dinsdag 30 mei 2017

The Legacy, Seizoen 3: Een finale beschikking


Voor de derde en laatste keer zijn Gro, Frederik, Emil en Signe weer terug. De bijzondere Deense familie wiens leven nog altijd wordt gedomineerd door de laatste wilsbeschikking van mater familias Veronika. Een dramatische gebeurtenis in The Legacy doet de nieuw gevonden harmonie op haar grondvesten schudden, maar uiteindelijk vindt de familie Grønnegaard rust met elkaar én hun omgeving.  

In de prachtige laatste scene van het derde en laatste seizoen van The Legacy (in het Deens: Arvingerne) zijn de kinderen van kunstenares Veronika Grønnegaard voor het eerst echt samengebracht in het uitvoeren van een kunstwerk van de artistieke zus Gro. Samen met de mensen uit het naburige dorp, waar de verhoudingen tot voor kort allesbehalve hartelijk waren, komt de serie tot een afronding op een positieve noot. Een definitieve afronding want wat verklaart anders de aanwezigheid van de inmiddels jaren daarvoor overleden mater familias Veronika die met haar (spirituele?) aanwezigheid lijkt aan te geven dat het goed is. Een aanwezigheid die minder gek lijkt dan het klinkt aangezien Veronika een dominante kracht is geweest in het wel en wee van haar familie. Een bijzondere familie waarbij de twee broers Frederik en Emil samen met hun zus Gro samen opgegroeid zijn hoewel ze twee verschillende vaders hebben. Wanneer Veronika overlijdt, blijkt er een vierde kind te zijn dat na haar geboorte ter adoptie is opgegeven en in het naburige dorp is opgegroeid. Niet zoals haar broers en zus in het artistieke en ietwat wereldvreemde milieu van Veronika, maar in een regulier dorps leven dat draait om de sporthal en handbal. Deze Signe wordt door de dood van Veronika en haar testament opeens onderdeel van een andere familie en blijkt ook nog eens aan het langste eind te trekken in de familiestrijd om het landgoed Grønnegaard. Het knappe aan het eerste seizoen van The Legacy was dat het een compleet andere serie betrof dan eerdere series van de Deense staatsomroep DR zoals The Killing en Borgen en daarmee een eigen stem heeft als familiedrama. 

Dreiging
Een eigen stem die zonder meer succesvol is en zich – zeker in het eerste seizoen – niet te buiten ging aan onnodige dramatiek om het geheel lekker smeuïg te maken. De dramatiek kwam voort uit de veranderende familieverhoudingen door de komst van Signe en de afwikkeling van de nalatenschap in combinatie met het vinden van een eigen stem in het post-Veronika-tijdperk. Het knappe daarbij was dat er altijd wel een gevoel van naderend onheil zich manifesteerde zonder ooit echt tot uiting te komen. In het tweede seizoen was de erfenispap weliswaar gestort maar was het aan de familie om hiermee in het reine te komen en tot een normaal leven te komen. In het tweede seizoen werd – in markante tegenstelling tot het eerste seizoen – juist het melodramatische karakter flink aangezet waarbij eenzelfde gevoel van naderend onheil niet alleen aanwezig was, maar zich juist vertaalde in een aantal schokkende gebeurtenissen. Dit alles leek samen te komen in een soort vergelijk waarbij het de vraag was of een derde seizoen nog van toegevoegde waarde zou zijn. 

