zaterdag 27 februari 2016

Concert 27 februari 2016: De Maestro en Bruckner


Bruckner: Te Deum
Bruckner: Symfonie Nr. 9

Sally Matthews - sopraan
Karen Cargill - mezzosopraan
Mark Padmore - tenor
Gerd Grochowski - bas

Groot Omroepkoor
Bernard Haitink, Radio Filharmonisch Orkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Bernard Haitink keert terug waar het allemaal begon: het Radio Filharmonisch Orkest. Hij laat het orkest en het Groot Omroepkaar schitteren in Bruckner's hymne voor God en zorgt voor een weergaloze spanningsopbouw in de onvoltooide Negende symfonie prachtig als ode aan het muzikale genie van Anton Bruckner. 

Bernard Haitink wordt volgende week 87 jaar oud en daar waar andere leeftijdsgenoten al twee decennia zouden genieten van een - al dan niet welverdiend - pensioen struint hij als wereldvermaard gastdirigent 's werelds beste orkesten af. En het einde is - althans wat betreft Haitink zelf - nog niet in zicht. Want afgelopen week verscheen het nieuwe seizoensprogramma van het Koninklijk Concertgebouworkest waarin Haitink genoteerd staat voor een concertreeks met de Zevende Symfonie van Bruckner in februari 2017. Het resultaat van de wiedergutmachung tussen het orkest en haar eredirigent. Maar nadat Haitink enkele maanden geleden al het Concertgebouw deed oplichten met een volledig Schumann-programma met het Chamber Orchestra of Europa was het nu de beurt aan het Radio Filharmonisch Orkest (RFO). Een bijzondere samenwerking aangezien Haitink niet alleen beschermheer is van het RFO, maar zijn carrière begon bij dit orkest. Want toen in 1955 Paul van Kempen, de toenmalige chef-dirigent van het RFO, overleed was het Haitink die de geplande concerten overnam en per 1 januari 1957 aantrad als de nieuwe chef-dirigent. De relatie tussen het orkest en Haitink is dus bijzonder diep en dat was te merken toen de oude maestro het podium betrad. De warmte van het orkest voor haar beschermheer en voormalige chef-dirigent was overduidelijk en oprecht. En Haitink en het RFO hadden een bijzonder programma in petto met zowel het Te Deum als de Negende Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896). Een treffende combinatie omdat de Negende bij het overlijden van Bruckner onvoltooid zou blijven, maar de componist zelf de mogelijkheid aan Beethoven uitsprak om juist het Te Deum te benutten als finale voor deze Symfonie. Een mogelijkheid die Haitink resoluut afwijst en daarom het Te Deum programmeert voorafgaand aan de Negende Symfonie en een pauze de rest van de scheiding tussen deze twee werken bewerkstelligt. Het moge duidelijk zijn dat Haitink al helemaal geen brood ziet in de recente pogingen zoals van Simon Rattle om een voltooide versie van de symfonie te spelen op grond van het vervolmaken van Bruckner's ruwe schetsen voor de finale. 

Hymne voor God
En eigenlijk heeft Haitink ook wel gelijk. Want Bruckner's hymne voor God is ruim 10 jaar eerder dan de Negende Symfonie gecomponeerd en daarmee een op zichzelf staand werk. Een werk dat overigens zelden wordt uitgevoerd, mede gezien de bezetting die bestaat uit koor, orkest, een viertal solisten én een orgel voor een werk dat nog geen vijfentwintig minuten duurt. Maar gelukkig heeft dat het RFO niet weerhouden om de kwaliteiten van het immer voortreffelijke Groot Omroepkoor in te zetten. Daarnaast was een all star cast aan solisten opgetrommeld die met liefde de overtocht naar het Concertgebouw maakten om samen met Haitink Bruckner's goddelijke ode te brengen. Want met solisten Sally Matthews, Karen Cargill, Mark Padmore en Gerd Grochowski werd het een bijzonder Te Deum waarbij met name de prachtige stem van Bach-specialist Mark Padmore opviel. Met kracht en precisie zweepte Haitink orkest en koor op om het bij vlagen bombastische Te Deum fantastisch ten gehore te brengen. Vanaf het meeslepende begin stonden alle seinen meteen op groen. 

Spanningsopbouw
Het hoogtepunt van het concert lag echter na de pauze met Bruckner's Onvoltooide. Hoewel slechts een romp van drie delen is het al sinds jaar en dag (succesvol) gebruik om deze als volledige symfonie te spelen. En hoewel na het prachtige Adagio zeker nog ruimte is voor een finale spreekt er ook een bepaalde berusting uit die wellicht het meest toepasselijke slotakkoord vormt voor het muzikale leven van Anton Bruckner. De combinatie van Haitink en Bruckner is immer bijzonder, maar voor ondergetekende des te meer omdat het allereerste concert onder leiding van Haitink dat ik bezocht - ergens in 2002 of 2003 - ook de Negende Symfonie op het programma stond, toen gecombineerd met een pianoconcert van Mozart. Sindsdien zijn de symfonieën van Bruckner een belangrijk onderdeel van mijn muzikaal leven en grijp ik iedere mogelijkheid aan om een live-uitvoering bij te wonen. De combinatie van Bruckner en Haitink is sowieso onweerstaanbaar, maar ook vanwege de constatering dat gezien de gevorderde leeftijd van Haitink het natuurlijk altijd de vraag hoeveel concerten onder zijn leiding nog zullen volgen. Wie echter Haitink tijdens deze NTR Zaterdagmatinee bezig zag, kan alleen maar constateren dat zijn dirigeren geen tekenen van ouderdom vertoont. Het RFO werd door Haitink geïnspireerd om tot een weergaloze uitvoering van Bruckner's slotakkoord die zich kenmerkte door een brede en doorleefde uitvoering met een uitgekiende spanningsopbouw. Voor Haitink dus geen race tegen de klok, maar dus ook geen oeverloos dralen zoals de beruchte Celibidache. Bij het klokken van deze uitvoering zal zeker één van de langzamere edities geconstateerd worden, maar gelijk de legendarische opname door Carlo Maria Giulini haalt de geraffineerde opbouw van de spanning ieder gevoel van traagheid weg totdat simpelweg doorvoeld wordt dat dit het enige juiste tempo is en daarmee volledig recht doet aan de muziek van Bruckner. Een muziek die in al zijn complexiteit en oprechtheid nog altijd musici en publiek tot een groots genieten beweegt. Zeker wanneer de gids voor deze muzikale reeks de erkend Bruckner-expert Haitink is. De bijval van publiek én musici was daarom groot want alle aanwezigen wisten dat zij getuige waren geweest van iets bijzonder moois.  

