dinsdag 29 oktober 2013

'11.22.63' van Stephen King


Stephen King is één van de bekendste en bestverkochte populaire schrijvers van de wereld. Je moet onder een steen hebben geleefd, wil je niet in aanraking zijn gekomen met zijn verhalen die de basis vormen voor een onnoemlijk aantal films en televisieseries. Van filmklassiekers The Shining en The Shawshank Redemption tot The Green Mile en Carrie, maar ook tot minder geslaagde (doch niet minder spannende dan wel vermakelijke) bewerkingen als Christine, Silver Bullet, The Langoliers en de serie waar deze recensent op jonge leeftijd veel nachtmerries door heeft gekregen en een hekel aan clowns heeft overgehouden: It. En toch moet ik toegeven dat ik tot 11.22.63 nog nooit één letter van één van zijn vele, vele boeken had gelezen. 

Snob
Wellicht heeft de snob in mij het tegengehouden onder het motto 'als zoveel mensen het goed vinden, kan het niet goed zijn'. Een sentiment dat velen hebben met bijvoorbeeld schrijvers zoals Dan Brown en Michael Crichton, terwijl ik Dan Brown met veel plezier lees (en zojuist begonnen ben in Jurassic Park). Na goede recensies gelezen te hebben van Stephen King's (toen) nieuwste boek 22.11.63 heb ik de sprong gewaagd en de Engelstalige versie gekocht - die daarom de Angelsaksische datering volgt en 11.22.63 heet in plaats van 22.11.63 - om deze vervolgens bijna twee jaar ongelezen in de boekenkast te laten wegstoffen.

Het bloed kroop blijkbaar toch waar het niet gaan kon dus toen ik mijn boekenkast aan het afspeuren was naar een nieuw te lezen boek pakte ik - met enige scepsis dat zeker! - toch eindelijk een boek van Stephen King. En laat één ding volstrekt helder zijn: na het lezen van 740 pagina's kan ik niet anders concluderen dat ik Stephen King (en daarmee mezelf) te kort heb gedaan, want 11.22.63 is een fascinerend boek waarmee Stephen King laat zien dat hij na zoveel geschreven boeken nog altijd iets origineels heeft te zeggen.

'Waar was jij toen...'
Tweeëntwintig november 1963 is net zoals 11 september 2001 een datum die in het collectieve geheugen gebrand is. Tot die fatale elfde september was de vraag 'waar was jij toen...' slechts voorbehouden voor het moment dat schutter Lee Harvey Oswald vanaf de zesde verdieping van de Texas School Book Depository de 35e president van de Verenigde Staten, John F. Kennedy, fataal zou verwonden. Ook agent J.D. Tippit zou slachtoffer worden van Oswald terwijl de Democratische gouverneur van Texas (later minister van Financiën onder Richard Nixon) John Connally zwaargewond zou raken. Vele boeken zijn over deze politieke moord geschreven en het simpele feit dat een nietsnut zoals Oswald de Amerikaanse president en daarmee machtigste man op aarde kon doden, is voer voor een eindeloze reeks complottheorieën. 

Stephen King nestelt zich met zijn 11.22.63 in een druk veld, maar kiest volledig zijn eigen weg. Want zijn boek over de moord op Kennedy gaat eigenlijk helemaal niet over Kennedy, maar over een leraar Engels uit Maine Jake Epping die door een terminaal zieke kennis Al Templeton wordt gewezen op het bestaan van een soort wormhole in Templeton's restaurant en daarmee de mogelijkheid om van 2011 naar 9 september 1958 te reizen. Het vreemde aan deze toegangspoort tot het verleden is dat hoe lang je ook in het verleden ronddoolt, bij terugkomst ben je slechts twee minuten weggeweest, hoewel de eigen biologische klok gewoon doortikt. Lang heeft Templeton deze poort gebruikt voor zijn eigen (beperkte) gewin tot hij beseft dat het mogelijk is om levens te veranderen. Er is echter een catch: zaken die in 1958 worden veranderd, klinken door in 2011. Maar wanneer de poort naar het verleden opnieuw wordt genomen, sta je wederom in het Maine van 9 september 1958 en gaat alles weer in de reset.

