maandag 21 mei 2012

'De man die nee zei. Charles de Gaulle, 1890-1970' van H.L. Wesseling


Charles de Gaulle is één van de grote historische figuren waarbij je, met alle bewondering voor zijn verdiensten,  toch over het algemeen een negatieve connotatie hebt. Voor velen belichaamt hij al datgene wat Frankrijk groot maakt, maar tegelijkertijd ook afstotend is. De belichaming van de uitdrukking 'Frankrijk is een mooi land, jammer dat er Fransen wonen'. Hoewel Charles de Gaulle een grote rol speelde in zowel de Tweede Wereldoorlog, bepalend was voor het naoorlogse Frankrijk en grote invloed had op de Europese eenwording had ik nog alleen boeken gelezen waar hij als (belangwekkende) passant figureerde. Mijn beeld van deze generaal en staatsman was van een ongehoorde chauvinist die door zijn karakter en onverzettelijk het voor elkaar kreeg om Frankrijk na de oorlog weer een wereldspeler te maken en deze positie, via instituties zoals de Europese Gemeenschap en de Veiligheidsraad, te laten behouden terwijl Frankrijk daar eigenlijk geen recht op had.

Er zijn al veel biografieën over De Gaulle verschenen, maar een biografie geschreven door een Nederland er bleek een lacune. In dit gat is emeritus hoogleraar Algemene Geschiedenis van de Universiteit Leiden Henk (Lodewijk) Wesseling gesprongen met de biografie 'De man die nee zei'. En laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik hebt deze heerlijk overzichtelijke biografie in slechts een paar dagen uitgelezen, mijn mening bevestigd gezien en toch veel nieuws te weten gekomen. 

Het knappe van Wesseling is dat hij in amper 300 pagina's het wezen van Charles de Gaulle weergeeft zonder episodes uit zijn leven te kort doen. Gelukkig laat hij de jeugd van De Gaulle, los van een korte beschrijving, al snel voor wat deze is en legt hij de focus op de drie onderdelen van zijn leven die De Gaulle groot hebben gemaakt: zijn militaire carrière, zijn strijd voor de Vrije Fransen in de Tweede Wereldoorlog en zijn politiek-bestuurlijke carrière als de grondlegger van de Vijfde Republiek en haar eerste president. Ik lees graag biografieën, maar heb vaak een broertje dood aan de lange verhalen over de jeugd van de hoofdpersoon. Nu is het altijd interessant om te lezen waar iemand vandaan komt, maar iets te vaak wordt me de suggestie gewekt dat de twinkeling in de ogen van een 3-jarige de grootsheid van zijn (of haar!) toekomst voorspelde. Er zullen genoeg 3-jarigen een twinkeling in de ogen gehad hebben, zonder dat er ooit aanleiding was voor een biografie. 

De rode draad van deze prettig geschreven biografie is de onverzettelijkheid van De Gaulle en de wijze waarop dit zijn carrière en Frankrijk heeft gevormd. Door als staatssecretaris van Defensie te weigeren om onder Veldmaarschalk Petain te dienen en, gelijk Wilhelmina, de wijk te nemen naar het Verenigd Koninkrijk om daar de Vrije Fransen aan te voeren, legde hij de kiem voor zijn indrukwekkende carrière. Daar waar Wilhelmina officieel het Nederlandse gezag in ballingschap vertegenwoordigde daar was De Gaulle door zijn eigen regering, althans die zetelde in Vichy, ter dood veroordeeld voor hoogverraad en in het Verenigd Koninkrijk was hij  één van de velen die Frankrijk meende te vertegenwoordigen. Door onverzettelijk vol te houden en het Franse belang voorop te stellen, wist hij via de Franse koloniën het leiderschap van de Vrije Fransen veilig te stellen en daarmee bij te dragen aan de strijd tegen de Asmogendheden. 'The rest is history' en na het einde van de Tweede Wereldoorlog keerde hij terug naar een bevrijd Frankrijk dat in zijn ogen, net als wederom Wilhelmina, noodzakelijke veranderingen moest ondergaan om de instabiliteit van de Vierde Republiek te voorkomen. Het zou nog ruim tien jaar en een crisis in Algerije duren voordat de Fransen hem, via zijn favoriete staatsrechtelijke instrument het referendum, zouden terugroepen uit zijn geliefde woonplaats Colombey-les-Deux-Églises in het departement Haute-Marne, hem zijn Vijfde Republiek geven met aan het hoofd een machtige president die in veel opzichten een machtige monarch bleek zonder erfopvolging. 