 Oordeel FerdiBlog: ***** 

Bernard Haitink trad op 27 februari eenmalig aan bij het Radio Filharmonisch Orkest in het kader van de NTR Zaterdagmatinee. Het concert terugluisteren kan hier

Concert 26 februari 2016: Yannick's krachtige en liefdevolle Bruckner


Mantovani: Love Songs voor fluit en orkest
Bruckner: Symfonie Nr. 8

Juliette Hurel (fluit)
Yannick Nézet-Séguin, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Yannick en het Rotterdams Philharmonisch Orkest overrompelen met een krachtige én liefdevolle uitvoering van Bruckner's monumentale Achtste Symfonie. En of dat niet genoeg is, leveren ze - voorgegaan door fluitist Juliette Hurel - de wereldpremière af van Love Songs voor fluit en orkest van Bruno Mantovani. 

De Achtste Symfonie van Anton Bruckner (1824-1896) is voor dirigenten in veel opzichten de Heilige Graal van de klassieke muziek. Deze laatste door Bruckner afgeronde symfonie volgde op de Zevende Symfonie die - in tegenstelling tot zijn voorgaande symfonieën - voor het eerst eensluidend enthousiast werd ontvangen. Het inspireerde Bruckner om in de Achtste Symfonie zijn eigen weg te gaan om vervolgens - wederom onbegrepen door publiek en critici - grote delen van zijn laatste jaren te geven aan het herschrijven ervan. Het is daarom niet vreemd om te stellen dat juist de omgang met deze kritiek Bruckner belette om zijn Negende Symfonie af te ronden zodat deze slechts bestaat uit een romp van drie delen. Een romp die een omvang heeft die alleen wordt overtroffen door de Achtste Symfonie. Juist de grootte van de symfonie zowel qua orkestbezetting als duur - afhankelijk van het gekozen tempo variërend van ongeveer tachtig tot honderd minuten - is een uitdaging waar zelfs de meest ervaren dirigent even van terugdeinst. Niet in de laatste plaats omdat de Achtste Symfonie bij uitstek het pantheon van de meest eminenten dirigenten vormt. Want wanneer je ervoor kiest om deze symfonie op de lessenaar te zetten, bevindt je in het eerbiedwaardige gezelschap van Bruckner-vertolkers als Bernard Haitink, Carlo Maria Giulini, Herbert von Karajan, Günter Wand en Wilhelm Fürtwängler. Yannick Nézet-Séguin declameert zijn liefde voor Bruckner al sinds hij startte bij het Orchestre Métropolitain van Montréal en heeft met datzelfde orkest al het grootste deel van de symfonieën van Bruckner opgenomen. De monumentale Achtste Symfonie werd in 2013 aan cd toevertrouwd. Toch is een symfonie van Bruckner een reis van ontwikkeling die nooit helemaal stopt gelet op hoe topdirigenten zoals Karajan en Haitink telkens weer andere interpretaties van het werk ten gehore brachten. In het geval van Haitink nog steeds brengen, want  de eerbiedwaardige Haitink leidt het Radio Filharmonisch Orkest voor de Zaterdagmatinee van 27 februari in het Te Deum en de Negende Symfonie van Bruckner. Aan Yannick dus de uitdaging om in de schaduw van zoveel grootsheid de Achtste van Bruckner te brengen.

Kracht en emotie hand in hand
Hoewel Yannick's opnames en uitvoeringen van Bruckner niet altijd vol lof zijn ontvangen, maakt deze uitvoering van de Achtste Symfonie zonneklaar dat zijn verbintenis met Brucker lang en diep is. Want wie ervoor kiest om deze symfonie zonder partituur te dirigeren getuigt van overmoed of een diepe connectie met de muziek waardoor de bladmuziek slechts een hindernis vormt voor de uitvoering ervan. De Achtste Symfonie is zowel voor dirigent als publiek een weerbarstig stuk waarbij hoe vaker je de symfonie ondergaat, hoe beter je deze begrijpt. Het is daarom niet verwonderlijk dat één van de bezoekers aan deze reeks concerten op Twitter zich (vertwijfeld?) afvroeg wat het toch met Bruckner's Achtste is, eerst vrees je dat de muziek stopt, daarna ben je bang dat die nooit meer ophoudt. Daarbij is het voor dirigenten ook nog eens verleidelijk om alleen het bombastische van de symfonie te onderstrepen - met name het laatste spectaculaire deel leent zich hiervoor - en het liefdevolle karakter te veronachtzamen. Niet verwonderlijk aangezien Bruckner deze symfonie opdroeg aan Frans Jozef, maar in werkelijkheid - zoals al zijn werk - natuurlijk ten dienste stelt van dem lieben Gott. In de verbinding tussen de kracht en het liefdevolle karakter ligt de kern van de fenomenale uitvoering door Yannick en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Het oneindige Adagio ontroerde daarom oprecht, maar juist ook wanneer Bruckner zich het meest krachtig toont, wist Yannick de balans te vinden zodat de uitvoering immer ten dienste van het werk stond. Dit alles ondersteund door de werkelijk fantastische Rotterdamse koper- en houtblazers. De inzet van maar liefst acht hoorns - onder leiding van de nieuwe aanvoerder David Fernandez Alonso - was daarbij een heerlijk hoogtepunt. Een inzet die overigens flexibel was aangezien de helft van de sectie ook dienst deed als Wagner-tuba. Een gedenkwaardige uitvoering door een dirigent die zelfbewust en niet zonder reden zijn toetreden tot het pantheon van de grote Bruckner-dirigenten aankondigt. 

