is Montero bekend vanwege haar improvisatie en geeft ze wel vaker op deze wijze vorm aan haar toegift. Nu zijn er zulke prachtige thema's aan te dragen vanuit alle hoeken en gaten van de muzikale wereld, maar een man op de eerste rij meende haar een plezier te moeten doen met de suggestie van de Lambada. Montero liet zich daardoor niet uit het veld slaan en zette een prachtige improvisatie neer waardoor deze zomerhit uit de jaren tachtig bijna klonk als een prachtig klassiek werk voor solopiano. Na het concert zou Montero nog meer van kunsten laten horen in een improvisatierecital.

Na de pauze was het de beurt aan Rimski-Korsakov's toondicht Shéhérazade naar Duizend-en-een-nacht. En ook hier liet Vasquez het Residentie Orkest weer een prachtige klankkleur ten gehore brengen. Maar ook hier pakte Vasquez een wat trager tempo dat het bekendste werk van Rimski-Korsakov niet altijd goed deed. Een wat rommelig begin hielp daarbij ook niet en ook wederom was de balans binnen het werk niet altijd goed waardoor hoogtepunten al bijna als het einde klonken. Een gedoseerde aanpak zou daarbij het stuk helpen. Daarbij wel in alle eerlijkheid de melding dat dit orkestrale werk, dat vol zit met prachtige melodieën, deze recensent niet echt kan bekoren.  

Al met al een prima matinee-uitvoering van twee vaste waarden binnen het Russische Romantische repertoire waarbij Vasquez zijn (ontluikende) kwaliteit zeker liet horen, maar de show in the end toebehoorde aan Gabriela Montero. 

Voor de liefhebber hier een uitvoering van het Tweede Pianoconcert van Rachmaninoff door Tobias Borsboom, finalist op het YPF nationaal pianoconcours, en het Noord Nederlands Orkest o.l.v. Michel Tabachnik.

zondag 28 april 2013

Concert 26 april 2013: 'Jazz it up' met Riccardo Chailly en Stefano Bollani

© ArtsDesk.com

Adams: Lollapalooza
Harbison: Remembering Gatsby, foxtrot voor orkest
Gershwin: Catfish Row, symfonische suite in vijf delen uit Porgy and Bess
Gershwin: Pianoconcert in F

Stefano Bollani (piano)
Riccardo Chailly, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam 

Het leukste concert van het jaar: jazz in het Concertgebouw door het KCO onder voormalig chef-dirigent Riccardo Chailly. Het puike spel van pianist Stefano Bollani maakt het af.

Thus it came to pass that jazz multiplied all over the face of the earth and the wiggling of bottoms was tremendous’ aldus Peter Clayton en Peter Grammond in hun boek 14 miles on a clear night over hun veertig favoriete jazz-stukken. En de wiggling of bottoms was zowel in het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) als het publiek van het Concertgebouw goed merkbaar bij het programma Jazz it up uit de AAA-serie van het KCO.

Na zijn geslaagde terugkeer bij het KCO vorige week (zie voor recensie hier) stond emeritus chef-dirigent Riccardo Chailly wederom op de bok bij zijn oude orkest met een jazzy programma: werken van John Adams (1947), John Harbison (1938) en George Gershwin (1898-1937). Daar waar Chailly bij zijn eerste rentree een plechtig concert van Henze en Mendelssohn presenteerde, spatte op deze avond het plezier ervan af.

Voor de pauze begon het concert al goed met een strakke, maar speelse uitvoering van het korte orkestrale werk Lollapalooza van de Amerikaanse componist John Adams. Overigens een verjaardagscadeau van de componist aan dirigent Simon Rattle. Lollapalooza is het perfecte voorbeeld van het aanstekelijke karakter van John Adams’ interpretatie van minimal music. Werk met onmiskenbare jazzy trekken zonder dat het als jazz valt te kwalificeren. Dit werd gevolgd door Remembering Gatsby, foxtrot for orchestra van de eveneens Amerikaanse moderne componist John Harbison. Geïnspireerd door The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald beleefde in 1999 een gelijknamige opera gebaseerd op dit boek zijn première bij de Metropolitan Opera in New York. Ruim een decennium hiervoor schreef Harbison echter al een foxtrot voor orkest op basis van de eerste schetsen voor de opera. Resultaat: een heerlijk symfonisch stuk jazz waarin een orkest zich volledig kan uitleven en waarin teruggeblikt wordt naar de jazz age van The Great Gatsby. Met een evenzo enthousiaste uitvoering van de symfonische suite Catfish Row waar de highlights van George Gershwin’s magnum opus en exponent van de Amerikaanse mix van jazz en klassiek Porgy and Bess zijn samengebracht, werd het programma voor de pauze in stijl afgesloten.

Daar waar Chailly vorige week met zijn uitmuntende uitvoering van de Tweede Symfonie van Mendelssohn liet horen hoe hij zich bij het Gewandhausorchester in Leipzig verder heeft ontwikkeld, was na de pauze bij dit concert een andere ontwikkeling te horen: zijn samenwerking met jazzpianist Stefano Bollani. Een samenwerking die inmiddels al twee prachtige cd’s met werken van o.a. Gershwin heeft opgeleverd waarbij een van de meest eminente orkesten van de Oude Wereld samenkomt met de muziek van de Nieuwe Wereld met fantastisch resultaat. Het vervangen van het Gewandhausorchester met het KCO doorbrak deze magie geenszins en gaf een mooi Amsterdams tintje aan deze colliding worlds. Met een weergaloos (samen)spel van KCO en Bollani aangespoord door het aanstekelijke enthousiasme van een zichtbaar met veel plezier dirigerende Chailly werd een heerlijke uitvoering neergezet van Gershwin’s Pianoconcert in F dat leidde tot wederom wiggling bottoms in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Een magie die zelfs door een (tot twee keer toe!) afgaande mobiele telefoon niet kon worden doorbroken. Terecht ontvingen Bollani, Chailly en het KCO een daverende en enthousiaste, maar vooral ook gemeende, staande ovatie die leidde tot wel twee toegiften die met graagte werden onthaald.

Met dit concert laat Chailly wederom zien dat hij een dirigent is van het hoogste niveau, die zonder schroom nieuwe wegen durft te bewandelen. Want hoe groot ook de achting van deze recensent is voor zijn voorganger Bernard Haitink en opvolger Mariss Jansons bij het KCO, moet hij toch constateren dat deze weg nimmer door deze heren is, of zal worden bewandeld en al helemaal niet met zoveel succes. Zo zorgde Chailly, met hulp van Bollani en het KCO, voor zonder meer het leukste concert van dit jaar.

