zondag 25 september 2016

Opera 18 september 2016: Mozart's Figaro (gelukkig) rechttoe rechtaan én vol humor


De Nationale Opera
Le Nozze di Figaro
(Wolfgang Amadeus Mozart, 1756-1791)

Alex Esposito, Figaro
Christiane Karg, Susanna
Eleonora Buratto, La Contessa di Almaviva
Stéphane Degout, Il Conte di Almaviva
Marianne Crebassa, Cherubino
Katharine Goeldner, Marcellina
Umberto Chiummo, Bartolo

David Bösch (regie), Patrick Bannwart (decor)
Eentje Nielsen (kostuums), Olaf Winter (licht)

Koor van De Nationale Opera
Ivor Bolton, Nederlands Kamerorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam


De nieuwe rechttoe rechtaan productie van de Nationale Opera onderstreept nog maar eens waarom Mozart's Le Nozze di Figaro zo vaak wordt opgevoerd. Door een kluchtige aanpak die verrassend humoristisch uitpakt, tekent regisseur David Bösch - geholpen door vooral de vrouwelijke solisten en het uitstekende Nederlands Kamerorkest - voor een plezierige uitvoering van deze klassieker. 

Een nieuwe productie van een klassieke opera is voor ieder operahuis altijd een heikele onderneming. Want wanneer trouw wordt gebleven aan het oorspronkelijke werk klinkt al snel het verwijt van conservatisme. Daarentegen heeft een moderne invulling het risico dat muziek en beeld niets meer met elkaar te maken hebben  waarmee afbreuk wordt gedaan en daardoor afbreuk doet aan de reden van een productie: het werk zelf. De Metropolitan Opera in New York - waar je bij wijze van spreken nog Vikinghelmen in Wagner's Ring tegenkomt - is een voorbeeld van het eerste. Onze eigen Nationale Opera is wat avontuurlijker ingesteld, maar weet in de regel een goede balans te vinden tussen eerbied voor het werk en de noodzaak om diepere lagen én een nieuw publiek voor opera aan te boren. Het feit dat het gezelschap zich mag tooien met de onderscheiding Opera Company of the Year 2016 én - ondanks de hoge toegangsprijzen - kan bogen op veelal uitverkochte zalen maakt duidelijk dat die meer avontuurlijke strategie de juiste is. Dit laat onverlet dat ook De Nationale Opera (en haar voorganger De Nederlandse Opera) wel eens een steekje laat vallen. Zo leek het op voorhand een goed idee om de drie Da Ponte-opera's van Mozart (Le Nozze di Figaro, Don Giovanni en Così fan tutte) in één duidelijke stijl - die van Jossi Wieler en Sergio Morabito - te ensceneren. Dit zou uiteindelijk Ingo Metzmacher - de chef van de toenmalige Nederlandse Opera - fataal worden. Na de première van die versie in 2007 en de herneming in 2011 heeft De Nationale Opera ervoor gekozen om de opera's opnieuw te ensceneren, maar ditmaal niet vanuit één visie. Het eerste resultaat hiervan was afgelopen seizoen te zien met een Don Giovanni waarbij de hoofdpersonen door regisseur Claus Guth letterlijk het bos in werden gestuurd. Een enscenering die ver af stond van het oorspronkelijke werk, maar wonderwel goed werkte en daardoor de vloek van 'het beddenpaleis' (de bijnaam van de vorige enscenering) ontliep. Dit seizoen staat de eerste van de opera's gebaseerd op een libretto van Lorenzo da Ponte op het programma: Le Nozze di Figaro. Een opera waarvan regisseur David Bösch juist kiest voor een rechttoe rechtaan productie die alle ruimte geeft aan de solisten én daarmee het werk zelf. 