De liefde voor de fluit
De magistrale uitvoering van Bruckner deed bijna vergeten dat het orkest voor de pauze ook nog even voorzag in een wereldpremière van het werk Love Songs voor fluit en orkest. Voor dit werk liet de Franse componist Bruno Mantovani (1974) zich inspireren door RPhO-fluitist Juliette Hurel die de (niet makkelijke) solopartij ten gehore bracht. Deze compositie zal - gelijk de werken van Bruckner in zijn tijd - zeker nog wat gewenning vragen. Want dit werk dat in een aantal opzichten doet denken aan Olivier Messiaen is een kakofonie van orkest en fluit waarbij die laatste zich bedient van razende loopjes in de hoogste regionen waardoor Hurel een aantal nieuwe noten aan haar bereik heeft moeten toevoegen. Of Love Songs vaker uitgevoerd gaat worden is de vraag, maar het zegt veel over de kwaliteit en durf van het Rotterdams Philharmonisch Orkest om het werk op de lessenaar te nemen in combinatie met de Achtste van Bruckner. Gezien het grote enthousiasme van het publiek zowel voor als na de pauze en het feit dat het - in tegenstelling tot gebruikelijk - het muisstil was, geeft aan dat Yannick en zijn orkest in hun missie geslaagd zijn. 

Oordeel FerdiBlog: *****

Op 25, 26 en 27 februari 2016 staat de Achtste Symfonie van Bruckner centraal bij het Rotterdams Philhamornisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin. Op 25 februari als onderdeel van de serie 'Core Classics' en op 26 februari en 27 februari als regulier programma samen met 'Love Songs voor fluit en orkest' van Bruno Mantovani in respectievelijk De Doelen te Rotterdam en het Concertgebouw in Brugge. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 26 februari. 

zondag 21 februari 2016

Ballet 21 februari 2016: Mata Hari, een leven in dans


Het Nationale Ballet
Mata Hari

Anna Tsygankova, Mata Hari 
Casey Herd, Rudolph MacLeod
Jozef Varga, Generaal Kiepert
Arthur Shesterikov, Vadime de Masloff

Tarik O'Regan (componist), Ted Brandsen (choreografie)
Matthew Rowe, Het Balletorkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Het mondaine leven vol intrige van de oerhollandse Margaretha Geertruida Zelle vormt de inspiratie voor een originele productie van het Nationale Ballet. Met Mata Hari komt de geschiedenis van de danseres en spionne succesvol tot leven. Of het Nationale Ballet hiermee een nieuwe klassieker in handen heeft, is afwachten, maar de opzet is meer dan geslaagd.

De vaderlandse geschiedenis leent zich niet bepaald voor spionagethrillers, maar met Mata Hari hebben we dan toch stiekem een onvervalste spionerende femme fatale die bijna een eeuw geleden werd gefusilleerd maar nog steeds tot de verbeelding spreekt. Misschien ook wel omdat nog altijd niet duidelijk is of deze polderspion nu daadwerkelijk een dubbelspion was voor Duitsland en daarmee Frankrijk verraadde. In 2017 wordt het dossier van haar proces openbaar en volgt wellicht het definitieve antwoord. In de tussentijd inspireert het leven van Margaretha Geertruida Zelle (1876-1917) het Nationale Ballet tot een avondvullend ballet in twee aktes. Met een choreografie van artistiek directeur Ted Brandsen en speciaal voor dit ballet gecomponeerde muziek door de Britse componist Tarik O'Regan (1978) wordt het leven van Mata Hari tot leven gewekt. En ondersteund door een passend en vooral flexibel decor- en lichtontwerp en prachtige kostuums slaagt het Nationale Ballet in haar opzet.

Een leven in fragmenten
In een kleine twee uur vlieg je door het leven van Mata Hari. Het Nationale Ballet kiest er daarbij voor om het gehele leven als een reeks fragmenten de revue te laten passeren: van haar jeugd in Leeuwarden en Den Haag tot aan haar executie door een vuurpeloton. Dit zorgt er enerzijds voor dat het tempo in het ballet blijft, maar anderzijds ook leidt tot een wat fragmentarisch karakter waardoor je soms zou willen dat men wat langer was blijven hangen in bijvoorbeeld de Indische jaren van Zelle. Want deze liefhebber van mannen wordt al snel geschaakt door de oudere KNIL-kapitein Rudolph MacLeod met wie ze naar Nederlands-Indië vertrekt. In de oost breekt de grootste tragedie van haar leven aan, maar worden ook de zaadjes geplant voor haar leven als Mata Hari. Want in Nederlands-Indië lijkt het in problemen geraakte huwelijk wat op te fleuren totdat hun zoon sterft en het einde van het huwelijk wordt ingeluid. Margaretha Zelle heeft zich daar echter ook laten inspireren door de Indische danscultuur dat de basis vormt voor haar herrijzenis als Mata Hari. Een moment dat in het ballet prachtig tot leven komt en zo de omvorming van Margaretha naar Mata Hari ('Oog van de dageraad'). In Parijs probeert ze vervolgens aan de slag te komen als danser en door haar sensuele dans ligt de wereld aan haar voeten wat door het Nationale Ballet geweldig tot uiting wordt gebracht in een Parijse slotscène voor de pauze die doet denken aan de alombekende videoclip van Madonna's Material Girl