Zie hier voor een interview met Riccardo Chailly en Stefano Bollani over hun muzikale samenwerking en de opname van hun Gerswin-cd met het Gewandhausorchester Leipzig:




Riccardo Chailly is voor het eerst sinds zijn afscheid als chef-dirigent terug bij het KCO in de periode van 17 tot en met 29 april. Op 26 en 27 voert hij samen met jazzpianist Stefano Bollani dit programma uit. Deze recensie is op basis van het concert 'Jazz it up' op 26 april 2013. Op 29 april opent Chailly, samen met Bollani en zanger José James Koninginnenacht.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

donderdag 25 april 2013

Opera 24 april 2013: Hojotoho! Een wervelende Wagner's 'Die Walküre' van De Nederlandse Opera


Wagner: Die Walküre

Christopher Ventris, Siegmund
Günther Groissböck, Hunding
Thomas Johannes Mayer, Wotan
Catherine Naglestad, Sieglinde
Catherine Foster, Brünnhilde
Doris Soffel, Fricka

Walküren:
Marion Ammann, Martina Prins, Lien Haegeman, Julia Faylenbogen,
Elaine McKrill, Wilke te Brummelstroete, Helena Rasker, Cécile van Sant

Hartmut Haenchen, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

De muziek van Richard Wagner (1813-1883), zoals vrijwel alle goede dingen in het leven, verdeelt zijn publiek in ferme liefhebbers en uitgesproken virulente tegenstanders. Dit geldt overigens ook voor zijn collega-componisten. Waar Gustav Mahler als dirigent grote successen vierde in Wenen met het werk van Wagner zo stelde Rossini fameus dat de muziek van Wagner mooie momenten kende, maar vreselijke kwartieren. En in die quote van Rossini liggen veel van de vooroordelen over de muziek van Wagner besloten: best mooi allemaal, maar je moet enorm zitvlees hebben en is het is toch over het algemeen lawaaierige muziek.

Voor die lezers die al liefhebber waren van het werk van Wagner behoeft de reprise door De Nederlandse Opera (DNO) van zijn magnum opus, het vierdelige Der Ring des Nibelungen, geen warme aanbeveling meer. Na Das Rheingold eind vorig jaar (zie voor een recensie hier) is het nu de beurt aan Die Walküre. Dit tweede deel is misschien wel de opera van Wagner die alle vooroordelen van zijn tegenstanders bevestigt: bizarre hevig Germaanse mythologie, soapachtige verwikkelingen waarbij iedereen familie van elkaar is en de grenzen van het toelatbare diverse malen worden overschreden en bovenal luidruchtige muziek met als absolute hoogtepunt (of dieptepunt zo u wil) de prelude van de Derde Akte die vooral bekend geworden is als de alles dominerende achtergrondmuziek bij het met napalm bombarderen van Vietnam in Apocalypse Now van Francis Ford Coppola. 

En juist zou ik de tegenstanders van Wagner van harte aanbevelen om nog een kaartje te bemachtigen voor de werkelijk fantastische en wervelende uitvoering van Die Walküre door De Nederlandse Opera. Want als de vooroordelen 'even' (lees: vijf uur) opzij zet, krijg je een waar Gesamtkunstwerk voorgeschoteld die door de zonder uitzondering uitstekende prestaties van dirigent, orkest, solisten, decor en regie niet alleen recht doet aan het genie van Wagner, maar er ook nog een schepje bovenop doet.

Het is zonder meer te merken dat de samenwerking tussen Hartmut Haenchen, het Nederlands Philharmonisch Orkest en regisseur Pierre Audi een weerzien is tussen oude vrienden. Haenchen stond ook al op de bok bij de vorige uitvoering van deze cyclus en dat is te werken. Zijn controle over en kennis van de muziek is volledig waarmee hij het orkest, zoals bedoeld door Wagner, dezelfde hoofdrol geeft als de solisten. Sterker nog: je kunt er een lans (of in dit geval: een speer) voor breken dat de feitelijke hoofdrol bij het werk van Wagner altijd ligt bij de muziek en daarmee het orkest. 

Overigens schitterden, net als het orkest, ook de solisten. Door het futuristische decor dat deels de zaal in liep (zie onderstaand YouTube-filmpje) werd de afstand tussen solisten en publiek, zeker diegenen die op de eerste rij zaten, non-existent. Van solisten wordt steeds vaker gevraagd om hun rol, naast goed zingen, ook goed te acteren. En bij luttele meters afstand wordt deze voorkeur een ontbindende voorwaarde. Dat was aan deze solisten meer dan besteed. Met passie werd het verhaal van de liefde tussen tweelingbroer -en zus Siegmund en Sieglinde, en passant ook de kinderen van oppergod Wotan, neergezet. 

Evenzo passievol kwam het lijden van Wotan aan bod die door zijn vrouw, en tevens godin, Fricka werd gedwongen om zijn zoon te offeren aan haar kampioen Hunding (tevens de mishandelende man van Sieglinde) als genoegdoening voor de slippertjes van Wotan. En voor wie Doris Soffel onnavolgbaar bezig zag als Fricka kan alleen maar concluderen dat Wotan er goed aan deed om Siegmund in de steek te laten en daarmee een hele nare 'vechtscheiding' heeft voorkomen. Gelukkig voor Wotan luistert het instrument van zijn wil, oogappel en lievelingsdochter Brünnhilde niet zozeer naar zijn woorden, maar wel zijn echte wil en beschermt ze Siegmund in de strijd met Hunding. Wotan ziet dit echter met leden ogen aan en grijpt in wat alsnog leidt tot de ondergang van Siegmund. Brünnhilde weet echter te vluchten met de (van haar broer c.q. geliefde) zwangere Sieglinde. Wotan achtervolgt haar en, met enig mededogen en begrip voor Brünnhilde's verraad, veroordeelt Brünnhilde tot een eeuwige slaap achter een muur van vlammen. Een slaap waaruit ze alleen ontwaakt kan worden door een echte held: Siegfried, het kind van Siegmund en Sieglinde en tevens naamgever van en hoofdrolspeler in het derde deel van Der Ring des Nibelungen.  

Na ruim vijf uur (inclusief twee pauze van samen een klein uur) eindigt daarmee Die Walküre en een formidabele prestatie van De Nederlandse Opera. Want een dergelijke uitvoering die al het aangename van Wagner zo onderstreept en samenbrengt, kan niet anders dan zelfs de meest verstokte Wagner-hater doen toegeven dat het muzikale werk van Wagner lang niet het monster is waar het soms voor gehouden wordt.  


'Die Walküre' wordt door De Nederlandse Opera in het Muziektheater te Amsterdam op 20, 24 & 28 april en 1, 5, 9 & 12 mei opgevoerd. Kaarten voor alle DNO-producties van Wagner het komende en volgende seizoen kunnen hier besteld worden. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 24 april 2013.  

dinsdag 23 april 2013

Concert 22 april 2013: Music fit for a King - Purcell's 'Dido and Aeneas' door The King's Consort

© Concertgebouw

Purcell:
'Why are all the Muses mute?' 
(Welcome Song for King James, 1685)

'Dido and Aeneas' 

Carolyn Sampson, sopraan - Dido
Roderick Williams, bariton - Aeneas
Robin Blaze, countertenor - Sorceress
Grace Davidson, sopraan - Belinda
Rebecca Outram, sopraan - Second Woman, Witch
Susan Gilmour-Bailey, sopraan - Witch
Charles Daniels, tenor - Sailor

The Choir of The King's Consort
Robert King, The King's Consort
Dr. Anton Philipszaal, Den Haag

The King's Consort brengt met toewijding een waar Koningslied ten gehore en toont het muzikale genie van Henry Purcell. 