Eindelijk een familie
Het derde seizoen kenmerkt zich door het volledig ontbreken van de dreiging die de eerste twee seizoenen zo markeerde. Desalniettemin voltrekt zich in de eerste afleveringen een dramatische gebeurtenis die gek genoeg wel impact heeft op de familie en daarmee het verloop van de rest van het seizoen zonder allesoverheersend te worden. Dit laatste seizoen meandert daarom veel meer dan de vorige seizoenen, maar rondt tegelijkertijd de bijzondere karakters die de familie Grønnegaard vormen af en leidt daarmee uiteindelijk tot een weliswaar saaier maar desalniettemin bevredigend einde van dit familie-epos. Een epos waarbij de kunstzinnige Gro de brug naar een nieuwe generatie kunstenaars wil slaan, waaronder haar eigen nichtje Hannah. Haar vader Frederik – nogal altijd het gewicht van de wereld op zijn schouders torsend – is na een lange periode in de Verenigde Staten waar hij als advocaat grote successen viert, teruggekeerd om de band met zijn familie weer aan te halen. Signe ploetert voort met haar naïeve en soms ergerlijke idealisme om biologisch te boeren zonder ook maar een greintje begrip te tonen voor de gemeenschap om haar heen. De verwende Emil daarentegen is volwassen geworden en heeft de zorg op zich genomen van zijn jonge stiefzusje Melody en blijkt een verbindende schakel binnen de familie én de gemeenschap waar de familie onderdeel van is te zijn. Voor nieuwkomers zal dit allemaal als abracadabra voorkomen, maar volgers van The Legacy weten waarschijnlijk genoeg. Hoewel niet het beste seizoen van dit familiedrama brengt het meer dan genoeg closure voor de vele fans van deze bijzondere serie over een markante maar ook bij tijd en wijle strontvervelende hippiefamilie. 

Foto: Lumière


Het derde en laatste seizoen van ‘The Legacy’ is in april op DVD verschenen en wordt – net als de eerste twee seizoenen – door Lumière uitgegeven. Een Blu-ray versie is ditmaal niet beschikbaar. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.


zondag 21 mei 2017

Verongelijkt in het paradijs. 'Heren van de thee' van Hella Haasse


In Heren van de thee verlaat Hella Haasse de fictieve wereld van Nederlands-Indië en stort zij zich op het werkelijke leven van Nederlanders 'in de Oost'. In het bijzonder het leven van Rudolf Kerkhoven en zijn thee- en kinineplantages in Gamboeng. Een prachtige historische roman die je laat wegdromen in de natuurpracht van Indonesië en laat verwonderen over het bijzondere - in alle betekenissen van het woord - leven van de Nederlanders daar. 

De hernieuwde kennismaking met het werk van Hella Haasse leidde eerder tot het achtereenvolgens lezen van en schrijven over Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders. Met name Sleuteloog maakte grote indruk en leidde ertoe om een andere roman over Nederlands-Indië te lezen: Heren van de thee. In markante tegenstelling tot Oeroeg (1948) en Sleuteloog (2002) is het in 1992 uitgegeven Heren van de thee een historische roman met wortels in de realiteit. Het is het levensverhaal van Rudolf Kerkhoven die - in lijn met zijn (prominente) Nederlands-Indische familie - naar Gamboeng vertrekt om daar een bestaan op te bouwen in thee en later ook kinine. Deze Rudolf Kerkhoven is niet de vrucht van de fantasie van Haasse, maar heeft daadwerkelijk bestaan. Hoewel nadrukkelijk een historische roman heeft Haasse zich gebaseerd op het familiearchief en geeft daarmee een bijzondere inkijk in het leven van Nederlanders in het voormalig Nederlands-Indië. Van de eerste dag in 1873 tot de laatste dag in 1918 verhaalt Haasse over de verbondenheid van Rudolf Kerkhoven met het fascinerende land. Natuurlijk komt ook de periode tussen 1869 en 1873 waar de jonge Rudolf zich gereed maakt voor zijn vertrek en bezoeken tussendoor aan het vaderland, maar centraal staat het leven in en rondom Gamboeng. Een leven dat enerzijds bol staat van de indrukwekkende natuurpracht van het leven aldaar, maar ook de vaak kleinzerigheid van relaties tussen mensen en binnen families die net zo vervelend kunnen zijn in een Vinexwijk als een sprookjesachtige omgeving zoals Indonesië.

