zaterdag 29 december 2012

'The President's Club' van Nancy Gibbs en Michael Duffy


'I had to get the monkey off my back' aldus de 38e President van de Verenigde Staten, Gerald R. Ford, als zijn verklaring voor het pardonneren van zijn voorganger Richard M. Nixon. Hoewel het toen zeer omstreden besluit zijn kans op een eigen verkozen mandaat als president heeft geminimaliseerd, wordt het besluit in hindsight gezien als het enige goede besluit dat niet de man, maar wel de functie van president, heeft gered en een streep zette onder de Watergate-affaire die Nixon, als enige van alle presidenten, voortijdig deed aftreden. Bij het bekendmaken van het pardon zei Ford daarom ook meer dan terecht 'our long national nightmare is over'. Tegelijkertijd werd daarmee ook de schaduw die over zijn eigen presidentschap hing voor een deel teniet gedaan zodat hij, in plaats van op Nixon, de focus kon leggen op hetgeen hij als president voor het land wilde bereiken. 

Dit overbekende deel van de geschiedenis van het Amerikaanse presidentschap toont onomwonden aan hoe een president last kan hebben van de (politieke) erfenis van zijn voorganger. Tegelijkertijd beschikken allen die de President van de Verenigde Staten zijn voorgegaan een schat aan ervaring mee en zijn zij de enigen die weten hoe het is om president te zijn. Juist deze, over het algemeen positieve, relatie tussen zittende presidenten en hun voorgangers is het onderwerp van misschien wel het beste non-fictie boek dat ik dit jaar las: The President's Club. Inside the world's most exclusive fraternity' van Nancy Gibbs en Michael Duffy.

Gibbs en Duffy zijn allebei editors voor Time en hebben eerder samen een boek geschreven over de Amerikanse evangelist en vriend van presidenten Billy Graham: The Preacher and the Presidents: Billy Graham in the White House. Het centrale idee van Gibbs en Duffy is ontzettend goed uitgewerkt en beslaat de relatie tussen de zittende president en zijn voorgangers in periode na de Tweede Wereldoorlog. Via dit uitgangspunt komt het presidentschap van achtereenvolgens Truman, Eisenhower, Kennedy, Johnson, Nixon, Ford, Carter, Bush Sr., Clinton, Bush Jr. en Obama aan bod. Natuurlijk bestond The President's club ook al voor Harry Truman, maar Gibbs en Duffy hebben er goed aan gedaan om zich te beperken tot de tweede helft van de 20e eeuw aangezien in deze periode The President's club transformeerde van idee naar instituut alleen al vanwege het feit dat de presidenten in de moderne tijd langer leven en veel zichtbaarder zijn dan hun voorgangers. De opmars van de presidential libraries is daar overigens ook een uiting van. De auteurs plaatsen de formele start van The President's club overigens bij de inauguratie van Dwight D. Eisenhower op 20 januari 1953 waarbij voormalig president Hoover aan Truman suggereert: 'I think we ought to organize a former presidents club' waarop Truman aldus reageert: 'Fine. You be the President of the club. And I will be the Secretary.'

Via gesprekken met de nog levende presidenten en uitgebreid literatuuronderzoek hebben Gibbs en Duffy een must read geschreven voor allen die ook maar enigszins geïnteresseerd zijn in de Amerikaanse politiek. Het gaat te ver om hier de schat aan verhalen en anekdotes, moeiteloos ondergebracht in de narrative van The President's club, te beschrijven, maar wie eenmaal begint, zal het lastig vinden om het boek weg te leggen. Het boek maakt duidelijk dat in tijden van crisis het voor zittende presidenten meer dan de moeite waard is om voorgangers te raadplegen voor advies, maar soms ook het vragen om missies uit te voeren. Voordeel voor de geraadpleegde oud-presidenten is dat het een kans is, indien nodig, op rehabilitatie, maar in alle gevallen leidt het tot de felbegeerde titel van elder statesman

Opvallende bij deze verhalen is dat het leidt tot onverwachte vriendschappen, dwars door partijlijnen heen. Zo worden Truman en Hoover de beste vrienden terwijl Hoover, de president die de economische neergang van de V.S. te verduren kreeg en het pad effende voor de Democratische dominantie van Franklin D. Roosevelt, het ideale vijandbeeld voor Democraten was. In de moeilijke dagen na het einde van de Tweede Wereldoorlog riep Truman de hulp van Hoover in om het hongerende Europa te helpen. Een initiatief dat veel deed voor Hoover om zijn uitermate slechte reputatie enigszins te herstellen en hem te transformeren tot elder statesman. Met als bonus het wederom noemen van Boulder Dam als Hoover Dam, in 1947 unaniem zo besloten door het Amerikaanse Congres. 

Eenzelfde soort vriendschap is ontstaan tussen Bill Clinton en de man die hij versloeg en daarmee een tweede termijn in het Witte Huis onthield: George H.W. Bush. Nu was de verhouding tussen beide presidenten al redelijk snel op orde aangezien de oudere Bush, als een ware patriciër, weinig rancune kent, maar een echte vriendschap werd gestart door zijn zoon George W. Bush. Na de tsunami in Azië in 2004 vroeg Bush '43' aan Bush '41' en Clinton om fondsen te werven. Dit zou een groot succes worden en navolging krijgen bij de ramp rond de orkaan Katrina. Bij de aardbeving in Haïti zouden wederom een Bush en een Clinton hulp komen bieden, maar dit keer Bush '43' en Clinton. Bush '41' vond zich inmiddels te oud en Obama verzocht daarom Clinton om met een nieuwe generatie van de Bush-clan de ravage in Haïti tegen te gaan. De banden tussen Clinton en de familie-Bush zijn inmiddels zo vergevorderd dat Clinton de hoogste accolade heeft ontvangen die een Bush kan geven: een bijnaam. Zo staat Clinton in de Bush-clan dus bekend als the brother from another mother.

De samenwerking tussen Clinton en beide Bushes is niet uniek, een dergelijke samenwerking en vriendschap is ook ontstaan tussen voormalige aartsrivalen Carter en Ford. Deze vriendschap is zo hecht geworden dat beide mannen afspraken dat ze, in het geval van het overlijden van een van hen, zouden spreken op elkaar's begrafenis. Carter zou uiteindelijk spreken bij de begrafenis van Ford. Echter is het niet allemaal pais en vree tussen de presidenten. Truman en Eisenhower konden elkaar niet uitstaan, terwijl Johnson en Nixon wel bewondering voor elkaar hadden, maar ook al te goed wisten van elkaar's donkere geheimen en daarmee elkaar in een wurggreep hielden. Reagan was na zijn afscheid als president al te oud (en uiteindelijk te dementerend) om nog echt een rol te spelen, maar dat weerhield zijn opvolgers niet hem, of dan toch vooral zijn geest, continu aan te roepen om steun te vergaren.

Opvallende bij het boek is overigens de grote aandacht die wordt gegeven aan Nixon. Nu is dit ook niet zo vreemd want hetgeen hij in zijn presidentschap heeft bereikt, zowel in het binnenlandse, maar vooral het buitenlandse beleid, staat in schril contrast met de Watergate-affaire en zijn aftreden. Nixon is en blijft misschien wel de meest fascinerende president. Na zijn gedwongen aftreden is Nixon een queeste begonnen om zichzelf te rehabiliteren. En bij zijn dood in 1994 kon toch wel vastgesteld worden dat hij (deels) gerehabiliteerd was als elder statesmen. Bill Clinton maakte graag gebruik van de kennis van Nixon en vergeleek het verlies van Nixon als het verlies van een moeder. Ook bekende Clinton jaarlijks de laatste brief van Nixon aan hem te herlezen. Deze brief over Rusland is voor hem de culminatie van de kennis en het inzicht van Nixon in de buitenlandse politiek. De andere brief die Clinton jaarlijks leest is de brief van George H.W. Bush die traditiegetrouw wordt geschreven aan de opvolger te lezen op de eerste dag als president. Een brief(je) dat stelt 'You will be our President when you read this note... I am rooting hard for you'. Een uitspraak die veel zegt over zijn presidentschap en vooral de man die het schreef. Het is ook mijn vaste overtuiging dat het presidentschap van George H.W. Bush, die inmiddels al een goede reputatie geniet en helaas op het moment van schrijven in zorgwekkende toestand in het ziekenhuis ligt, een grote herwaardering zal ondergaan en worden gezien als een van de meest waardige presidenten van de afgelopen eeuw.

De auteurs hebben een prachtig werk afgeleverd waarbij men in vrijwel alle gevallen een terechte distantie tot de presidenten in acht hebben genomen. Bij Truman en Hoover c.s. is dat ook niet zo moeilijk: de vervlogen tijd zorgt voor historische distantie. Des te knapper is dat ze deze distantie ook in praktijk brengen bij de recente oud-presidenten. Hoe ze schrijven over George W. Bush, maar ook over Clinton en Obama strekt tot voorbeeld. Uiteindelijk moet de geschiedenis oordelen over deze presidenten en is een oordeel nu te vroeg. Juist daarom verbaast het nogal dat de schrijvers een wat ongezonde fixatie lijken te hebben op het falen van Nixon. Nu is hij een omstreden president, maar dit boek gaat juist niet over het presidentschap op zich, maar de relatie tussen president en oud-presidenten. Het boek is wat Nixon betreft te eendimensionaal negatief. Bij Carter lijkt overigens het tegenovergestelde aan de hand. Er worden twee episodes omschreven van Carter op missie voor Clinton in Noord-Korea en Haïti waarbij Carter zijn boekje echt veel te ver te buiten gaan, maar hoewel de auteurs dit noteren, wordt het toch wat vergoelijkt. Wanneer dit wordt vergeleken met de passages over Nixon dan is de balans toch echt zoek. Voor die lezers die geïnteresseerd zijn in Nixon is Richard M. Nixon. A Life in Full van de eveneens in ongenade gevallen voormalig krantenmagnaat Conrad Black een grote aanrader. Overigens valt het ook op dat de schrijvers nogal vaak met Billy Graham op de proppen komen. Gezien hun verleden met hem begrijpelijk, maar soms wat ergerlijk. 