Al had zich voorgenomen met alle kennis in heden en verleden opgedaan te leven in het verleden en de moord op Kennedy te verijdelen. Door zijn ziekte is dat niet meer mogelijk en vraagt hij Jake om het stokje over te nemen. Het mag niet als een verrassing komen dat Jake dit uiteindelijk ook doet en daarbij ook test of de toekomst inderdaad veranderd kan worden.

Tijdsbeeld
Het mooie aan dit boek is dat het aspect van het tijdreizen, maar ook de moord op Kennedy veel minder dominant is dan je zou denken. Het gaan veel meer over de bevreemding die George Amberson (zoals Jake in het verleden heet) doorstaat, een tijdsbeeld van eind jaren vijftig en begin jaren zestig en over de verschillen tussen toen en nu, maar ook over zijn leven in het verleden. Een leven dat hem voert langs diverse steden, maar steeds dichter bij Dallas brengt. Een Dallas dat overigens in de jaren vijftig en zestig een veel naargeestigere stad was dan de bruisende metropool die het nu is. In het dorpje Jodie nabij Dallas raakt hij verliefd op bibliothecaresse Sadie, maar is hij ook gedwongen een dubbelleven te leiden waarbij hij zeker wil weten dat Lee Harvey Oswald daadwerkelijk een lone gunman is zodat hij zeker weet dat met de voortijdige dood van Oswald Kennedy zal leven. En daarmee de conclusie trekt dat de wereld beter af is wanneer Kennedy blijft leven. 

Door deze verscheidenheid is het boek een feest om te lezen en het aparte is dat King het voor elkaar krijgt om in de jolijt van het verleden ook de dreiging van de aankomende toekomst manifest te maken. Het verloop van het boek blijft daarom onvoorspelbaar en de vraag of Oswald alleen handelde, de moord op Kennedy voorkomen kan worden en welke gevolgen dit heeft voor de toekomst, kan alleen maar beantwoord worden door het boek zelf te lezen. In het nawoord geeft King zijn duidelijke mening over een al dan niet bestaand complot alsmede zijn visie op de ontwikkeling van de V.S. in het algemeen en Dallas in het bijzonder.

Voor mij staat in ieder geval één ding als een paal boven water: het heeft veel te lang geduurd voordat ik voor het eerst een boek van Stephen King heb gelezen. Die fout maak ik niet nog een keer. 

Voor wie overigens ooit eens een bezoek brengt aan Dallas kan het uitmuntende The Sixth Floor Museum van harte aanbevolen worden. Een indrukwekkende rondleiding (via uitstekende audioguide) valt de bezoeker ten deel. Zoals ze in de V.S. zeggen: 'highly recommended!'. 


zaterdag 26 oktober 2013

Concert 25 oktober 2013: Harnoncourt's Bruckner schittert in het Concertgebouw


Bruckner
Symfonie Nr. 5

Nikolaus Harnoncourt, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Nikolaus Harnoncourt laat op zijn geheel eigen wijze de Vijfde Symfonie van Bruckner schitteren tot groot enthousiasme van het Concertgebouwpubliek.

De symfonieën van Anton Bruckner (1824-1896) kunnen niet anders dan voor iedere dirigent zowel hemels als hels zijn. Zijn negen symfonieën vormen voor dirigenten de kans om ware kathedralen van muziek als ultieme uiting van devotie uit te voeren. Daarbij doen zich bij Bruckner immer twee hindernissen voor. Enerzijds de keuze voor de uitvoeringsvariant aangezien de legendarische zelftwijfel van de componist heeft geleid tot vele uitvoeringsversies van diverse van zijn symfonieën. Anderzijds leidt de soms fragmentarische aard van zijn werk – Bruckner is ook de meester van de ‘ongemakkelijke overgang’ – tot de uitdaging om de coherentie van een symfonie te bewaken en te bevorderen.

De Liefhebbende God
De Vijfde Symfonie is in dit opzicht anders dan zijn symfonische broeders. Van de Vijfde bestaat slechts één versie en de sfeer van de symfonie is met name plechtig te noemen als ode - in de woorden van Bruckner - aan ‘De Liefhebbende God’. Bruckner heeft de Vijfde gemaakt tot een prachtig complex weefsel van grootse muzikale vergezichten, schertsende passages en prachtige apotheosen. Tegen het einde van het laatste deel, dat hetzelfde begin kent als het eerste deel, komen de twee hoofdthema’s uit dat deel – een koraal en een fuga – prachtig samen waarna het hoofdthema uit het eerste deel er prachtig door heen klinkt.