Minimalisme
In de tweede akte zien we Mata Hari op het toppunt van haar roem wanneer ze de wereld rondtoert en haar succes alleen maar toeneemt. Dit is echter niet voor lange duur wanneer haar Duitse geliefde  - met het oog op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog - haar uit Duitsland laat ontsnappen, maar haar ook in het bezit brengt van geheime documenten. In Parijs ontmoet ze dan haar laatste (Russische) liefde waarna ze wordt opgepakt door de Franse autoriteiten als de haar gewonde liefde bezoekt. Voor de solisten van het Nationale Ballet natuurlijk een droomrol, maar tegelijkertijd ook lastig aangezien de tegenstrijdigheid van Mata Hari soms moeilijk te rijmen valt met het statige voorkomen van Anna Tsgyankova die - zoals altijd - een sierlijke performance weet neer te zetten en daardoor immer imponeert. Het Nationale Ballet mag sowieso van geluk spreken met haar solisten, want ook Maia Makhateli en Igone de Jongh dansen de sterren van de hemel. De Mata Hari van Anna Tsgyankova wordt ondersteund door de muziek van de jonge Britse componist Tarik O'Regan wiens muziek voor dit ballet in het minimalistische kamp van John Adams en Philip Glass kan worden geplaatst. Het is perfecte begeleidingsmuziek, maar lijkt minder geschikt om op zichzelf te kunnen staan. Een hoofdrol is weggelegd voor het Mata Hari-leitmotif (te horen in de trailer voor dit ballet) dat te pas en te onpas te horen is. Het knappe aan deze productie is dat vanuit het niets een ballet is gecreëerd dat - mede gezien de lovende reacties van critici en publiek - meteen staat. Het blijft daarbij overigens lastig om het verhaal van Mata Hari puur via dans over te brengen al is de slotscène waar Mata Hari wordt verhoord over haar spionagepraktijken prachtig ingevuld als alle personages (inclusief de jonge Mata Hari) langs haar heen trekken en ze zo haar leven herbeleeft. De kogel is echter onverbiddelijk en zo komt een einde aan het leven van de enige echte spion die Nederland rijk is en aan een meer dan geslaagde productie van het Nationale Ballet. 

Oordeel FerdiBlog: ****


Van 6 t/m 26 februari 2016 wordt 'Mata Hari' door het Nationale Ballet uitgevoerd. Meer info hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 21 februari. 

zaterdag 20 februari 2016

Het Tsarisme van Kameraad Poetin. 'De wraak van Poetin' van Hubert Smeets


‘We wilden het betere, we kregen het gebruikelijke’. Viktor Tsjernomyrdin, premier onder Jeltsin, vat tragikomisch de geschiedenis van tsaristisch, communistisch en hedendaags Rusland treffend samen. Met De wraak van Poetin heeft journalist Hubert Smeets een intrigerende beschouwing geschreven van het hedendaagse Rusland dat in veel opzichten geen steek veranderd is. Tel daarbij een schat aan heerlijke anekdotes en boutades zoals die van Tsjernomyrdin op waardoor Smeets ongetwijfeld aan kop gaat in de recente stortvloed aan boeken over Rusland in het algemeen en Vladimir Poetin in het bijzonder. 

Als correspondent voor NRC Handelsblad in Moskou tekende Hubert Smeets (1956) de ondergang van de Sovjet-Unie in 1991 op en daarmee het einde van de Koude Oorlog. Sinds die tijd volgt Smeets Rusland op de voet en met De wraak van Poetin vertrouwt hij zijn fascinatie voor en kennis over dit vreemde land aan een nieuw lezerspubliek toe. Want met De wraak van Poetin geeft Smeets inzicht in een geschiedenis die gedoemd lijkt te zijn zich telkens te herhalen en verklaart waarom de verhouding tussen Rusland en de Westerse wereld in het algemeen maar die met Europa in het bijzonder in zo’n korte tijd verstoord is geraakt. Een land dat altijd – weliswaar aan de randen – onderdeel heeft uitgemaakt van de Europese geschiedenis en met de komst van achtereenvolgens Gorbatsjov en Jeltsin hard op weg was naar Europeanisering, maar onder Poetin het meest doet denken aan vervlogen Tsaristische én communistische tijden. 

Russkiy Mir
Smeets neemt op onnavolgbare wijze de lezer mee op een ontdekkingsreis door de tumultueuze geschiedenis van Rusland sinds de implosie van de Sovjet-Unie. En passant schroomt hij – indachtig de woorden van Tsjernomyrdin - niet om de recente ontwikkelingen in het perspectief van de geschiedenis te plaatsen. Want hoewel op het eerste gezicht het Russische Rijk (1721-1917), de Sovjet-Unie (1922-1991) en de Russische Federatie (1991-heden) weinig met elkaar gemeen hebben, ontwaart Smeets overtuigend een tweetal thema’s die bepalend zijn voor het volk en het gebied dat deze drie systemen bindt. Ten eerste de geschiedenis van Rusland als koloniale macht. Een koloniserende macht niet in de gebruikelijke overzeese variant zoals bij de Britten, Fransen of Nederlanders, maar een territoriaal kolonialisme dat op het hoogtepunt ongeveer een zesde van het totale landoppervlak op aarde beheerste. Juist in dat perspectief moeten de woorden van president Poetin worden gezien toen hij de ondergang van de Sovjet-Unie betitelde als de grootste geopolitieke tragedie van de twintigste eeuw. Onder dezelfde noemer valt ook het door Poetin gepropageerde unieke karakter van Rusland dat Europees noch Aziatisch is. Een exceptionalisme dat door Poetin wordt ondersteund via de stichting Russkiy Mir (letterlijk: Russische Wereld) waar de woorden van Tsarina Catharina de Grote (1729-1796) in lijken door te galmen: “Rusland is een kolos. Het is zelfs geen land: het is een universum”.