Dit zijn echter een beperkt aantal caveats bij een verder meer dan uitstekend boek. Zelden heb ik een non-fictie boek over welk onderwerp dan ook, maar zeker over de Amerikaanse politiek met zoveel plezier gelezen. Een onvoorwaardelijke aanrader voor een ieder die ook maar een beetje is geïnteresseerd in  (Amerikaanse) politiek. Een boek dat duidelijk maakt dat functie boven de persoon gaat of in de woorden van Dwight D. Eisenhower: 'The country is far more important than any of us'.

dinsdag 25 december 2012

KerstBlog: Filmtips voor de Kerst



Feestdagen en films zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geconfronteerd met het vooruitzicht om dagen met familie, vrienden en kennissen door te brengen, helpt het kijken van een film als geen ander. Met de keuze voor de film, het kijken zelf en de ‘nabeschouwing’ is al snel een behoorlijk deel van de feestdag gevuld. Niet voor niets zijn de bioscopen rond de feestdagen maximaal gevuld, neemt de aankoop van DVD’s en Blu-Ray’s grootse vormen aan en weten omroepen, met de BBC voorop, van gekkigheid niet hoeveel films ze in de uitzendschema’s moeten proppen.

Daar waar bijvoorbeeld Pasen wordt gebruikt om klassiekers zoals The Sound of Music, de Sissi-films en Ben-Hur af te stoffen, kent de kerst een eigen filmindustrie. Want jaar na jaar worden, vrijwel exclusief in de Verenigde Staten, films geproduceerd voor én over de kerst. Met een beetje mazzel is zo’n kerstfilm zo’n hit dat het de mythische status van kerstklassieker bereikt en daarmee de garantie dat de film jaar na jaar wordt uitgezonden of prominent terug te vinden is in de winkel bij de kerstfilms. 

Tussen het koren zit echter heel veel kaf zoals de stervehikels voor Arnold Schwarzenegger (Jingle All the Way) en Vince Vaughn (Fred Claus). Om een beetje te helpen bij het navigeren door de grote hoeveelheid kerstklassiekers hierbij een volstrekt subjectief rijtje van films die het kijken meer dan waard zijn:

Scrooged (1988)
Natuurlijk kan een filmadaptatie van A Christmas Carol van Charles Dickens niet ontbreken. Het bekende verhaal over de gierige en mensschuwe Ebenezer Scrooge die na het bezoek van de Ghosts of Christmas past, present and future het licht ziet, is zonder twijfel het meest verfilmde kerstverhaal. Van groots en meeslepend tot volstrekte bagger en van films met gigantisch budgets tot tv-films voor een grijpstuiver: in alle soorten en maten is voorzien. De beste van deze adaptaties zijn juist die films die een loopje nemen met het basismateriaal. Goed voorbeeld hiervan is The Muppet Christmas Carol, maar het beste voorbeeld is Scrooged waarin een onnavolgbare Bill Murray perfect gestalte geeft aan de cynische Frank Cross die als omroepbaas met zijn televisieaanbod voor kerst liever bejaarden de schrik van hun leven bezorgt dan goede programma’s: alles voor de kijkcijfers.


A Christmas Carol (2009)
De purist die A Christmas Carol liever ziet zoals deze door Charles Dickens bedoeld is, wordt uitstekend bediend door Disney’s A Christmas Carol. In deze animatiefilm wordt het verhaal van Dickens getrouw verteld. Aardige daarbij is dat gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde motion capture-techniek waarbij de bewegingen van een acteur worden omgezet in animatie. Meest bekende voorbeeld hiervan is Gollum uit The Lord of the Rings-films en de net uitgebrachte prequel The Hobbit. De techniek is echter begonnen bij de kerstfilm The Polar Express met Tom Hanks en geperfectioneerd in A Christmas Carol met Jim Carrey.


Home Alone (1990)
In het rijtje van kerstfilms mag natuurlijk niet de oervader van de kerstkomedie ontbreken die tevens de doorbraak betekende van kindsterretje Macaulay Culkin: Home Alone. Per ongeluk thuis achtergelaten door zijn gezin moet Kevin McAllister de Kerst in z’n eentje doorbrengen en tegelijkertijd de twee domste inbrekers aller tijden, overtuigend gespeeld door Joe Pesci en Daniel Stern, van het lijf houden.


Love Actually (2003)
Tussen al het Amerikaanse kerstfilmgeweld biedt het Verenigd Koninkrijk (weliswaar met Amerikaanse geld) dapper weerstand met dé rom-com voor kerst: Love Actually. Door de makers van Notting Hill en Bridget Jones’s Diary worden tien verhalen van relaties rond de kerstboom in één feel good-film gepropt. Met alle Britse toppers van Emma Thompson en Alan Rickman tot Hugh Grant en Bill Nighy present kun je deze film zonder twijfel aan ieder gezelschap voorschotelen.



The Nightmare before Christmas (1993)
Wie niet van zoetsappige kerstfilms houdt en het verhaal van Ebenezer Scrooge ook wel gezien heeft, komt volledig aan zijn trekken bij The Nightmare before Christmas van Tim Burton. De kenmerkende visuele stijl van regisseur Tim Burton komt geweldig tot leven in deze stop-motion animatiefilms. De prachtige muziek van Burton’s huiscomponist Danny Elfman begeleidt het verhaal van de feestdagen Halloween en Kerstmis die onbedoeld door Jack Skellington, pompoenenkoning van Halloweenland, desastreus met elkaar in aanraking komen.


Arthur Christmas (2011)
Aardman Animation, de maker van Wallace & Gromit en Chicken Run, tekende vorig jaar voor één van de beste kerstfilms van de afgelopen jaren die vast en zeker zal uitgroeien tot kerstklassieker: Arthur Christmas. Op de voor Aardman kenmerkende wijze worden alle kerstfilmgeboden afgestoft, op komische en ironische wijze opnieuw geïnterpreteerd en de 21e eeuw ingesleurd. Kerstmis in de 21e eeuw is een technisch geavanceerde en minutieus voorbereide operatie uitgevoerd met militaire precisie waarbij de Kerstman slechts het symbool is van een grootse familieonderneming. De dagelijkse leiding is in handen van zijn uitermate competente zoon Steve. De sullige jongste zoon, Arthur, is dol op de magie van Kerstmis, maar heeft geen plek in de moderne uitwerking ervan. Totdat blijkt dat een kind is vergeten en Arthur alles op alles zet om de sprit of Christmas te redden.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

maandag 24 december 2012

Dans 21 december 2012: Het NDT reikt naar de sterren, maar treft de maan


Den Haag staat al jarenlang in de muzikale schaduw van Amsterdam door de gecombineerde slagkracht van De Nederlandse Opera en het Koninklijk Concertgebouworkest, maar op het gebied van moderne dans geeft de Haagse David de Amsterdamse Goliath er flink van langs.

Op de dag dat sommige doemdenkers wachten op het einde van de wereld reikt het Nederlands Dans Theater (NDT) naar de maan met Programma III van choreografen Sol Léon en Paul Lightfoot. Sinds 1989 vormen Léon en Lightfoot een duo en zijn zij sinds 2002 de huischoreografen van het NDT. Een geactualiseerde versie van SH-BOOM! (1994) en reprises van Shoot the Moon (2006) en Same Difference (2007) vormen gezamenlijk het weinig fantasierijk getitelde Programma III.

Fantasie kan de inhoud van het programma overigens niet ontzegd worden. SH-BOOM! is een humoristische en ironische uitwerking van de pogingen van mannen om indruk te maken op vrouwen op muziek van crooners uit de jaren vijftig. Dit leidt tot een strakke en bij tijd en wijle zeer serieuze en ‘donkere’ choreografie, ondersteund door een inventief gebruik van licht, wat een mooie pendant vormt voor de humor en ironie van de kostuums en muziek.

Shoot the Moon en Same Difference hebben de voorliefde van Léon en Lightfoot voor de muziek van Philip Glass (1937) gemeen. Glass wordt soms omschreven als 'America’s greatest living composer'. In ieder geval is hij één van de bekendste moderne componisten van de 20e eeuw die in de 21e eeuw nog even productief is. Het geheim van Glass is de pure aanstekelijkheid van zijn muziek die altijd hetzelfde lijkt, maar nooit hetzelfde is. Godfrey Reggio, een vriend van Glass, heeft zijn muziek eens omschreven als een ‘ever ascending score that never reached the heavens’ en een betere omschrijving lijkt nauwelijks denkbaar. Juist het repetitieve karakter van de muziek van Glass, maar ook het feit dat het de luisteraar meteen ‘grijpt’, maakt het de ideale soundtrack voor dans. De relatie tussen het NDT, Léon & Lightfoot en Philip Glass gaat daarbij zelfs zo ver dat Glass speciaal zijn dubbel concert voor viool, cello en orkest componeerde voor Swan Song (2010).