Aan Nikolaus Harnoncourt (1929) de schone taak om het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) te leiden door deze Vijfde Symfonie. En Harnoncourt’s achtergrond maakt hem misschien wel het meest geschikt om de Oostenrijkse Bruckner te doorgronden. Bruckner leefde in de hoogtijdagen van Wenen toen het nog de hoofdstad was van het Habsburgse Rijk. Laat Nikolaus Harnoncourt – voluit Johann Nicolaus Graf de la Fontaine und d’Harnoncourt-Unverzagt – juist een afstammeling zijn van de Habsburgers. A match made in heaven zoals zou blijken.

Reconstructie
Vanaf de eerste maten maakte Harnoncourt duidelijk dat hij zijn geheel eigen interpretatie heeft c.q. reconstructie verzorgt van het werk van Bruckner. Hij speelde de gehele symfonie met de tempi en de dynamiek. Daar waar hij het eerste deel - het Adagio-Allegro - het fragmentarische karakter van Bruckner’s composities onderstreepte door (korte) pauzes aan te brengen tussen de verschillende onderdelen, koos hij in het derde deel – het Scherzo – juist voor een zeer stevig tempo dat de urgentie en dynamiek ten goede kwam.

Het KCO speelde – zoals gebruikelijk – voorbeeldig, al lieten de koperblazers in het begin een klein steekje vallen door hoorbaar bijgeluid. Een klein detail dat de pret voor de rest niet mocht drukken. Na het wegsterven van het spectaculair door Harnoncourt vormgegeven slot beloonde het Concertgebouwpubliek de inmiddels ver de leeftijd van tachtig gepasseerde dirigent met een stormachtig applaus wat de inmiddels iets minder goed ter been zijnde Harnoncourt wat extra loopwerk op de befaamde trap van het Concertgebouw bezorgde. Natuurlijk als erkenning van het feit dat het een bijzondere gebeurtenis is wanneer Harnoncourt voor het KCO staat, maar vooral als grote waardering voor de prachtige uitvoering van Bruckner’s Vijfde Symfonie. 

Nikolaus Harnoncourt is op 24 en 26 oktober 2013 te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest in het Concertgebouw en dirigeert de Vijfde Symfonie van Bruckner. Voor de matinee-uitvoering zijn nog enkele kaarten beschikbaar. Meer informatieen kaarten bestellen kan hier. Deze recensie is op basis van het concert van 24 oktober.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

vrijdag 25 oktober 2013

Toneel 18 oktober 2013: Ideale hertaling van Oscar Wilde's komedieklassieker

© Kurt van der Elst / Het Nationale Toneel - NTGent

Het Nationale Toneel - NTGent
De Ideale Man
Oscar Wilde 
(in een bewerking van Elfriede Jelinek)

Mark Rietman, Sir Robert Chiltern
Ariane Schluter, Mevrouw Cheverly
Anniek Pheifer, Lady Gertrude Chiltern
Steven van de Watermeulen, Lord Arthur Goring
Katja Herbers, Mabel Chiltern
Jaap Spijkers, Hertog van Caversham
Chris Thys, Lady Markby
Frank Focketyn, Mason / Pipps

Het Nationale Toneel en NTGent bundelen hun krachten in een meer dan geslaagde uitvoering van Elfriede Jelinek’s hertaling van De Ideale Man van Oscar Wilde.

Het Nationale Toneel start het nieuwe toneelseizoen met een geheide klapper. Want zo mag de hertaling door Nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek van de komedieklassieker van Oscar Wilde beslist betiteld worden. Een goede cast onder leiding van Mark Rietman en Ariane Schluter laten de bijna drie uur die het toneelstuk duurt omvliegen en hebben de lachers op hun hand zonder dat deze donkere komedie vervalt in een klucht.

Krachtige hertaling
Het zegt veel over de kwaliteit van het werk van Oscar Wilde (1854-1900) dat zijn An Ideal Husband uit 1895 nog steeds kan leiden tot een aansprekende komedie over de relativiteit van moraliteit en het leven van het (politieke) establishment. Daarbij is het een schot in de roos van het Nationale Toneel – in coproductie met NTGent – om gebruik te maken van de bewerking door Elfriede Jelinek uit 2011. Jelinek is in staat gebleken om deze donkere komedie over chantage en politieke corruptie te ‘hertalen’ naar de 21e eeuw en daarbij de humor intact te laten.