De Staat is alles
In dat universum spelen de inwoners van Rusland en de andere voormalige Sovjetrepublieken een beperkte en vooral ondergeschikte rol. Want van de horigheid onder de Tsaren, de “gelijkheid” onder de Sovjet-Unie tot aan de “kleptocratie” van Poetin er is nooit sprake van burgers, maar slechts van onderdanen. Onderdanen die feitelijk niet meer zijn dan productiemateriaal en voor wie de Staat alles is. Een staat die wordt geregeerd door een corrupte regering, met aan het hoofd de onaantastbare en immer populaire president Vladimir Poetin. Juist in deze rode draad van Russisch kolonialisme en exceptionalisme en de burger als onderdaan laat zich volgens Smeets de huidige crisis rondom Oekraïne verklaren. Want een Oekraïne buiten de invloedssfeer van Rusland versterkt de angst voor “omsingeling” door vijanden terwijl Oekraïne tegelijkertijd het strijdtoneel is van de keuze voor de (westers en Europees georiënteerde) burger en de (door Rusland beïnvloede) onderdaan. Het is niet zonder reden dat Smeets daarom overtuigend aantoont dat Poetin de Europese Unie als een groter gevaar ziet dan de NAVO. Want het idee van Europa is misschien wel het meest schadelijke wapen dat Poetin kan bedenken. Overigens zou een Europa waar de grenzen van de Europese Unie en die van de NAVO – hoe onvoorstelbaar ook – samenvallen Poetin tot de allergrootste wanhoop drijven. Niet zonder reden dat Viktor Tsjernomyrdin al eens stelde “we zullen nog eens zo leven dat onze kleinkinderen en achterkleinkinderen jaloers op ons zijn”. Voorwaar een angstige gedachte, maar juist alle reden om de speurtocht van Hubert Smeet door het Russische universum te lezen.

Oordeel FerdiBlog: ****

‘De wraak van Poetin. Rusland contra Europa’ van Hubert Smeets en uitgegeven door Prometheus is in november 2015 verschenen. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

donderdag 18 februari 2016

Concert 17 februari 2016: De twee gezichten van Andris Nelsons


Sjostakovitsj: Symfonie Nr. 6
Sjostakovitsj: Suite voor variété-orkest
Gershwin: Pianoconcert in F

Jean Yves Thibaudet (piano)
Andris Nelsons, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Andris Nelsons en het Koninklijk Concertgebouworkest brengen een geweldige spanning én frivoliteit in werken van Sjostakovitsj. Helaas laat hij - samen met pianist Jean-Yves Thibaudet - ook een ander gezicht zien met een futloze uitvoering van het pianoconcert van Gershwin. 

De Letse dirigent Andris Nelsons (1978) is een graag geziene gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest. En dat is niet verwonderlijk aangezien de concerten onder zijn leiding meestal muzikale juweeltjes zijn. Het is daarom ook niet vreemd dat hij werd gezien als één van de voornaamste kanshebbers om zijn landgenoot en mentor Mariss Jansons op te volgen bij het KCO. Bij het City of Birmingham Symphony Orchestra maakte hij furore en sindsdien is hij vaste gast bij de meest gerenommeerde orkesten en operagezelschappen. Zijn benoeming tot chef-dirigent van de Boston Symphony Orchestra is een voorlopig hoogtepunt in zijn carrière, maar hij bouwt gestaag verder aan zijn succes getuige zijn zeer goed ontvangen opname van de Tiende Symfonie van Sjostakovitsj in de Shostakovich Under Stalin's Shadow-serie voor Deutsche Grammophon die deze week nog een Grammy Award in de wacht sleepte. Helaas moest Nelsons in december verstek laten gaan bij een concertante uitvoering door het KCO van Wagner's Lohengrin. Maar nu was Nelsons er dus weer en dan ook nog eens met een programma met onder andere Sjostakovitsj. Een componist waar hij als geen ander een (muzikale) connectie mee heeft en onderwerp is van een integrale uitvoering met het KCO die door Unitel op DVD zal worden uitgebracht. En dan ook nog eens gekoppeld aan het heerlijke energieke Pianoconcert in F van Gershwin uitgevoerd door artist in residence Jean-Yves Thibaudet. 

Frivool én spannend
Nelsons maakte de verwachtingen voor de pauze meer dan waar met een geweldige uitvoering van de Zesde Symfonie (1939)  van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975). Deze symfonie in slechts drie delen was - met het oog op zijn moeizame relatie met de autoriteiten - op voorhand al opgedragen aan Lenin. Het is een soms vervreemdende symfonie waarin in het eerste lange deel, het Largo, de spanning wordt opgebouwd. Een spanning die door Nelsons haarfijn werd aangevoeld en genadeloos werd opgebouwd. Nelsons gooit - letterlijk - zijn hele lichaam in de strijd om het orkest te bewegen tot de grootste prestaties. Na de spanning van het Largo volgen twee kortere scherzo's - Allegro en Presto - waar de energie van afspatte. Hoewel het een symfonie is waar je in beginsel aan moet wennen, hadden Nelsons en het KCO het publiek bij de kladden en lieten ze niet meer los. Maar het feest was nog niet voorbij aangezien Nelsons zich ook van zijn frivole kant liet zien met Sjostakovitsj'  Suite voor Variété-orkest (1956) dat lange tijd door ging als Jazz-suite Nr. 2 en zo nog veelvuldig terug te vinden is op cd. Gebaseerd op zijn filmmuziek bestaat deze suite uit louter pakkende en ook humoristische delen die het publiek telkens deed grinniken. Daarbij was de Wals Nr. 2 voor menigeen bekend, maar dan als de door André Rieu uitgevoerde Second Waltz. Opvallend genoeg waren er nu nog steeds mensen in het publiek die niet wisten dat het een werk van Sjostakovitsj is en dient als (persiflerende) hommage aan de wals. De frivoliteit die Nelsons bracht bij de uitvoering werkte aanstekelijk en vormde de basis neer voor een geweldig maar vooral leuk concert.