Bij Programma III wordt volstaan met reeds bestaande stukken van Glass. Op Movement II uit het Tirol Concerto for piano and orchestra (2000) volgt bij Shoot the Moon een geweldige combinatie van inventief decor met een strakke choreografie. Via een draaidecor word je meegenomen in de levens van drie stellen waarbij liefde, verdriet, overspel, afscheid en vergeving elkaar afwisselen. Same Difference, op muziek uit Symfonie Nr. 3 en het vijfde Strijkkwartet, moet inzicht geven in ‘de chaotische invloed van het ego op de mens, en de eenvoud om daar afstand van te nemen’. Dit wordt onderstreept door de dansers die hun choreografie kracht bij zetten door te spreken. Hoewel prachtig vormgegeven en uitstekend gechoreografeerd leidde dit spreken nogal af, sterker nog deed het soms wat afkeren van de choreografie zelf.

De dansers van het NDT laten met Programma III zien waarom het NDT tot de wereldklasse behoort en Léon en Lightfoot terecht de huischoreografen zijn. Via de muziek van Glass en het inventieve decor reikt het NDT naar de sterren, maar treft, zonder enige vorm van schaamte, de maan.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

dinsdag 18 december 2012

'Dinsdag' van Elvis Peeters


De Nederlandse literatuur heeft een grote voorliefde voor het eigen verleden waarbij met name het koloniale en oorlogsverleden steevast als inspiratie dient. Waar Adriaan van Dis en Hella Haasse een exponent vormen van dat eerste is Harry Mulisch dat van ons nationale trauma van de Tweede Wereldoorlog. Dit doet je nog wel eens vergeten dat dit voor de literatuur van andere landen evenzo geldt. In het Vlaamse taalgebied is het eigen koloniale verleden in het voormalige Belgisch- Congo/Kongo-Vrijstaat, het privéspeeltje van koning Leopold II, eveneens inspiratie voor tal van boeken. Niet in de laatste plaats het succesvolle 'Congo. Een geschiedenis' van David van Reybrouck. Met 'Dinsdag' doet de Vlaamse schrijver Elvis Peeters ook een duit in het koloniale zakje.
 
'Dinsdag' is echter in veel opzichten een compleet ander boek dan de Nederlandse tegenhangers. Daar waar Nederlandse schrijvers nog wel eens het nationale trauma uitwerken in het leven c.q. schuldgevoel van één of meerdere hoofdpersonen is er van spijt bij de naamloze hoofdpersoon in 'Dinsdag' geen sprake. Sterker nog de opzet van het boek en de rol die de hoofdpersoon in zijn eigen leven neemt, is compleet gespeend van enig gevoel van spijt dan wel verantwoordelijkheid voelen voor de eigen daden.
 
Feitelijk is 'Dinsdag' de vertelling van één dag uit het leven van een oude man woonachtig in Brussel. Wie daarbij moet denken aan Saturday van Ian McEwan komt bedrogen uit. Daar waar bij McEwan het een uitgebreide beschrijving is van een zeer afwijkende dag uit het leven van neurochirurg Henry Perowne blijk al na enkele pagina's dat het boek als titel iedere dag van de week had kunnen krijgen. Iedere dag is voor de bejaarde hoofdpersoon namelijk precies hetzelfde. Het motto van het boek is ook in dat licht gekozen. En wederom in tegenstelling met McEwan gebeurt er op deze dinsdag vrijwel niets dat het vermelden waard is. We volgen een oudere, op het eerst oog wat seniele, weduwnaar die licht geobsedeerd is door de mogelijke komst van het 'meisje van de sociale dienst'. Een obsessie ingegeven door de al dan niet terechte angst dat de hoofdpersoon wordt afgevoerd naar een verzorgingstehuis.
 
De tweede vertelling in het boek is van een volstrekt andere aard. De hoofdpersoon wordt namelijk de gehele dag bestookt door zijn eigen herinneringen van zijn vroegste jeugd tot aan zijn tijd in Belgisch-Congo en zijn terugkeer in België. Deze herinneringen kondigen zich, gelijk het echte leven, niet aan, maar volgen in het boek plompverloren. De enige greep die de lezer op dit wisselende perspectief heeft, is de wijziging van het perspectief van de alwetende verteller naar de anonieme hoofdpersoon als ik-persoon.
 
De herinneringen maken van de sympathieke oude zemelaar een rucksichtloze kerel die het allemaal niet zo nauw neemt met de wet en de levens van mensen.  Het begint al met zijn gedwongen koloniale vertrek door de groepsverkrachting van ene Martha. In Belgisch-Congo, waar zijn zus een plantage bestiert, vervalt hij van het ene avontuur in het andere. Het maakt hem daarbij ook niet zoveel uit aan welke kant hij vecht of welke werkzaamheden hij moet doen. Het is voor de hoofdpersoon allemaal om het even. Zodra hij ergens genoeg van heeft, vertrekt hij en zoekt hij een nieuwe klus. En dit allemaal zonder enige vorm van spijt te ervaren. In België terug ontmoet hij de twee vrouwen uit zijn leven waar hij liefde voor voelt: de hoer Erna die tenonder gaat aan kanker en zijn tweede liefde Simone met wie hij oud wordt, maar haar langzamerhand ziet dementeren en moet afstaan aan een verzorgingstehuis waar zij komt te overlijden.
 
Peeters, pseudoniem van de Vlaamse zanger en schrijver Jos Verlooy die dit boek heeft geschreven met zijn vrouw Nicole van Bael, kiest voor een afstandelijke benadering die niet iedere lezer op prijs zal stellen. Immers gevoel komt in dit boek amper ter sprake terwijl de lezer wordt opgezadeld met een hoofdpersoon zonder trauma, spijt of schuldgevoel. Toch is dat dan weer de charme van dit boek: niet iedereen gaat in het leven gebukt onder trauma of spijt, hoe onvoorstelbaar dat ook moge zijn. Daarbij doet Peeters de lezer juist weer uitstekend in de huid kruipen van een oudere man die het hedendaagse leven niet altijd even goed meer kan scheiden van zijn vroegere leven. De overgang van het hedendaagse Brussel naar de herinneringen van vroeger werken desoriënterend, wellicht voor sommige lezers ergerlijk, maar treffen daarmee wel doel. Een 'acquired taste', maar toch zeker het lezen waard.
 

woensdag 12 december 2012

Fascinatie die beklijft: 'Vertigo' van Alfred Hitchcock


Hoewel het inmiddels ruim dertig jaar geleden is dat Alfred Hitchcock het wereldlijke toneel definitief verliet en het bijna vijftig jaar geleden is dat hij zijn laatste echt meesterlijke film maakte, is de Master of Suspense nooit echt verdwenen uit de publieke aandacht. De naam Hitchcock is nog altijd synoniem voor kwaliteit en spanning en slechts weinige regisseurs kunnen bogen op het feit dat de naam van de regisseur meer bekendheid geniet dan de filmtitels en hoofdrolspelers.

Toch is er aanleiding genoeg om Hitchcock nog eens extra onder de aandacht te brengen. Deze dagen is dat goed gelukt door de release van Alfred Hitchcock: The Masterpiece Collection op Blu-Ray en de (her)vertoning op het witte doek van zowel Vertigo en Rear Window door het EYE Filmmuseum in het kader van 100 jaar Hollywood.

Juist Vertigo is dé aanleiding om het vakmanschap van Hitchcock nog eens flink te onderstrepen. Want hoewel Vertigo, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Psycho of Rear Window, in eerste instantie matig werd ontvangen, is deze psychologische thriller uitgegroeid tot het beste wat de filmindustrie te bieden heeft. De vraag is natuurlijk of deze legendarische status nog wel gerechtvaardigd is. Wellicht is de onterechte initiële afwijzing omgeslagen in overtrokken adoratie. De release op Blu-Ray is een perfecte gelegenheid om te bezien of Vertigo de tand des tijds doorstaan heeft.

En om meteen maar met de deur in huis te vallen: Vertigo is nog steeds een fantastische en fascinerende film die door de transfer naar Blu-Ray er nog nooit zo goed uitzag en klonk. Het knappe aan Vertigo is dat hoewel het de hoofdrolspelers James Stewart en Kim Novak heeft doen toetreden tot het pantheon van de acting legends, de ware hoofdrolspelers helemaal geen acteurs zijn. De film wordt gedomineerd door de mysterieuze sfeer van San Francisco en de hypnotische filmmuziek van Bernard Herrmann.