De kracht van de hertaling zit er vooral in dat veel (ogenschijnlijk) hetzelfde is gebleven. De Ideale Man handelt nog steeds om staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Robert Chiltern (Mark Rietman) die tijdens een feestje in zijn huis wordt geconfronteerd met Mevrouw Cheverly (Ariane Schluter) die hem probeert te chanteren zijn politieke stellingname tegen een geldverslindend en overduidelijk corrupt project – een Alpenkanaal – te verlaten. Mevrouw Cheverly heeft daar groot financieel belang bij en beschikt over een brief uit de jonge jaren van Chiltern waarin hij politieke voorkennis gebruikt ten faveure van zijn toenmalige mentor Baron Arnheim. Voorkennis die Arnheim veel geld oplevert en voor Chiltern de basis betekent voor zijn kapitaal op grond waarvan hij zijn succesvolle politieke carrière heeft opgebouwd.

Door deze ene misstap dreigt de carrière van Chiltern volledig vernietigd te worden. Geeft hij echter toe aan de chantage dan verliest hij zijn rechtschapen vrouw Gertrude Chiltern (Anniek Pheifer). Gelukkig wordt hij bijgestaan door zijn boezemvriend de metroseksuele Lord Arthur Goring (Steven van Watermeulen) die een knipperlichtrelatie heeft met Chiltern’s zus Mabel (Katja Herbers).

Moraliteit
Het mooie aan De Ideale Man is dat het adagium ‘eind goed, al goed’ volstrekt van toepassing hierop is en daarmee Wilde’s boodschap onderstreept dat misstappen uit het verleden niet per se moeten leiden tot het ruïneren van datzelfde leven. Een boodschap die treffend is wanneer het leven van Oscar Wilde en de intolerantie ten opzichte van homoseksualiteit in die tijd in ogenschouw wordt genomen.

De cast brengt deze boodschap met verve en uitstekende komische timing, waarbij de Nederlands-Vlaamse samenwerking ook terug komt in de keuze van acteurs. De samenkomst van de Nederlandse en Vlaamse tongval voegt daarmee een dimensie toe aan de onderlinge verschillen en de kracht van deze bewerking. Ditzelfde geldt voor de enscenering die geknipt is voor dit toneelstuk. Een straks gestileerd huis dat tekenend is voor de uiterlijke schijn van de hoofdrolspelers, maar gaandeweg het verhaal steeds meer gebreken vertoont en tegen het einde van de avond volledig is ingestort terwijl de levens van de hoofdrol spelers gewoon doorgaan.

Aan het einde van De Ideale Man kunnen Robert Chiltern en het publiek niet anders concluderen dat een citaat van mevrouw Cheverly uit het oorspronkelijke toneelstuk meer dan treffend is: ‘Morality is simply the attitude we adopt towards people whom we personally dislike.’ 


Teaser van 'De Ideale Man' door het Nationale Toneel en NTGent:



‘De Ideale Man’ van het Nationale Toneel en NTGent is op 19 oktober in première gegaan in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag en gaat tot en met 21 december op tournee door België en Nederland. Meer informatie en kaarten bestellen hier. Deze recensie is op basis van de ‘try-out’ op 18 oktober in de Koninklijke Schouwburg.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

vrijdag 18 oktober 2013

Opera 17 oktober 2013: Gluck bij een ongeluk in 'Armide' door De Nederlandse Opera

© De Nederlandse Opera 

De Nederlandse Opera
Armide 
Christoph Willibald Gluck (1714-1787)

Karina Gauvin, Armide
Andrew Foster-Williams, Hidraot
Frédéric Antoun, Renaud
Sebastien Droy, Artémidore / Le Chevalier Danois
Henk Neven, Ubalde / Aronte
Karin Strobos, Phénice
Diana Montague, La Haine
Francesca Russo Ermolli, Un Plaisir

Koor van De Nederlandse Opera
Ivor Bolton, Nederlands Kamerorkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Een inventieve en spectaculaire enscenering gekoppeld aan een overtuigende titelrol maken Armide van Gluck door De Nederlandse Opera een visueel feestje dat gelukkig afleidt van het dunne en bizarre verhaal.