Het Theater van de Lach van John Lanting
In een aantal recensies van deze nieuwe enscenering klonk enige teleurstelling door over deze aanpak, maar juist daarom werkt deze uitvoering zo goed. Le Nozze di Figaro is bovenal een klucht waarbij een kluwen aan personages en onderlinge relaties gediend is bij een heldere enscenering wil het publiek het spoor niet bijster te raken. Hoewel gebaseerd op Le Mariage de Figaro van Pierre Beaumarchais is het maatschappijkritische karakter - mede met het oog op de toen geldende censuur in het Habsburgse Wenen - ingeruild voor een romcom avant la lettre. Centraal staat het aanstaande huwelijk van Figaro en Susanna. Beide tortelduifjes zijn in dienst van de graaf en gravin van Almaviva. De graaf is een ongegeneerde womanizer die gaandeweg spijt krijgt van het opgeven van het aloude 'recht van de eerste nacht', terwijl zijn vrouw almaar ongelukkiger wordt door het gedrag van haar man van wie zij - ondanks alles - toch nog houdt. Tegelijkertijd is er ook voor Figaro een kaper op de kust in de vorm van Marcellina die hem geld heeft geleend op voorwaarde van een huwelijk. Zij wordt ondersteund door Doktor Bartolo die weer een amoureus verleden met haar heeft. Een verleden dat gaandeweg de opera duidelijk wordt en weer impact op Figaro heeft. Dan is er ook nog de jongensachtige page Cherubino (gezongen door een vrouwelijke sopraan) die menig vrouwenhart sneller doet kloppen en daarmee de toorn van de graaf over zich heeft afgeroepen. Hoewel de verwikkelingen vier aktes nodig hebben en een gemiddelde Nozze ruim drie uur duurt, is het werk van Mozart perfect in balans. Een balans die gedijt bij de interpretatie van David Bösch en de uitvoering door De Nationale Opera. Een uitvoering die bij tijd en wijle doet denken aan het Theater van de Lach van John Lanting. En klucht in de waarachtige zin van het woord dus. 

Vrouwen aan kop
Een eenvoudige 'rommelige' enscenering geeft de solisten én het libretto alle ruimte en krijgt daarbij opvallend hoorbaar de lachers op de hand. Een niet alledaags verschijnsel bij het publiek van Nationale Opera & Ballet. Het helpt daarbij dat de teksten van Da Ponte ook ruim twee eeuwen later tot de verbeelding spreken, maar ook de uitstekende komische timing van de solisten. Opvallend daarbij is overigens wel dat de vrouwelijke solisten - met de gravin van Eleonora Buratto en Marianne Crebassa's Cherubino voorop - duidelijk beter zingen dan de mannelijke. Hoewel Stéphane Degout's graaf zakkerig genoeg is om geloofwaardig te zijn en het bekoort dat de Figaro ook daadwerkelijk niet onknap is, zijn personage komt onvoldoende uit de verf. Zoals gebruikelijk bij Mozart-opera's door De Nationale Opera is het Nederlands Kamerorkest weer present om op lichtvoetige, maar overtuigende wijze de prachtige muziek van Mozart tot leven te wekken. Ze worden daarbij meer dan adequaat geleid door gastdirigent Ivor Bolton die hevig gesticulerend maar desondanks met genoeg precisie zijn wensen aan het orkest weet over te brengen. Dat Bösch trouw blijft aan Da Ponte en Mozart betekent overigens niet dat hij ook volledig kiest voor de Habsburgse mores van die tijd. Want - zoals verwacht mag worden bij een opera buffa - eindigt het voor eigenlijk alle betrokkenen in een happy end. Zelfs dus voor de vervelende graaf die wordt teruggenomen door de gravin. Dat laat Bösch niet helemaal over zijn kant gaan: de gravin zet hij van haar meest geëmancipeerde kant  neer door haar in de slotscène - met behulp van een jachtgeweer - de graaf te laten zien wie de baas is. En ook de invulling van beroepsroddelaar Don Basilio die als een roze versie van Ad 'Toppop' Visser het podium betreedt en onmiddelijk plaats kan nemen bij RTL Boulevard laat zien dat een getrouwe weergave tevens uiterst modern kan zijn. 

De Nationale Opera verzorgt - o.a. via de eigen Facebook-pagina - een livestream van de laatste uitvoering van 27 september die tevens daarna nog zes maanden hier terug te zien is. 



