zondag 30 oktober 2016

Witte rook voor Robert Harris. 'Conclave' van Robert Harris


Na zijn trilogie over de Romeinse redenaar en staatsman Cicero verlegt Robert Harris zijn aandacht naar het Vaticaan. In de nabije toekomst wordt het College van Kardinalen wederom geroepen zich te laten leiden door de Heilige Geest om een nieuwe Paus te kiezen. Conclave beschrijft in detail deze goddelijke verkiezing en levert – tegen de verwachting in – een spannende en onvervalste pageturner af. 

Hoewel de verkiezing van een nieuwe Paus niet bepaald onopgemerkt voorbij gaat, is het archaïsche proces zelf allesbehalve een spannende verkiezing. De uitkomst van die verkiezing kan dat soms wel zijn zoals de verkiezing van de huidige Paus Franciscus duidelijk heeft gemaakt en daarmee een nieuw tijdperk voor de Rooms-Katholieke kerk heeft ingeleid. Een tijdperk dat gekenschetst kan worden als back to basics: gericht op de zorg voor de Katholieke kudde die net zo goed vanuit eenvoud als vanuit onnodige en overdadige luxe in woord en daad beleden wordt. Dat daarbij de Sede Vacante niet ontstaan was door de dood van de Paus, maar het terugtreden van Benedictus versterkt het bijzondere karakter van deze verkiezing alleen maar. Maar het woord ‘verkiezing’ is eigenlijk minder van toepassing op wat in essentie een proces is dat in het teken staat van de wereldlijke vertaling van een goddelijke roeping door middel van een verkiezing onder kardinalen. Daar waar volgers van bijvoorbeeld de Amerikaanse presidentsverkiezingen zich dag in, dag uit verliezen in allerhande nieuwtjes variërend van gedetailleerde peilingen in de belangrijke battleground states tot (gênante) uitspraken van kandidaten, hebben volgers van de Vaticaanse politiek het een stuk lastiger. Lijstjes met kanshebbers voor de Heilige Stoel zijn relatief makkelijk gemaakt, maar in de regel is het niet meer dan onderbouwd gissen. Dat terwijl het electoraat klein en voorspelbaar is: ruim honderd kardinalen die de leeftijd van tachtig nog niet hebben bereikt zijn kiesgerechtigd. Die voorspelbaarheid geldt niet voor de uitslag. Peilingen onder de Prinsen van de Kerk zijn er niet en aangezien een nieuwe Paus in beginsel de steun moet hebben van twee derde van de kardinalen is consensus een noodzakelijke voorwaarde. Een voorwaarde die zich niet verhoudt tot de zero sum game die de keuze voor de Amerikaanse president is. De verkiezing van een nieuwe Paus is daarom vooral een kwestie van geduld tot de befaamde witte rook boven de Sixtijnse Kapel te zien is en niet veel later de nieuwe Paus zich aan de wereld presenteert. Toch heeft dit alles Robert Harris niet weerhouden om zijn nieuwste boek te wijden aan een (fictieve) Pauselijke verkiezing.

Koplopers zijn doodlopers
In Conclave schetst Robert Harris (1957) een zeer nabije toekomst waarin de Paus – die opvallende gelijkenis vertoont met de huidige Paus – plotseling overlijdt waardoor het College van Kardinalen zich verzamelt in Vaticaanstad. De gebruikelijke scheidslijn tussen de conservatieve en progressieve vleugels van het Katholicisme dient zich daarbij aan, terwijl tegelijkertijd de hoop bij delen van het College groeit op een niet-traditionele uitkomst (lees: een Paus uit de Derde Wereld) om de kerk een nieuwe relevantie te geven. Aan de Italiaanse kardinaal Lomeli, deken van het College en daarmee de hoeder van het proces, de schone taak om de verkiezing in goede banen te leiden. Harris kiest daarbij voor een opzet waarbij vrijwel het gehele boek zich afspeelt tijdens de verkiezing zelf. Alleen de dood van de Paus en de directe nasleep zijn aanvullend onderdeel van zijn verhaal. De drie weken tussen de dood van de Paus en de aankomst van de kardinalen in Vaticaanstad slaat Harris bewust over. Zo staat Conclave – in de Nederlandse vertaling verschenen als Conclaaf – volledig in het teken van de verkiezing, de afwegingen die daarbij een rol spelen en de wijze waarop de eminente heren met elkaar omgaan. Al snel blijkt dat het allesbehalve pais en vree is in Vaticaanstad waar een aantal koplopers van de verschillende vleugels zich warm lopen om geroepen te worden tot plaatsvervanger van God op aarde. Koplopers die om uiteenlopende redenen één voor één en door dramatische plotwendingen telkens niet meer blijken te zijn dan doodlopers. Een ontwikkeling die de wanhoop bij Lomeli en het College tot grote hoogte doet stijgen. 