Hoewel het altijd leuk is om bij een première aanwezig te zijn, is het niet verkeerd om juist verderop in een reeks een voorstelling te zien. Pas bij latere voorstellingen is iedereen echt op elkaar ingespeeld en kan het resultaat van een productie pas echt zichtbaar zijn. De nieuwe productie van Armide van Gluck door De Nederlandse Opera (DNO) is een case in point. De recensies tot op heden zijn lovend over de enscenering, maar plaatsen grote vraagtekens bij de muzikale leiding door Ivor Bolton. Een mede-operaganger die de uitvoering afgelopen maandag bezocht, vertrok zelfs in de pauze. Reden: het lukte Bolton niet goed om muziek, zangers en koor 'bij elkaar te houden'. En dat nog wel in de stad van Job Cohen! 

Bolton in de herkansing
Hoe mooi een opera ook geënsceneerd is en hoe goed er ook gezongen wordt, als het bij de dirigent of het orkest mis gaat is er weinig te genieten. Opvallend bij deze vierde uitvoering in de reeks was daarom ook dat het leek alsof Bolton zich de kritiek goed had aangetrokken. In De Volkskrant werd gewezen op de 'weinig exacte aanwijzingen' van Bolton en inzetten die mislukte waarna het Bolton niet goed lukte om zangers 'terug op de rails' te krijgen. Juist op dit punt was Bolton bijna overdreven communicatief richting de zangers en kan op het muzikale niveau waar weinig aangemerkt worden. In dat licht kunnen recensies dus ook een louterende werking hebben! Overigens laat dit onverlet dat bij een dergelijke productie de uitvoering vanaf de eerste keer goed moet zijn.

Prachtige enscenering, bizar verhaal
De Nederlandse Opera schitterde in 2011 al met een Gluck-double bill van Iphigénie en Tauride en Iphigénie en Aulide (zie voor recensie hier). Bekendste werk van Gluck is overigens Orfeo ed Euridice dat eveneens in 2011 - blijkbaar een Gluckjaar - werd uitgevoerd in de tuin van Paleis Soestdijk (zie voor recensie hier). Armide doet qua bekendheid hier nogal voor onder. Dat was overigens in de tijd van Gluck ook al zo. Gluck staat bekend als vernieuwer van de operatraditie waarbij hij de brug wilde slaan tussen Italiaanse en Franse opera's. Daarbij nam hij zich voor om het bijkans heilig verklaarde libretto van Armide dat door Lully definitief tot een opera was gemaakt opnieuw op muziek te zetten zonder de tekst aan te passen. Hoewel Gluck steun ondervond van de Franse keizerin Marie Antoinette (u weet wel, van de guillotine) was de ontvangst van Armide maar matig, hoewel het zeker geen echec was. 

Waarom zowel Lully als Gluck een opera hebben gebaseerd op dit libretto is toch wel een tikkeltje verrassend. Want het verhaal van de tovenares Armide die haar doodsvijand Renaud in de val lokt om vervolgens verliefd op hem te worden, hem te betoveren om dat gevoel wederzijds te krijgen en toch nog in haat vervalt omdat Renaud niet oprecht van haar houdt en uiteindelijk net te laat is om hem daadwerkelijk verliefd op haar te krijgen en in wanhoop eindigt, is een tikkeltje bizar. Het grote aantal (niet te zake doende!) bijrollen maakt het er allemaal niet beter op. Gelukkig heeft Gluck dit rare verhaal prachtig op muziek gezet, maar dramatische diepgang is er natuurlijk niet bij. Gluck bij een ongeluk is het ook dat De Nederlandse Opera voor het eerst samenwerkt met regisseur Barrie Kosky die samen met Katrin Lea Tag (decor en kostuums) een inventieve, spectaculaire en op gezette momenten grappige enscenering neerzet. Kosky zet een enscenering neer die zowel de dorheid van de gevoelens van Armide (een woestijn) als de buitenissige vrolijkheid van haar aan triomfen gewende volk (een boomrijke waterpartij) verenigt. Door inventief (en spectaculair!) gebruik van confetti wordt de scheidslijn tussen deze twee werelden gemarkeerd. Her en der wat naakt en een (echt) paard op het toneel maken het af.