Van 6 t/m 27 september 2016 voert De Nationale Opera 'Le Nozze di Figaro' uit met medewerking van het Nederlands Kamerorkest onder leiding van gastdirigent Ivor Bolton. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 18 september. 

zaterdag 24 september 2016

Verslavende grauwheid: Gomorra, Seizoen 2


Het tweede seizoen van de realistische serie over de Camorra is zo mogelijk nog grauwer en rauwer dan het eerste seizoen. Na de val van de familie-Savastano is het aan een nieuw machtsblok, de Alliantie, om Napels uit te wringen. Hoewel Gomorra geen moeite doet om nieuwe kijkers er bij te houden, de expliciete grofheid nieuwe dieptepunten bereikt en het tweede seizoen misschien niet zo goed is als het eerste is het evenzo verslavend. 

Napels is niet meer wat het geweest is. Recent werd namelijk bekend dat de laatste van de bekende zeilvormige Le Vele-gebouwen gesloopt gaan worden. Deze gebouwen dienen zowel in de fictie van de Maffia-serie Gomorra als de realiteit van de Camorra als achtergrond voor allerhande misdadige ellende. Niet alleen architectonisch zijn er grote veranderingen gaande in de derde stad van Italië. Waar de oude orde van de Camorra grotendeels verdwenen is, wordt diens plaats ingenomen door tieners die – in tegenstelling tot hun voorgangers – al helemaal geen grenzen of een bepaalde vorm van ‘beroepsethiek’ (ahum) kennen. Zo konden lezers van de Volkskrant een tijd geleden een reportage uit Napels lezen waar duidelijk werd dat 19-jarige gastjes bendes leiden en even gewelddadig aan hun einde komen als voorheen. Maar met als verschil dat de kans nu groter is dat er tegelijkertijd (nog meer) onschuldige slachtoffers vallen. Deze regime change is terug te zien in het tweede seizoen van de Italiaanse misdaadserie Gomorra. In het spannende, rauwe en grauwe eerste seizoen volgden we de teloorgang van de machtige familie-Savastano. Aan het einde van dat seizoen was de gebroken Godfather Pietro Savastano net ontsnapt uit de gevangenis terwijl zijn voormalige rechterhand Ciro de macht overnam en en passant Savastano Jr. (Genny) neerschoot. Een nieuw tijdperk voor het criminele Napels kondigde zich al aan.

En door!
Het tweede seizoen pakt naadloos de draad op waar het eerste seizoen bleef hangen. Genny ligt in een coma in het ziekenhuis, zijn vader is op de vlucht en Ciro – ‘de Onsterfelijke’ – veegt de scherven bij elkaar om zijn macht veilig te stellen. Een dramatische gebeurtenis in de nasleep hiervan tekent Ciro waarna de serie een sprong in de tijd van een jaar maakt. Inmiddels is de nieuwe orde onder de naam ‘de Alliantie’ aan de macht en belooft een meer ‘democratisch’ misdaadimperium te zijn dan onder de Savastano-familie. Zoals verwacht mag worden, verloopt die overgang allesbehalve soepel en zijn verraad en lafhartige moord aan de orde van de dag. Dit tegen een achtergrond van een stad die de misdaad zat is en zich – gesteund door een steeds assertievere politie – steeds meer afzet tegen de criminele heersers. Genny is inmiddels uit zijn coma ontwaakt en heeft zijn eigen lucratieve drugshandel die zich rondom Rome concentreert en dankbaar gebruik maakt van zijn Zuid-Amerikaanse contacten. Don Pietro is noodgedwongen uitgeweken naar Duitsland, maar blijft op afstand stoken in de Alliantie met als doel een terugkeer naar zijn geboortegrond. Opvallend daarbij is dat de makers geen enkele moeite doen om nieuwe kijkers ‘mee te nemen’ in de wereld van Gomorra. Je valt plompverloren in de actie van het tweede seizoen, waarbij zelfs voor enthousiaste volgers van het eerste seizoen – waaronder ondergetekende – er diep in het geheugen gegraven moet worden om alle lijntjes meteen weer te kunnen leggen. Dit terwijl de gebeurtenissen uit het verleden – zoals bij alle groepen waar ‘eer’ en (vermeend) ‘onrecht’ een belangrijke drijfveer is – voor misdadigers zoals deze zo ontzettend belangrijk zijn. 