Pageturner
Gezien het feit dat Robert Harris telkens weer in staat blijkt te zijn goede verhalen af te leveren, vooral wanneer deze een politieke machtscomponent in zich huizen, verbaast het niet dat hij met Conclave wederom een zeer lezenswaardige roman aan zijn oeuvre heeft toegevoegd. Daarbij is overigens wel verbazingwekkend dat Harris het voor elkaar heeft gekregen om een schimmig proces waarbij het stemmen door de kardinalen zelf langdradig en saai is, heeft weten om te zetten in een onvervalste en spannende pageturner. Dat hij daarbij (soms) de grenzen van het geloofwaardige op zoekt en een niet nader te noemen kardinaal fungeert als een deus et machina doet daar gelukkig niets aan af. Liefhebbers van Robert Harris zullen dit boek ongetwijfeld al gelezen hebben of al aangeschaft hebben, maar ook buiten die grote schare van volgelingen die ook maar een beetje geïnteresseerd zijn in de machinaties van de Rooms-Katholiek kerk is dit boek een aanrader.

Eind september is ‘Conclave’ van Robert Harris verschenen. De Nederlandse vertaling ‘Conclaaf’ is inmiddels ook beschikbaar en wordt uitgegeven door Cargo. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

vrijdag 28 oktober 2016

Opera 25 oktober 2016: Eva-Maria Westbroek schittert in Manon Lescaut


Nationale Opera
Manon Lescaut
(Giacomo Puccini, 1858-1924)

Eva-Maria Westbroek, Manon Lescaut
Stefano La Colla, Renato des Grieux
Thomas Oliemans, Lescaut
Alain Coulombe, Geronte di Ravoir
Alessandro Scotto di Luzio, Edmondo

Andrea Breth (regie)
Martin Zehetgruber (decor)

Koor van De Nationale Opera
Alexander Joel, Nederlands Philharmonisch Orkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

De Nationale Opera zet haar Puccini-cyclus voort met ditmaal de opera die Giacomo Puccini voor het eerst wereldfaam bezorgde: Manon Lescaut. Met niemand minder dan Eva-Maria Westbroek in de hoofdrol kan het eigenlijk niet mis gaan. Hoewel Westbroek schittert en begeleid wordt door een geweldig spelend Nederlands Philharmonisch Orkest, valt er op de enscenering van Andrea Berth het nodige af te dingen. Maar voor wie van Puccini houdt, kan met een gerust hart de gang naar Amsterdam maken.

De liefhebber van de opera’s van Puccini is de afgelopen jaren (meer dan) goed bediend door de Nationale Opera/de Nederlandse Opera. Zelf bewaar ik goede herinneringen aan La Bohème twee seizoenen geleden, maar vooral een indrukwekkende Turandot uit 2010 met een sprankelend Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Yannick Nézet-Séguin. Daar waar in 2010 Puccini’s laatste (en niet voltooide) opera centraal stond, is het nu de beurt aan Puccini’s derde opera Manon Lescaut (1893). De opera die Puccini’s doorbraak betekende en een reeks startte van louter succesnummers. Maar belangrijker dan de constatering dat Manon Lescaut de voortzetting van de Puccini-cyclus vormt, is de terugkeer van Eva-Maria Westbroek bij de Nationale Opera. Want de enige echte operaster van Nederlandse bodem is ongetwijfeld één van de belangrijkste redenen om naar Amsterdam af te reizen. Puccini, Westbroek en de Nationale Opera zijn geen vreemden voor elkaar. In 2009 vormden zij al een gouden trio met een door critici geprezen uitvoering van La fanciulla del West. En in Manon Lescaut is dat niet anders. Westbroek weet haar publiek te betoveren en geeft – hoewel ze toch echt niet door kan gaan voor de 18-jarige Manon Lescaut – de verschillende emoties die Manon tijdens de opera doormaakt telkens met een voltreffer gestalte. Daarbij moet zonder meer gesteld worden dat Des Grieux, de geliefde van Manon, op evenzo geweldige wijze wordt vertolkt door Stefano La Colla. La Colla komt wat betreft zonder moeite in de buurt van het enthousiasme dat het publiek voor Westbroek tentoonspreidt. Ten slotte is er nog het Nederlands Philharmonisch Orkest dat – aangejaagd door de vrij onbekende maar zeer competente dirigent Alexander Joel (1971) – de muziek van Puccini laat schitteren. Een volvette doch transparant Technicolor-geluid is de perfecte begeleiding voor de krachtige stemmen van Westbroek en La Colla. Alleen Alessandro Scotto di Luzio’s Edmondo wist zich bij de start niet helemaal boven het orkest uit te werken hoewel dit gaandeweg de uitvoering ook geen probleem meer was.