Overtuigende Armide
Onbetwiste ster van Armide is Karina Gauvin die vol overtuiging de titelrol voor haar rekening neemt. Ze wordt ondersteund door stuk voor stuk goede uitvoeringen van de overige rollen. Dit alles met medewerking van het immer voortreffelijke Koor van De Nederlandse Opera dat in de regie van Kosky ook de nodige dramaturgie ten tonele voert. Een uitdaging die het koor met overtuiging oppakt. Het kan niet anders dan dat de laatste uitvoeringen van Armide de puntjes op de i zetten en daarmee is het zonder meer een aanrader om nog een kaartje te bemachtigen. 

'Armide' is nog te zien op 20, 24 en 27 oktober 2013. Kaarten bestellen kan hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 17 oktober. 

De trailer van 'Armide' van De Nederlandse Opera:

De renaissance van Riccardo Chailly: 'Brahms: The Symphonies' door het Gewandhausorchester o.l.v. Riccardo Chailly

© Decca

Riccardo Chailly en zijn Gewandhausorchester werpen zich vol passie op de symfonieën van Brahms en vormen daarmee een welkome aanvulling op de catalogus. 

Wat is het toch met de symfonieën van Beethoven, Brahms, maar ook Mahler dat vrijwel iedere dirigent de onbedwingbare neiging voelt zijn interpretieve duit in het zakje te doen? En hoewel je nooit te veel Beethoven, Brahms of Mahler in je collectie kunt hebben, zijn er toch talrijke pogingen geweest die veel kwalificaties genieten behalve dat ze een toevoeging zijn op de catalogus.

Een kleine twee jaar na zijn goed ontvangen Beethoven-cyclus presenteert Riccardo Chailly (1953) een cyclus van de symfonieën van Johannes Brahms (1833-1897). Dit terwijl Chailly als toenmalig chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest (1988-2004) ook al een Brahms-cyclus opnam. Gezien de kwaliteit van de Brahms-opnames in omloop en het feit dat Chailly zelf al zijn steentje heeft bijgedragen, kan afgevraagd worden waarom Decca het nodig achtte om nogmaals met Chailly in Brahms te duiken. 

Muzikaal feestje
Bij het horen van de eerste omineuze maten van Brahms' Eerste Symfonie is alle twijfel als sneeuw voor de zon verdwenen. Want luisterend naar de lyrische, urgente en transparante interpretatie van Chailly en zijn Gewandhausorchester uit Leipzig kan alleen maar geconcludeerd worden dat deze nog het nodige te zeggen had over Brahms en dat succesvol doet. Want de dirigent verzorgt van iedere symfonie een prachtige uitvoering die met passie gespeeld wordt door zijn Gewandhausorchester waar hij al jaren successen mee beleeft. Daar waar de meeste 'concurrenten' drie cd's nodig hebben voor de symfonieën van Brahms, passen ze bij Chailly – mede door het gekozen tempo – op twee schijfjes, met een derde cd vol allerhande muzikale bonbons van Brahms. Chailly kiest daarbij, net als zijn concurrenten, voor de bekende Tragische Ouvertüre en de Akademische Festouvertüre, enkele Hongaarse Dansen (Nrs. 1, 3 en 10) en de Variationen über ein Thema von Jos. Haydn. Omdat de derde cd geen symfonie bevat, pakt Chailly uit met het toevoegen van een tweetal voor het eerst opgenomen Intermezzo's (Nrs. 116 en 117) alsmede de door hemzelf georkestreerde versie van een negental Liebeslieder-Walzer. Ten slotte – afgekeken van zijn eedere cd Mendelssohn Discoversies – is voor de liefhebber nog een alternatieve opening van de Vierde Symfonie en de originele premièreversie van het Andante van de Eerste Symfonie toegevoegd. En zo maakt Chailly het muzikale feestje compleet.

Vertrouwen
De dames en heren van muzieklabel Decca hebben hun vertrouwen in Chailly bevestigd gezien. Een bevestiging overigens van de verbintenis tussen Chailly en Decca die al enkele decennia stand houdt. Riccardo Chailly is daarmee een van de weinige hedendaagse dirigenten die kan bogen op een structurele verbintenis met een groot muzieklabel als Decca. Een samenwerking die inmiddels een uitgebreide discografie telt, variërend van de muzikale heilige drie-eenheid Bach, Beethoven en Brahms tot de 20ste-eeuwse muzikale hogepriesters Mahler, Schönberg en Sjostakovitsj. Een label dat bij Chailly bij zijn vertrek van het KCO volgde, waarmee het KCO voor het eerst labelloos was en aangewezen op het huislabel RCO Live. 