Eigen schuld of tegenwerking?
Want continu knaagt er iets bij Rudolf. Zijn ouders hebben Ardjasari, een plantage in de Preanger op Java maar lijken de jonge Rudolf telkens te weerhouden om zijn bestaan daar op te bouwen. Wanneer hij uiteindelijk de reis naar Nederlands-Indië onderneemt, kan hij niet wachten tot het weerzien met zijn ouders en daarmee zijn nieuwe leven. De verrassing is daarom groot wanneer hij eerst uitgebreid zijn intrek dient te nemen bij de (aangetrouwde) familie en zo Batavia leert kennen. In de Nederlandse beau monde leert hij zijn toekomstige vrouw kennen, de in de kolonie geboren Jenny Roosegaarde Bisschop. Wanneer hij dan eindelijk zijn toekomst tegemoet gaat, blijkt dat hij een andere plantage in Gamboeng moet bestieren. Weliswaar prachtig gelegen, maar ook afgelegen het succesvol uitventen van een theeplantage vraagt veel van Rudolf. Met Jenny en een toenemend aantal kinderen - waar helaas de dood niet afwezig is -maakt hij het beste ervan en is - althans in zijn ogen - succesvol. Wanneer het voor zijn ouders en dan met name zijn vader tijd is om de teugels over te geven, is het zijn broer August die er met de hoofdprijs vandoor gaat. Tegelijkertijd raakt Rudolf steeds meer in onmin met zijn (aangetrouwde) familie die tevens deels aandeelhouder zijn van Gamboeng. Het aparte aan Heren van de thee is dat Haasse de verschillende perspectieven de revue laat passeren en het niet noodzakelijkerwijs zo is dat het duidelijk is of Rudolf niet zo goed is als hij zelf denkt te zijn of dat er sprake is van (actieve?) tegenwerking. Die spanning kleurt deze historische roman, maar maakt het uiteindelijk ook lastig om helemaal op te gaan in het karakter van Rudolf. Want is het een aansteller of een hardwerkende man wiens succes hem niet gegund wordt?

De liefde voor Nederlands-Indië
Deze ambiguïteit geldt overigens niet voor de liefde die de hoofdrolspelers (en overduidelijk Haasse als schepper van Heren van de thee) voor Nederlands-Indië voelen. Juist ook de wijze waarop Haasse de wereld van toen én de natuurpracht beschrijft, maakt dat Heren van de thee zo geslaagd én gelaagd is. Er is overigens ook wel wat kritiek geweest op het feit dat Haasse in deze roman alleen maar oog heeft voor de koloniale kant en amper voor de oorspronkelijke inwoners zelf. Hoewel die kritiek op zich te begrijpen is, is dit het verhaal van Rudolf Kerkhoven dat symbool staat voor talloze Nederlanders die hun geluk zochten in die nieuwe wereld. Juist die ontzettend Nederlandse verhoudingen in een tropisch klimaat en de verbondenheid met de weidse natuurpracht maken Heren van de thee tot een bijzondere historische roman. Een roman die ook duidelijk maakt waarom het graf  van Rudolf Kerkhoven in Gamboeng ligt, de plek van zijn dromen en decepties, maar uiteindelijk zijn plek.  

Lees hier 'Driemaal Hella Haasse: Sleuteloog, Fenrir en Huurders en onderhuurders'.

In 1992 verscheen 'Heren van de thee' van Hella S. Haasse bij Querido. Het boek is in diverse drukken en als eBook verkrijgbaar. Deze recensie is gebaseerd op de 56e licht herziene druk uit 2008 in de serie hardcover-edities van het Verzameld Werk van Haasse waar Querido in 2006 mee startte. 

zaterdag 20 mei 2017

Intense 'Parade' van het NDT kruipt onder je huid


Nederlands Dans Theater
Parade

Crystal Pite: The Statement
Crystal Pite: Parade

NDT1
Zuiderstrandtheater, Den Haag

Net als vorig seizoen sluit het Nederlands Dans Theater af met een intens programma dat onder je huid kruipt. Ook dit maal spelen clowns een hoofdrol, maar in tegenstelling tot Clowns komt de intensiteit van het avondvullende programma Parade tot uiting in een oorlogstheater én de perverse bureaucratische werking van damage control. Vrolijk is anders, indrukwekkend des te meer. 