Loszingen
De ingrediënten voor een perfecte Manon Lescaut lijken zich daarmee te hebben aangediend. En in veel opzichten is dit ook een zonder meer memorabele uitvoering ware het niet dat er op de enscenering en daarmee de regie van Andrea Berth het nodige valt af te dingen. Berth kennen we nog van een – als we de kritieke mogen geloven –  controversiële enscenering van Verdi’s Macbeth bij de Nationale Opera. Ook nu zet ze de boel op stelten door de vier aktes die Manon Lescaut rijk is en plaats vinden in achtereenvolgens Amiens, Parijs, Le Havre en Amerika weer te geven als de herinneringen van een in een Amerikaanse woestijn stervende Manon. Met haar geliefde Des Grieux aan haar zijde. Hoewel een innovatieve benadering, blijft het de vraag waarom je zo wil loszingen van de oorspronkelijke bedoelingen van componist en librettist. Hoewel wat betreft het libretto Puccini het ook allemaal niet zo goed wist aangezien hij meerdere librettisten heeft versleten tijdens de totstandkoming van deze opera. Berth kiest ervoor om de diverse akten in een woestijnomgeving te laten plaats vinden om het uitgangspunt van herinnering kracht bij te zetten. Een slapende Manon vergezeld van een eveneens slapende Des Grieux moeten dit uitgangspunt verder duidelijk maken. Gelukkig is de Nationale Opera zo verstandig geweest om bij de synopsis van het verhaal dit (afwijkende) uitgangspunt in een paar regels uit te leggen. Het feit dat dit nodig is, maakt  duidelijk dat deze visie allesbehalve gelukkig is.

Pijn aan de ogen
Het gekke aan deze keuze is dat je zou denken dat iedere akte start met een slapende Manon en Des Grieux, maar dit is alleen zo bij de eerste akte waar Manon – samen met haar broer en de rijke oude Geronte di Ravoir – arriveert in Amiens. Zij ontmoet daar de student Des Grieux en valt hopeloos voor hem. Ze besluiten samen te vluchten, maar worden achtervolgd door Di Ravoir. In de tweede akte blijkt dat Di Ravoir – bijgestaan door de broer van Manon – succesvol was in zijn jacht op Manon en inmiddels haar tot zijn trofee heeft maakt terwijl Manon geniet van zijn rijkdom. Toch blijft ze denken aan Des Grieux en helpt haar broer haar om ze weer samen te brengen. Ook dit gaat mis: Manon treuzelt te lang om haar sieraden op haar vlucht mee te nemen en ze wordt gearresteerd door de politie die door haar oude minnaar is gealarmeerd. Zowel bij de dramatische climax van de eerste akte (de vlucht) als de tweede akte (de arrestatie) kiest Berth voor een totaal gebrek aan dramatiek bij deze gebeurtenissen die in een soort slow motion en telkens gesymboliseerd door één figuur (in plaats van een massa aan personages) plaats vinden. Wellicht als een soort vertaling van het feit dat deze gebeurtenissen voor Manon een droom zijn, maar echt werken doet het niet. De derde en vierde akte zijn daarentegen wel gebaat bij de aanpak van Berth. Want de simpele enscenering van Le Havre waar Manon – veroordeeld tot deportatie – zich bevindt, is  krachtig. En dan tenslotte die vierde dramatische akte: Des Grieux is Manon gevolgd in haar deportatie naar Amerika en in een woestijn zijn ze eindelijk samen, maar sterven zij ook gezamenlijk. Niet alleen is de enscenering van de woestijn hier zeer passend, maar wordt handig gebruik gemaakt van het schelle licht van diezelfde woestijn. Want de vierde akte start met een prachtig instrumentaal intermezzo waardoor de zaal in duisternis gehuld is. Zodra het doek opgaat voor de finale doet het – juist door het duister – schelle licht pijn aan de ogen en geeft daarmee een extra dimensie aan de dramatiek. Zo eindigt Manon Lescaut alsnog op een wijze waar alle elementen – voor dat moment althans – in evenwicht met elkaar zijn.