Opvallend is overigens dat, hoewel Chailly de nodige successen vierde bij het KCO, het nooit helemaal het grote succes werd waarop vantevoren was gerekend. Na zijn afscheid in 2004 heeft het niet voor niets tot vorig jaar geduurd voordat Chailly weer op de bok stond voor het Amsterdamse orkest (klik hier voor de recensie). In de tussentijd heeft hij zich geworpen op de samenwerking met het eminente Gewandhausorchester dat onder zijn leiding de ene na de andere prachtopname aflevert. Daarbij schuwt Chailly het experiment niet, gezien zijn heerlijke Gershwin-cd met jazzpianist Bollani uit 2011. Een samenwerking die afgelopen concertseizoen nog leidde tot het leukste concert van dat jaar. 

Zonder twijfel zijn Riccardo Chailly en het Gewandhausorchester een winnende combinatie en is deze Brahms-cyclus een welkome aanvulling op de collectie van een ieder wiens hart bij die eerste befaamde maten van Brahms' Eerste Symfonie net wat sneller gaat kloppen.

Een voorproefje van de Eerste en Tweede Symfonie van Brahms door Riccardo Chailly en het Gewandhausorchester:


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

dinsdag 15 oktober 2013

Bitterzoet familiedrama: 'Snoepreis' van Victor Meijer



In Snoepreis wordt de lezer meegetrokken in de fantasiewereld van de jonge Boris waarin snoep de pijnlijke realiteit van een familiedrama maskeert.

Familiedrama’s zijn wellicht van alle tijden, maar de afgelopen jaren zijn ze zichtbaarder dan ooit. Een ouder die het leven van zijn of haar eigen kind ontneemt – vaak als endgame van een (vecht)scheiding – is volstrekt onvoorstelbaar en misschien wel het meest wrede wat mensen elkaar kunnen aandoen.

In Snoepreis van Victor Meijer (1975) – toneelschrijver, dichter, illustrator van kinderboeken en schrijver – kruipt de lezer in het hoofd van de in het boek leeftijdloze Boris die met zijn (Spaanse) moeder naar Spanje vlucht voor zijn Nederlandse vader na een scheiding gone awry.

Hoewel Snoepreis niet fataal eindigt, komen alle elementen van een scheiding en het familiedrama dat daarmee gepaard gaat in alle hevigheid naar voren. Een hevigheid die overigens wordt gemaskeerd door de keuze van Meijer om het verhaal volledig vanuit het perspectief van Boris te vertellen.

Deze Boris is een wonderlijke jongen wiens leeftijd, maar ook uiterlijke kenmerken voor de lezer verborgen blijven. Hoewel een vlucht uit Nederland gepaard gaat met grote twijfel bij hemzelf wie van zijn ouders nou daadwerkelijk schuld is aan het drama van de scheiding, is hij vooral bezig met snoep: het verkrijgen (door geld te stelen) en in grote hoeveelheden eten ervan. Daarbij is de Spaanse ‘lekkernij’ Phoskitos (zie foto) zijn absoluut favoriete snoep. Door zijn moeder wordt hij niet tegengehouden, sterker nog: snoep is een substituut om Boris aan haar te binden en daarmee een steentje bij te dragen aan de vergiftiging van de relatie met zijn vader. Een vader die aanspraak kan maken op de volledige voogdij van Boris en één van de redenen waarom zijn moeder op de vlucht is geslagen. En tijdens deze vlucht laat de moeder geen moment onbenut om zijn vader in een kwaad daglicht te zetten en daarmee Boris voor haarzelf te houden. Een vlucht die overigens ondersteund wordt door allerlei louche types waarmee moeder – die emotioneel niet al te stabiel over komt – het bed in duikt om in onderdak te voorzien.

Het aardige aan de keuze van Meijer voor het vertelperspectief is dat de lezer om twee manieren op het verkeerde been wordt gezet. De verteller Boris leeft in zijn eigen fantasiewereld waardoor de lezer nooit volstrekt zeker kan zijn wat de ‘waarheid’ van het boek is. Op bepaalde momenten is het duidelijk dat de fantasie van Boris leidend is, maar soms juist ook weer niet. De diverse elementen van de scheiding, de (gewelddadige) aanleiding tot het vertrek van Boris en zijn moeder dringen op momenten door in de fantasiewereld en schetsen daarmee de omvang van het familiedrama. Tegelijkertijd maskeert de focus van Boris op snoep en zijn fantasie de bitterheid van zijn situatie, waardoor de ernst ervan later maar daardoor wel harder op de lezer overkomt.