Over smaak valt te twisten, maar kunst is pas succesvol wanneer het je op de een of andere manier raakt. Door te interesseren, emotioneren of anderszins. Twee producties tijdens het vorige seizoen van het Nederlands Dans Theater (NDT) wisten overtuigend te raken. Het verontrustende Clowns van choreograaf Hofesh Shechter waarin de euforie van een groep clowns – bij voorbaat al naargeestig - omslaat in geweld tegen het individu of groepen van individuen. Met als gevolg een verontrustende en hypnotiserende spiraal van geweld en euforie die nog lang na denderde in je hoofd. Enkele maanden daarvoor maakte The Statement van Crystal Pite evenzo indruk. Ditmaal stond de druk van een vergadering die een gezamenlijke verklaring moest opleveren centraal. Een verklaring met als doel om ‘the situation’ te bezweren zonder ooit duidelijk te maken wat het voorval inhield. Als onderdeel van het avondvullende tweeluik Parade is The Statement in de reprise gegaan. Een reprise waar duidelijk wordt het gecreëerd is als partnerstuk van het in 2013 in première gegane Parade dat speciaal voor dit programma is vernieuwd en het tweeluik compleet maakt.

Spreken door dans
De Canadese Crystal Pite (1970) is sinds 2008 associate choreographer bij het NDT en brengt met Parade niet alleen een avondvullend programma, maar een programma dat volledig één is. Dus ditmaal geen één of meerdere pauzes tussendoor, maar bijna anderhalf uur een hoogmis ter ere van de oprichter van het dansgezelschap Kidd Pivot. Terwijl het net een jaar geleden is dat The Statement in première is gegaan, is het geweldig om deze (nu al) klassieker opnieuw opgevoerd te zien. Maar is de euforie nog steeds zo groot nu het verrassingselement verdwenen is? Die verrassing bestond er vooral uit dat een op voorhand moeizaam uitgangspunt zo fascinerend uitpakt. Ga maar na: de choreografie is gebaseerd op een vergadering die tot doel heeft tot een gezamenlijke verklaring om de schade van een niet nader geduid voorval te beperken. Een choreografie op slechts de gesproken tekst van auteur en theatermaker Jonathan Young minimaal ondersteund door muziek van Owen Belton. De heerlijk bureaucratisch-absurdistische teksten als “I’m here to get a statement explaining how your department acted independently’. ‘It’s the only way forward’ en ‘We were tasked with making this conflict. We were tasked’ worden door de vier dansers door hun bewegingen bijna letterlijk gesproken. Een surrealistische ervaring die bij de herneming en zonder het verrassingselement nog even sterk en bijzonder is en daarmee een compleet eigen plek neemt binnen het repertoire van het NDT. 


Conflict als oorlogstheater
De combinatie met de vernieuwde versie van Parade lijkt op het eerste gezicht vreemd. The Statement speelt zich af in een volledig steriele wereld van bureaucratie en het afschuiven van schuld terwijl Parade een conflict tussen twee culturen in een grensgebied als uitgangspunt neemt. Een conflict tussen een groep clowns en een fanfareband. Een ontlading van geweld die start en eindigt met een eenzame clown die aan het begin van Parade uit een tentje onder een sterrenhemel kruipt en een Portugese fado zingt. Steeds meer clowns komen uit het tentje dat een eerbetoon lijkt te zijn aan de klassieker om zoveel mogelijk clowns in een Mini te krijgen. De opbouw van hun wereld wordt ruw verstoord door de komst van een fanfareband en een verbeten strijd is het gevolg. Symboliek is daarbij nooit ver weg en Pite creëert een realistische doch mystieke wereld door bijvoorbeeld rubberen kippen te laten dansen en een oplichtende hamerhaai letterlijk de revue te laat passeren. Ergens halverwege verschijnt een anonieme figuur die met de stem van Jonathan Yooung wel erg bekende zinnen uitkraamt. Dan wordt het duidelijk dat het conflict uit The Statement (“We were tasked with making this conflict”) het conflict tussen de clowns en de fanfareband betreft. Wat volgt is een variatie op The Statement maar dan wel absurdistisch aangezien ditmaal de uitvoering geschiedt door een poppentheater. Zo creëert Crystal Pite niet alleen haar eigen karakteristieke stijl, maar door de combinatie en correlatie van deze twee werken een op zichzelf staande wereld die het publiek er steeds verder in trekt. Een wereld waar dans overigens niet altijd dominant is en wellicht voor liefhebbers van de dans van het NDT tot wat vraagtekens leidt, maar desalniettemin een grote impact heeft en daarmee zo onder je huid kruipt. Een programma dat niet voor de faint-hearted is, want vrolijk is anders. Maar wel een voorbeeld van succesvolle kunst, kunst die raakt. 