Van 10 t/m 31 oktober 2016 voert De Nationale Opera ‘Manon Lescaut’ van Puccini op. Deze recensie is op basis van de slotuitvoering op 25 oktober 2016.

zaterdag 8 oktober 2016

Concert 7 oktober 2016: Het Residentie Orkest en hemelse klanken van 'eigen bodem'


H. Andriessen: Variaties en Fuga op een thema van Johannes Kuhnau
R. Strauss: Vier letzte Lieder
Franck: Symfonie in d

Aga Mikolaj (sopraan)
James Feddeck, Residentie Orkest
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Geloof heeft talloze componisten geïnspireerd tot ‘hemelse’ muziek. Het Haagse Residentie Orkest zoekt het hemelse dichtbij huis met werken van Nederlandse componisten Hendrik Andriessen en César Franck (!). Maar met de prachtige Vier letzte Lieder van Richard Strauss tonen de Haagse musici aan dat goddelijke inspiratie geen noodzakelijke voorwaarde is voor waarlijk hemelse klanken. 

Hoewel de nieuwe chef-dirigent van het Residentie Orkest met het traditionele Prinsjesdagconcert zijn vuurdoop al heeft gehad, vindt op 28 oktober zijn kennismaking met het bredere publiek plaats. De jonge Brit Nicholas Collon (1983) staat voor de klus om het afgelopen jaren onder druk staande orkest nieuw elan te geven en nieuw publiek aan te spreken. Collon begint onder een goed gesternte, want sinds het Residentie Orkest – in afwachting van het nieuwe Onderwijs- en Cultuurcomplex – noodgedwongen is verhuisd naar het Zuiderstrandtheater zit de schwung er weer in. Met het aantreden van artistiek directeur Ronald Kieft – inmiddels vertrokken naar de Stichting Omroep Muziek en opgevolgd door Sven Arne Tepl – ligt de focus meer en meer op het verhaal achter de muziek. Concerten van het Residentie Orkest kenmerken zich door een uitgebreide toelichting over de betreffende componist en zijn muziek. Een rol die met verve werd genomen door Ronald Kieft. In zijn plaats heeft het orkest echter een uitstekende vervanging gevonden in musicoloog en componist Leo Samama. Met een aanstekelijke liefde voor en kennis van muziek geeft Samama de rode draad weer van het programma Hemelse Klanken. Een programma waar het werk van Hendrik Andriessen, Richard Strauss en César Franck centraal staat. En voor wie de toelichting van Samama niet afdoende is, is ook de prettige Wolfgang-app beschikbaar. Althans alleen voor de symfonie van Franck. 

De “Nederlandse” César Franck
Een programma dat werk van Andriessen, Strauss en Franck combineert is op voorhand al geslaagd. Want deze van elkaar verschillende componisten hebben één ding gemeen: het schrijven van prachtige muziek. De door het orkest gekozen thematiek van Hemelse Klanken is daarbij in beginsel vooral gericht op Andriessen en Franck. Want zoals Samama zo eloquent weet te vertellen worden deze componisten door meer verbonden dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Om te beginnen delen beide componisten hetzelfde geboorteland. Dat Hendrik Andriessen (1892-1981) Nederlands is, mag geen verrassing zijn. Evenmin dat één van zijn zoons, Louis, een andere bekende Nederlandse componist is en Paul Witteman zijn neef. Dat César Franck (1822-1890) als een Nederlandse componist kan worden aangeduid, is vast en zeker aanleiding tot grote verbazing. Want deze in 1837 tot Fransman genaturaliseerde componist lijkt toch allesbehalve Nederlands. Maar zoals Samama terecht observeert: Franck werd in 1822 in Luik geboren dat toen nog onderdeel was van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden. Een handig gebbetje dat een extra dimensie geeft aan een concert. Belangrijker overeenkomst is echter het feit dat beide componisten van huis uit organisten waren en hun hemelse devotie in hun aardse composities lieten doorklinken. 