Een ding is wel zeker: de liegende, stelende en zich volvretende Boris is hard toe aan ouderlijke begeleiding en – gezien de enorme hoeveelheden snoep die hij van zijn moeder krijgt en zelf verkrijgt – een dieet.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

zondag 6 oktober 2013

Terminale vertraging: 'Maar ik ben al thuis' van Elmer Schönberger



Elmer Schönberger blijft in Maar ik ben al thuis na een veelbelovend begin jammerlijk steken.

Op zijn website afficheert Elmer Schönberger (1950) zich als ‘schrijver, componist, musicoloog’. Bij het lezen van zijn nieuwste boek Maar ik ben al thuis is dat goed te merken. Schönberger kruipt in de huid van de alleenstaande muziekkopiist Ysbrand wiens geordende leven een dramatische wending neemt wanneer bij hem een dodelijke ziekte wordt geconstateerd en hij slechts nog een korte tijd te leven heeft. Dit brengt Ysbrand ertoe zijn leven radicaal om te gooien en te genieten. In deze ommezwaai komt Schönberger de componist en musicoloog om de hoek kijken. Ysbrand geniet met volle teugen van muziek en weet zelfs de stap te maken naar de componist met wie hij voor zijn herziene leven nauwelijks een band had: Gustav Mahler. De beschrijvingen van diens muziek door Ysbrand zijn raak getroffen. Evenzo treffend is Ysbrands ontdekking van de iPod. Luisterend naar zijn iPod ontdekt hij zijn thuisstad Amsterdam en krijgt iedere wijk in zijn beleving zijn eigen compositie c.q. soundtrack.

Ontgoocheling
Na deze muzikale omzwervingen neemt Schönberger de schrijver het verhaal weer over en volgen we Ysbrands zoektocht naar een partner. Via e-Dating krijgt dit vorm en al snel belandt Ysbrand in Mexico City waar zijn ontmoeting met de Mexicaanse Xuxu al snel een ontgoocheling blijkt. Bij de terugkeer naar Nederland knapt er iets bij Ysbrand en besluit hij zijn boarding pass te verscheuren en zich in de vertrekterminal te vestigen.

In dit niemandsland bouwt Ysbrand zijn nieuwe (beperkte) leven op en wordt het hele verhaal van zijn ontmoeting met Xuxu uit de doeken gedaan. Tegelijkertijd wordt de lezer geconfronteerd met zijn herinneringen aan zijn eerste en enige liefde Suus.

Zodra de schrijver Schönberger het verhaal overneemt van de componist en musicoloog, zakt het boek flink weg. De ‘avonturen’ van Ysbrand op het vliegveld verlopen in een tergend traag tempo en worden onderbroken door de flashbacks naar Xuxu en Suus. En hoewel deze vertelvorm al eerder succesvol is toegepast, doet het niets voor het verhaal dat Schönberger wil vertellen. De lezer blijft doorlezen in de verwachting dat het verhaal een ontwikkeling gaat doormaken, maar de lezer blijft – gelijk Ysbrand op het vliegveld van Mexico City – steken in een verhaal dat rustig stationair doorpruttelt.

Beproeving
Hoe meer het verhaal vordert hoe minder de lezer wordt aangespoord om door te lezen. Hoewel het boek nog geen 230 pagina’s telt, lijkt het veel langer en is het doorlezen op sommige momenten echt een beproeving en wordt de eindeloosheid van Ysbrands verblijf in de vertrekterminal (te) inzichtelijk. Een onverwacht einde met een ‘levensbericht’ over Suus zonder afronding van het verhaal van Ysbrand leidt slechts tot meer bevreemding.

Maar ik ben al thuis kan daarom moeilijk een succes genoemd worden. Het is Schönberger aan te raden het onderwerp van zijn volgende boek in verband te brengen met de componist en musicoloog Schönberger, want het beperkte deel van het boek dat hiermee in verband staat, schreeuwt om meer. De rest helaas niet.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.