De samenwerking tussen Hitchcock en zijn vaste componist Herrmann is stuff of legend. Wie kan films zoals Vertigo en Psycho los zien van de muziek? Volstrekt onmogelijk! Het is daarom wellicht ook geen toeval dat de laatste echt goede film van Hitchcock’s hand tevens de laatste film was waar hij samenwerkte met Herrmann: Marnie (1964). Torn Curtain volgde na Marnie en Bernard Herrmann bereidde wederom de muziek voor. Hitchcock stond, mede vanwege tegenvallende recettes, onder druk van de filmstudio om meer met zijn tijd mee te gaan en dat ook in de filmmuziek terug te laten komen. Herrmann leverde zoals altijd klassieke, niet per se melodische filmmuziek wat leidde tot een onaangename breuk tussen beide mannen. Hitchcock verving Hermann voor John Addison die zorgde voor een melodische soundtrack. Zowel de muziek van Addison als de afgewezen muziek van Herrmann waren al op de meeste compilatie-cd's van Hitchcock filmmuziek terug te vinden. Maar ook op de nieuwste blu-ray versie van Torn Curtain bestaat nu de optie om delen van de film te zien met de oorspronkelijke Herrmann-muziek. Of Hitchcock gelijk had Herrmann te ontslaan? Oordeel zelf!

Het knappe aan Vertigo is dat San Francisco en de muziek het verhaal ondersteunen van de met hoogtevrees (‘vertigo’) kampende voormalige inspecteur John ‘Scottie’ Ferguson die op verzoek van een oude schoolvriend diens vrouw volgt. Deze vrouw, Madeleine, lijkt geobsedeerd door een voorouder, Carlotta Valdez, die door waanzin gedreven zelfmoord pleegde. Het volgen van Madeleine door Scottie is exemplarisch voor Vertigo: een lange zwijgende scène waarbij San Francisco in alle facetten wordt getoond, van The Palace of the Legion of Honor tot de Golden Gate Bridge, begeleid door de muziek van Bernard Herrmann die deels is geïnspireerd door Wagner’s Tristan und Isolde. Uiteindelijk pleegt Madeleine zelfmoord en raakt Scottie, die verliefd op haar is geworden, in een depressie waar hij pas uitkomt als hij ene Judy Barton, die wel wat weg heeft van Madeleine, modelleert naar de vrouw van zijn dromen. Uiteindelijk blijken Madeleine en Judy dezelfde te zijn en onderdeel van een doortrapt complot van zijn oude schoolvriend om van diens vrouw af te komen. Geluk lijkt Scottie alsnog toe te lachen wanneer het noodlot toeslaat en Madeleine/Judy voor de tweede keer en ditmaal definitief uit zijn leven wordt weggeslagen.

Dit zijn zo maar een paar redenen om zonder schroom Vertigo opnieuw te kijken. Wie de film (opnieuw) kijkt vindt telkens nieuwe redenen waarom deze film zo de moeite waard is. Dat varieert van de rol van Barbara Bel Geddes (beter bekend als Miss Ellie, de moeder van J.R. Ewing uit Dallas) tot aan de Spaanse invloeden die zowel het verhaal van Vertigo als San Francisco tekenen. Vertigo is en blijft Hitchcock’s meesterwerk en verplicht kijkvoer voor iedere filmkenner en -liefhebber.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

De vacante belofte van 'Hotel Vertigo' van Kees 't Hart


Vertigo van Alfred Hitchcock kent in de wereld van film een bijna mythische status. Deze in beginsel slecht ontvangen film, een favoriet van Hitchcock, is de afgelopen decennia uitgegroeid tot het beste wat Hollywood te bieden heeft. Het fascinerende verhaal over John ‘Scottie’ Ferguson, een voormalige inspecteur, die kampt met een ernstige variant van hoogtevrees (‘vertigo’) wordt gevraagd door een oude vriend, Gavin Elster, om diens jongere vrouw te volgen die geobsedeerd is geraakt door een verre voorouder. Scottie raakt geobsedeerd door deze Madeleine, terwijl haar obsessie leidt tot een ogenschijnlijke zelfmoord. Haar dood luidt een zoektocht in waarbij Scottie een vrouw, Judy Barton, modelleert naar de vrouw die hij niet uit zijn gedachten kan zetten. Uiteindelijk blijkt deze Judy wel degelijk zijn Madeleine te zijn. Barton is ingehuurd door Gavin Elster om op slinkse wijze zijn echte vrouw om te brengen en het op een ongeluk te laten lijken. Na het uitkomen van de waarheid komt Judy/Madeleine door een noodlottig ongeval alsnog om het leven en eindigt de film met een radeloze Scottie die voor de tweede keer de vrouw van zijn dromen verliest en ditmaal voorgoed. 

Kees ’t Hart gebruikt deze onvervalste klassieker als basis voor zijn nieuwe boek Hotel Vertigo waarin Vincent van Zandt na ruim 50 jaar terugkeert naar San Francisco waar hij klusjes deed voor de second unit van Vertigo. De lezer wordt heen en weer geslingerd tussen het hedendaagse San Francisco waar de, net als Scottie met hoogtevrees kampende, ingenieur een congres bijwoont en tegelijkertijd zijn verleden bezoekt en het San Francisco van 1957 waar hij als uitwisselscholier tijdelijk woont. Bij het wisselen van deze perspectieven wordt almaar duidelijker dat Van Zandt San Francisco onder verdachte omstandigheden heeft moeten verlaten waardoor hij vijftig jaar lang niet heeft durven terugkeren. Stukje bij beetje ontrafelt ’t Hart dit mysterie waarbij Van Zandt bij gastouders is ondergebracht die onderdeel uitmaken van de dubieuze zelfhulpgroep voor verslaafden Synanon. Dit terwijl hij bij toeval terecht komt bij de second unit van Hitchcock’s Vertigo en de Master of Suspense twee keer in levende lijve ontmoet. 

Hotel Vertigo is op uitgebreide wijze schatplichtig aan Vertigo. Niet alleen is de omslag van het boek gelijk aan de oorspronkelijke filmposter, ook komt de sfeer en het verhaal van Vertigo maar ook het mysterieuze San Francisco tot volledige wasdom. En dat is ook niet zo gek aangezien San Francisco, naast James Stewart en Kim Novak, de hoofdrol speelt in de film. Kees ’t Hart vertaalt dit met de fascinatie van Hitchcock voor architectuur en plek die architectuur heeft in de films van Hitchcock. Niet voor niets vermeldt ’t Hart als bron The Wrong House. The Architecture of Alfred Hitchcock van Steven Jacobs. Ook Hitchcock’s fascinatie voor vrouwen en seksualiteit eist een hoofdrol op in Hotel Vertigo. Het Empire Hotel uit Vertigo is in San Francisco te vinden als Hotel Vertigo en is daarom plaats van seksuele handeling van de oude Van Zandt met een callgirl die gespecialiseerd is in de Madeleine/Judy-ervaring. 

Probleem van het boek is dat het allemaal leuk en aardig is om Vertigo als een soort pastiche voor een roman te gebruiken, maar de poging om dit succesvol te doen faalt jammerlijk. Enerzijds omdat een grondige kennis van zowel San Francisco en Vertigo wordt verondersteld en anderzijds omdat de thema’s rondom Hitchcock, zoals zijn fascinatie voor vrouwen en seksualiteit, onnodig grof worden neergezet. Ten slotte komt ’t Hart met een happy end waar alle losse eindjes wel heel opvallend makkelijk aan elkaar worden geknoopt. Dit leidt meteen tot het vermoeden dat zowel het einde als een groot deel van het verhaal slechts bestaat in het hoofd van de fantast Van Zandt. Een dergelijke verhaaltechniek is riskant omdat het de lezer volledig op het verkeerde been zet om vervolgens in de laatste pagina’s bijna spottend aan te geven dat alles wat vooraf gegaan is niet waar is. De film The Usual Suspects van Bryan Singer kwam hier mee weg omdat deze plotwending eerlijk werd toegegeven. Kees ’t Hart is daar volstrekt ambigu in waardoor de lezer zich bedonderd voelt.

Vertigo is een meer dan terechte aanleiding voor een prachtige roman. Helaas slaagt Kees ’t Hart hier niet in en blijft zijn Hotel Vertigo net als de belofte die er in besloten ligt vacant.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

maandag 10 december 2012

'Rock Creek Park' van Simon Conway


Hoewel de boeken van Dan Brown (The Da Vinci Code en Angels & Demons) niet gerekend worden tot de top van de wereldliteratuur, zijn ze altijd ongemeen spannend. Brown hanteert daarbij een vaste formule die de lezer dwingt om telkens het volgende hoofdstuk te lezen en de soms volstrekt ongeloofwaardige plotwendingen en bizarre toevalligheden voor lief te nemen. Aan het einde van het verhaal maakt zich dan een tevreden gevoel van je meester zonder dat je nu precies kunt vertellen hoe je bij dat einde terecht bent gekomen, maar je desalniettemin niet kan wachten totdat de filmversie ervan uit komt. 

Het aparte aan het lezen van Rock Creek Park van Simon Conway is dat je op vele momenten moet denken aan de boeken van Dan Brown. Gelijk Dan Brown zorgen de (extreem) korte hoofdstukken, 96 stuks in een boek van ruim 450 pagina's, dat er een prettig soort gejaagdheid in het boek zit. Ook het verhaal zelf lijkt de kunst van Brown te hebben afgekeken. De moord op een onbekende vrouw, de zogenaamde Jane Doe, brengt de werelden van agent Michael Freeman en voormalig Britse beveiligingsagent Harriet "Harry'' Armstrong samen. Freeman als de agent die het moordonderzoek leidt en Armstrong die de vermoorde vrouw vond in Rock Creek Park, een park in Washington DC. Snel ontspint zich een verhaal vol met (politieke) intriges in het hart van de macht, want Jane Doe is gevonden in de nabijheid van het huis van de machtige senator James Cannon. 