Een nieuwe, (nog) hardere orde
Opvallend daarbij is dat het tweede seizoen de eerder genoemde realiteit schaduwt. Niet verwonderlijk voor een serie die op de werkelijkheid is gebaseerd en het gelijknamige boek van Roberto Saviano die tevens aan de wieg heeft gestaan van de gelijknamige film en deze serie. Want hoewel de tienermachtsgreep in de realiteit nog niet volledig tot Gomorra is doorgedrongen, maken de twaalf afleveringen zonder meer duidelijk dat het respect voor de oude orde iets van het verleden is. Zonder aanziens des persoons komen ook hooggeplaatste maffiosi (gruwelijk) om het leven terwijl ‘burgerslachtoffers’ ook steeds meer te betreuren zijn. Met als ongekend dieptepunt de moord op een jonge dochter van één van de leiders van de Alliantie. Belangrijk element hierbij zijn de schoffies uit ‘de Steeg’ die qua hardheid de misdadige realiteit van het huidige Napels evenaren. Juist deze hardheid maakt dat het kijken van dit tweede seizoen niet altijd een pretje is en het lijkt alsof de makers erin geslaagd zijn om de (g)rauwheid nog meer aan te zetten dan bij het eerste seizoen al sprake van was. Tegelijkertijd is de verhaallijn in dit seizoen ook iets minder interessant dan het vorige, maar dat komt waarschijnlijk ook omdat het nieuwe eraf is. De personages kennen we al, nu gaat het slechts nog om de strijd terwijl het eerste seizoen ook een inkijk gaf in een voor ons gesloten en bizarre wereld. Het succes is er overigens niet minder om want dit tweede seizoen is in Italië nog beter bekeken dan de hit die het eerste seizoen al was. Het succes is dermate dat een derde en vierde seizoen al zijn aangekondigd. Daarbij is het wel de vraag hoe het met het verhaal verder moet, want de koek lijkt met het einde van dit seizoen toch wel een beetje op. Toch is ook dit seizoen (en wellicht gaat dat ook weer voor de volgende seizoenen gelden) evenzo verslavend als het eerste en kan het zomaar leiden tot een flinke aanval van binge-watching.

Nog even terug naar de Le Vele-gebouwen: helemaal verdwijnen doet deze kenmerkende architectuur overigens niet aangezien één gebouw behouden en gaat dienen als gemeentehuis. De makers van Gomorra hoeven dus niet per se te haasten met het filmen van het derde en vierde seizoen. Het decor zal nog tot in lengte van jaren beschikbaar zijn, net als – helaas – het criminele hart van Napels. 


In de maand september is het tweede seizoen van ‘Gomorra’ exclusief verkrijgbaar bij Bol.com. Vanaf 4 oktober is de serie – uitgegeven door Lumière – overal verkrijgbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 18 september 2016

Ballet 17 september 2016: Het Nationale Ballet eert Toer van Schayk


Het Nationale Ballet
Hollandse Meesters

Toer van Schayk: Episodes van Fragmenten
Rudi van Dantzig: Vier Letzte Lieder
Hans van Manen: Adagio Hammerklavier
Toer van Schayk: Requiem

Solisten en ensemble van Het Nationale Ballet

Barbara Haveman, Machteld Baumans, Helena Rasker
Marcel Reijans, Frans Fiselier

Jeroen van der Wel (viool), Michael Mouratch (piano)
Olga Khoziainova (piano)

Toonkunstkoor Amsterdam
Matthew Rowe, Het Balletorkest
Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

In de tachtigste verjaardag van choreograaf Toer van Schayk vindt het Nationale Ballet een welkome aanleiding om de oude meester te eren. Het prachtige maar zelden uitgevoerde Requiem is de spil van het programma Hollandse Meesters waar - naast nieuw werk van Van Schayk - ook klassiekers van Rudi van Dantzig en Hans van Manen de revue passeren. Maar de show wordt - terecht - gestolen door Van Schayk's fijnzinnige creaties. 

