zaterdag 12 november 2011

'Een nieuwer testament' van Hella S. Haasse


Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik tot dit boek nog nooit iets van Hella Haasse (1918-2011) had gelezen. Ook niet tijdens mijn middelbare schooltijd waar Mulisch et al wel vol in de aandacht stonden. Zoals zo vaak leidt het overlijden van een schrijver tot een run op diens boeken. Bij het overlijden van Hella Haasse op 29 september jl. was ik geen uitzondering op die trend en kocht ik het boek 'Een nieuwer testament'. Wellicht een vreemde keuze omdat Haasse vooral bekend staat om haar 'Indië'-romans zoals het overbekende Oeroeg. De keuze voor mijn Haasse-première was ingegeven door de uitspraak van Haasse zelf die 'Een nieuwer testament' haar lievelingsboek noemde. Een andere reden was de thematiek: de geloofsstrijd tussen de heidenen en door de staat gesanctioneerde Christenen in de nadagen van het (West-)Romeinse Rijk. Nadagen waarin Rome in 410 fataal was geplunderd door de Visigoten en het voormalige heidense geloof van het Rijk met wortel en tak werd uitgeroeid ten faveure van het Christendom.  Hoewel het nog tot 476 zou duren voordat het West-Romeinse Rijk defintief zou vallen, was het einde met deze inval onomkeerbaar ingezet. Een einde dat overigens niet voor het Oost-Romeinse Rijk, met als hoofdstad Constantinopel, gold: deze zou als Byzantijns Rijk nog tot 1453 voortduren waarna Constinopel viel en hernoemd werd tot Istanbul.

Het boek, in slechts drie hoofdstukken verdeeld, handelt over een proces tegen heidense Romeinen in Rome op 5 en 6 juli 417. De hooggeplaatste Marcus Anicius Rufus, zijn vrouw en vier vrienden worden ervan beschuldigd heidense rituelen te hebben beoefend in tegenspraak met het geloof van het Rijk: het Christendom. De magistraat die de zaak behandelt, Hadrianus, wordt in de loop van de zaak geconfronteerd met een zwerver betrokken bij deze zaak: Niliacus. Niliacus is niemand minder dan de (werkelijk bestaande) Claudius Claudianus die hij tien jaar daarvoor heeft verbannen en in een verder verleden in relatie tot elkaar stonden als bijna vader en zoon. Dit leidt tot een aantal herinneringen waarbij het verleden van Hadrianus en Claudius Claudianus almaar duidelijker wordt. Beide zijn geen waarlijke Romeinen, maar Egyptenaren die zich in de Romeinse maatschappij hebben genesteld zonder ooit volledig geaccepteerd te zijn. De carrière van Hadrianus is tot het proces voorspoedig verlopen: een waardig onderdeel van het Romeinse establishment. Claudius Claudianus' carrière als dichter kwam tot een hoogtepunt onder, de nog zittende, keizer Honorius en diens voogd en feitelijke machthebber, de semi-barbaarse (!), Stilicho. In die periode werden zijn gedichten hoog aangeslagen wat zelfs leidde tot een standbeeld.  De verwijdering tussen Stilicho en zijn pupil leidt uiteindelijk tot de kiem van de verbanning van Claudius Claudianus terwijl Stilicho uiteindelijk ter dood veroordeeld wordt door Honorius. Uiteindelijk worden Rufus c.s. veroordeeld even zoals Niliacus/Claudius Claudianus. Hadrianus beslist hem echter te pardonneren en in een laatste gesprek vertelt hij Claudius de waarheid: hij is niet als slaaf naar Rome gekomen, zijn eigenaar (tevens zijn grootvader, zonder dat Claudius hiervan wist) heeft hem in zijn testament vrijheid geschonken. Daarop schrijft Claudius een testament gericht aan zijn grootvader die hij als zijn vader beschouwt en pleegt vervolgens zelfmoord. Het boek eindigt met de schijnbare val van Hadrianus wiens besluit om Claudius te pardonneren hem fataal wordt.