De controverse van de afgelopen dagen zou tot andere gedachten kunnen leiden, maar het componeren van muziek ter ere van de monarch is al een eeuwenlange bezigheid. De kwaliteit van de geleverde muziek in het verdere verleden behoort, op z'n zachtst gezegd, echter tot een compleet ander muzikaal universum.

Hoewel het Verenigd Koninkrijk kan bogen op een overdaad aan grote componisten zoals Benjamin Britten, Ralph Vaughan Williams en Edward Elgar restte de muzikale hoop van Engeland eeuwenlang op de schouders van Henry Purcell (1659-1695). Nu is dat gezien de prachtige barokke muziek van zijn hand voorwaar geen straf. Muziek die overigens vaker wel dan niet ten dienste stond ter meerdere eer en glorie van de monarch. Purcell's ode Why are all the Muses mute? en in mindere mate zijn enige complete opera Dido and Aeneas zijn het resultaat van de muzikale verering van de Britse monarchie. 

Het is daarom niet meer dan passend dat het door Robert King opgerichte The King's Consort in de (weinig stemmige) Dr. Anton Philipszaal te Den Haag deze beide werken van Purcell met veel toewijding en liefde ten gehore bracht. De ietwat jolige Robert King maakte van de gelegenheid gebruik om voordat een noot was gespeeld het publiek mee te nemen in de muzikale wereld van Purcell en zijn tijdgenoten. Een wereld die afhankelijk was van de largesse van de zittende macht. Na de onthoofding van Charles I en het tijdelijke einde van de monarchie braken onder Lord Protector Oliver Cromwell muzikale tijden aan. Met de restauratie van de monarchie en de installatie van Charles II begon ook de muziek aan het hof haar renaissance. Een tijdperk van overdaad in de meest brede zin van het woord die voor een deel weer teniet zou worden gedaan door de (natuurlijke) dood van Charles II en de opvolging door diens (openlijk katholieke!) broer James die als koning James II zou regeren en door de Glorious Revolution van Stadhouder Willem III en diens vrouw Mary ten val zou komen.

In het begin van het koningschap van James II moet de ode Why are all the Muses mute? geplaatst worden: een eerste welkomstlied voor de nieuwe koning door Henry Purcell. In deze ode, prachtig uitgevoerd door de mannen en vrouwen van Robert King, brengt Purcell zijn barokke compositie perfect samen met de teksten ter meerdere eer en glorie van James II. Dat is nog eens wat anders dan een tweedehands compositie met erbarmelijke teksten vol taalfouten en afgetopt met een affreus stukje rap.

Na deze ode was het na de pauze de beurt aan Purcell's beroemdste werk: zijn opera gebaseerd op het mythologische liefdesverhaal van Dido van Carthago en Aeneas van Troje. In iets minder dan een uur tijd weet Purcell liefde, verdriet, humor, angst en het kwaad moeiteloos muzikaal de revue te laten passeren. Zodanig dat bij de laatste, en terecht wereldberoemde, aria van Dido When I am laid in earth de gemiddelde luisteraar niet anders dan geroerd kan zijn. En dat is ook niet zo gek omdat deze aria het tergende verdriet van een koningin verbeeldt die door de wil van de Goden de dood moet verkiezen boven de liefde van Aeneas die gedwongen is Carthago te verlaten omdat hij voorbestemd is de kiem te leggen voor Rome en daarmee het Romeinse Rijk. 

Met dezelfde toewijding en overduidelijk liefde voor de muziek van Purcell gaf The King's Consort een prachtige uitvoering te berde waarbij de uitstekende vertolking van Dido door Carolyn Sampson (foto) zonder meer genoemd moet worden. Maar eigenlijk gold dit voor alle solisten en met name ook voor The Choir of The King's Consort. Daarbij hielp het overigens ook zeer dat gekozen was voor een licht geënsceneerde uitvoering waarbij de dramatiek, maar ook de humor van de muziek van Purcell ten volle werd benut. Daarbij had Robert King nog een verrassing in petto door de gesproken epiloog van Tom D'Urfey in ere te herstellen. Met het wegsterven van het laatste woord van deze epiloog was slechts één conclusie mogelijk: Music fit for a King!

The King's Consort voert deze week dit Purcell-programma uit op diverse podia in Nederland waaronder op 24 april in het Concertgebouw.  

zondag 21 april 2013

Cabaret 20 april 2013: 'Ick Hans Liberg'


Hans Liberg:
'Ick Hans Liberg'

Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Met Ick Hans Liberg zet cabaretier Hans Liberg zijn succesvolle formule van muzikaal cabaret onverschrokken voort. Als je geen fan bent van Liberg hoef je ook zeker niet naar deze show te gaan want alles wat je kan tegenstaan in zijn cabaret vind je ook gewoon weer in deze show terug. En voor zijn fans is het simpel: wederom krijg je een gelikte show voorgeschoteld waar Liberg vrij associeert met muziek en daarmee vaker wel dan niet de lachers op zijn hand krijgt.

Hans Liberg behoeft natuurlijk ook geen enkele introductie meer. Al jarenlang toert hij binnen en buiten Nederland met zijn eigen muzikale invulling van cabaret. En voor mensen die hem nimmer live hebben gezien, brengt de TROS al jarenlang uitkomst door met regelmatig, het liefst rondom de Kerstdagen, zijn shows uit te zenden. 

En ook bij Ick Hans Liberg tref je wederom een kale man op Japanse schoenen in een pak waar Dr. No of Kim-Jon-un nog een puntje aan kunnen zuigen. Een man die iedere minuut van zijn show in de weer is met een muziekinstrument en zijn verhalen daarbij waarbij hij immer aanhaakt bij de actualiteit of die zaken die lekker gemeengoed zijn en daarom zo herkenbaar. Liefst een piano, maar ook voor een gitaar, banjo, klarinet of drums draait Liberg zijn hand niet om. Voor diegenen die echt nog nooit iets van Liberg hebben gezien biedt deze korte impressie uitkomst:


Toch heeft Liberg gepoogd, naast zijn ijzersterke formule van muzikaal cabaret, wat verdieping aan te brengen door, zo wordt het ook aangekondigd, iets meer van hemzelf te laten zien. In alle eerlijkheid lijkt dat niet helemaal gelukt. Voor de pauze krijg je vintage Liberg. Een rollende muzikale trein van continu vermaak leidt vaker wel dan dan niet tot een gniffel of bulderende lach. Daarbij is bij deze show wederom gekozen voor een sidekick. Ditmaal in de persoon van 'stagiair' Daan Boom die, met name in hilarische dansroutines, de show steelt. En wederom lijkt het alsof Liberg op grond van interactie uit de zaal zomaar uit het niets zijn muzikale kunsten toont en in die muziek de meest buitenissige verbanden legt. Hier ligt echter een uitmuntende voorbereiding aan ten grondslag die veel zegt over de grote kwaliteiten van Liberg die het allemaal als volstrekt spontaan over laat komen. 