Eigenlijk is het een tikkeltje vreemd dat het feit dat op 28 september aanstaande Toer van Schayk tachtig jaar wordt, aanleiding is voor het Nationale Ballet om een programma grotendeels aan hem te wijden. Want een werk is goed of niet en daarom de reden om deze uit te voeren. En dat het werk van Van Schayk goed is, is boven elke twijfel verheven. Want als oud-danser, choreograaf, theaterontwerper en beeldend kunstenaar is Van Schayk al meer dan een halve eeuw aan het Nationale Ballet verbonden. Het feit dat hij al die talenten combineert, maakt dat hij een grote stempel heeft gedrukt en nog altijd drukt op het beste dansgezelschap van Nederland en één van de toonaangevende ensembles in de wereld. Een stempel dat zowel modern als klassiek is aangezien Van Schayk van alle markten thuis is. Van klassiekers zoals De Notenkraker en de Muizenkoning tot meer experimenteel werk waarbij zijn liefde voor de natuur en zijn afkeer voor oorlog, milieuvervuiling en dierenleed tot uiting komt. Zo is eigenlijk ieder seizoen wel een hommage aan Van Schayk en is daarom een dergelijk programma strikt genomen niet nodig. Maar voor iemand die zo lang is verbonden aan en zoveel betekend heeft voor het Nationale Ballet is het zonder twijfel een terecht eerbetoon. Niet zonder reden start Hollandse Meesters met het filmportret Toer van Schayk om de invloed van Van Schayk inzichtelijk te maken:


Zeldzaam mooi, zelden opgevoerd
Een dergelijk eerbetoon biedt in de regel de mogelijkheid om net dat stapje meer te zetten en daarmee die (financiële) ruimte te benutten om echt uit te pakken. En met het opnieuw opvoeren van Requiem (1990) wordt die ruimte volledig benut. Want hoewel Van Schayk's creatie naar de gelijknamige mis van Mozart een absoluut hoogtepunt in zijn oeuvre is, wordt het programma zelden uitgevoerd. Dat is overigens minder gek dan het lijkt aangezien voor deze uitvoeringen tientallen dansers, een orkest, vier solisten en een koor nodig zijn. Maar zodra zij allemaal bij elkaar komen, gebeurt er iets geweldigs. Een prachtig ballet dat volledig in overeenstemming is met een mis die - ondanks dat deze pas postuum is afgerond en niet geheel van de hand van Mozart is - als één van de hoogtepunten van de muzikale geschiedenis te boek staat. De unieke samensmelting van muziek en ballet hangt samen met Van Schayk zelf die muziek van alle kunsten als de grootste ziet. Zijn diepe respect vertaalt zich in adembenemende  choreografieën voor het volledige ensemble, terwijl hij ook ruimte schept voor intieme duetten waarbij een samenspel tussen twee ballerina's verder reliëf geeft.  Daarbij bewijst het Balletorkest - ondersteund door het Toonkunstkoor Amsterdam en vier solisten - eer aan de Dodenmis van Mozart. Bijzondere is dat dit programma ruim 50 minuten duurt en de volledige muziek van Mozart benut, maar in de beleving van het publiek voorbij vliegt. Zelfs zo dat Van Manen's choreografie Adagio Hammerklavier dat hieraan voorafgaat weliswaar slechts de helft van de tijd van Requiem in beslag neemt, maar wel langer lijkt te duren.

Meer dan één Hollandse Meester
Want dat is misschien ook meteen het gekke aan dit eerbetoon. Naast werken van Van Schayk, komen ook choreografieën van Rudi van Dantzig en Hans van Manen aan bod. Dat is minder vreemd dan het lijkt aangezien Van Schayk veel met beide heren heeft gewerkt, waarbij de samenwerking met Van Dantzig heel invloedrijk geweest. En natuurlijk hebben we met deze drie heren ook daadwerkelijk de klassieke top van de Nederlandse danswereld te pakken en is daarom de titel Hollandse Meesters meer dan treffend. Hoewel in alle eerlijkheid het programma ook had kunnen volstaan zonder Van Manen's bijdrage. Adagio Hammerklavier is een prachtige hommage aan de vertraging, geïnspireerd door de langzame interpretatie van het adagio uit Beethoven's Pianosonate Nr. 29 door Christoph Eschenbach, maar in dit programma komt dit werk - hoe goed ook - het minst tot recht. Dat geldt niet voor Rudi van Dantzig's Vier Lette Lieder. Ook hier staat een postuum werk van een grote componist centraal. Ditmaal de laatste liederen van de hand van Richard Strauss die onder de noemer Vier Letzte Lieder zijn samengebracht. Net als Van Schayk weet Van Dantzig de muziek perfect tot uiting te brengen in de choreografie. Een choreografie waar een Engels des Doods verlossing in plaats van dreiging brengt voor een viertal duo's. Ook hier is muzikaal uitgepakt met begeleiding door Het Balletorkest onder de immer goede leiding van Matthew Rowe met ditmaal als toevoeging de soliste Barbara Haveman die de liederen de juist mate van pathos meegeeft. Al moet wel in alle eerlijkheid gezegd worden dat de omvang van Het Balletorkest - met wat kleine balansproblemen - weliswaar een prachtige begeleiding vormt, maar als stand alone-uitvoering zou het wat te wensen overlaten. Mede omdat de ongekende muzikale weelde als summum van een lang en groots muzikaal leven niet altijd volledig uit de verf komt. 