Bovenstaande is een poging om het verhaal bondig samen te vatten, maar doet het boek geen recht. Het boek laat zich niet zo makkelijk samenvatten en Haasse zelf, in haar argumentatie om aan te geven waarom zij dit haar beste boek achtte, geeft dit goed weer: 'Een nieuwer testament, waar ik van 1962 tot 1966 aan gewerkt heb, is mijn tot nu toe misschien meest ambitieuze poging tot het uitbeelden van een ingewikkelde samenhang (...) Ik vind dat het beste boek dat ik geschreven heb, omdat het in beknopt bestek ontzettend veel mededelingen geeft. Je kunt het boek niet navertellen, dat wordt een hopeloze kluwen. Dit is typische een boek dat je lezen moet.' Daarbij komt overigens dat het boek prachtig geschreven is, een handelsmerk van Haasse. Ondanks dat het boek een kleine hondervijftig pagina's telt, is het geen makkelijk boek, mede ook door de wisselende perspectieven: hoofdstuk 1 en 3 worden verteld vanuit de alwetende verteller terwijl hoofdstuk wordt verteld door Claudius en meer inzicht geeft in zijn verleden. Het toenmalige Algemeen Handelsblad schreef in een recensie 'haar schildering van Rome is zo voortreffelijk dat men ondanks de grote tijdsafstand het gevoel krijgt er zelf in rond te lopen'. Ik kan dit onderschrijven, maar ook die recensie is tijdsgebonden aan de periode waarin het boek uitkwam: de zestiger jaren. Huidige generatie lezers zullen, net als ik, wel eens moeite hebben om het boek tot in de finesses te volgen. Maar een goedgeluimde poging om het boek te doorgronden, maakt het boek, met het lezen van de laatste blazijde en daarmee begrip voor het hele verhaal, meer dan de moeite waard.

woensdag 9 november 2011

Concert 8 november 2011: Duits-Oostenrijkse pracht in het Concertgebouw


Brahms: Piano Concert Nr. 1
Bruckner: Symfonie Nr. 3 (versie 1877)

Lars Vogt, piano
Marc Albrecht, Nederlands Philharmonisch Orkest
Concertgebouw, Amsterdam

Het land van de Aldi en de Lidl weet ook op het gebied van dirigenten zorg te dragen voor een goede prijs/kwaliteit-verhouding. Met het aantreden van de Duitse dirigent Marc Albrecht bij De Nederlandse Opera werd deze tevens dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest (NedPhO) en het Nederlands Kamerorkest. Dat is overigens niet zo vreemd aangezien het NedPhO vaak optreedt als begeleidend orkest van De Nederlandse Opera (DNO). Sinds zijn spectaculaire vertolking van Die Frau Ohne Schatten bij DNO is Albrecht een grote belofte. Een belofte die hij met zijn eerste optreden als nieuwe DNO-chef met een verpletterende Elektra waarmaakte. Deze Strauss-opera heb ik, in tegenstelling tot Die Frau, wel bijgewoond, dus is er geen sprake van 'hear say'. De recensie lees je hier. Het symfonisch repertoire moest er natuurlijk ook van komen en gisteren was het zover: een uitvoering van het eerste pianoconcert van Johannes Brahms (1833-1897) en de derde symfonie van Anton Bruckner (1824-1896).

Met veel plezier trok ik gisteren wederom naar Amsterdam om, op de dag dat ik 31 werd, plaats te nemen in de Grote Zaal van het Concertgebouw klaar voor een avond van Duits-Oostenrijkse pracht. En ik werd zeker niet teleurgesteld. Vanaf de eerste noot van het pianoconcert van Brahms was duidelijk dat Albrecht een zeer energieke en 'begeisterde' dirigent is die zijn energie op het orkest over weet te brengen. Daarbij houdt Albrecht overigens wel van een flink tempo. Zowel het pianoconcert als de derde symfonie van Bruckner werd in een steviger tempo genomen dan normaal. Hierover later meer.

Het eerste pianoconcert van Brahms hebben we te danken aan de vriendschap van Brahms met Clara en Robert Schumann die hem stimuleerden om, naast kamermuziek, pianomuziek en liederen, ook orkestmuziek te componeren. We mogen het echtpaar Schumann dankbaar zijn, want de twee pianoconcerten van Brahms zijn hoogtepunten uit het symfonische repertoire. Het tweede pianoconcert hoorde ik vorig seizoen al bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest met achter de piano Emanuel Ax. De recensie vind je hier. Voor het eerste, in eerste instantie niet goed ontvangen, pianoconcert van Brahms zat de Duitse pianist Lars Vogt achter de piano. Blijkens de programmatoelichting is Vogt dit seizoen 'artist-in-residence' bij het NedPhO en dat was te merken. Er was een duidelijke connectie tussen dirigent, solist en orkest wat zorgde voor een prachtige energieke uitvoering die de zaal positief stemde.