Pianoconcert in F(utloos)
Want in combinatie met het energieke en eveneens frivole Pianoconcert in F (1925-1928) van George Gershwin (1898-1937) kon dit niet anders dan één van de fijnste concerten van de afgelopen jaren worden. In 2013 was dit werk ook al bij het KCO op de lessenaars te vinden tijdens het tweede concert als onderdeel van de terugkeer van Riccardo Chailly bij het KCO. Chailly met Stefano Bollani op de piano bliezen de zaal omver en verzorgden het leukste concert van die tijd met naast het pianoconcert ook Catfish Row van eveneens Gershwin aangevuld met even frivole werken van Adams (Lollapalooza) en Harbison (Remembering Gatsby). Nu dus de beurt aan Nelsons en Thibaudet om het succes van Chailly en Bollani te evenaren. Daar waar Nelsons voor de pauze de sterren van de hemel speelde, ging het eigenlijk meteen vanaf het begin mis. Let wel: er werd prima gespeeld, hoewel dirigent en pianist niet altijd op elkaar ingespeeld leken en daardoor al geen schim vormden van het overduidelijke plezier dat Chailly en Bollani in hun samenwerking hadden. Het grote probleem - en of hier de dirigent of de solist leidend in is geweest is onduidelijk - was de keuze om dit heerlijke pianoconcert te voorzien van een dermate traag tempo dat alle energie uit het het stuk sijpelde. De sfeer kwam er daarom totaal niet in en maakte er een futloos geheel van. Wellicht dat het idee was om het Jazzy karakter door te kiezen voor deze laid back-aanpak, maar wie de gelijknamige cd-opname door Chailly en Bollani luistert, zal horen hoe fantastisch juist die kekke aanpak werkt. Het verschil met voor de pauze werd daarmee zo groot dat het geheel er onder lijdt. Nelsons is in de meeste gevallen een muzikale geweldaar, maar het andere gezicht dat hij liet zien met Gershwin bewees de muziek helaas geen dienst.  

Oordeel FerdiBlog: ***** (Sjostakovitsj) / **½ (Gershwin)


'Artist in residence' Jean-Yves Thibaudet en Andris Nelsons zijn 17, 18 en 20 februari te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest met werken van Sjostakovitsj en Gershwin. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 17 februari. 

woensdag 17 februari 2016

Concert 14 februari 2016: Honeck en Goerne's solide zondag zonder uitschieters


Beethoven: Symfonie Nr. 7
Mahler: Des Knaben Wunderhorn (selectie)

Matthias Gerne (bariton)
Manfred Honeck, Koninklijk Concertgebouw
Het Concertgebouw, Amsterdam

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelt op safe met een weinig verrassend programma van Beethoven en Mahler. De Oostenrijks-Duitse combi van gastdirigent Manfred Honeck en bariton Matthias Goerne doen wat nodig is en leveren een solide, maar zeker geen memorabele uitvoering af. 

De muziek van Beethoven en Mahler is tijdloos en vormt niet zonder reden een belangrijk deel van de concertprogramma's van de belangrijkste orkesten ter wereld. De kracht en oorspronkelijkheid van de symfonieën van Ludwig van Beethoven (1770-1827) inspireert nog steeds dirigenten om een volledige cyclus aan concertpubliek of cd toe te vertrouwen. Ook al zijn er inmiddels zoveel cycli uitgebracht dat het de vraag is wat een nieuwe cyclus eigenlijk nog toevoegt. Hetzelfde geldt voor de liederen van Mahler gebaseerd op Des Knaben Wunderhorn. Deze door Clemens Brentano en Achim von Arnim verzamelde Duitse volkspoëzie inspireerde Gustav Mahler (1860-1911) tot een reeks prachtige en melancholische liederen. Liederen die tevens de inspiratie vormden voor zijn Tweede,  Derde en Vierde Symfonie waarbij een deel van de liederen impliciet (Des Antonius von Padua Fischpredigt) dan wel expliciet (Urlicht) onderdeel uit maken van die symfonieën. Waar deze liederen in de regel worden uitgevoerd door een sopraan en bariton kunnen de liederen ook door één zangstem worden uitgevoerd. De cd-uitvoering uit 2011 door Thomas Hampson met de Wiener Virtuosen is hier een voorbeeld van. Een orkest als het KCO staat bekend om de kwaliteit en kracht van haar uitvoeringen van Beethoven en met name Mahler dus zijn werken van deze twee componisten veelvuldig terug te vinden op de lessenaars in het Concertgebouw.

Weer Beethoven
De Zevende Symfonie is - vooral door het statige en treurige Allegretto - één van de meest populaire symfonieën van Beethoven en was de afgelopen jaren al veelvuldig te beluisteren bij het KCO met op de bok onder andere Iván Fischer en Bernard Haitink. Met de Oostenrijker Manfred Honeck heeft het KCO een gastdirigent die zijn strepen heeft verdiend bij het Pittsburgh Symphony Orchestra en thuis is in de muziek van Midden-Europa. Opvallend bij zijn aanpak is dat hij de Zevende Symfonie het noodlottige karakter van de Vijfde meegeeft in de uitvoering. Helaas combineert hij dit alles met een te snelle uitvoering van de al op zich zelf spetterende finale waardoor de finesse van het genie van Beethoven niet volledig tot recht komt. Daardoor levert Honeck een prima uitvoering af, maar van het KCO en ook Honeck zelf mag toch eigenlijk wel meer verwacht worden. 