Foto: Nederlands Dans Theater


Het NDT1-programma ‘Parade’ bestaat uit de choreografieën ‘The Statement’ en ‘Parade’ van associate choreographer Crystal Pite en toert van 18 mei t/m 15 juni 2017 door heel Nederland. Deze recensie is op basis van de première op 18 mei in het Haagse Zuiderstrandtheater.

zondag 7 mei 2017

Concert 28 april 2017: Twee violisten, één vioolconcert in Edinburgh


Scriabin: Rêverie
Prokofjev: Vioolconcert Nr. 2
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 6 Pathétique

Sergej Krylov (viool)
Nikolaj Znaider, Royal Scottish National Orchestra
Usher Hall, Edinburgh

Het Royal Scottish National Orchestra bracht met overtuiging een volledig Russisch programma. Niet in de laatste plaats door dirigent Nikolaj Znaider en violist Sergej Krylov voor wie deze muziek een tweede natuur is. En dat Znaider met name bekend staat als eminente violist en minder als dirigent, leidde tot spanning vooraf maar pakte uiteindelijk bijzonder goed uit. 

Bewondering kan het beste uit iemand halen, maar ook verlammend werken. Tussen deze hoop en vrees leefden Sergej Krylov en publiek in de aanloop naar het concert van het Royal Scottish National Orchestra (RSNO) in hun thuisbasis Usher Hall in Edinburgh van vrijdag een week geleden. Want het RSNO werd geleid door Nikolaj Znaider. Znaider is sinds 2010 actief als dirigent, maar staat toch vooral bekend als eminent en veelgevraagd violist. De Deens-Israelische Nikolaj Znaider won in 1997 het prestigieuze Koning Elisabeth Concours en kan bogen op een indrukwekkende discografie. En net als Jaap van Zweden heeft Znaider ervoor gekozen om zich als dirigent te manifesteren. In tegenstelling tot de aankomende dirigent van het New York Philharmonic blijft hij daarnaast gewoon optreden als solist. Dit tot grote bewondering van Bill Chandler, de concertmeester van het RSNO. In de pre-concert talk was Chandler lyrisch over de gastdirigent van het RSNO. Zeker omdat Znaider nog niet zo lang daarvoor gesoleerd had bij de Wiener Philharmoniker en zijn volgende klus als solist al weer wachtte. Diezelfde bewondering kwam terug in de bijdrage van Sergej Krylov (1970) die ook even zijn opwachting maakte bij het voorprogramma. De zeer aimabele Krylov maakte duidelijk dat ondanks het feit dat Znaider een jongere violist is hij hem als een mentor ziet en zeer onder de indruk is van zijn kunnen. En hoewel beide violisten goed met elkaar over weg kunnen, legde dit natuurlijk wel een lichte hypotheek op de uitvoering van Prokofjev's Vioolconcert Nr. 2. Want hoeveel ruimte heb je nog als solist wanneer de dirigent het stuk waarschijnlijk beter kent dat jijzelf? Toch was die vrees niet heel gegrond aangezien de concertmeester van het RSNO duidelijk maakte dat het orkest zeer onder de indruk is van de muzikaliteit en de techniek van Krylov. Belangrijker is misschien wel de vraag of een uitmuntende solist ook automatisch tot een goede dirigent leidt. 