Ruim 10 jaar zou De Gaulle de scepter zwaaien waarna studentenprotesten en algehele moeheid met zijn regering hem tot de beslissing zouden brengen om terug te treden en te rentenieren in Colombey-les-Deux-Églises. In die tien jaar heeft hij Frankrijk naar zijn inzichten gevormd en heeft hij gestreden voor het Franse belang op het wereld- en Europese toneel. Een missie die zonder meer geslaagd is aangezien Frankrijk, zonder daar eigenlijk recht op te hebben, na de Tweede Wereldoorlog nog steeds, zeker door de vertegenwoordiging in allerhande internationale en Europese instituties en haar bedrijfsleven, een wereldmacht is gebleven. Dat daar de afgelopen jaren, mede gezien de geopolitieke veranderingen die ook het Verenigd Koninkrijk niet onberoerd hebben gelaten, een kentering is gekomen, heeft in ieder geval niet aan hem gelegen. De man die koste wat kost van Frankrijk een nucleaire macht heeft gemaakt omdat deze 'Force de Frappe' in zijn ogen een ontbindende voorwaarde was voor de positie van wereldspeler. Een niet geringe erfenis lijkt me zo. Het is ook niet verwonderlijk dat De Gaulle nog altijd zo'n mythische betekenis kent in Frankrijk en, gelijk Thatcher, een soortnaam is geworden: gaullistisch. 

Wesseling is er in geslaagd om een dergelijke man op heldere wijze neer te schrijven. Bonus is ook dat Luns, als kwelgeest van De Gaulle ook nog even de revue passeert. Het boek leest vlot weg, hoewel zijn schrijfstijl soms wat onduidelijkheden achterlaat waardoor je sommige zinnen twee keer moet lezen om er achter te komen dat zijn mededelingen kloppen die op het eerste gezicht eigenlijk tegenstrijdig leken. Daarnaast is enige voorkennis van de Franse geschiedenis en staatkundige inrichting in het algemeen wel handig. Een aantal keren refereert Wesseling aan zaken die bekend verondersteld zijn, maar dat lang niet altijd zijn. De gemiddelde lezer zal, zonder enige referentie, toch niet begrijpen dat wanneer hij schrijft dat De Gaulle het Matignon heeft bewoond hij bedoelt dat De Gaulle premier is geweest. Immers Matignon is de officiële residentie van de Franse premier.  Ook de Dreyfus-affaire komt in het begin regelmatig terug en wordt gerelateerd aan de politiek in Frankrijk. Dan is het wel handig om precies van de hoed en de rand te weten van deze affaire. Dat ga ik, gelijk Wesseling, hier niet uit de doeken doen. Even googelen biedt uitkomst. Ikzelf kwam overigens ook niet verder dan de hoofdlijnen. Ook wordt er door Wesseling vaak gebruik gemaakt van Franse citaten zonder directe vertaling. Nu kunnen de meeste De Gaulle- en Frankrijkliefhebbers vast wel een beetje Frans, maar een vertaling (al was het maar achterin het boek) was zeker welkom geweest. Ten slotte vind ik het jammer dat veel onderdelen uit het leven van De Gaulle nogal 'matter-of-factly' worden gemeld, waardoor niet helemaal duidelijk is hoe zijn carrière nu is verlopen. Hij krijgt op een gegeven moment belangwekkende posities zoals staatssecretaris van Defensie maar uit het voorgaande wordt nu niet helemaal duidelijk waarom hij op deze wijze carrière maakt. 

Dit zijn echter kleine aanmerkingen bij een verder zeer aan te bevelen biografie van Charles de Gaulle. Wil je meer weten over deze 'Grootste Fransman aller tijden' dan is dit het perfecte startpunt. En het boek is omvattend genoeg om het daarbij te houden, of juist te investeren in een uitgebreidere biografie van deze tot de verbeelding sprekende Fransman. 

zondag 20 mei 2012

'Het Feest van de Bok' van Mario Vargas Llosa


Hoewel de stapel ongelezen boeken niet afneemt omdat er telkens weer nieuwe prachtige boeken uitkomen, betekent dit niet dat ik boeken niet herlees. Sterker nog, er zijn een aantal boeken die een dermate indruk op me hebben gemaakt dat bij het tegenkomen van deze boeken in mijn boekenkast ik altijd weer zin heb om ze te herlezen. Gevaar is natuurlijk dat een tweede lezing een boek doet tegenvallen. Maar een beetje goed boek moet juist sterker uit deze strijd komen. 'Het Feest van de Bok' van Mario Vargas Llosa is zo'n boek. Ruim tien jaar geleden las ik deze roman die speelt tegen de achter- en voorgrond van de wrede dictatuur van Rafael Leonidas Trujillo die van 1930 tot 1961 heerste in de Dominicaanse Republiek. Hoewel ik van veel gelezen boeken na een tijd amper nog iets weet, een van de aanleidingen voor deze blog, bleek bij het herlezen van 'Het Feest van de Bok' dat deze een grote indruk op me heeft gemaakt. En het herlezen heeft mijn waardering voor dit boek alleen maar groter gemaakt. 