Door toeval, dat natuurlijk geen toeval is in de wereld van Brown en Conway, wordt Armstrong binnen een dag aangenomen als particuliere beveiliger voor Dr. Markoff en zijn dove nichtje Eva. Dit terwijl agent Freeman bewust door toedoen van senator Cannon op deze zaak is gezet, mede gelet op hun gedeelde Vietnam-verleden. Het plezier van een boek als Rock Creek Park ligt besloten in het feit dat je bij aanvang van het lezen ervan zo min mogelijk weet en jezelf helemaal laat opgaan in de spanning van het verhaal. Daarom geen uitgebreide beschrijving van het verhaal hier, omdat iedere mededeling daarover er vast een te veel is. Om toch een beetje een idee te geven: het verhaal draait om de connectie tussen het Vietnam-verleden van Cannon en de pogingen van Dr. Markoff om de mensheid, via bioengineering met behulp van apen, sterker te maken en daarmee de militaire dominantie van de V.S. voor de toekomst zeker te stellen. Deze connectie leidt Freeman en Armstrong via Rock Creek Park en de rest van Washington, D.C. naar de afgelegen gebieden tussen Georgië en Rusland waar het verhaal een spectaculaire climax beleeft. Een climax die je niet ziet aankomen, maar je ook doet beseffen dat de politieke machinaties soms wel erg oppervlakkig zijn waarbij je op het eerste gezicht zou verwachten dat er meer achter zou zitten. Van een echt gelaagd verhaal is (helaas) geen sprake.

Als je van een echte pageturner houdt die het midden houdt tussen een politie- en een politieke thriller en je vond de boeken van Dan Brown ook niet verkeerd, dan is dit zeker een aanrader. Grote kans is overigens wel dat je door de gejaagdheid van het boek al enkele uren na het uitlezen ervan niet meer precies weet hoe de vork in de steel zit, maar dat het allemaal ontzettend spannend was en je niet kan wachten tot er een film van wordt gemaakt. Want dat er een film in dit boek zit, is evident. 

zondag 9 december 2012

Concert 7 december 2012: Gardiner's feestje van kleine meesterwerken


Mozart: Symfonie Nr. 31 "Parijse''
Beethoven: Pianoconcert Nr. 2
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 2 ''Klein-Russische"

Kristian Bezuidenhout (piano)
Sir John Eliot Gardiner, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Sir John Eliot Gardiner, één van de grote jongens in de wereld van de klassieke muziek, komt bijna ieder concertseizoen naar Amsterdam omdat hij zich 'het leven zonder het Concertgebouw niet goed kan voorstellen’. Met in zijn kielzog de in Zuid-Afrika geboren Australische pianist Kristian Bezuidenhout meldde Gardiner zich dit jaar al voor de tweede keer in Amsterdam. In oktober met zijn eigen Orchestre Révolutionnaire et Romantique voor de Missa Solemnis van Beethoven, nu met het Koninklijk Concertgebouworkest voor een volstrekt ander programma.

Een programma dat op voorhand is samen te vatten als kleine meesterwerken van grote componisten. Want Symfonie Nr. 31 van Mozart, het tweede pianoconcert van Beethoven en de Tweede Symfonie van Tsjaikovski zijn nu niet bepaald de eerste werken waar je bij deze componisten aan denkt. En datzelfde geldt eigenlijk ook voor Gardiner die vooral bekend is als voorvechter van de authentieke uitvoeringspraktijk en zijn vele benchmark-opnames van de werken van Bach (met name de Passies en de Cantates) en de opera’s van Mozart, maar ook andere muzikale grootheden als Beethoven en Brahms.

Ditmaal dus geen grootste en meeslepende werken voor Gardiner, maar het wat minder zware werk. Bij de eerste maten van Mozart Symfonie Nr. 31 was al duidelijk dat dit geen straf was. Met het enthousiasme, maar vooral het onvervalste plezier dat uit het dirigeren van Gardiner spreekt, werd het concert geopend met een sprankelende Mozart.

Na deze bonbon maakte Kristian Bezuidenhout zijn opwachting in het tweede pianoconcert van Beethoven. Dit pianoconcert staat natuurlijk in de schaduw van het vijfde pianoconcert, het Keizersconcert, en is een werk waar Beethoven zelf schijnbaar minder enthousiast over was. Ook hier gold weer dat het programmeren van een ‘kleiner’ werk de pret niet mocht drukken. Er was sprake van een prachtig samenspel tussen Bezuidenhout, Gardiner en het KCO waarbij de balans immer goed was. Bezuidenhout, die recent een goed ontvangen cd uitbracht met het 17e en 22e pianoconcert van Mozart, viel op door zijn finesse, soepelheid en lyrische touch. In de pers wordt hij gezien als één van de beste spelers van de fortepiano, dezelfde piano waarmee componisten als Mozart en Beethoven werkten. Ook het publiek in het Concertgebouw was zeer over hem te spreken. Dit leidde voor de pauze al tot, een weliswaar aarzelende, staande ovatie. De aarzeling om wel of niet te staan, leek vooral besloten te liggen in het feit dat dit pianoconcert niet één van de grote pianoconcerten is en ook de complexiteit ervan voor een solist valt mee. Het is geen Rachmaninov.

Het concert werd afgesloten met de Tweede Symfonie van Tsjaikovski. De bijnaam ‘Klein-Russische’ wijst op de oorsprong ervan: volksmuziek uit Oekraïne dat bekend stond als ‘Klein-Rusland’. Tsjaikovski kan niet verweten worden een lachebekje te zijn, maar deze symfonie is één brok vrolijkheid en optimisme en daarmee een passende afsluiting van dit programma. En zeker in de uitvoering die Gardiner en het KCO gaven. Wederom was het plezier en enthousiasme van de bioboer uit Dorset de basis voor een aanstekelijke uitvoering. Bovendien pakt zijn passie voor de authentieke uitvoeringspraktijk in alle werken goed uit. Het leidt tot een transparant en helder geluid dat wordt voortgestuwd door het in de authentieke uitvoeringspraktijk gebruikelijke snellere tempo. Na afloop stond de zaal, ditmaal terecht, als één man op om hulde te brengen aan Gardiner, van wie zonder schroom gezegd kan worden dat juist het Amsterdamse muzikale leven zonder hem niet goed voor te stellen is.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 5 december 2012

Die gebreide trui past ons allemaal: 'The Killing 3'


Dat Scandinavische crimeseries hot zijn, is niemand ontgaan. Obscure Deens, Zweedse en Noorse namen en woorden als Wallander, Borgen, Broen, Varg Veum, Van Veeteren en Arne Dahl zijn niet alleen bekend in het hoge noorden, maar nu ook in de rest van de wereld. En hoewel dit Scandinavische succes is begonnen met het Zweedse Wallander heeft het Deense The Killing er een wereldwijd succes van gemaakt. De iconische trui van inspecteur Sarah Lund past ons blijkbaar allemaal.

The Killing, in het Deens Forbrydelsen, beleefde onlangs op de Deense televisie het derde en tevens laatste seizoen. Na het grote succes van de eerdere seizoenen was BBC Four er weer als de kippen bij en zijn ze inmiddels halverwege dit seizoen met ongekend hoge kijkcijfers voor een ondertitelde buitenlandse serie. In Nederland is het succes van The Killing, maar ook de andere gelijksoortige series, vooral een DVD-succes waar bijvoorbeeld de webshop van de Volkskrant uitgekiend op is ingesprongen door de series een periode exclusief aan te bieden. Op de Nederlandse televisie, in tegenstelling tot de Vlaamse buren, wil het nog niet helemaal vlotten, maar ook dat lijkt een kwestie van tijd. Overigens is het, net als in het Verenigd Koninkrijk, wel een gekwalificeerd succes. We hebben het niet over een kijkcijferkannon als The Voice of Ik Hou van Holland, maar binnen de niche van misdaadseries en onder kijkers die niet onder de mainstream vallen is het een grote hit.

De vraag is natuurlijk waar dit succes vandaan komt. Het antwoord hierop is te vinden in de realistische, maar vooral ook rauwe en grauwe vertelling en verbeelding van het verhaal. In tegenstelling tot het typische (Amerikaanse) script van heldere grenzen tussen zwart en wit en de onbedwingbare neiging tot een happy end is deze voorkeur ver te zoeken in de meeste Scandinavische series. De realistische verhalen, het goede acteerwerk en de sfeervolle beeldregie versterken dit alleen maar verder. Maar belangrijkste selling point is dat je vaak op het puntje van je stoel zit en nooit helemaal weet of een karakter deugt, want zwart of wit lijkt niemand te zijn. Iedereen opereert in een grijs schemergebied.