Na de pauze wordt het meer persoonlijke van Hans Liberg getoond. Dat begint met een wat vreemd gesprek tussen hemzelf en een pop die een miniatuurversie van hemzelf is. Dit wordt gevolgd door een terugblik op zijn jeugd in Amsterdam en (soms wel erg oubollige) associaties die daarbij horen. Op de een of andere manier liep dit deel van de show niet echt. Niet dat het niet vermakelijk was, maar het niveau van voor de pauze werd niet gehaald. Gelukkig wordt het persoonlijke al snel verlaten en is het laatste deel weer Liberg op zijn best met louter muzikale grappen en grollen.

Als je dus ook maar een klein beetje van het cabaret van Hans Liberg houdt, kun je je aan deze nieuwe show geen buil vallen. Sterker nog: een avond topentertainment is gegarandeerd. 

Concert 19 april 2013: De terugkeer van Riccardo Chailly

© Concertgebouw

Henze: Elogium Musicum
Mendelssohn: Tweede Symfonie 'Lobgesang' 

Genia Kühmeier, sopraan
Bernarda Fink, alt
Michael Schade, tenor
Erwin Wiersema, orgel

Groot Omroepkoor
Riccardo Chailly, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Riccardo Chailly keert succesvol terug bij het Koninklijk Concertgebouworkest met een concert waarbij hij zijn muzikale heden en verleden samenbrengt.

Naast het feit dat de chef-dirigenten van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) een illuster gezelschap vormen, moet worden vastgesteld dat het einde van hun betrekking een stuk minder succesvol verloopt. Ga maar na: Willem Mengelberg werd het dirigeren ontzegd door zijn optreden – letterlijk – tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn opvolger Eduard van Beinum stierf in het harnas tijdens een repetitie voor de Eerste Symfonie van Brahms. En de twee meest recente voormalig chef-dirigenten, Bernard Haitink en diens opvolger Riccardo Chailly, vertrokken allebei in onmin uit Amsterdam. 

Na het vertrek van Haitink bij het KCO in 1988 duurde het zeven jaar voordat hij het orkest weer zou leiden, om vervolgens benoemd te worden tot eredirigent. Chailly liet zelfs nog langer op zich wachten. Na zijn vertrek in 2004 was hij pas afgelopen woensdag terug als emeritus chef-dirigent bij het KCO. Blijkbaar duurt het in het muzikale leven een behoorlijk aantal jaren voordat wonden geheeld zijn.

De verhouding is meteen wel dermate hersteld dat de terugkeer van Chailly niet een enkeltje is, maar een concertreeks van bijna twee weken. Deze reeks werd afgetrapt met een Henze/Mendelssohn-programma dat perfect het muzikale verleden en heden van Chailly als dirigent symboliseert. Niet alleen gaf hij het KCO Italiaanse vitaliteit, maar hij zette het orkest er tevens toe aan om, naast het heilige repertoire van Mahler en Bruckner, het werk van moderne componisten in de armen te sluiten. Het is daarom niet verwonderlijk dat de terugkeer van Chailly begon met een terugblik op de muzikale vernieuwing van zijn KCO-jaren met de Nederlandse première van Elogium Musicum (2008) van Hans Werner Henze (1926-2012). 

En dat was toch wel een beetje slikken voor het Concertgebouwpubliek. Dit werk uit de nadagen van Henze – hij was ruim in de tachtig (!) toen hij deze muzikale elegie voor zijn overleden levensgezel Fausto Moroni componeerde – is niet het meest toegankelijke werk. De traditionele elegie is door Henze als dissonant gecomponeerd waarbij alle emoties die optreden bij verlies aan bod komen. Henze stelde het als ‘een soort in memoriam, vol van herinnering, getuigenis, verdriet, verlies en klacht’. Het publiek applaudisseerde van harte na afloop, maar dit leek toch vooral ter onderstreping van de terugkeer van Chailly en niet zozeer uit enthousiasme voor het werk van Henze.

Het hoogtepunt van het concert, zoals van tevoren ook verwacht mocht worden, was zonder twijfel de weinig uitgevoerde Tweede Symfonie (1840) van Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847). Deze Lobgesang, omschreven door Mendelssohn als Eine Symphonie-Kantate nach Worten der Heiligen Schrift, is een prachtige samensmelting van koor, solisten en orkest. Mendelssohn schreef het stuk destijds ter ere van de festiviteiten rond het vierhonderdjarige bestaan van de drukpers. Het muziekstuk is ook een perfecte vertegenwoordiging van de hedendaagse Chailly. Sinds zijn vertrek bij het KCO zwaait hij immers de scepter over het eminente en alom gerespecteerde Gewandhausorchester Leipzig, een orkest met een lange en diepe band met Mendelssohn, niet alleen vanwege diens muziek maar ook doordat Mendelssohn de eerste Kapellmeister was van het Gewandhausorchester. Sinds zijn aantreden bij het orkest uit Leipzig maakte Chailly furore met diverse uitvoeringen van zijn verre voorganger Mendelssohn. Met diens Tweede Symfonie waarmee hij ooit zijn inauguratieconcert in Leipzig inwijdde, markeert Chailly zijn terugkeer in Amsterdam.

Chailly liet horen dat hij het dirigeren van het KCO nog lang niet is verleerd. Met zijn kenmerkende Italiaanse vitaliteit, ondersteund door uitstekende solisten (sopraan Genia Kühmeier, alt Bernarda Fink en tenor Michael Schade) en het altijd indrukwekkende Groot Omroepkoor, zette Chailly een energieke en prachtig gespeelde uitvoering van deze hymne voor de drukpers neer.

Na afloop van het concert kon daarom alleen maar geconstateerd worden dat de verwijdering tussen het KCO en Chailly veel te lang heeft geduurd en dat er nog altijd sprake is van een winning team

In de periode van 17 tot en met 29 april 2013 is Riccardo Chailly te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Naast zijn officiële terugkeer bij het KCO met de Tweede Symfonie van Mendelssohn leidt hij tevens het Koninginnenachtconcert op 29 april en treedt hij, samen met pianist Stefano Bollani, op in de AAA-serie onder het motto ‘Jazz it up’ op 26 en 27 april. Het Henze/Mendelssohn-programma is op 17, 18, 19 en 21 april te beluisteren in het Concertgebouw. Deze recensie op basis van het concert van 19 april. 

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.


woensdag 17 april 2013

Een bijrol voor het lijdensverhaal: 'Het Boek van Leugenaars' van Naomi Alderman


Vijf verhalen in Het Boek van Leugenaars van Naomi Alderman maken Jezus tot een intrigerende bijfiguur.

Nu Pasen achter de rug is en de laatste uitvoeringen van de Matthäus-Passion hebben geklonken, is de kennis van het lijdensverhaal van Jezus weer goed opgefrist. Een ideaal moment om de net uitgebrachte Nederlandse vertaling van The Liar’s Gospel van Naomi Alderman te lezen.
 