Het knappe van deze roman is de wijze waarop het regime van Trujillo en het einde ervan vanuit drie gezichtspunten wordt verteld. Twee gezichtspunten spelen zich af tijdens en net voor de (geslaagde) moordaanslag op Trujillo in 1961, terwijl het derde gezichtspunt zich afspeelt in 1996 wanneer Urania Cabral, dochter van voormalig senator en loyale Trujillo-aanhanger Agustin 'Meesterbrein' Cabral, terugkeert naar Santo Domingo om oog in oog met haar verleden te komen. Om het regime in al haar facetten weer te geven en de karakters te verdiepen, vinden bij alle gezichtspunten 'flashbacks' plaats waardoor de Dominicaanse Republiek gaat leven. 

De Peruaan Vargas Llosa, nobelprijswinnaar in 2010 en sinds 1993 ook in het bezit van de Spaanse nationaliteit, is een meesterlijke verhalenverteller. Daarbij dus ook lof voor de vertaler Arie van der Wal. Je blijft lezen in 'Het Feest van de Bok' waardoor de ruim 400 pagina's voorbij vliegen. Opvallend daarbij is dat Vargas Llosa de drie gezichtspunten consequent op elkaar laat volgen. Eerst komt Urania aan de beurt dan gevolgd door 'het regime' (Trujillo) en tenslotte de mannen die samen de aanslag op Trujillo pleegden. Op een gegeven moment is Trujillo omgekomen bij de moordaanslag en lijkt het gezichtspunt van Trujillo te zijn vervallen, maar dan neemt het nieuwe hoofd van het regime het stokje over: de laatste (marionet)president Joaquin Balaguer die tot halverwege de jaren negentig de Dominicaanse politiek zou domineren, voor het grootste deel als verkozen president. 

Van de drie gezichtspunten zijn die van 'het regime' en Urania verreweg het meest interessant. Vanuit Trujillo wordt de wreedheid en megalomanie van het regime overduidelijk. Alles draaide om Trujillo wiens ondergeschikten iedere vorm van affectie van de 'Baas' afwogen in relatie tot hun concurrentie. Ieder misnoegen kon leiden tot het ontnemen van privileges of erger. Niet voor niets heette Santo Domingo in die tijd simpelweg Ciudad Trujillo. Een andere bijnaam voor Trujillo was overigens 'De Bok' (El Chivo), meteen de verklaring van de titel van dit boek. Urania Cabral die na 35 jaar terug is gekeerd naar Santo Domingo is het andere interessante gezichtspunt. Op 14-jarige leeftijd verliet zij de Dominicaanse Republiek om in de V.S. naar de nonnen te gaan en vervolgens te studeren en uiteindelijk te eindigen als succesvol advocaat. Ze keert echter terug om oog in oog te komen met haar vader die inmiddels een hersenbloeding heeft gehad en amper aanspreekbaar is. De man die altijd een pillaar was van Trujillo, maar uiteindelijk in ongenade viel. En juist om die ongenade ongedaan te maken zijn dochter offerde aan Trujillo. De invulling van dit offer, maar ook de reden voor zijn in ongenade vallen, laat ik hier onbesproken. Met die wetenschap blijft het een prachtig boek, maar het is natuurlijk beter om die onwetendheid vast te houden. Het derde gezichtspunt is overigens ook interessant, maar in mijn beleving iets minder interessant dan de andere twee gezichtspunten. Overigens komt juist in dat gezichtspunt de (fysieke) wreedheid van het regime duidelijk naar voren. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat het gezichtspunt van 'het regime' een inkijk geeft in de (politieke) geschiedenis van de Dominicaanse Republiek, iets wat mij als politicoloog en 'political junkie' altijd erg aanspreekt, terwijl het gezichtspunt van Urania juist de roman een roman maakt en geen politieke geschiedenis. Daarbij omvat de persoonlijke tragiek van Urania de perverse ware natuur van het Trujillo-regime en daardoor de bestaansgrond van dit boek. 

Na het herlezen van 'Het Feest van de Bok' weet ik twee dingen: dit boek behoort tot mijn favorieten en zal ik zeker nog vaker herlezen. 

zaterdag 19 mei 2012

Concert 18 mei 2012: De Maestro en Bruckner


Bruckner: Symfonie Nr. 5

Bernard Haitink, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Decennialang wordt Bernard Haitink gezien als een van de meest eminente dirigenten van de werken van Mahler en Bruckner. Een reputatie die met het verstrijken van de jaren alleen maar verdiept is. Aangezien Bruckner en Mahler, naast Beethoven (waar Haitink ook glorieert), de nucleus vormen van het repertoire van de meest toonaangevende orkesten ter wereld is dit natuurlijk een groot compliment. Niet per se voor Haitink. In de (zeer aan te raden!) documentaire van de publieke omroep over hem, 'Bernard Haitink. Een Dirigentenleven', praat hij met de nodige chagrijn over deze constatering. Kern van zijn chagrijn was het feit dat de aandacht zo uitgaat naar Mahler en Bruckner dat hij, in Nederland althans, schijnbaar nergens anders geschikt voor werd geacht. Vandaar dat Haitink in Nederland weinig opera dirigeerde. Nu is de documentaire opgenomen begin jaren negentig en sindsdien zijn de verrichtingen van Haitink op het gebied van opera, met name Wagner en Mozart, ook 'stuff of legend'. En hoewel Haitink in zoveel componisten uitblinkt, denk maar eens aan Debussy en Mozart, blijven concerten met het Koninklijk Concertgebouworkest onder Haitink met op de lessenaar een symfonie van Mahler of Bruckner evenementen om lang naar uit te kijken en nog langer van na te genieten.