Weer Mahler
Hetzelfde leek ook aan de hand bij de uitvoering van elf van de Wunderhorn-liederen door bariton Matthias Goerne ondersteund door het KCO onder Honeck. De liederen bieden een prachtige combinatie van melancholische Middel-Europese weltschmerz met her en een der een flinke scheut ironie. Op de een of andere manier kwam dat er in de uitvoering niet geheel uit. Goerne is een goede bariton, maar in deze combinatie met Honeck bleek ook hier dat de kwalificatie 'solide zonder uitschieters' meer dan afdoende was. Daarbij is het opvallend dat een selectie van de Wunderhorn-liederen vorig jaar nog is uitgevoerd door het KCO tijdens de laatste reeks concerten door Mariss Jansons waarbij Thomas Hampson de honneurs waar nam. Wanneer het KCO kiest om een dergelijk 'veilig' combinatie te programmeren, moet de uitvoering spetteren en iets extra's brengen. Helaas was dit - zelfs op Valentijndsdag - niet het geval. Niets om je voor te schamen, maar zeker ook niet om over naar huis te schrijven. 

Oordeel FerdiBlog: ***

Op 12 en 14 februari waren Manfred Honeck en Matthias Goerne te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest voor een programma van Beethoven en Mahler. Op 13 februari vormde de Zevende Symfonie tevens het hart van RCO Essentials. Deze recensie is op basis van de uitvoering op14 februari.

dinsdag 9 februari 2016

Overstemd door het Stalinisme: 'The Noise of Time' van Julian Barnes


De muziek van Dmitri Sjostakovitsj zal waarschijnlijk nooit helemaal los gezien kunnen worden van het lawaai van zijn tijd. Met zijn nieuwe roman The Noise of Time schetst Julian Barnes een prachtig portret van een gebroken man wiens muziek vanuit de schaduwen van het Stalinisme doorklinkt.

Iedere avond weer met een koffer bij de lift staan in afwachting van het naderende onheil. Deze anekdote over componist Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) is wellicht niet (volledig) op waarheid gebaseerd, maar staat desalniettemin symbool voor de onderdrukking in de Sovjetunie van Josef Stalin. Een wreed en moorddadig regime waar niemand zijn leven zeker was en zelfs ‘de grootste levende componist’ ieder moment kon worden weggevoerd naar een onbestemd maar meestal fataal lot. Gelijk de onderdanen van iedere potentaat was de willekeur van de grote leider onvoorspelbaar en kon je de ene dag je wentelen in de warme boezem van de dictatuur om het volgende moment oog in oog te staan met je beul. Zo ook Sjostakovitsj wiens opera Lady MacBeth uit het district Mtensk vanaf de première in 1934 grote successen vierde totdat een anoniem artikel in de Pravda kritiek op het stuk uitte. Nu is kritiek van alle tijden maar wanneer deze kritiek inhoudt dat de muziek niet in lijn is met de Sovjetidealen en gesuggereerd wordt dat deze kritiek wordt gedeeld door Stalin zelf, kan kritiek in dit geval niet alleen je nachtrust maar ook je leven kosten. Met deze aanval op Sjostakovitsj werd de lange schaduw van repressie manifest in dit componistenleven. Een leven dat vanaf dat moment voorgoed veranderd was. Voor Julian Barnes alle reden om voor zijn nieuwste boek zich te laten inspireren door het leven van Sjostakovitsj.

Desondanks muziek
In The Noise of Time volgt Julian Barnes in hoofdlijnen het leven van Sjostakovitsj en schetst – natuurlijk met de vrijheid van een romanschrijver – een getrouw beeld van diens leven. Althans een getrouw beeld voor zover mogelijk, want net zoals bij de anekdote over de bij de lift wachtende Sjostakovitsj is er altijd de vraag wat nu precies de waarheid is, want waarheid is niet bepaald in grote getale voorhanden in een regime als dat van Stalin. Een regime waar alles – dus ook de waarheid – ten dienste staat van de grote leider. Barnes gebruikt dit uitgangspunt om een erg fijne roman te schrijven over het leven van deze Russische componist wiens muziek nooit los kan worden gezien van de context van zijn tijd. Want het leidt geen twijfel dat het muzikale leven van Sjostakovitsj een andere loop had genomen wanneer Stalin niet aan de macht was geweest of het regime geen aanstoot had genomen aan zijn muziek. Na de kritiek in de Pravda heeft Sjostakovitsj nooit meer een opera voltooid. Tegelijkertijd trok hij zijn Vierde Symfonie terug en stond zijn Vijfde Symfonie (1937) bekend als ‘het antwoord van een Sovjetartiest op gerechtvaardigde kritiek’. Opvallend genoeg – hoewel dat nooit helemaal vastgesteld kan worden – lijkt de compositie van diezelfde Vijfde Symfonie juist muzikale kritiek te bevatten op het regime van Stalin. Een breed levende overtuiging die wordt onderstreept door zijn befaamde Zevende Symfonie (1941). Deze symfonie getiteld Leningrad is door Sjostakovitsj deels geschreven in Leningrad tijdens het gruwelijke beleg door de Duitsers. De symfonie groeide daarom uit tot een culturele uiting van het verzet van de Sovjetunie tegen Nazi-Duitsland. Tegelijkertijd is er de omstreden verklaring dat deze symfonie in werkelijkheid handelt over de verwoesting van de stad door Stalin die slechts in het Duitse beleg haar genadeslag onderging. Hoe het ook zij de muziek van Sjostakovitsj – natuurlijk bovenal van intrinsieke waarde en waardering – kan daardoor nooit geheel los gezien worden van het ‘lawaai van zijn tijd’. 

Een ode aan Sjostakovitsj en goed schrijverschap
Niet alleen de titel van Barnes’ nieuwste roman is daarom met The Noise of Time zo goed getroffen, maar vooral de wijze waarop hij het leven van Sjostakovitsj, zijn twijfels en schaamte maar bovenal het regime waaronder hij en zijn medeburgers (of beter gezegd: onderdanen) gebukt gaan tot leven brengt. Het is daarom misschien ook een wat vreemde keuze om de Nederlandse vertaling als Het Tumult van de Tijd als titel mee te geven. Een titel die door dat ene woord tumult in plaats van lawaai de lading minder goed dekt daar waar Barnes op meesterlijke wijze de onderdrukking van de muziek tot leven brengt. Sowieso is het bij een woordkunstenaar zoals Barnes altijd – hoe goed een vertaling ook kan zijn – het boek in de oorspronkelijke taal te lezen. Laat daarbij overigens volstrekt helder zijn dat dit boek niet alleen bestemd is voor liefhebbers van muziek in het algemeen en die van Sjostakovitsj in het bijzonder, maar voor allen die een inkijkje willen hebben in de gevolgen van een onderdrukkend regime en het effect op de vrijheid van haar slachtoffers. 