Het lijdensverhaal is een dermate platgetreden pad in de literatuur dat het de vraag is wat een schrijver hier nog aan kan toevoegen. Met Het Boek van Leugenaars heeft Naomi Alderman echter een prachtige toevoeging geschreven op de canon van het lijdensverhaal en en passant werpt ze ook nog een blik op het Joodse leven onder het bewind van het Romeinse Rijk.
 
Alderman is daarbij inventief te werk gegaan door het verhaal van Jezus zoals dat al talloze malen is verteld, verfilmd en beschreven, tot een bijrol te veroordelen. Via de verhalen van Joden in de omgeving van Jezus neemt de lezer kennis van de gebeurtenissen in het leven van Christus zonder de bagage van de mythologie van het Evangelie en tweeduizend jaar geloofsuitoefening.
 
Via vier gezichtspunten wordt een tableau van verhalen geschapen dat een licht werpt op het lijdensverhaal. Het verhaal van Mirjam (Maria), de moeder van Jehosjoea (Jezus), is het verhaal van een moeizame relatie tussen moeder en zoon waarbij Jehosjoea zijn eigen pad kiest terwijl zijn moeder daarbij geen enkele rol speelt. Pas wanneer zijn roem het grootst is, komt Mirjam weer in contact met haar zoon om vervolgens volstrekt machteloos hem zijn dood tegemoet te zien gaan.
 
Zo anders vergaat het Jehoeda van Keriot (Judas) die ontgoocheld raakt door een leermeester die de weelde van het geloof van zijn volgelingen niet meer lijkt te verdragen en hem uiteindelijk verraadt. Na dit verraad, in tegenspraak met zijn in het Evangelie beschreven zelfmoord, ontvlucht Jehoeda Jeruzalem, verkoopt zijn verhaal over Jezus aan de Romeinen die er grof voor willen betalen en verdwijnt vervolgens met onbekende bestemming.
 
Voor de hogepriester Kajafas is Jehosjoea slechts een van de vele volksmenners die zich aandienen in Jeruzalem en ook maar een korte onderbreking van zijn leven als hogepriester. Juist door zijn verhaal maakt de lezer kennis met de positie en levenswijze van de priesters.

Ten slotte komt de man aan bod wiens misdaden door een joelende menigte worden vergeven. Op uitnodiging van de Romeinse prefect Pontius Pilatus, wordt zijn vrijlating verkozen boven die van Jehosjoea die daarmee wordt veroordeeld tot een gewelddadige dood door kruisiging. Deze Bar Avo (Barabbas) strijdt voor het Joodse belang en tegen de overheersing van het Romeinse Rijk. Hij is daardoor in staat meer volgelingen op de been te brengen dan Jehosjoea en zou zomaar zelf door kunnen gaan voor verlosser.
 
Het aardige aan deze vertelling via vier gezichtspunten is dat, net zoals bij iedere vertelling over dezelfde gebeurtenis, deze verhalen soms overlappen en soms elkaar tegen lijken te spreken, waardoor de complexiteit van het lijdensverhaal alleen maar onderstreept wordt. Daarnaast zet Alderman de lezer ook aan het denken door alles wat wij weten en hebben gehoord, gelezen en geleerd over het leven van Jezus opzij te zetten en zijn leven te bezien vanaf het toenmalige 'hier en nu' in plaats van via een blik die beïnvloed is door langdurige ‘indoctrinatie’. Zo is de kruisiging een minor event in de vier verhalen terwijl de herrijzenis van Jezus niet als zodanig, althans op dat moment, wordt geïnterpreteerd. Het lichaam van Jezus is verdwenen, maar de conclusie wordt getrokken dat zijn volgelingen hier verantwoordelijk voor zijn.

Naast deze vier verhalen schetst Alderman, zonder het als zodanig te benoemen, nog een vijfde verhaal: het verhaal van de Joden onder het bewind van het Romeinse Rijk. Als rode draad in de vier verhalen wordt het Joodse leven onder de Romeinen inzichtelijk gemaakt. Via de proloog markeert Alderman het startpunt: de verovering van Jeruzalem door Pompeius in 63 voor Christus. De epiloog vertelt in vogelvlucht de Romeinse geschiedenis van de Joden tot en met de vernietiging van de Joodse Tempel en inname van Jeruzalem door de toekomstige Romeinse keizer Titus in 70 na Christus. Als represaille voor de (zoveelste) Joodse opstand werd Jeruzalem door Titus volledig ingenomen en resteerde door deze verwoesting slechts de Westelijke Muur van de tempel. De Westelijke Muur die het bekendste symbool van het huidige Jeruzalem en de gemoederen, to put it mildly, nog steeds bezig houdt. 
 
Hoewel dit boek zonder meer tegen heilige huisjes aantrapt en in bepaalde (orthodoxe) kringen tot heftige reacties zal leiden, lijkt Alderman tocht vooral te kiezen voor de rol van meer neutrale verteller. Waarom dit boek dan toch Het Boek van Leugenaars heet is eigenlijk wel lastig te zeggen, maar lijkt besloten te liggen in haar opvatting van het schrijverschap zoals terug te vinden in de epiloog: ‘Ieder verhaal heeft een schrijver, een verteller van leugens. Denk niet dat een verhalenverteller zich niet bewust is van het effect van ieder gekozen woord. Veronderstel nooit dat er zoiets bestaat als een onbevooroordeelde toeschouwer’.
 
 
© Wikimedia Commons
 
Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.


donderdag 11 april 2013

'Goed om hier te zijn' van Philip Huff



Philip Huff markeert indringend de wereld van nu in zijn verhalenbundel Goed om hier te zijn, maar begrenst de literaire houdbaarheid daardoor wel.

Verhalenbundels in de literatuur herbergen immer het euvel in zich dat een rode draad noodzakelijk is om een verzameling verhalen meer te laten zijn dan een samenraapsel. Het gevaar van geforceerde samenhang ligt daarbij op de loer. 

Met zijn nieuwste boek keert Philip Huff (1984), na twee romans, terug naar zijn oorsprong als schrijver van korte verhalen. Huff brengt een aantal korte verhalen samen in de bundel Goed om hier te zijn. De achterflap doet hierbij al een poging om de samenhang binnen de bundel inzichtelijk te maken: 'Hier en nu’ blijkt voor de meeste vertellers (…) minder bestendig dan gehoopt: niets blijft, alles verandert. De vraag is steeds weer: hoe goed is het om hier te zijn?

Met dit nogal generieke commentaar (van de uitgever?) spookt bij het lezen van deze verhalenbundel constant de vraag naar de raison d’être ervan door het hoofd. Gelukkig valt er na het omslaan van de laatste pagina toch wel een goed antwoord op deze vraag te geven en is de bundeling van deze verhalen niet zo toevallig als het op het eerste gezicht lijkt.