En gisteren was dat gelukkig niet anders. Nu de zomermaanden met rasse schreden naderen begint het seizoen van de podiumkunsten stilaan te eindigen. Dit jaar had ik bij het KCO de serie 'De Grote Maestro's' die gisteren in stijl werd afgesloten: de Vijfde Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896) met op de bok Bernard Haitink. 

Nu ben ik (zeer) bekend met de symfonieën van Bruckner, maar juist de Vijfde had ik tot op heden weinig mee. Dat is sinds gisteravond wel anders. Deze symfonie, een van de weinige symfonieën van Bruckner waar door zijn legendarische zelftwijfel juist maar één versie van bestaat, is 'vintage' Bruckner en is de hommage aan 'De Liefhebbende God' van deze devote componist. De symfonie is een prachtig complex weefsel van grootse muzikale vergezichten, schertsende passages en prachtige apotheosen. Tegen het einde van het laatste deel, dat hetzelfde begin kent als het eerste deel, komen de twee hoofdthema's uit dat deel, een koraal en een fuga, prachtig samen waarna het hoofdthema uit het eerste deel er prachtig doorheen klinkt. Om zulke muziek te kunnen componeren moet je beschikken over een groots talent. En om deze apotheose zo uit te voeren, moet een dirigent als Haitink het werk van deze Romantische Oostenrijker tot in de haarvaten kennen en voelen. 

Want, het zou ook bijna ongekend zijn als het niet zo was, wat was het een fantastische uitvoering. In de handen van Haitink en zijn trouwe kompanen van het KCO klonk de symfonie gloedvol en magistraal, maar vooral ook energiek. Ondanks zijn leeftijd van 83 stond er een nog altijd fitte en energieke Haitink wiens benen wat meer lijken tegen te werken (de Concertgebouwtrap is een afgesloten hoofdstuk) maar uit wiens armbewegingen kracht en overtuiging spreekt. Kracht en overtuiging die één op  één werd overgebracht op het orkest. Een orkest dat altijd prachtig speelt met dat kenmerkende KCO-geluid. Enige smet was de allereerste inzet van het koper dat niet helemaal lekker ging, waarschijnlijk omdat de instrumenten nog niet helemaal op temperatuur waren. 

Lezers van mijn blog weten dat mijn bewondering voor Haitink, mijn favoriet dirigent, bijna grenzeloos is, maar ik sta niet alleen in die bewondering. Recensenten, orkest en publiek delen die. Gisteravond was wederom een diep gevoeld gevoel van respect en bewondering van orkest en publiek te bemerken. Een ieder beseft dat Nederland bevoorrecht is met een dergelijke dirigent voor zo'n groots orkest in zo'n prachtige concertzaal. Laten we hopen dat Haitink nog lang op de bok zal blijven dirigeren en dan het liefst bij het KCO in het Concertgebouw. Voor volgend jaar heb ik me wederom inschreven voor de serie 'De Grote Maestro's' (toekenning moet nog volgen) alleen al vanwege een concert uit die serie: Bruckner's Achtste door Bernard Haitink. Daarna kan mijn (muzikale) graf in orde gemaakt worden! 

zaterdag 12 mei 2012

Concert 11 mei 2012: Een gloedvolle Brahms 'double whammy' met een soupçon Bach


Brahms: Concert voor viool, cello en orkest, op. 102 'Dubbelconcert'
Webern: Ricercata a 6, uit Musikalisches Opfer BWV 1079 van J.S. Bach, bewerkt voor orkest
Brahms: Symfonie Nr. 1

Lisa Batiashvili, viool
Truls Mørk, cello

Yannick Nézet-Séguin, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

De lange weg van Johannes Brahms naar zijn eerste symfonie is ingegeven door zijn grote eerbied voor de symfonieën van Ludwig van Beethoven. Pas op zijn 44e en na aansporingen van Clara Schumann zag zijn eerste symfonie het licht. Een symfonie die zonder moeite de schaduw van Beethoven kon overwinnen en leidde tot het mooiste compliment dat Brahms kon krijgen toen dirigent Hans von Bülow de symfonie 'Beethovens Tiende' noemde. Nog drie prachtige symfonieën zouden volgen. En wellicht nog veel meer wanneer Brahms zich eerder aan de schaduw van de grote Ludwig had ontworsteld. Bij het aan het werk zien van de altijd energieke Yannick Nézet-Séguin bekroop me de gedachte of hij bij het aannemen van het chef-dirigentschap in juni 2008 als opvolger van de onnavolgbare Valery Gergiev zich misschien ook zo heeft gevoeld als Brahms: hoe je eigen stem te vinden in de schaduw van een titaan.