Na de pauze was het de beurt aan Albrecht alleen met de derde symfonie van Bruckner, overigens één van mijn favoriete Bruckner-symfonieën. Sowieso staat Bruckner, naast Mahler, zeer hoog bij mij aangeschreven. Hoewel de composities van Bruckner, wiens oeuvre (gelijk Mahler!) vrijwel alleen uit symfonieën bestaat, nog wel eens last hebben van 'ongemakkelijke' overgangen is er sprake van zo'n rijke klankkleur dat gesproken mag worden van kathedralen van muziek. Daarbij is ook duidelijk te horen dat Bruckner tevens organist was: ondanks de enorme aantallen orkestleden wordt er vaak unisono gespeeld wat doet denken aan een orgel. Het effect is niet mis te verstaan. Wat bij Bruckner overigens ook altijd gemeld moet worden is dat hij, nog veel meer dan Brahms, vreselijk onzeker was en elke kritiek zich erg aantrok wat vaak leidde tot (ingrijpende) herzieningen van zijn symfonieën. De bekende Weense criticus Eduard Hanslick was zijn voornaamste kwelgeest. Dit heeft ertoe geleid dat van een groot aantal van Bruckner's symfonieën diverse versies in omloop zijn. Daarbij zijn er twee samenstellers die de toon zetten: Nowak en Haas. De grote Bruckner-dirigenten hebben allemaal hun eigen voorkeur. Daarbij heeft de (overleden) dirigent George Tintner er zelfs een sport van gemaakt om voor Naxo met het Ireland National Symphony alle oerversies op cd te zetten. Albrecht koos voor de oerversie van de derde: die uit 1877. Deze versie was volgens Mahler de enige goede versie en schijnt de versie te zijn waarbij zeker vast te stellen is dat Bruckner achter alle noten stond. De derde symfonie van Bruckner is overigens opgedragen aan Bruckner's idool: Richard Wagner. Bruckner toog naar Bayreuth om de Meester de partituren van de afgeronde tweede symfonie en de incomplete versie van de derde symfonie te tonen met de vraag welke Wagner aan zichzelf wenste opgedragen te zien. Het werd de derde. De versie voor de 1877-versie, die nooit in première is gegaan, bevatte allerhande citaten van Wagner's werk, maar die zijn uiteindelijk allemaal verwijderd. Dit gegeven en het opdragen van de symfonie aan Wagner hebben ertoe geleid dat ook vaak wordt gesproken over de 'Wagner-symfonie'.

Zoals eerder gezegd is Albrecht een energieke dirigent. Heel anders dan zijn voorganger bij het NedPhO, de afgelopen jaar vroeggestorven Yakov Kreizberg die met militaire precisie zijn orkest leidde. Naast de hoge energie houdt Albrecht van een flink tempo. Met name bij de derde van Bruckner was sprake van een fors tempo dat afwijkt van de normale uitvoeringen. Grote voordeel hiervan is dat de spanningsboog van de symfonie fors toeneemt en je op het puntje van je stoel laat zitten. Bruckner-symfonieën kun je nu eenmaal in veel snelheden spelen. Albrecht lijkt daarbij Haitink te volgen in zijn eerste Philips studio-opname  met het Concertgebouworkest van de achtste symfonie van Bruckner: ongekend snel, maar toch erg goed. Nadeel is wel dat zowel bij de achtste van Haitink en nu de derde van Albrecht 'verrommeling' op de loer ligt. Uiteindelijk ging het zonder al te veel ongelukken gepaard, maar moesten bijvoorbeeld de strijkers alle zeilen bij zetten om het geweld bij te houden. Een iets lager tempo was ook prima geweest en had wellicht het majestueuze karakter van deze symfonie meer onderstreept. Op dit punt van kritiek na was het een mooie avond en is het duidelijk dat Nederland met Marc Albrecht een erg goede dirigent rijker is.

zondag 6 november 2011

'Rebecca' van Daphne du Maurier


'Last night I dreamt I went to Manderley again' is de fameuze openingszin van 'Rebecca' van Daphne du Maurier (1907-1989). Het is een gothische roman, voor het eerst uitgegeven in 1938, verteld vanuit het perspectief van de naamloze Mrs. De Winter. Zij is de tweede vrouw van Maxime de Winter en vertelt van haar ontmoeting met Maxime, hun trouwen en verblijf op het voorvaderlijke landhuis van de De Winters: Manderley. Het verhaal van Mrs. De Winter wordt gedomineerd door een figuur die al overleden is, maar haar aanwezigheid is onontkoombaar: de formidabele eerste 'Mrs. De Winter': Rebecca.