De verhalen in Goed om hier te zijn geven een indringend beeld van de hoofdpersonages en de specifieke ‘strijd’ die zij in hun leven voeren. Daarbij komen algemene thema’s als verlies, ziekte, liefde en onvervulde verlangens aan bod waarbij gaandeweg duidelijk wordt dat veel van deze verhalen sterk verbonden zijn met de huidige tijd en daarmee een goed beeld geven van die tijd. 

Zo volgen we in het verhaal (en naamgever van de bundel) 'Goed om hier te zijn' de 29-jarige Jan van Best in zijn doorloop van een tragisch, nimmer helder benoemd ziektebeeld dat uiteindelijk zijn leven zal opeisen. In 'Jij' kruip je – met ongemak en afkeer – in de huid van een man met pedoseksuele gevoelens, die hij (op het nippertje) niet in de praktijk brengt. 

Bij het vertellen van deze verhalen probeert Huff ook verschillende vormen uit waardoor er sprake is van verhalen van behoorlijk verschillende lengte die telkens onderbroken worden door korte impressies van één tot twee pagina’s over allerhande gebeurtenissen waarvan de relevantie nu, althans voor deze recensent, niet echt duidelijk werd. Tevens is in de bundel een verhaal opgenomen dat vanuit twee perspectieven is geschreven: vanuit een vader en een zoon waarbij één der perspectieven niet voor rekening komt van Huff, maar van Maartje Wortel.

Binnen de bundel domineren twee verhalen het boek. In het ene verhaal  'Voor de troon wordt niemand ongestraft geboren' kruipt Huff in de huid van Karst Tates in de aanloop naar zijn mislukte aanslag op de Koninklijke Familie tijdens Koninginnedag 2009 te Apeldoorn. In het andere (veruit langste) verhaal 'Zij' volgen we de opkomst en ondergang van een relatie gebaseerd op seks en sadomasochisme vanuit het perspectief van de man.  Een en ander dermate intens gebracht dat je je bijna afvraagt hoeveel van Huff zelf in het verhaal zou zitten.

De aantrekkelijkheid van deze bundel ligt in de goed vertelde verhalen die de lezer raken en relateren aan de tijdgeest. Tegelijkertijd rijst daarbij de vraag in hoeverre deze bundel de tand des tijds zal kunnen doorstaan. Vooralsnog lijkt het erop dat met het verstrijken van de tijd ook de impact van deze verhalen minder zal worden. Het is dus zeker goed om hier te zijn, maar dan wel voor even.


© Wikimedia Commons

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

maandag 8 april 2013

Het Israëlische 'Wirtschaftswunder': 'Start-Up Nation' van Dan Senor & Saul Singer


De categorie business books is voor mij meestal een non-starter. Hoewel boeken als Too Big to Fail van Andrew Ross Sorkin, Barbarians at the Gate van Bryan Burrough en John Helyar en De Prooi van Jeroen Smit door mij met veel plezier zijn gelezen, lag dat vooral in de uitstekende bijna romanachtige narrative dan het onderwerp zelf. In de herfst van 2012 was ik echter in Israël voor een studiereis waar hoog werd opgegeven van het innovatieve karakter van de Israëlische economie, het grote aantal start-ups en een economie die als één van de weinige OESO-landen nog steeds echt groeit. Een boek dat daarbij telkens werd aangeraden was Start-Up Nation. The Story of Israel's Economic Miracle van Dan Senor en Saul Singer. Nu had ik het boek als snel na mijn terugkeer uit Israël aangeschaft, maar zoals wel vaker gebeurt, dreigde het boek verloren te gaan in de Bermuda Driehoek die de 'nog te lezen stapel boeken' is. 

Ondanks deze dreiging heb ik recent het boek er toch bij gepakt en in razend tempo uitgelezen. Dit ligt vooral besloten in het feit dat Senor en Singer met passie over hun onderwerp schrijven en dat hun enthousiasme aanstekelijk werkt. Dat ze ook nog eens een goede pen hebben, helpt (zeker wanneer het een business book betreft) alleen maar. 

Aanleiding voor dit boek is de verwondering van de schrijvers over het grote (economische) succes van Israël en de gelijktijdige constatering dat dit succes is georganiseerd in een langs van slechts 7,1 miljoen inwoners in een volatiele regio. In dit boek beschrijven zijn hun queeste om de oorzaken van dit succes in kaart te brengen en daarmee de magische formule te kraken voor andere landen om het start-up-succes van Israël te emuleren. 

Het aardige aan het boek is dat zij hun queeste en hun bevindingen inzichtelijke maken door concrete voorbeelden uit heden en verleden van mensen die symbool staan voor de economische dynamiek die ten grondslag ligt aan dit succes. Hun bevindingen zorgen voor een redengeving van het Israëlische Wirtschaftswunder dat verder gaat dan de randvoorwaarden die je bij andere succesvolle economieën ziet. Israël voegt aan de noodzakelijke infrastructuur haar eigen ingrediënten toe die nauw samenhangen met het wezen van Israël en de wijze waarop het land is ingericht.

Een van de belangrijkste motoren voor innovatie is de Israel Defense Force (IDF). Doordat het grootste deel van de Israëlische bevolking (met grote uitzondering van orthodoxe Joden, waar overigens onder de nieuwe regering-Netanyahu een einde aan lijkt te komen) verplicht een aantal jaren in dienst gaat, wordt de bevolking niet alleen technisch getraind, maar vormt de IDF door de jaarlijkse 'reünie' die de verplichte training van reservisten ook is een onbegrensd netwerk om ideeën door contacten met de juiste mensen tot wasdom te laten komen. Dit nog los van de technologische vooruitgang die de IDF an sich aanwakkert door de IDF-behoefte van 'meer, sneller, beter'. 

Een andere succesfactor die door Senor en Singer wordt geïdentificeerd is de conflicterende aard van de Israëliërs die zich het best laat omschrijven als collectief individualisme. Hoewel een collectief gevoel niet te ontkennen valt is een argumentative streak ook een onderdeel van de volksaard. Dit laat zich (wederom) gelden in de IDF waar de beperkte grootte van het land omgekeerd evenredig is aan het noodzakelijke defensiepotentieel. Hierdoor is een klassieke militaire hiërarchie zoals in de V.S. en de meeste andere Westerse landen onmogelijk. Soldaten krijgen veel verantwoordelijkheid en volgen orders van hogerhand maar worden tegelijkertijd in de gelegenheid gesteld om gerede twijfels te zetten bij orders van hogerhand. Dat dit niet ontaardt in volledige chaos is dan weer iets typisch Israëlisch. Senor en Singer weten met Intel als bedrijfsvoorbeeld aan te tonen dat niet aflatende groep werknemers uit Israël het voor elkaar krijgt om het wezen van Intel (elke nieuwe chip moet een snellere kloksnelheid hebben dan de directe voorganger) te veranderen van kwantiteit naar kwaliteit en daarmee Intel een nieuwe succesvolle weg in te laten slaan.

Dit en vele voorbeelden zorgen voor een terrific read die zelfs voor een volstrekte alfa als ondergetekende een paar interessante en vermakelijke leesuurtjes oplevert. 