Hoe hij dat gedaan weet ik niet, maar dat hij het gedaan heeft is overduidelijk. Dit is niet de eerste keer dat ik Yannick (in verband met zijn weinig handige achternaam is hij op 'first name basis' met iedereen) 'live' op de bok zie en nimmer raakte ik teleurgesteld. Gisteravond was het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Yannick echter onnavolgbaar aan het schitteren in een programma, onder de ietwat truttige titel van Dossier Johannes Brahms, bijna volledig gewijd aan Johannes Brahms (1833-1897). In alle werken werd de warme en wederzijds bewonderende connectie tussen chef-dirigent en orkest duidelijk. Niet in de laatst plaats in het laatste deel van de de Eerste Symfonie van Brahms waar het enig smetje de eerste dwarsfluit was die, door een niet-functionerende klep op zijn instrument, even de mist in ging. Ondanks dat duidelijk was dat er iets instrument aan mankeerde, sloeg deze zich er fier door heen. Bij het grootse applaus aan het einde werd hij liefdevol door Yannick in het zonnetje gezet. Dat zegt wel iets over de relatie tussen orkest en chef-dirigent. En die warmte was in alles te horen.

Nu is Brahms een niet te onderschatten componist in het muzikale universum en zijn veel van zijn werken favoriet waaronder het prachtige, doch complexe, 'Dubbelconcert'. In een uitgebreid eerste deel, het Allegro, laat Brahms een prachtige 'call and response' horen tussen enerzijds het orkest in volle bezetting en anderzijds een gedeelde solo van viool en cello die, in de goede uitvoering, elkaar naadloos aanvullen. Het concert wordt afgemaakt in twee kleinere delen waar al het goede van het eerste deel nog eens dunnetjes wordt overgedaan. De uitvoering in Rotterdam met de werkelijk uitstekende solisten Batiashvili en Mørk en perfecte begeleiding door het orkest was meer dan voorbeeldig. Van klankkleur tot tempo en balans: alles klopte in deze uitvoering. Een terecht lang applaus volgde al voor de pauze. Dit keer leidde dat eens een keer niet tot een toegift van de solist. Mijn vermoeden is overigens dat dit vooral praktisch van aard was: hoe doe je een toegift met een viool en een cello?

Na de pauze klonk eerst een vreemde eend in de bijt: de bewerking voor orkest door Anton Webern (1883-1945) van Ricercata a 6 uit Musikalisches Opfer BWV 1079 van J.S. Bach. Dit stuk voor de klavecimbel werd door Webern bewerkt voor een volledig orkest wat bijna zorgt voor een nieuw werk. Hoewel ik het stuk tot die avond nog niet kende, was ik meteen 'hooked'. En de rest van het publiek ook. De Doelen wordt nogal vaak ontsierd door gehoest, de reden dat tegenwoordig voorafgaand aan het concert nadrukkelijk wordt gevraagd om hoesten tot een minimum te beperken, en bij de start van de cellosolo in het Dubbelconcert was het al raak, bij de Ricercata bleef het echter muisstil. Daarbij zorgde Yannick voor een noviteit door aan het slot van de Ricercata het orkest meteen naadloos over te laten gaan in het dreigende 'un poco sosternuto-allegro' van Brahms' Eerste Symfonie. Hoewel de muziek volstrekt anders is, was deze overgang feilloos. Het zorgde er ook meteen voor dat de opening van deze symfonie zeer natuurlijk de zaal in golfde. Wat volgde was, op de kleine 'hick-up' met de dwarsfluit na, een spannende, bij tijd en wijle dreigende, maar altijd gloedvolle vertolking van deze symfonie. Opvallend blijft daarbij het hoge peil van het Rotterdams Philharmonisch en dan niet in de laatste plaats de geweldige houtblazers, met name de eerste hobo, en de hoorns. Het partnerschap tussen Yannick en de Rotterdammers is een groot succesnummer. De afgelopen week oogden ze overigens al veel lof met hun begeleiding van Verdi's Don Carlo voor De Nederlandse Opera. Ook hierop volgde een stormachtig applaus dat nog enthousiaster was dan voor de pauze. En het was niet meer dan terecht. De combinatie Yannick en het Rotterdams Philharmonisch Orkest is weergaloos. 

woensdag 9 mei 2012

'Skippy Dies' van Paul Murray


'Skippy Dies' van Paul Murray kan bogen op een veelvoud aan positieve recensies, maar vooral ook een erg positieve mond-tot-mondreclame. Daarbij wordt vooral hoog opgegeven van het komische gehalte van het boek. Nu is het onderwerp, de belevenissen van scholieren op een (elite)kostschool in Dublin, niet meteen mijn 'cup of tea', maar toch kocht ik het boek recent. De afgelopen week, tijdens mijn vakantie in Moskou en Sint-Petersburg, heb ik de ruim 600 pagina's met veel plezier gelezen, hoewel het echt komische me toch wel een beetje ontgaan is. 'Skippy Dies' is vooral een erg goed geschreven en onderhoudend boek met een sinistere ondertoon die overigens wel een dikke 100 tot 200 pagina's korter had gekund.