Bij The Killing 3 zijn deze succesingrediënten weer in ruime mate aanwezig. Nadat Sarah Lund de moord op tiener Nanna Birk Larsen in het eerste seizoen en een reeks mysterieuze moorden gerelateerd aan de Deense militaire uitzending naar Afghanistan heeft onderzocht, komt nu het bedrijfsleven aan de beurt. In het laatste seizoen van The Killing blijkt de ontvoering van Emilie, dochter van topman Robert Zeuthen van zijn familiebedrijf rederij Zeeland, een voorbode van een serie gruwelijke moorden met gevolgen voor de hoogste regionen van de macht, waaronder premier Kristian Kamper. Dit alles tegen de achtergrond van een harde nationale verkiezingscampagne waar de Liberalen van Kamper tegenover de Middenpartij van zijn geliefde Rosa Lebech en de Socialisten van Anders Ussing staan. Een campagne die wordt gedomineerd door de economische crisis en het gerucht dat de grootste werkgever van het land, Zeeland, haar activiteiten wil verplaatsen naar Azië om kosten te besparen. Het besluit van Zeeland om al dan niet in Denemarken te blijven en deel te nemen aan het crisisplan van Kamper zal de doorslag geven voor de uitkomst van de verkiezingen.

Net als bij de eerste twee seizoenen van The Killing weet ook het derde seizoen je continu te intrigeren, maar ook weer te verbazen met een verhaallijn die altijd net weer iets anders loopt dan je dacht. Het menselijke aspect van Sarah Lund, die ieder seizoen worstelt met haar relaties en haar zoon Mark, komt hier wat meer afgewogen uit de verf dan in andere seizoenen. Daarbij is ook de politieke component, wellicht vanwege het grote succes van Borgen, verder en beter uitgewerkt.

Kritische kanttekening is wel dat de getoonde dominantie van een bedrijf als Zeeland voor zowel politiek, het publieke debat en het verloop van een verkiezingsstrijd ongeloofwaardig groot is. Grote bedrijven doen ertoe en zeker wanneer een wereldbedrijf is gevestigd in een relatief klein land (denk aan Nokia in Finland en Royal Dutch Shell in Nederland), maar de invloed van Zeeland is sterk overdreven en doet daarom wat af aan The Killing 3. Het einde van de serie is overigens in alle opzichten schokkend en zal fans (en criticasters) van de serie verdeeld houden. A happy end it ain’t.

Desalniettemin is The Killing 3 een onvervalste crimetopper met een uitgekiende spanningsboog waarbij we nog één keer in alle (g)rauwheid kunnen genieten van Sarah Lund en de andere ‘grijze’ karakters die de Deense wereld van de misdaad bevolken.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

vrijdag 30 november 2012

Veni, vidi, frictie: 'De geboorte van Rome' van Anthony Everitt


Het Romeinse Rijk is een onderwerp van blijvende fascinatie voor zowel historici als niet-historici. Een fascinatie die al in de Romeinse tijd zelf startte met klassieke schrijvers als Livius, Polybius en Plutarchus via Edward Gibbon’s Decline and Fall of the Roman Empire uit het einde van de 18e eeuw tot diverse hedendaagse (populair-)historische schrijvers. Vreemd is dat natuurlijk niet. Het Romeinse Rijk is het grootste en meest langdurige rijk dat de wereld gekend heeft en de ineenstorting ervan spreekt al eeuwenlang tot de verbeelding. 

Opvallende daarbij is dat, los van de evenzo grote interesse voor de Romeins keizers met de Julisch-Claudische dynastie en aartsvader Julius Caesar voorop, de nadruk vooral wordt gelegd op de val van het (West-)Romeinse Rijk in 476. Een nadruk die zich dan weer niet uitstrekt tot het Byzantijnse Rijk. Dit terwijl de de jure opvolger van het Romeinse Rijk in het Oosten het bijna duizend jaar na de val van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus zou uitzingen tot de inname van Constantinopel in 1453 door de Ottomaanse sultan Mehmed II. 

Over de opkomst van de Romeinse Republiek is minder geschreven dan over de val van het tot keizerrijk verworden Rome. Veelal begint het schrijven hierover pas bij Sulla en Caesar. Dit terwijl de geboorte van Rome volgens de mythe start in 753 voor Christus met de stichting van Rome door de broers Romulus en Remus. Anthony Everitt, schrijver van biografieën over Augustus, Hadrianus en Cicero, is in dit gat gesprongen met De geboorte van Rome. De opkomst van het grootste wereldrijk aller tijden.  

De meest prille start van Rome is vooral een tijd die via legenden en mythes tot ons komt wat enige vorm van accuraat bronnenonderzoek vrijwel onmogelijk maakt. Everitt heeft hier een prachtige oplossing voor gevonden door zijn boek te verdelen in drie delen. Het eerste deel ‘Legenden’ handelt over de koningstijd waarin de meeste gebeurtenissen niet historisch zijn dan wel niet beschreven zijn. Het middelste deel ‘Verhalen’ gaat over de opmars van de Romeinse Republiek in Italië en de wijze waarop de staatsinrichting van Rome wordt vormgegeven. Hier lopen feit en fictie door elkaar. In het laatste deel ‘Geschiedenis’ komt de opkomst van Rome als mediterrane grootmacht aan de orde waarbij serieuze bronnen worden gehanteerd. 

Het grote voordeel hiervan is dat de lezer een mooie samenvatting krijgt van alle verhalen, historische en mythische figuren rondom de opkomst van Rome. Een samenvatting die zowel voor kenners als de geïnteresseerde leek evenzo leesbaar en verrassend is. Zo passeren niet alleen Romulus en Remus de revue, maar ook de mythe dat Rome afstamt van de overlevenden van Troje. Verder komen de Punische Oorlogen (de strijd tussen Rome en Carthago), maar ook de strijd tegen Pyrrhus (bekend van de gelijknamige overwinning) en Mithridates, maar ook bepalende grootheden als Scipio Africanus, de gebroeders Gracchus, Sulla en Cicero aan bod. Het boek eindigt wanneer de Romeinse Republiek aan haar neergang is begonnen. Om via Julius Caesar, Octavianus/Augustus en Marcus Antonius te lezen over de lange zegetocht als het Romeinse Rijk moeten andere boeken geraadpleegd worden.

Opvallend daarbij is dat de opkomst van Rome met veel strijd gepaard is gegaan, zowel strijd met vijanden van buiten als vijanden van binnen. Voor Julius Caesar gold veni, vidi, vici voor het jonge Rome lijkt te gelden veni, vidi, frictie

Het grote nadeel van deze aanpak is de ongelooflijk grote hoeveelheid informatie en namen die de lezer krijgt te verstouwen. Daarbij is het boek soms wat fragmentarisch opgebouwd wanneer het niet kan kiezen tussen het vertellen van een verhaal en het weergeven van (feitelijke) informatie. Op een enkel punt leidt de soms niet helemaal scherpe vertaling ook tot verwarring. 

Desalniettemin is dit boek voor allen die meer willen weten over de geboorte van Rome een meer dan goede inleiding. Een inleiding die de interesse zal wekken voor andere boeken die onderscheidende episodes uit die tumultueuze geboorte nader beschrijven. Want wanneer je eenmaal aan ‘Rome’ bent begonnen geldt ook hier: alea iacta est!

‘De geboorte van Rome’ is op 15 november jl. in de Nederlandse vertaling van Corrie van den Berg en Carola Kloos verschenen bij uitgeverij Ambo. Op 1 februari 2013 verschijnt het boek in de oorspronkelijke versie als ‘The Rise of Rome’ bij uitgeverij Head of Zeus.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

vrijdag 23 november 2012

'Saturday' van Ian McEwan


Waarschuwing vooraf: wanneer je niet geporteerd bent van Ian McEwan of je hebt inmiddels al genoeg op deze blog gelezen over hem, sla deze blog dan vooral over. Na The Innocent, Solar, Amsterdam en Sweet Tooth is 'Saturday' het vijfde boek van Ian McEwan dat ik lees. De reden waarom ik elke keer blijf teruggrijpen naar McEwan is niet alleen zijn prachtige en heerlijk lezende schrijfstijl, maar ook zijn vermogen om telkens een andersoortig boek te schrijven. 'Saturday' neemt voor mij een bijzondere plek in zijn oeuvre in. Ik las het boek al eerder in 2007 en het was mijn eerste kennismaking met McEwan. En hoewel ik het een erg goede kennismaking vond, duurde het tot dit jaar voordat ik weer een boek van hem las. Na de voorgaande boeken besloot ik terug te grijpen naar het boek waar het allemaal mee begon en dat viel niet tegen.