Concert 28 maart 2013: Een Rotterdamse Matthäus-Passion


Bach: Matthäus-Passion

Carolyn Sampson - Sopraan
Sanne van Zandwijk - Mezzosopraan
Werner Gura - Tenor (Evangelist)
Robin Tritschler - Tenor (aria's)
Christian Immler - Bas (Christus)
Markus Werba - Bas (aria's)

Cappella Amsterdam, Jongenskoor Rivierenland
Daniel Reuss, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Gelijk half Nederland maak ook ik elk jaar, in al mijn ontkerkelijking, de gang naar een kerk of een concertzaal om me mee te laten voeren door het prachtwerk van Johann Sebastian Bach (1685-1750): de Matthäus-Passion. Dit jaar had ik eigenlijk kaartjes voor de uitvoering op Goede Vrijdag door het Residentie Orkest onder Jan Willem de Vriend. Een stedentrip naar Wenen, waarvan de culturele uitkomsten al op deze blog te lezen waren en de reden dat deze recensie qua timing een beetje mosterd na de maaltijd is, gooide roet in het eten. Een jaar zonder Matthäus-Passion was geen optie dus toog ik op Witte Donderdag naar De Doelen voor de uitvoering door het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPhO). 

Nu keek ik erg uit naar de uitvoering door Jan Willem de Vriend. Ik heb De Vriend en zijn passie voor muziek hoog zitten en hoorde hem al eerder, maar dan in de Johannes-Passion van Bach (zie voor die recensie hier).  Een Passie die ik overigens net zo hoog aansla als de Matthäus-Passion en het liefst ook eens per jaar 'live' hoor hoewel het er dit jaar niet van gekomen is. De uitvoering in Rotterdam door het RPhO onder leiding van Daniel Reuss was daarmee toch een beetje tweede keus.

Maar die (persoonlijke) tweede keus bleek volslagen ongegrond. Wat volgde op 28 maart in de Doelen was een prachtig uitgevoerde en doorvoelde Matthäus-Passion waar ik, en velen met mij in De Doelen, volop van genoten. Hoewel de aangekondigde mezzosopraan, Christine Rice, vanwege ziekte verstek moest laten gaan, was er van vervanging niets te merken. Sanne van Zandwijk (sic?) paste volledig in het rijtje van solisten die met doorvoelde vertolkingen invulling gaven aan het lijden van Christus. Met name Werner Gura als Evangelist was uitmuntend. Alleen Markus Werba viel een beetje uit de toon, maar dat heb je al snel met Bassen want aan zijn zangkwaliteiten lag het zeker niet.

Wat deze uitvoering vooral zo sterk maakte, was het vermogen van dirigent Daniel Reus om solisten, koren en orkest tot één geheel te smeden en daarmee de Passie op overtuigende wijze over het voetlicht te brengen. Daarbij lijkt het Reus zeer geholpen te hebben dan hij vooral een koordirigent is. Sinds 1990 is Reuss de artistiek leider van Cappella Amsterdam en heeft hij daarnaast vele andere koren geleid. Dit merk in zijn uitmuntende begeleiding van koor en solisten waarbij hij de focus op hun rol nimmer tussen wal en schip van het orkest laat belanden. Tegelijkertijd negeerde hij het orkest ook niet, een orkest dat overigens liet zien dat Rotterdam toch ook één van de beste orkesten van Nederland is en eigenlijk alleen het Koninklijk Concertgebouworkest voor zich hoeft te dulden. Daarbij overigens dient bij deze uitvoering van de Matthäus-Passion concertmeester Igor Gruppman uitgelicht te worden: met een enorme pathos en gevoel voor het werk van Bach zette hij een prachtige solo én begeleiding neer in het emotionele hart van de Matthäus: Erbarme Dich

Bij het wegsterven van de laatste noot bleek overigens wederom dat de traditie om na de Matthäus in stilte richting huis c.q. bar ('Zo die hangt weer!') te gaan volledig in onbruik is geraakt. Een groot applaus viel dirigent, orkest, solisten en koor ten deel. En dat was natuurlijk verdiend, maar toch voelt het altijd wat dubbel om bij deze muzikale vertaling van het lijden van Christus te applaudisseren. Een gevoel dat je her en der in De Doelen herkende. 

Wanneer men in Rotterdam jaarlijkse zo de Matthäus neerzet, is het zonder meer de moeite waard om volgend jaar bij de selectie van de Matthäus-Passion Rotterdam bij nadruk mee te nemen in de keuzemogelijkheden. 

zaterdag 6 april 2013

Concert 5 april 2013: Een muzikaal Arcadia met Bernard Haitink

© Wikimedia Commons

Bruckner: Symfonie Nr. 8

Bernard Haitink, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Bernard Haitink onderstreept in het Concertgebouw met een fenomenale Achtste Symfonie van Bruckner zijn legendarische status en laat en passant zien waarom het Koninklijk Concertgebouworkest het beste orkest ter wereld is.

Hoewel Bernard Haitink (1929) in 1988 onder weinig gelukkige omstandigheden bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) vertrok zijn, in de jaren daarna, de banden tussen het KCO en haar meest succesvolle dirigent hersteld. En dat is maar goed ook, want sinds de normalisering van de verhoudingen keert Haitink, sinds 1999 eredirigent van het orkest, met enige regelmaat terug naar Amsterdam om te laten horen waarom hij wereldwijd als dirigent zo hoog wordt aangeslagen.

Daarbij is de combinatie van Haitink en met name de symfonieën van Gustav Mahler en Anton Bruckner zeer gewild en geliefd. Dit overigens tot (enig) chagrijn van Haitink zelf. In de documentaire Bernard Haitink. Een dirigentenleven van Hans Hulscher laat Haitink zich ontvallen dat het in Nederland blijkbaar niet is opgevallen dat hij meer is dan Mahler en Bruckner. Terwijl hij toen (en nu nog steeds) grote successen vierde als operadirigent werd hij voor zijn gevoel in zijn eigen land op dat vlak niet altijd even serieus genomen.

Wie het repertoire van Haitink kent, kan niet anders concluderen dan dat zijn competenties veel verder gaan dan Mahler en Bruckner. Tegelijkertijd is het terecht een feit dat zijn naam synoniem is met de monumentale symfonieën van Mahler en Bruckner. De toonaangevende Gramophone Guide geeft hoog op van zijn Mahler-opnames terwijl de Rough Guide to Classical Music de klassieke Bruckner-cyclus door het KCO onder Haitink uit de jaren zestig aanbeveelt voor die muziekliefhebber die alle Bruckner-symfonieën door één dirigent uitgevoerd wil hebben. Daarbij gelden de lovende woorden van de Rough Guide nu nog steeds: ‘Haitink’s cycle, recorded throughout the 1960’s, did much to establish his reputation as a conductor of enormous integrity and power. Haitink’s conducting is classically clear and direct. His sense of structure is as good as anyone’s, but he can also pull the stops out’. Het is daarom weinig verbazingwekkend dat deze concerten tot het hoogtepunt van een muzikaal seizoen horen.