Het boek begint met met de titel: Daniel "Skippy" Juster, een scholier van het Seabrook College in Dublin sterft tijdens een wedstrijd donuts eten met zijn beste vriend, de corpulente whizzkid en slimste jongen van de school, Ruprecht Van Doren. Het vreemde is echter dat Skippy geen enkele donut heeft gegeten, maar wel ter plekke sterft maar niet voordat hij met donutjam de woorden 'Tell Lori..' op de vloer van de donutwinkel heeft geschreven. Na deze inleiding gaan we terug in de tijd naar de gebeurtenissen voor deze fatale donutwedstrijd en ontvouwt zich, in alle facetten, de wereld van het Seabrook College waar de vriendengroep van Skippy en Ruprecht en de docenten, waaronder met name de geschiedenisleraar 'Howard the Coward' (zelf alumnus van Seabrook) en 'Acting Principal' Greg Costigan, de hoofdrol spelen. In de bijrollen de 'love interest' van Skippy, de eigenlijk voor hem onbereikbare Lori, en de maniakele 'bully' van de school Carl.

Het gekke aan het boek is dat ik door de recensies en dergelijke er van overtuigd was een zeer komisch boek te zullen lezen. En hoewel het boek zeer onderhoudend is, makkelijk wegleest, is komisch nu niet meteen het eerste wat in me op komt om het boek te beschrijven. Maar dat weerhoudt me niet om het boek aan te bevelen. Het boek geeft een mooie inkijk in het wel en wee van een kostschool van het type dat we in Nederland niet kennen. Daarbij is het vooral een boek over de levens, liefdes, belevenissen en fantasieën van leerlingen en docenten in deze tijd. Levens die lang niet altijd rooskleurig verlopen en de gebeurtenissen ook vaak met elkaar samenhangen.

Dit klinkt natuurlijk allemaal wat vaag, maar wanneer ik het plot (en de diverse subplots) hier uit de doeken ga doen, dan ontneem ik nieuwe lezers van het boek toch een groot deel van het leesplezier. Opvallend daarbij is ook dat proloog al veel eerder in het boek wordt verklaard dan je zou denken. Enig minpunt van het boek vind ik wel dat het wat korter had gekund. Ruim 600 pagina's voor een dergelijk boek, hoe goed ook, is teveel van het goede. 'In der Beschränkung zeigt sich der Meister' zei Goethe al terecht. En dat geldt dus ook voor dit boek. Maar het is een overzichtelijk minpunt en wat mij betreft geen reden om dit boek niet aan te bevelen!

maandag 7 mei 2012

'De Prooi. Blinde trots breekt ABN Amro' van Jeroen Smit


'De Prooi' van Jeroen Smit behoeft eigenlijk geen enkele introductie. Zonder twijfel is dit, met meer dan 250.000 verkochte exemplaren, een van de meest succesvolle en best verkochte Nederlandstalige non-fictie boeken van de afgelopen jaren. Een succes dat het voorgaande, eveneens succesvolle, boek van Smit 'Het Drama Ahold' volop heeft overtroffen. Niet lang na de publicatie van 'De Prooi' werd Smit een 'household name' en ging hij (kortstondig) Buitenhof presenteren en is hij inmiddels een veelgevraagd spreker en dagvoorzitter. De vraag is natuurlijk altijd of het boek de hype nu echt waarmaakt. Inmiddels is van het boek ook een toneelbewerking verschenen. Een toneelbewerking die ik nog niet zo lang geleden in de Koninklijke Schouwburg zag en eveneens voorzag van een recensie (die tref je hier) en waar ik zeer enthousiast over was. Zo enthousiast dat ik niet veel later het boek er weer bij pakte om deze, het was inmiddels een aantal jaren geleden dat ik het boek voor het eerst las (2008), te herlezen. Deze recensie is dus in twee opzichten een doublure: een recensie van een boek dat ik al eens las en van een boek waar ik niet zo lang geleden de toneelrecensie schreef. Ik ga dus niet al te veel in op 'het verhaal' van het boek. Daarvoor verwijs ik, in al mijn luiheid, maar ook met de zielenrust van de lezers van mijn blog, naar de recensie van het toneelstuk.