Hemels zonder devotie
In de Variaties en fuga op een thema van Johann Kuhnau uit 1935 werkt Andriessen een thema van de voorganger van Bach uit tot een weelderig orkestwerk voor strijkers en harp. Het idioom van Andriessen is in al zijn werken onmiddellijk kenbaar en – bij gebrek aan een beter woord – voelt altijd zeer Nederlands aan. Maar dan wel het katholieke Nederland waar Andriessen uit voortkomt. Het goede aan het Residentie Orkest is dat ze – deze niet vaak uitgevoerde componist – immer in ere houden. Niet alleen vanwege zijn Haagse connectie (zo was hij onder ander directeur van het Haagse Koninklijk Conservatorium), maar juist vanwege zijn belang voor de Nederlandse klassieke muziek. Zijn muziek zit in het bloed van de musici van het Residentie Orkest en die verworvenheid werd keurig naar boven gehaald door de Amerikaanse gastdirigent James Feddeck. Een jonge dirigent die het vak heeft geleerd bij het Cleveland Orchestra en het gelijknamige jeugdorkest. Een dirigent die nog de grote gebaren tijdens het dirigeren mag afleren en met een wat 19e eeuws voorkomen niet bepaald jeugdig aandoet. Dat laat onverlet dat hij zijn vak verstaat. Zoals ook duidelijk te werken was in de tegendraadse Symfonie in d van César Franck. Voor Franck geen lieflijke symfonie in de lijn van Mozart en Mendelssohn met Franse lichte touch, maar een imposant driedelig werk dat de Franse en Duitse symfonische school combineert. Ook hier staan het orkest en Feddeck hun mannetje en leveren een fraaie uitvoering af. Daarmee de rode draad van dit programma bevestigend: devotie als inspiratie voor meeslepende muziek. En voor de liefhebber was – naast de introductie door Samama – voor alleen deze symfonie ook de Wolfgang-app beschikbaar. Een app die op rustige en niet-storende wijze met enige regelmaat een toelichting toont op het werk dat gespeeld wordt en zo – voor diegene die dat op prijs stelt – een extra dimensie geeft aan het concertbezoek. Ook in de app kwam het geloof als Leitmotiv naar voren en daarmee een bevestiging van de door het orkest gekozen thematiek. Maar dan is buiten good old Richard Strauss (1864-1949) gerekend. Een componist die zich nimmer heeft laten leiden tot verheven beweegredenen voor zijn muziek. Hij genoot van het componeren en wist zijn talent als geen ander in rijkdom om te zetten. Niet voor niets gaat het verhaal dat hij zijn prachtige huis in Garmisch-Partenkirchen volledig kon financieren door het succes van Salome. Geen goddelijke devotie dus voor Strauss, maar zonder twijfel hemelse muziek zoals zijn Vier letzte Lieder zonneklaar maken. Aan het einde van zijn leven wist hij al zijn muzikale kennis en gevoel te vertalen naar een cyclus van liederen die postuum zijn samengebracht als Vier letzte Lieder. De pracht en weelderigheid van de muziek zijn onbetwist en een feestje voor het oor. De opname door Elisabeth Schwarzkopf, begeleid door het Radio-Sinfonieorchester Berlin onder leiding van George Szell, staat nog altijd op eenzame hoogte. Maar het Residentie Orkest onder leiding van James Feddeck hield de eer hoog door een meer dan prima uitvoering. Daarbij zeer geholpen door de Poolse sopraan Aga Mikolaj die met pathos de liederen tot leven te wekken. Dat zij een pupil is geweest van de Elisabeth Schwarzkopf verklaarde veel.