Binnen het universum van Mahler en Bruckner domineert één symfonie als geen ander: de Achtste Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896). Deze muzikale kathedraal is Bruckner op zijn best en zijn devotie aan der liebende Gott klinkt boven alles in zijn magnum opus door.

In de handen van Haitink en het KCO is iedere noot een groot feest. Dit kan ook niet anders omdat zowel dirigent als orkest het werk door en door kennen. De Achtste van Bruckner heeft zowel bij Haitink als bij zijn KCO-opvolger Riccardo Chailly menigmaal op de lessenaar gestaan. Daarnaast heeft Haitink niet alleen deze symfonie in de jaren zestig opgenomen met het KCO, maar ook nog aan het begin van de twintigste eeuw. Evenzo zijn er opnames van deze symfonie met de Wiener Philharmoniker en de Staatskapelle Dresden. Deze laatste (live)opname wordt over het algemeen gezien als Haitink’s beste opname.

Daar waar Haitink bij de laatste uitvoeringen een wat rustiger tempo in deze symfonie hanteerde, leek hij bij deze uitvoering juist weer meer terug te keren naar het snellere tempo van zijn eerste opname uit de jaren zestig. Daarbij creëerde Haitink een voortdurende spanningsboog die zorgde voor een superieure opbouw van de symfonie en climaxen die als zodanig zijn aan te merken. Dit leidde in het eerste deel, het Allegro Moderato, tot een prachtige uitwerking naar het hoofdthema dat, in ieder geval bij deze recensent, kippenvel bezorgde. Deze lijn werd voortgezet in het wat lichtere Scherzo om vervolgens over te gaan in magistraal gespeeld Adagio waar het samenspel en klankkleur van het KCO volledig tot hun recht kwamen. Met een daverende Finale leidde Haitink het Koninklijk Concertgebouworkest en het publiek in de Grote Zaal van het Concertgebouw richting extase en werd het muzikale Arcadia bereikt.

Op 5 en 7 april is Bernard Haitink te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest met een programma dat volledig bestaat uit de Achtste Symfonie van Anton Bruckner. Deze recensie is op basis van het concert van 5 april. Het concert op 7 april is al uitverkocht.   

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

donderdag 4 april 2013

Operette 31 maart 2013: Die Fledermaus in de Volksoper


Strauss (Johann II): Die Fledermaus

Thomas Sigwald - Gabriel von Eisenstein
Ulrike Steinsky - Rosalinde, siene Frau
Beate Ritter - Adele, ihr Stubenmädchen
Johanna Arrouas - Ida, ihre Schwester
Günter Haumer - Dr. Falke, Notar
Alexandra Kloose - Prinz Orlofsky
Mehrzad Montazeri - Alfred, ein Gesangslehrer
Heinz Fitzka - Iwan, Kammerdiener des Prinzen
Kurt Schreibmayer - Frank, Gefängnisdirektor
Franz Suhrada - Frosch, Gefängniswärter
Jeffrey Treganza - Dr. Blind, Advokat

Wiener Staatsballett
Nicholas Milton, Orchester, Chor und Komparserie der Volksoper Wien
Volksoper, Wenen

Hoewel Wenen als centrum van het Habsburgse Rijk (u weet wel: Franz-Joseph en Sissi) de grootste  klassieke componisten binnen haar stadsgrenzen mocht verwelkomen, is Wenen juist ook bekend van de componisten met een meer frivole touch. Tussen alle monumenten, gedenkstenen en musea gewijd aan muzikale grootheden zoals Haydn, Mozart, Mahler en Bruckner door is er een andere muzikale ster die het Weense universum beheerst: walskoning Johan Strauss II (1825-1899). Zijn muziek, en dan vooral zijn walsen, zijn synoniem geworden voor ons beeld van Wenen en het leven in Oostenrijk. Een beeld dat overigens ieder jaar fors kracht wordt bijgezet met het traditionele Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker vanuit de Musikverein in Wenen dat een groot deel van de wereld op Nieuwjaarsdag aan de buis gekluisterd houdt. 

Toch is Johann Strauss meer dan zijn walsen. Hij heeft ook een klein oeuvre aan operettes nagelaten waarvan Die Fledermaus (1874) verreweg het bekendste is. Nu is deze operette qua compositie en muzikale bezetting maar ook qua karakter- en verhaalontwikkeling bijna het genre ontgroeid. Niet voor niets werd Die Fledermaus enkele jaren geleden vol overtuiging door De Nederlandse Opera met groot succes geprogrammeerd. Deze eer was Die Fledermaus al in 1890 te beurt gevallen door het ten gehore brengen ervan door de Weense opera. 

En wie even goed gaat zitten voor Die Fledermaus kan niet anders concluderen dat deze licht verhulde kritiek op de Weense society uit de tijd van Strauss een groot succes is met een wervelende ouverture en prachtige aria's waar menig getalenteerd zanger nog veel moeite voor moet doen om deze met goed gevolg over het voetlicht te brengen.

Toch komt Die Fledermaus pas echt tot zijn recht in de natuurlijke habitat: Wenen. En daarom bezocht ondergetekende de Volksoper in Wenen waar een echte Weense versie van Die Fledermaus werd opgevoerd. Geen desoriënterende modernistisch decor, gewoon het Wenen rond de fin-de-siècle met uitstekende zang met een volledig passende Weense tongval en acteren dat in een klucht niet zou misstaan (dit zou als een verhulde kritiek kunnen worden gelezen, maar is toch echt een compliment!). 

Nu moet je niet elke avond naar een dergelijk Weens feestje gaan, maar deze Weense uitvoering van de huwelijksklucht van Gabriel en Rosalinde Eisenstein waarbij de eerste de gevangenis in moet vanwege belediging van een belastinginspecteur en de tweede wat aanrommelt met ene Alfred en hun kamermeisje Adele iedere smoes uit de kast trekt om naar een feestje te kunnen. Daarbij opereert op de achtergrond Dr. Falke, een goede vriend van Eisenstein, die hem terug probeert te pakken voor een gênant einde van een feestje waarbij Dr. Falke dronken werd achtergelaten op een bankje nog steeds verkleed als vleermuis. Dit tot grote hilariteit van de Weense bevolking. Uiteindelijk loopt via een scene in het Eisenstein-huis naar een feestje bij de decadente Prins Orlofsky waar Eisenstein en Dr. Falke alsmede Adele en de zich als Hongaarse aristocrate voordoende Rosalinde ook acte de présence geven. Uiteindelijk eindigt de operette in de gevangenis waar Eisenstein al had moeten zitten en wordt duidelijk dat een groot deel van de consternatie het werk van Dr. Falke is en daarom zijn wraak heeft voor Die Fledermaus-episode. 

Inmiddels ben je dan ruim drie uur en twee pauzes verder en kun je alleen maar constateren dat Johan Strauss, Wenen, de Volksoper en Die Fledermaus 'füreinander bestimmt sind'!