Wat ik echter wel kwijt moet, is dat ik ook bij het herlezen van dit boek wederom werd gegrepen door de schrijfstijl van Smit. Hoewel het non fictie betreft, leest het boek als een financiële thriller waarbij je telkens geneigd bent om in een verloren uurtje toch weer even verder te lezen in dit boek over de voormalige financiële trots van Nederland: ABN Amro. De grootste bank van Nederland, een van de grootste banken van Europa en zelfs de wereld die, vlak voor het definitief doorzetten van de financiële crisis, roemloos ten onder ging door toedoen van het overnametrio van Royal Bank of Scotland (RBS), Fortis ('de witte sokken-brigade' volgens de ABN-Amro-ers) en Santander. Een overwinning die uiteindelijk RBS en Fortis de zelfstandigheid zou kosten en in de handen zou drijven van de eigen staat, respectievelijk het Verenigd Koninkrijk en, tot grote ergernis van de Belgen, Nederland. Uiteindelijk zou ABN-Amro dan toch gedeeltelijk uit haar as herrijzen als genationaliseerde Nederlandse bank onder leiding van Gerrit Zalm met Fortis als onderliggende partij. 

Wie het boek leest kan echter weinig medelijden hebben met ABN-Amro. De ondertitel, 'Blinde trots breekt ABN-Amro', is zeer treffend. Overigens had het boek ook bijna een biografie van Rijkman Groenink, de laatste topman van ABN-Amro, kunnen zijn zo dominant is hij in de bijna 450 pagina's aanwezig. Smit heeft, door met veel mensen te spreken en de gedaante aan te nemen van de alwetende verteller een boek geschreven die in de traditie lijkt te staan van de Amerikaanse journalist Bob Woodward die zijn wereldfaam heeft te danken aan het onthullen van de Watergate-affaire ('Deep Throat'). Al jaren publiceert Woodward boeken over het Amerikaanse presidentschap waarbij zijn ongeëvenaarde toegang tot de cirkel rondom opeenvolgende presidenten (Bush sr., Clinton, Bush jr., Obama) leidt tot non fictie-boeken met de teneur van een spannende doch doeltreffende roman. Hoewel zijn technieken recent, met name inzake Watergate, openlijk zijn betwijfeld door een van zijn protegés, zal Smit een vergelijking met Woodward zeker als compliment opvatten. 

Wanneer je de toneelversie van 'De Prooi' hebt gezien, je enige interesse hebt in een opzienbarend onderdeel van de vaderlandse (bedrijfs)geschiedenis of gefascineerd bent door deze on-Nederlands grote bank, rechtsopvolger van de Nederlandse Handel-Maatschappij (opgericht door Koning Willem I) dan kun je niet om dit boek heen. En grote kans dat je het boek nog eens een tweede keer leest.

zaterdag 5 mei 2012

Concert 4 mei 2012: Gergiev in Sint-Petersburg


Stravinsky: Mis voor gemengd koor en dubbel blaaskwintet
Shostakovich: Symfonie Nr. 7

Anastasia Kalagina, sopraan
Yekaterina Sergeyeva, mezzosopraan
Dmitry Voropaev, tenor
Andrei Ilyushnikov, tenor
Vladimir Feliauer, bas

Valery Gergiev,
Mariinsky Theatre Chorus and Symphony Orchestra
Mariinsky Concert Hall, Sint-Petersburg

Dit concert, en de aanloop ernaartoe, bevatte alle ingrediënten die samen het onstuimige leven van de Russische dirigent Valery Gergiev vormen. Op 16 maart jl. zag ik Gergjev, voor de tweede keer in mijn leven, live (zie voor recensie hier). Toen bij het Koninklijk Concertgebouworkest waar 16 jaar eerder de laatste keer was dat Gergiev bij het KCO op de bok stond. De reden hiervoor was juist dat onstuimige leven. Zijn drukke en jachtige bestaan en daarmee onberekenbaarheid leidt veel orkesten tot wanhoop en zorgt ervoor dat een concert geweldig uitpakt of een afgang betekent. Dat concert pakte geweldig uit en zorgde voor mij, en alle andere bezoekers van het Concertgebouw, voor een prachtige avond.

De afgelopen week, en terwijl ik deze blog schrijf, ben ik in Moskou en Sint-Petersburg voor een uitgebreide stedentrip. De begindagen bracht ik door in Moskou, maar sinds zondagavond bevind ik me in de hoofdstad van het voormalige Russische Keizerrijk. Uiteraard is de Hermitage, gezien de enorme rijke en uitgebreide collectie, meerdere malen bezocht en is ook 'Het Zwanenmeer' van Tchaikovsky, uitgevoerd in het theater van de Hermitage, niet aan mij voorbij gegaan (hiervan overigens geen recensie). Echter is Sint-Petersburg ook de stad van, de oorspronkelijk in Moskou geboren, Valery Gergiev. In deze stad bestiert hij al jaren het Mariinsky Theater en de gelijknamige concertzaal waar zijn Mariinsky orkest en koor optreden. En ook deze week stond een concert van het Mariinsky Orkest onder Gergjev op het programma en waren er nog een aantal kaarten te koop.