Het wonderlijke aan 'Saturday' is dat de titel het verhaal volledig dekt. McEwan neemt ons, vanuit het perspectief van de alwetende verteller, mee in de volledige dagbesteding van een zaterdag uit het leven van neurochirurg Henry Perowne. Het boek start in de (zeer) vroege morgen van zaterdag en eindigt rond hetzelfde moment in de vroege morgen van zondag. Dit alles op zaterdag 15 februari 2003, een dag die onder meer bekend staat vanwege een grootschalige demonstratie tegen de ophanden zijnde invasie van Irak onder leiding van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Perowne woont en werkt in Londen en krijgt ook indirect te maken met de demonstratie die, zoals het leven soms van toevalligheden aan elkaar hangt, zijn leven een andere wending geeft. De dag van Perowne, getrouwd met Rosalin met wie hij twee kinderen heeft: Daisy en Theo, begint onheilspellend wanneer hij een vrachtvliegtuig boven Londen in de problemen ziet komen. Een motor staat in de hens en zijn gedachten gaan, in het post-9/11-tijdperk, naar een aanslag. Na dit tot zich genomen te hebben, besluit Perowne toch zijn reguliere zaterdag routine ter hand te nemen, mede met het oog op het feit dat die avond een groot familiediner plaats vindt waar hij de laatste boodschappen voor moet doen. Het diner is ter gelegenheid van het feit dat Daisy gaat publiceren als dichter, maar tevens staat het diner in het teken van de formele verzoening tussen Daisy en haar grootvader van de kant van haar moeder. Deze beroemde dichter John Grammaticus heeft zich enkele zomers  daarvoor laatdunkend over een prijswinnend gedicht van Daisy uitgelaten waardoor de verhoudingen bekoeld zijn. Met dit in het vooruitzicht snelt Perowne zich naar zijn reguliere squashafspraak met een Amerikaanse collega. Door de demonstratie mag hij door een aardige agent een straat in die eigenlijk afgesloten is. Dit leidt echter tot (letterlijk) een aanvaring met een BMW die ervan uitging dat er niemand aan kom komen. De bestuurder van de BMW, type 'eerst slaan, dan praten', is daar niet blij mee. Dit leidt tot een klein handgemeen waarbij Perowne, door zijn medische kennis, genoeg (geestelijke) verwarring kan doen ontstaan, zodat hij kan ontsnappen. 'Shaken' vervolgt hij zijn weg, rondt hij zijn (intensieve) squashafspraak af en keert hij terug naar huis voor de voorbereidingen voor het familiediner. Helaas zal de avond een onverwachte wending nemen met in de hoofdrol de bestuurder van de BMW: Baxter. Een avond die onverwacht eindigt en Perowne en zijn familie voor de nodige dilemma's stelt alvorens de dag kan worden afgerond waar het begon: Perowne turend uit zijn slaapkamerraam. 

Het knappe aan het boek is dat een hele dag op overtuigende wijze wordt geschetst in het bredere perspectief van het post-9/11-tijdperk (het boek zelf is daar ook een product van) terwijl ook de onderlingen verhoudingen binnen de familie-Perowne maar ook de relatie met randfiguren uitgebreid aan bod komen. Wanneer je dus een mooie inleiding wil op het werk van McEwan dan is er bijna geen beter startpunt dan 'Saturday'.

Opera 21 november 2012: 'Das Rheingold' van Richard Wagner


De Nederlands Opera
Richard Wagner: Das Rheingold

Götter 
Thomas Johannes Mayer - Wotan
Vladimir Baykov - Donner
Marcel Reijans - Froh
Stefan Margita - Loge

Nibelungen
Werner van Mechelen - Alberich
Wolfgang Ablinger-Sperrhacke

Riesen
Stephen Milling - Fasolt
Jan-Hendrik Rootering - Fafner

Göttinnen
Doris Soffel - Fricka
Anna Gabler - Freia
Marina Prudenskaja - Erda

Rheintöchter
Lisette Bolle - Barbara Senator - Bettina Ranch

Hartmut Haenchen, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Wagner voor de opera is als Mahler voor de concertzaal: een gegarandeerde publiekstrekker. Dit geldt des te meer nu 2013 zal markeren dat het 200 jaar geleden is dat Richard Wagner is geboren. De Nederlandse Opera zet dit kracht bij door in de periode 2012-2014 de complete Ring des Nibelungen wederom in de reprise te doen met de beroemde DNO-productie onder regie van Pierre Audi, met het decor van George Tsypin en de muzikale leiding in handen van Hartmut Haenchen.

Vorig jaar werden de Nederlandse Wagnerfans al bediend met een nieuwe productie van Parsifal terwijl in 2013 ook Die Meistersinger von Nürnberg in het nieuw wordt gestoken. De vier delen die samen Der Ring vormen (Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung) moeten het doen met de productie die in 1997 al in première ging. Gevaar van het voor de zoveelste maal inzetten van een dergelijk ‘oud gebakje’ is natuurlijk dat de frisheid uit 1997 niet veel meer is dan gestolde moderniteit vijftien jaar later. Dat geldt bijvoorbeeld voor de spectaculaire Barenboim/Kupfer-Ring uit 1991 die bij terugkijken op DVD met een gedateerde lasershow de tand des tijds niet goed doorstaan heeft.

De start van de DNO-Ring met Das Rheingold maakt met die vrees korte metten. De postindustriële enscenering waarbij de strakke schoonheid van de Goden en Rijndochters in schril contrast staat met de  onbehouwen lelijkheid van de Reuzen en de Nibelungen maakt indruk. Het helpt daarbij ook dat de scènewisselingen via ingenieuze hydrauliek, maar ook het gebruik van video, vuur en ‘special effects’ (waaronder de verbeelding van een levensgrote slang) ten dienste staan van de muziek en het verhaal en daarmee laten zien wat Wagner bedoelde met Gesamtkunstwerk: muziek, zang, verhaal en decor die volstrekt samen komen.  

 Hartmut Haenchen staat, samen met het Nederlands Philharmonisch Orkest, garant voor een wat meer gedragen, maar intense uitvoering van ‘Das Rheingold’. Na een wat aarzelend begin ontstond een prachtige klankkleur waarbij op de juiste momenten een muzikaal hoogtepunt werd geforceerd. Ook op de zang valt weinig aan te merken waarbij de vertolkingen van Loge (Stefan Margita), Alberich (Werner van Mechelen) en Erda (Marina Prudenskaja) als hoogtepunt golden. De kracht van de Loge’s vertolking is dat hij het enige personage is dat het allemaal niet zo serieus neemt en deze karaktertrek wordt met volle overtuiging ingevuld door Stefan Margrita. Nu is Wagner niet bepaald een lachebekje in zijn opera’s en zijn de verhaallijnen, in alle betekenissen van het woord, fantastisch.

Kern van ‘Das Rheingold’ is dat oppergod Wotan zijn schoonzus Freia ‘in bruikleen’ heeft gegeven aan de reuzen Fasolt en Fafner als betaling voor de bouw van zijn burcht Walhalla. Freia kan alleen naar huis terugkeren in ruil voor al het goud van de verderfelijke Nibelung Alberich. Goud dat Alberich heeft verkregen door het afzweren van de liefde en daarmee het verkrijgen van het Rijngoud dat hij smeedt tot een ring die hem almacht oplevert. De legende van deze ring, ook de basis voor J.R.R. Tolkien’s The Lord of the Rings, is de rode draad in Wagner’s volledige Der Ring des Nibelungen en zaait dood en verderf.

Zonder twijfel is het een goede keuze van De Nederlandse Opera om deze productie nog één keer in de reprise te doen. Wagner zelf zou van deze productie wellicht minder geporteerd zijn aangezien de première van de Ring gepaard ging met een Germaans decor waar een Vikinghelm bon ton was. Al zou de hedendaagse verschijning van de Rijndochters hem vast meer plezieren dan zijn eigen Rijndochters  die aantonen dat in de 19e eeuw het begrip vrouwelijkheid zeer ruim opgevat werd.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

dinsdag 20 november 2012

'De Wake' van Ronald Giphart



Na de verhalenbundel Feest der liefde (1995) waagt Ronald Giphart zich met De wake weer aan het genre van de korte verhalen. De wake bevat drie verhalen waar het met de hoofdpersonages niet goed afloopt. In het eerste verhaal en titelgever van het boek ‘De Wake’ eindigt het voornemen van Siem en zijn vrouw Margot om na 25 jaar alsnog de top van de Zweedse berg Sonfjället te halen met de fatale val van Siem. In ‘Mooie mama’s’ raakt de 13-jarige Koos in een diepe coma tegen de achtergrond van een turbulent gezinsleven. Ten slotte verhaalt ‘Hartstocht’ over de Indiase jonge schone Raisha Singh Tanwar die een tubulent leven van lust en liefde leidt en door een tragisch taxiongeluk aan de beademing raakt en uiteindelijk fungeert als donorhart voor een Nederlandse oud-minister.

Stuk voor stuk verhalen die zo op het eerst oog niet heel bijzonder lijken, maar dat door het vertelperspectief juist wel zijn. Want De wake wordt verteld vanuit het gezichtspunt van Siem die op dat moment al overleden is. Samen met hem maken we zijn doodssmak mee en de periode tot en met zijn crematie en dan met name de wake bij zijn dode lichaam. Een belofte uit een ver verleden gestand gedaan door zijn studievrienden. De aanloop naar de coma van Koos wordt door Koos zelf verteld terwijl het verhaal van Raisha (en de Nederlandse oud-minister) via het hart van Raisha tot de lezer komt.

Juist deze perspectieven, maar ook de nieuwsgierig makende opbouw en prima spanningsboog van de verhalen, maakt dat deze bundel leest als een trein. Jammere aan de bundel is de geforceerde poging (van de uitgever?) om een ‘leitmotiv’ voor de verhalen te suggereren dat er eigenlijk niet is. De flap van het boek stelt zonder schroom: ‘De wake' bevat drie wonderbaarlijke vertellingen, die geheel op zichzelf staan, maar evengoed met stevige scharnieren aan elkaar gekoppeld zijn.’ Maar in de verantwoording van het boek kan vervolgens gelezen worden dat 'De wake' in 2011 verscheen als werk in opdracht voor de Vrije Universiteit, dat ‘Mooie mama’s’ in 2003 begon als roman en verweesde als filmscript terwijl ‘Hartstocht’ nieuw is, te merken aan de oppervlakkige en weinig subtiele verwijzing naar één van de huidige regeringspartijen. De ongelijksoortige ontstaansgeschiedenis wreekt zich in een gebrekkige rode draad. Want waarom zijn Siem en Koos allebei ‘narrator’ terwijl de één dood is en de ander in coma? Raisha ligt ook in coma, maar daar moeten we het verhaal hebben van haar hart.