Op 7 en 8 oktober 2016 voert het Residentie Orkest in het Haagse Zuiderstrandtheater onder leiding van gastdirigent James Feddeck het programma ‘Hemelse Klanken’ uit met werken van Andriessen, Strauss en Franck. Meer informatie en kaarten bestellen kan hier. Deze recensie is gelijktijdig verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 5 oktober 2016

Star Wars: De toekomst van Thrawn. De Thrawn-trilogie van Timothy Zahn


Over een paar maanden kan de Star Wars-gekte weer helemaal losbarsten. Precies een jaar na het immense succes van Episode VII: The Force Awakens en een jaar voor de bioscooprelease van Episode VIII is daar Rogue One: A Star Wars Story. Tussen dit Star Wars-geweld door zal het minder zijn opgevallen dat een complete canon aan verhalen opeens geen onderdeel meer uitmaakt van het Star Wars-universum. Waaronder de fameuze boekenreeks van Timothy Zahn die Grand Admiral Thrawn introduceerde. Maar er is ‘a new hope’… 

Dat Star Wars al decennialang een groot succes is, miljarden heeft opgeleverd en een ongekend grote impact heeft op de wereldwijde popular culture mag bekend verondersteld zijn. Geen andere franchise die op zoveel manieren (film, boeken, comics, speelgoed, videogames etc. etc.) het geesteskind van George Lucas heeft weten te vertalen. Een geesteskind dat – hoe briljant het oorspronkelijke idee ook – vaker wel dan niet kon groeien door ideeën die nadrukkelijk niet van George Lucas zelf vandaan kwamen. Want laten we wel wezen: na het succes van de allereerste Star Wars-fillm (Episode IV: A New Hope) keerde Lucas het regisseurschap (gelukkig) de rug toe en was het aan Irvin Kirschner om Episode V: The Empire Strikes Back in goede banen te leiden. Een uitmuntende keuze aangezien het donkerste deel uit de oorspronkelijke trilogie (terecht) wordt bejubeld als de beste film uit diezelfde trilogie. Return of the Jedi deed voor die prijs sowieso niet mee. Het weerhield Lucas er overigens niet van om de gehele prequel-trilogie zelf te regisseren. Een wisselend succes waarbij eigenlijk alleen Episode III: Revenge of the Sith een beetje in de buurt komt van de originele trilogie. Met hulp van J.J. Abrams is met het superieure The Force Awakens de filmfranchise nieuw leven ingeblazen en staan we aan de vooravond van een stortvloed aan nieuwe Star Wars-films en andere initiatieven. Waaronder dus Rogue One dat gaat over de directe aanloop naar A New Hope en hoe de plannen voor de Death Star bij de Rebellen terecht zijn gekomen. Maar om het Star Wars-vuur tussen Return of the Jedi (1983) en The Phantom Menace (1999) brandend te houden, ontstond een uitgebreide canon aan Star Wars-verhalen. Met de overname van Lucasfilm door Disney ontstond niet alleen de ruimte om een nieuwe trilogie te filmen, maar werd tegelijkertijd – nogal rigoureus – besloten om deze zogeheten Expanded Universe los te koppelen van de officiële Star Wars-canon en slechts onder de vaandel van Star Wars Legends te continueren, maar feitelijk uit te faseren. Dit betekent dat één van de belangrijkste en meest populaire karakters - Grand Admiral Thrawn – de weg der vergetelheid opgegaan lijkt te zijn. Maar gelukkig is er hoop voor de buitenaardse militaire strateeg met de felle rode ogen en blauwe huid en maakt hij alsnog zijn opwachting in de officiële canon. 