Onbekend terrein
Znaider koost voor zijn Schotse primeur als dirigent voor een volledig Russisch programma met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski. Het bleek ook een primeur voor het orkest te zijn, want Rêverie, het allereerste orkestrale werk van de minder bekende Russische componist Alexander Scriabin (1872-1915), bleek volledig onbekend terrein te zijn voor de dames en heren van het RSNO. Het stuk hadden ze niet eerder gehoord of gespeeld. Dat viel overigens niet op in de puike uitvoering die Znaider bij het orkest ontlokte. Daarmee maakte dit korte werk meteen duidelijk dat Znaider geen onverdienstelijk dirigent is. In het Tweede Vioolconcert van Sergej Prokofjev (1891-1953) maakte hij duidelijk dat hij die avond de dirigent was en niet de solist. In dit Vioolconcert laat Prokofjev zijn melodieuze kant zien, maar vraag t tegelijkertijd veel van de solist. De woorden van de concertmeester van het RSNO bleken spot on te zijn aangezien Krylov indruk maakte met de uitvoering van dit vioolconcert. Een muzikale genegenheid tussen dirigent en solist was evident en zorgde voor een uitstekende uitvoering van dit technisch moeilijke concert. Liefhebbers van de Romantische pracht van bijvoorbeeld het Vioolconcert van Tsjaikovski zullen dit werk wellicht minder waarderen, maar een belangrijk werk voor viool is het zeker. Krylov bleek niet alleen de sympathie, maar ook de waardering van het Schotse publiek te hebben en trakteerde op een heerlijk toegift: Caprice Nr. 24 van Paganini (zie ook de YouTube hieronder van een eerdere uitvoering door Krylov). 

Volbloed Russisch  
Na de pauze stond Znaider er helemaal alleen voor met Tsjaikovski's overbekende Zesde Symfonie, de Pathéthique. Hoewel niet volledig melancholisch, is de typering - van de hand van de broer van Tsjaikovski - zonder meer toepasselijk. Niet in de laatste plaats omdat Tsjaikovski enkele dagen na de premiere van dit werk in 1893 stierf. Dat laat onverlet dat het werk veel momenten van triomfalisme kent, met name het opzwepende derde deel. In de pre-concert talk gaf Bill Chandler al aan dat het niet ongebruikelijk is dat de mars van dit deel leidt tot applaus bij het publiek en juichte dit vooral toe. Zijn woorden bleken niet aan dovemansoren gericht aangezien in Usher Hall na het einde van dit derde deel her en der zeker applaus te horen viel. Het weerhield Znaider er niet van om door te stomen naar het vierde en laatste deel dat - heel ongebruikelijk voor een symfonie - in een treurig maar zeer emotioneel adagio eindigt. Hoewel het RSNO natuurlijk niet behoort tot de beste orkesten ter wereld, werd er deze avond puik en met overtuiging gespeeld. En dat was te danken aan twee grote solisten wier muzikaliteit en techniek het orkest inspireerden en waarbij Znaider toonde een verdienstelijk dirigent te zijn met groot gevoel voor (Russische) muziek. 

Sergej Krylov in diens Paganini-toegift (bij een ander concert):


Wekelijks concerteert het Royal Scottish National Orchestra in thuisbasis Usher Hall in Edinburgh. Op 27 april 2017 voerde het RSNO - onder leiding van Nikolaj Znaider en met medewerking van violist Sergej Krylov - een volledig Russisch programma uit met werken van Scriabin, Prokofjev en Tsjaikovski uit. 

zaterdag 6 mei 2017

Star Wars: de vertrouwde terugkeer van Thrawn


In de donkere jaren na de eerste Star Wars-trilogie wist sciencefiction-schrijver Timothy Zahn de Star Wars-fans te verblijden met een verhalenreeks rondom de ingenieuze Grand Admiral Thrawn. Een karakter dat ongekend populair werd, maar door de komst van The Force Awakens opeens geen onderdeel meer uitmaakte van de officiële Star Wars-continuïteit. Met Thrawn wordt die fout hersteld en blijkt de terugkeer van Thrawn meer dan vertrouwd. 