Het grote probleem van zo’n geforceerde rode draad is dat je de samenhang gaat zoeken in de verhalen. Bij het lezen verwacht je dat het laatste verhaal de eindjes aan elkaar knoopt en de verhalen ook daadwerkelijk bindt. Zoals bijvoorbeeld The Hours van Michael Cunnningham waar de gelijknamige film met Meryl Streep en Nicole Kidman op gebaseerd is. Daar komen verhalen over drie vrouwen die alleen gelinkt lijken door de roman Mrs. Dalloway van Virginia Woolf (onverwacht) samen.

Oftewel een prima verhalenbundel om ongedwongen tussendoor te lezen, maar verwacht geen zinderend ‘leitmotiv’ dat bij het lezen van de laatste pagina de verhalen in een ander licht plaatst.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 14 november 2012

Opinie: Niet bestuurlijke megalomanie, maar misplaatste zuinigheid leidt tot Haags ‘Cultuurpaleis’



Prestigieuze bouwwerken zijn geen Nederlandse specialiteit. Vaak staan ze garant voor uit de hand lopende kosten, gebrek aan draagvlak en verkeerde (lees: lelijke) architectonische keuzes. En toch waagt met enige regelmaat een gemeentebestuur zich aan initiatieven die volgens sommigen vooral megalomanie tentoonspreiden en geen ‘common sense’. Den Haag lijkt een duit in het zakje te doen met het nu al omstreden Spuiforum dat inmiddels is omgedoopt tot ‘Cultuurpaleis’. Onterecht!

Afgelopen donderdag stemde de Haagse gemeenteraad met 25 stemmen voor en 19 tegen in met het plan om in het centrum van de stad een nieuw dans- en muziekcentrum als nieuwe huisvesting voor het Residentie Orkest, het Nederlands Dans Theater en het Koninklijk Conservatorium. Het nieuwe Spuiforum gaat 181 miljoen euro kosten terwijl het budget voor cultuur terugloopt van 63 miljoen euro (2009-2012) naar 49 miljoen (2013-2016). En dat in de context van onvrede onder Hagenaars en de ongewisse toekomst van het Residentie Orkest door de combinatie van cultuurbezuinigingen door rijk en gemeente. 

Wie een bezoek heeft gebracht aan de Dr. Anton Philipszaal aan het Haagse Spuiplein kan niet anders concluderen dan dat er ooit 'iets niet helemaal goed is gegaan’. Het thuishonk van het Residentie Orkest is een sfeerloze zaal met een problematische akoestiek. Het van luipaardmotieven voorziene kunstwerk van Marthe Röling, een verbeelding van Nel Veerkamp (bekend van ‘De Veerkampjes’ van ‘Man bijt Hond’ van de NCRV) avant la lettre, helpt ook al niet erg. Overigens is die sfeerloosheid verklaarbaar. Van Mourik Architecten is verantwoordelijk voor de zaal en schaamt zich er op zijn website niet voor, maar meldt wel uitdrukkelijk dat het project voor een ‘extreem laag budget’ is gerealiseerd. Dat zie je ook. En dat terwijl de gecombineerde huisvesting van de Dr. Anton Philipszaal en het Lucent Danstheater pas in 1987 aan het Spuiplein is geopend. Dat is ook meteen één van de grote kritiekpunten: een gebouw van net 25 jaar oud zou nu al tegen de vlakte moeten voor een nieuw gebouw. Over kapitaalvernietiging gesproken.      

Maar dat kan het zittende college van B&W toch amper verweten worden. Want het probleem van het huidige complex aan het Spuiplein is nu juist dat het toenmalige college voor een dubbeltje op de eerste rang wilde zitten. Vergelijk alleen al het gebouw aan het Spuiplein met het enkele jaren daarna opgeleverde stadhuis naar het ontwerp van Richard Meier. De klinkende bijnaam ‘Het IJspaleis’ ten spijt is dit toch een gebouw van een volstrekt andere orde. Goedkoop is dus gewoon duurkoop gebleken, want 25 jaar later betekent het handhaven van het gebouw aan het Spuiplein een kostbare renovatie. Ook voor het als beter en mooier bekend staande Lucent Danstheater wordt een opknapbeurt duur. Dit zijn steekhoudende argumenten vóór de bouw van het nieuwe Spuiforum. Net als de noodzaak om het Koninklijk Conservatorium te herhuisvesten.

Natuurlijk is een bedrag van 181 miljoen euro aanzienlijk en zijn er terechte vragen over de exploitatiekosten en het draagvlak onder de Haagse bevolking. Niet voor niets is dit een goedkopere uitwerking dan een eerder plan uit 2010. Een internationale en dynamische regeringsstad als Den Haag is cultureel, economisch en architectonisch gebaat bij het Spuiforum.

En het omstreden design? Ach, het ‘IJspaleis’ was als ontwerp en bij oplevering ook omstreden, nu valt het niet meer weg te denken uit het Haagse stadsbeeld. Laten we hopen dat voor het Spuiforum eenzelfde toekomst is weggelegd en Den Haag aantrekkelijker maakt om te wonen, werken en vooral om geld uit te geven.  

Dit artikel is gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Met ingang van dit artikel zal ik met enige regelmaat voor Het Goede Leven boeken en concerten recenseren, maar ook mijn opinie geven over actuele (cultuur)politieke kwesties. Dit overigens naast mijn eigen FerdiBlog. Dus blijf zowel FerdiBlog als Het Goede Leven in de gaten houden!

vrijdag 9 november 2012

'Lion's Honey. The Myth of Samson' van David Grossman


Na een korte pitstop met 'Bangkok, een elegie' van F. Springer heb ik mijn ontdekking van Israëlische schrijvers voortgezet met 'Lion's Honey. The Myth of Samson' van David Grossman. Daar waar Etgar Keret met zijn verhalenbundel 'Suddenly, a Knock on the Door' vaak de absurditeit opzoekt, is Grossman uit een heel ander hout gesneden door de mythe van Samson (van Delila) bij de horens te vatten. 'Lion's Honey' is overigens een moeilijk te classificeren boek. Het start met de letterlijke transcriptie van de relevante Bijbelpassages van de mythe van Samson (in de Engelse vertaling: hoofdstuk 13-16 uit 'The Book of Judges' uit 'The Authorised King James Version'). Daarna schrijft David Grossman een analyse van het verhaal en vult deze verder in waardoor de Samson uit de redelijk oppervlakkige Bijbelvertelling een man van vlees en bloed wordt en daarmee dus een roman zonder zo echt geschreven te zijn. Voor het gemak noem ik dit dan maar een analytische roman. 

Het verhaal van Samson, die zijn bovenmenselijke kracht ontleent aan zijn nimmer geknipte haarlokken, beoogd redder van het door de Filistijnen onderdrukte Israël en uiteindelijk wordt bedrogen door zijn geliefde Delila, is een van de meer spectaculaire verhalen uit de Bijbel. Het leven van Samson gaat met veel geweld gepaard en eindigt wanneer hij, ontdaan van zijn kracht en gevangen gezet door de Filistijnen, met zijn laatste (terugkerende) kracht de tempel waarin hij gevangen zit neer laat komen en zo 3.000 Filistijnen in zijn dood meeneemt. In weerwil van al dit spektakel is Samson een redelijk platte figuur die zich eendimensionaal door het leven vecht. Grossmann vult het verhaal in en kijkt naar de achterliggende motieven en gevoelens van de hoofdpersonen. Hij doet dit op een overtuigende wijze waarop deze aparte roman zeer prettig leest. Dit is overigens ook zeer te danken aan de werkelijk uitstekende Engelse vertaling uit het Hebreeuws door Stuart Schoffman. 

Grossman legt een zeer duidelijke link tussen Samson en het huidige Israël. Niet verwonderlijk voor een Israëlische schrijver, maar ook vanwege het feit dat het verhaal daadwerkelijk speelt in het gebied dat nu het huidige Israël is. En aangezien ik recent in Israël was, doet dit het boek nog meer leven dan anders het geval zou zijn geweest. Dat is echter slechts de eerste laag van deze link. Een tweede laag is het feit dat Samson op een aantal punten de staat Israël verpersoonlijkt.  Een man met ogenschijnlijke kracht en macht wiens acties daarmee niet altijd in verhouding staan. De derde en laatste laag is de verpersoonlijking van Samson als de Joodse queeste, tot 1948, naar een Nationaal Tehuis (dixit de Balfour-verklaring uit 1917). Samson vindt uiteindelijk dat huis niet en sterft uiteindelijk als eenzame ziel. De Joden hebben, na eerst een vreselijk Armageddon te hebben moeten beleefd in de Tweede Wereldoorlog, dat huis wel gevonden doch kampen nog elke dag met de gevolgen van de ontstaansgeschiedenis. 

Al met al een mooie introductie op het werk van David Grossman. Ik ben inmiddels zeer benieuwd naar zijn andere werk. En dat volgt er zeker weer een recensie op deze blog!