De Thrawn-trilogie van Timothy Zahn
De populairste karakters uit de Star Wars-reeks komen vrijwel allemaal in meer of mindere mate voort uit de Star wars-films. Maar sciencefiction-schrijver Timothy Zahn (1951) veranderde dit door zijn meesterlijke Thrawn-trilogie. Heir to the Empire (1991), Dark Force Rising (1992) en The Last Command (1993) vinden plaats vijf jaar na Return of the Jedi. Het Keizerrijk is verslagen en de voormalige rebellen – waaronder natuurlijk Luke Skywalker, Leia Organa Solo en Han Solo - besturen de Nieuwe Republiek. Gevaar dreigt echter door de restanten van het Keizerrijk die worden aangevoerd door één van de legendarische door de Keizer aangestelde Grand Admirals waarvan gedacht was dat deze militaire topstrategen allemaal waren gedood of opgepakt. Daarbij werd buiten de enige buitenaardse Grand Admiral gerekend: Thrawn. Het voert te ver om het plot verder toe te lichten, maar Zahn heeft met Thrawn een driedimensionaal karakter weten te creëren dat niet alleen past binnen het Star Wars-universum maar een grote verrijking ervan is. Door het enorme succes van met name deze trilogie bleef Star Wars in de barre jaren tussen Return of the Jedi en The Phantom Menace overeind. Sterker nog: er was lange tijd hoop dat juist de Thrawn-trilogie de basis zou vormen voor een nieuwe filmtrilogie. Het voornemen van George Lucas om vooralsnog alleen een prequel-trilogie te verfilmen en daarmee feitelijk de transformatie van Anakin Skywalker naar Darth Vader af te ronden, deed die hoop al grotendeels vervliegen. Met The Force Awakens werd duidelijk dat het er nooit meer van zou komen. De boeken zijn – zelfs in een Nederlandse vertaling – nog redelijk goed verkrijgbaar en nog altijd meer dan het lezen waard. Daarbij is het ook Zahn niet vreemd om succes uit te melken door nog diverse aanvullende verhalen te schrijven die draaien om de hoofdpersonen uit de Thrawn-trilogie. De tweedelige Hand of Thrawn-cyclus Specter of the Past (1997) en Vision of the Future (1998) spelen zich vijf jaar na de oorspronkelijke Thrawn-trilogie af en lijken te wijzen op een terugkeer van Thrawn. De overige verhalen zijn allemaal wat minder hoewel Outbound Flight (2006) voor de liefhebber niet te missen is omdat dit een prequel betreft – jawel Zahn doet daar net als George Lucas aan! – en je meer te weten komt over de gelijknamige vlucht van Jedi Meesters ter exploratie van een onbekend deel van het universum en tegelijkertijd de achtergrond van Thrawn schetst. Maar zoals gezegd is dit nu allemaal onderdeel van Star Wars Legends en is het geen onderdeel meer van de huidige Star Wars-canon. Maar voor de fans van Thrawn is er goed nieuws: hij maakt een comeback binnen de formele canon. 

Star Wars Rebels
Want vorig weekend heeft Thrawn zijn opwachting gemaakt in Star Wars Rebels, de animatieserie die zich afspeelt tussen Revenge of the Sith en A New Hope. De serie is inmiddels begonnen aan het derde seizoen en in dit seizoen is Thrawn de belangrijkste bad guy. Voor zijn stem is Lars Mikkelsen (Borgen, The Killing, House of Cards) aangetrokken. Hij is nog steeds een Grand Admiral en weet nog altijd door inzicht te hebben in de kunst van een volk datzelfde volk te kunnen doorgronden en te onderwerpen. Tegelijkertijd is bekend geworden dat in het voorjaar een nieuw Star Wars-boek van de hand van Timothy Zahn verschijnt getiteld Thrawn. Een verhaal dat – voor zover bekend – zich afspeelt voorafgaand aan de gebeurtenissen van Star Wars Rebels en ook formeel deel uitmaakt van de canon. Hopelijk is het de start van nog veel meer Thrawn, hoewel de echte liefhebber niet ver hoeft te zoeken. Want de Thrawn-trilogie en de Hand of Thrawn-boeken zijn nog altijd krachtige toevoegingen op het Star Wars-universum of ze nou er formeel onderdeel van uitmaken of niet. Deze Thrawn-fan heeft de afgelopen weken met veel plezier de Thrawn-boeken voor de zoveelste keer herlezen. 


‘Star Wars Rebels’ is verkrijgbaar op DVD en Blu-Ray en te zien op Disney XD. ‘Rogue One: A Star Wars Story’ gaat op 14 december 2016 in première. ‘Thrawn’ van Timothy Zahn verschijnt in april 2017 terwijl ‘Heir to the Empire’, ‘Dark Force Rising’, ‘The Last Command’, ‘Specter of the Past’, ‘Vision of the Future’ en ‘Outbound Flight’ nog redelijk goed (met name in de oorspronkelijk Engelse editie) te verkrijgen zijn bij zowel bol.com als amazon.co.uk. Overigens is eind vorige maand een nieuwe 'Star Wars Legends'-editie van de Thrawn-trilogie voor de Amerikaanse markt verschenen.