Een waarschuwing vooraf. Alles wat nu volgt is een onbeschaamd juichverhaal over de bijdrage van Timothy Zahn aan het Star Wars-universum van een diehard Star Wars-fan. Heb je niks met Star Wars ga dan vooral iets anders lezen. Maar heb je ook maar enige affiniteit met het universum van George Lucas bereid je dan voor op een geweldig weerzien met één van de meest fascinerende karakters in het Star Wars-universum. Een karakter dat – tragisch genoeg – door het succes van The Force Awakens naar een galactisch verdomhoekje leek te zijn verwezen. De prequel-trilogie – The Phantom Menace, Attack of the Clones en Revenge of the Sith - was helaas een wisselend succes waarbij alleen het derde deel een beetje in de buurt kwam van de originele trilogie. Met hulp van J.J. Abrams is met het superieure The Force Awakens de filmfranchise nieuw leven ingeblazen en is een nieuwe stortvloed aan nieuwe Star wars-films en andere initiatieven gaande. Het evenzo succesvolle Rogue One is daar een prachtig voorbeeld van. 

Van Expanded Universe naar Star Wars Legends
Om het Star Wars-vuur tussen de oorspronkelijke trilogie en de prequels brandend te houden, ontstond een uitgebreide canon aan Star Wars-verhalen. Met de overname van Lucasfilm door Disney kwam niet alleen de ruimte om een nieuwe trilogie te filmen, maar werd tegelijkertijd – nogal rigoureus – besloten om deze zogeheten Expanded Universe los te koppelen van de officiële Star Wars-canon en slechts onder de noemer van Star Wars Legends te continueren, maar feitelijk uit te faseren. Dit betekende het einde van Grand Admiral Thrawn, één van de belangrijkste en populairste karakters uit de Expanded Universe. Gelukkig heeft Thrawn zijn rentree gemaakt. Eerst via de nieuwe animatieserie Star Wars Rebels waar hij in het recente derde seizoen zijn opwachting heeft gemaakt, maar nu ook door een nieuw boek over Thrawn van de hand van de meester zelf: Timothy Zahn. 

De introductie van Thrawn
In 1991 maakte Thrawn, de buitenaardse militaire strateeg met de felle rode ogen en blauwe huid voor het eerst zijn opwachting. Het was namelijk de start van de meesterlijke Thrawn-trilogie van de hand van sciencefiction-schrijver Timothy Zahn (1951). Heir to the Empire (1991), Dark Force Rising (1992) en The Last Command (1993) vinden plaats vijf jaar na Return of the Jedi. Het Keizerrijk is verslagen en de voormalige rebellen – waaronder natuurlijk Luke Skywalker, Leia Organa Solo en Han Solo – besturen de Nieuwe Republiek. Gevaar dreigt echter door de restanten van het Keizerrijk die worden aangevoerd door één van de legendarische door de Keizer aangestelde Grand Admirals waarvan gedacht was dat deze militaire topstrategen allemaal gedood of opgepakt waren. Daarbij werd buiten de enige buitenaardse Grand Admiral gerekend: Thrawn. De trilogie was zo meeslepend dat hordes fans – waaronder deze - lange tijd hoopten dat juist deze trilogie de basis zou vormen van een derde serie Star Wars-films. Zahn wist daarbij de aandacht voor Thrawn levend te houden door een tweedelige Hand of Thrawn-cyclus die bestond uit Specter of the Past (1997) en Vision of the Future (1998) die plaats vinden vijf jaar na de Thrawn-trilogie. In enkele andere verhalen van Zahn zou Thrawn wederom zijn opwachting maken, waaronder in de verhaallijn van de geweldige PC-game Tie Fighter. Die verhalen waren – op Tie Fighter en het boek Outbound Flight (2006) na - meestal van mindere kwaliteit, maar de kracht van het personage bleek onverminderd. 