Gisteravond zat ik dus in de redelijk nieuwe concertzaal van het Mariisnky dat wordt gebruikt voor reguliere concerten. Het oude en traditionele Mariinsky Theater is de locatie voor ballet en opera. Typisch Nederlands als ik ben, was ik natuurlijk (ruim) op tijd en ging er vanuit dat het concert zou starten op de aangegeven tijd van 20.00 uur. Om 19.30 uur liep ik de zaal alvast in om te kijken hoe deze eruit zou zien. Ik liep echter midden in een repetitie van Gergiev. Hij was bezig met het oefenen van de Mis voor gemengd koor en dubbel blaaskwintet van Igor Stravinsky (1882-1971). Nadat dit achter de rug was, Gergiev was vertrokken en de klok al rustig richting 20.00 uur aan het gaan was, kwam het hele orkest, in gewone kleding, op het podium gevolgd door wederom Gergiev. Wat volgde was nog een repetitie, maar ditmaal van het tweede stuk van de avond: de Zevende Symfonie van Dmitri Shostakovich (1906-1975). Dit duurde tot ongeveer 20.15 uur waarna iedereen verdween, de gong ging om het publiek binnen te laten, waarna een dikke tien minuten later het koor, de solisten, het dubbel blaaskwintet en Gergiev op kwamen om de Mis van Stravinsky in te zetten. Geen Rus die dit vreemd vond en ik kwam zelf al snel tot de conclusie dat het niet de bedoeling is de zaal te betreden wanneer de gong nog niet is gegaan. Een gelukkige fout dus!

Een concert dat te laat begint door een te late Gergiev schijnt vaker te gebeuren. En misschien is het wel een Russisch fenomeen. Bij 'Het Zwanenmeer' zat ik naast twee Britse oudere vrouwen, de vrouwelijke versies van Statler & Waldorf van The Muppets, die toen het stuk iets later leek te gaan beginnen al verzuchtten 'Doesn't anything in this country start on time?'. In Nederland, maar in vele andere landen ook, zou dit niet kunnen, maar aangezien ik zo een repetitie kon bijwonen van zo'n topdirigent hoor je mij er niet over.

Voor de pauze werd echter wel duidelijk dat aan de Mis van Stravinsky te weinig aandacht was besteed. Hoewel het koor en de solisten uitstekend waren, liet het kwintet, en dan met name de trompetten, zeer te wensen over. Ongelijke aanzet, onzuiver en ongelijk spel. Nu is Stravinsky atonaler dan menig componist, maar de uitvoering van gisteren was vast niet zoals het bedoeld was. Eigenlijk was het een weinig inspirerende vertolking die een professioneel orkest onwaardig was.

Met enige angst en beven betrad ik daarna de zaal weer voor het programma na de pauze: de Zevende Symfonie van Shostakovich. Een werk dat bijna geen gepastere omgeving kan kennen dan deze. De symfonie is geschreven door Shostakovich in de eerste maanden na de inval van Nazi-Duitsland in Rusland ('The Great Patriotic War') en daarmee het verbreken van het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin. Shostakovich startte met componeren in Leningrad (het voormalige Petrograd/Sint-Petersburg), maar moest vanwege de Slag om Leningrad de stad verlaten en zou de symfonie afronden in Kuibyshev en deze opdragen aan Leningrad en haar burgers. Het begeleidende programmaboekje van het concert was kraakhelder: 'Shostakovich's Seventh Symphony is majestic music about mankind's resistance to violence and tyranny, to a machine of evil and destruction'. Om een dergelijk werk te horen in de stad waaraan deze is opgedragen, enkele dagen voor het vieren van de Russische overwinning op Nazi-Duitsland (9 mei) en op de dag van onze Dodenherdenking maakte de uitvoering bij voorbaat bijzonder. En dan ook nog eens uitgevoerd door het Mariisnky Orkest van Sint-Petersburg onder leiding van een van haar meest illustere inwoners.

De uitvoering na de pauze was volstrekt tegengesteld aan de uitvoering voor de pauze. Wat volgde was een volstrekt intense, zinderende en overtuigende interpretatie van dit muzikale testament gewijd aan Leningrad en haar inwoners en hun strijd tegen de Duitsers en een eerbetoon aan de grote verliezen die daarbij te betreuren zijn. Het orkest klonk fabelachtig goed. Daar waar de blazers voor de pauze teleurstelden, overtuigden ze nu volop. De wisselwerking binnen het orkest en tussen dirigent en orkest zorgde voor een genadeloze spanning in de symfonie zoals Shostakovich deze bedoeld heeft. Het orkest volgde daarbij iedere beweging van Gergiev, hoe miniem ook. Meteen werd duidelijk dat dit orkest en deze dirigent een diepe en langdurige band met elkaar hebben en dat wanneer je Russisch werk wil hebben uitgevoerd zoals de componist het bedoeld heeft, je niet om de muzikale krachten van Sint-Petersburg heen kunt. Niet voor niets was het publiek vrijwel het gehele concert muisstil en in opperste concentratie om na het wegsterven van de laatste noot uit te barsten in een zeer gemeende en ritmische staande ovatie.