Zoals vaker met (oudere) boeken heb ik 'Rebecca' gekocht na het zien van de filmversie door één van mijn favoriete regisseurs Alfred Hitchcock. 'Rebecca' is één van zijn vroege films en is uitgekomen in 1940: slechts twee jaar nadat het boek voor het eerst is uitgegeven. Dat is ook niet zo vreemd aangezien 'Rebecca' meteen een groot (verkoop)succes was. Gaandeweg de jaren is daar de communis opinio bijgekomen dat het één van Du Maurier's beste werken is. En dat is ook niet zo gek: 'Rebecca' is een knap geschreven gothische thriller in het schilder- doch spookachtige zuiden van Engeland (hoogstwaarschijnlijk Cornwall) met de mysterieuze aanwezigheid van de eerste 'Mrs. De Winter' wiens dood al snel in een ander daglicht komt te staan. Met knap geschreven bedoel ik overigens ook dat ondanks de hoge leeftijd van het boek, deze niet ouderwets aan doet. Zowel in schrijfstijl als in thematiek. Natuurlijk zijn er bepaalde elementen in de wijze van leven die wijzen op een periode uit een wat verder verleden, maar het verhaal zou net zo goed jaren later kunnen spelen dan nu het geval is.

Het verhaal begint met het (tweede) echtpaar De Winter dat zich gevestigd heeft in Europa en een voor de buitenwacht treurig voorspelbaar bestaan leidt in de betere Europese hotels. Al snel gaat de verteller, de eerste Mrs. De Winter, terug in de tijd: naar de eerste ontmoeting met Maxime in Monte Carlo waar zij als gezelschapsdame van een (typische) Amerikaanse welvarende vrouw, Mrs. Van Hopper, in hun hotel de bekende Maxime De Winter ontmoeten. Zijn bekendheid hangt vooral samen met zijn indrukwekkende voorvaderlijke landhuis, Manderley, en het gegeven dat zijn eerste vrouw een jaar daarvoor tragisch om het leven is gekomen door verdrinking. De vonk tussen de (veel jongere) toekomstige Mrs. De Winter, haar naam wordt nooit genoemd, maar wel wordt aangegeven dat haar naam vreemd is, en de middelbare Maxime slaat over. Ze trouwen ter plekke en Mrs. De Winter verlaat Mrs. Van Hopper om met Maxime intrek te nemen in Manderley. Eén van de thema's van het boek is dat de nieuwe Mrs. De Winter, door haar jonge leeftijd en betrekkelijk mindere afkomst, zich onzeker voelt. Het verblijf op Manderley maakt het niet beter: ze wordt daar continu geconfronteerd met de geest van Rebecca. Het wordt niet nagelaten door deze en gene, maar vooral door de huishoudster - de diabolische Mrs. Danvers - tevens hartsvriendin van Rebecca, om dit flink te benadrukken. De twijfel neemt alleen maar verder toe door de afstandelijkheid van Maxime van wie zij denkt dat hij nog steeds verliefd is op Rebecca.

Gaandeweg het verhaal wordt er steeds meer duidelijk over Rebecca en de omstandigheden van haar dood. Aangezien het verhaal behoorlijk bekend is, kan ik - zonder in details te treden - de hoofdlijnen prima verraden. Zeker in het licht dat dit boek geen detective is, maar juist een 'gotische' schets van een huwelijk dat overvleugeld wordt door de geest van de eerste 'Mrs. De Winter'. De afstandelijkheid van Maxime komt niet voort uit liefde voor zijn eerste vrouw, maar de haat die hij koestert tegen haar en het geheim dat hij meetorst: hij heeft haar vermoord. Met deze wetenschap lijkt Mrs. De Winter haar nieuwe huwelijksleven toch prettig in te kunnen gaan, zonder overigens dus een oordeel te vellen over de daad van haar man, ware het niet dat Rebecca toch nog roet in het eten gooit. Tijdens een schipbreuk, Manderley ligt aan de ruige Zuid-Engelse kust, wordt het zeilschip van Rebecca gevonden met haar lijk in de cabine. Dit terwijl Maxime enkele weken na haar dood een ander gevonden lichaam had geïdentificeerd als zijn vrouw. Dit leidt tot een onderzoek dat Maxime in eerste instantie vrijpleit en de dood van Rebecca toeschrijft aan zelfmoord (door zichzelf op te sluiten in haar zeilboot en deze te laten zinken), maar een latere tussenkomst van de neef (en minnaar!) van Rebecca, Jack Favell, leidt tot een verdachtmaking van Maxime. Uiteindelijk lost het zichzelf op doordat duidelijk wordt dat op de laatste dag van haar leven Rebecca bij een dokter op bezoek was die haar moest melden dat ze nog maar enkele weken of maanden te leven had. Zo wordt het oordeel van zelfmoord bevestigd en lijkt het erop of Mr. en Mrs. De Winter eindelijk kunnen starten aan een gelukkig huwelijk. Bij terugkeer, midden in de nacht, naar Manderley lijkt de morgenstond al vroeg gekomen te zijn. In werkelijkheid staat, door tussenkomt van Favell en Mrs. Danvers, Manderley in lichterlaaie: 'But the sky on the horizon was not dark at all. It was shot with crimson, like a splash of blood. And the ashes blew towards us with the salt wind from the sea'.