De comeback van Thrawn
Thrown met zijn eerdere 'Watson': Kapitein Pellaeon
Met de opwachting van Thrawn in Star Wars Rebels en nu Thrawn maakt deze fan favorite zijn comeback binnen de formele canon. En hoe! Timothy Zahn’s Thrawn kent een andere opzet dat zijn andere Thrawn-boeken. Hoewel er een rode draad zit in het boek mist het een centraal avontuur dat de Star Wars-films én de eerdere Thrawn-boeken karakteriseert. Thrawn is vooral een origin-verhaal en de beschrijving van de coming of age van onze geniale vriend met de rode ogen. Thrawn speelt zich af tussen Revenge of the Sith en A New Hope en sluit af net voor de gebeurtenissen van Star Wars Rebels. In Thrawn wordt hij niet alleen geïntroduceerd, maar volg je zijn carrière die uiteindelijk uitmondt in zijn benoeming tot Grand Admiral. Het verhaal beslaat daarmee vele jaren waardoor een echte spanningsboog van één compact avontuur ontbreekt. Dit lijkt een tegenvaller en maakt het boek soms wat fragmentarisch. Toch is juist de geslaagde plaatsing van Thrawn binnen het nieuwe Star Wars-universum één van redenen waarom het boek – met name voor Star Wars-fans in het algemeen en Thrawn-adepten in het bijzonder – zo aansprekend is. Want Zahn heeft het voor elkaar gekregen om de terugkeer van Thrawn volledig vertrouwd te laten voelen. Het karakter is grotendeels hetzelfde waardoor deze Thrawn herkenbaar is binnen zowel de nieuwe Star Wars-canon als de Star Wars Legends en zo een link tussen beide universums biedt. Het origin-verhaal is – met een twist – nog altijd hetzelfde: Thrawn wordt door officier Voss Parck gevonden op een planeet in de zogenaamde Unknown Regions en teruggebracht naar de Keizer op Coruscant waar de carrière van Thrawn start. Ook het achtergrondverhaal dat zijn thuiswereld – de Chiss Ascendancy – zich opmaakt voor een allesbepalende strijd tegen een groot gevaar voorbij de Unknown Regions is intact gebleven. Net zoals zijn oorspronkelijke Chiss-naam Mitth'raw'nuruodo. 

Het genie van Thrawn wordt pas duidelijk wanneer hij gekoppeld is aan een soort pupil. Een Watson voor zijn Holmes. In de oorspronkelijke trilogie was dit kapitein Pellaeon. Die rol is nu weggelegd voor een ander interessant karakter: ensign Eli Vanto. Net zoals Thrawn is hij afkomstig ver buiten de kernwerelden van het Keizerrijk en wordt dus – in iets mindere mate aangezien hij niet buitenaards is – net als Thrawn met de nek aangekeken in het racistische Keizerrijk. Zijn carrière loopt samen met Thrawn op en in de avonturen die zij meemaken blijkt op de achtergrond de mysterieuze misdadiger c.q. rebel Nightswan een grote rol te spelen. 

Door dit alles is de terugkeer van Thrawn vooral een vertrouwde terugkeer en biedt het perspectief op nieuwe boeken met Thrawn in de hoofdrol. Het blijft een groot gemis dat de Thrawn-canon na Return of the Jedi eigenlijk niet meer telt en dus ook nooit meer basis kan zijn voor een nieuwe filmreeks, maar dat Thrawn toch weer onderwerp is van nieuwe verhalen maakt veel goed. 

Op 11 april is ‘Thrawn’ van Timothy Zahn verschenen bij Century. Een Nederlandse vertaling staat (vooralsnog?) niet in de planning. Tevens beschikbaar als eBook. Deze bespreking is deels gebaseerd op een eerdere blog over de fascinatie voor Thrawn en is tevens verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.