Oordeel FerdiBlog: ****½

‘The Noise of Time’ van Julian Barnes is eind januari verschenen. Een Nederlandse vertaling ‘Het Tumult van de Tijd’ is gelijktijdig verschenen. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zaterdag 6 februari 2016

Spookachtig, maar dan zonder spook. 'Het Huis op de Heuvel' van Eva Chase


Een oud landhuis in het hartje van Cornwall. Twee tijdperken die verbonden worden door een geheim. Een tragische dood. Zie hier de standaardingrediënten voor een spookverhaal. Maar hoewel Het Huis op de Heuvel deze checklist met overtuiging afvinkt en garant staat voor een spookachtig verhaal, ontbreekt de obligate “geest-van-een-lang-vervlogen-en-pijnlijk-familiegeheim”. En dat is wel zo prettig. 

Een klein half jaar na de succesvolle introductie van Black Rabbit Hall van de hand van Eva Chase ziet de Nederlandse vertaling nu ook het licht. Aangezien Black Rabbit Hall een heerlijke, maar vooral über-Britse titel is, valt een vertaling niet mee. Want zeg nou zelf: Huize Zwart Konijn klinkt als heel veel, maar niet als een goed boek, eerder als de pubertijd van Nijntje. In Nederland moeten we het dan maar doen met het weinig inventieve Het Huis op de Heuvel. Een titel die al snel doet denken aan de filmklassieker met Vincent Price House on Haunted Hill die eind jaren negentig een remake kreeg met in de hoofdrollen Geoffrey Rush en onze eigen Famke Janssen. Films waar geesten zonder meer in het pakket zitten. Gek genoeg doen de eerste hoofdstukken, die overigens gelijk het hele boek lekker weglezen, misschien juist ook wel door deze associatie, maar toch vooral door de context in eerste instantie vermoeden dat een mysterie met een bovennatuurlijk element het hart van dit verhaal vormt. Want Chase neemt de lezer vakkundig en afwisselend mee in twee tijdperken: Black Rabbit Hall in de jaren zestig (1968 en 1969) en hetzelfde, maar nu meer vervallen huis in de huidige tijd. Black Rabbit Hall is overigens slechts de bijnaam van Pancrew Hall in het typische Engelse Cornwall en heeft deze naam te danken aan de schaduwen in het dimmende licht van het grote aantal konijnen aldaar. In dit statige buitenhuis resideert een adellijke en – op het oog – zeer vermogende familie die haar leven in Londen afwisselt met het landelijke leven. Vader en moeder Alton en hun kinderen tweeling Amber en Toby, Kitty en Barney omringd door familiair personeel maken regelmatig met plezier de trek naar Cornwall. Helaas slaat binnen korte tijd twee keer het noodlot toe en verandert het leven van de familie volledig. Tegelijkertijd neemt Chase ons mee naar de huidige tijd waar Lorna en Jon op zoek zijn naar een passende locatie voor hun huwelijk. Lorna voelt zich op raadselachtige wijze aangetrokken door Black Rabbit Hall en verliest zich steeds meer in het huis, het verleden en de familie die er de dienst uitmaakt(e). De vraag is natuurlijk hoe deze tijdperken bij elkaar komen en wat nu eigenlijk het mysterie is dat de tijdperken én de familie Alton en de aanstaande newlyweds verbindt.

Noodlot en mysterie met mate
Het aardige is dat Eva Chase heel goed begrepen heeft hoe je zo’n verhaal vertelt, want het is een boek dat zich in het prettige gezelschap bevindt van bijvoorbeeld het hedendaagse The Little Stranger van Sarah Waters en het klassieke Rebecca van Daphne du Maurier (“Last night I dreamt I went to Manderly again…”). Daarbij – hoewel zoals gezegd je in beginsel iets anders zou kunnen denken – maakt Eva Chase de geslaagde keuze om het mysterie niet in het bovennatuurlijke te zoeken, maar in de problematiek van familie te zoeken. Dit tegen de fijne achtergrond van het landelijke leven in Engeland waar zowel in de jaren zestig als heden de tijd lijkt te hebben stil gestaan. Een leven waar wordt vastgehouden aan oude tradities waardoor Black Rabbit Hall in deze tijd wordt bewoond door een bejaarde dame van goede afkomst ondersteund door slechts een wat “simpele” huishoudster, maar die niet alleen een huis in verval bewonen, maar ook een huis dat als schatbewaarder van een tragisch familiegeheim acteert. Chase kiest daarbij een vertelvorm waarbij één of meerdere hoofdstukken een episode uit de jaren zestig wordt afgewisseld met een episode uit het heden. Iedere episode eindigt steevast met een cliffhanger om dan gezellig van tijdperk te wisselen en pas daarna de draad op te pakken. Wanneer overigens vaak blijkt dat de cliffhanger in de regel dramatischer oogde dan het daadwerkelijke vervolg. Een aanpak die realistisch is en je natuurlijk ook continu laat doorlezen. Want het boek mag dan ruim 360 pagina’s tellen, je bent er echt zo doorheen. Een typisch boek voor een zorgeloos en liefst regenachtig weekend. 

Oordeel FerdiBlog: ***½

‘Het Huis op de Heuvel’ van Michael Eva Chase is in januari verschenen en de vertaling door Lydia Meeder ‘Black Rabbit Hall’ voor Meulenhoff Boekerij. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.