Oud, maar ook nieuw
Een programma als deze is niet af zonder nieuw werk. En gelukkig is Toer van Schayk nog altijd actief en is een nieuwe choreografie van zijn hand niet alleen onderdeel van het programma, maar vormt het ook de aftrap. Episodes van Fragmenten gebaseerd op Eugène Ysaÿe's Extase voor viool en piano is wederom een toonbeeld van het belang dat Van Schayk hecht aan muziek. Hoewel strikt genomen het een pas de deux betreft zijn violist Jeroen van der Wel en pianist Michael Mouratch evenzo onderdeel van de choreografie. Zelfs zo dat wanneer de muziek daartoe aanleiding geeft de aandacht naar hen uitgaat in plaats van de dansers. Hiermee ontstaat een zeer intieme choreografie die eens te meer aantoont dat Van Schayk een multitalent is die zowel het moderne als het klassieke tot in zijn vingertoppen beheerst. Lang moge hij leven!


Ter ere van de tachtigste verjaardag van Toer van Schayk voert Het Nationale Ballet 'Hollandse Meesters' op. Een programma in het teken van werk van Van Schayk (waaronder een nieuw werk) en klassiekers van Rudi van Dantzig en Hans van Manen. 'Hollandse Meesters'  is van 14 t/m 25 september 2016 te zien bij Nationale Opera & Ballet te Amsterdam.  Deze recensie is op basis van de uitvoering op 17 september. 

woensdag 14 september 2016

Klem tussen Stalin en Poetin. 'De Tsaar van Liefde en Techno' van Anthony Marra


Een schijnbaar oneindig aantal korte verhalen en nog meer personages vormen samen De Tsaar van Liefde en Techno. De Amerikaanse schrijver Anthony Marra weet op knappe wijze de verschrikkingen van het Rusland van de 20e eeuw op lichtvoetige wijze gestalte te geven. Daarbij geholpen bij verbindingen tussen de verschillende verhalen waardoor uiteindelijk één roman ontstaat die – zeker in deze tijden van Russische invloed en aanwezigheid - een welkome literaire aanvulling is. 

Ergens halverwege De Tsaar van Liefde en Techno voert Anthony Marra (1984) ons naar de troosteloze plaats Kirovsk tientallen kilometers ten noorden van de noordpoolcirkel. In de fantasie van Marra baadt een groep bejaarden in de nadagen van het Sovjet-regime in het toepasselijk genoemde Kwikmeer. Een naam die iets weergeeft van de ellendige omstandigheden die in dergelijke Russische steden heerst. Met veel historisch gevoel stelt de verteller dat ‘haar generatie was door de hel gereisd, zodat wij in het vagevuur konden opgroeien’. Een bondigere samenvatting is er niet van het leed dat de Russische bevolking – klem tussen Stalin en Poetin – is aangedaan. Via een groot aantal korte verhalen die zich vooral in Kirovsk en Tsjetsjenië afspelen, wordt die grauwheid nog eens verder uitgewerkt. Opvallend daarbij is dat Marra op geslaagde wijze een bepaald soort lichtvoetigheid weet over te brengen waardoor je niet half depressief het boek dichtslaat. Want de personages die Marra tot leven wekt intrigeren en zijn tegelijkertijd vehikel voor de grote historische ontwikkelingen in Rusland als katalysator voor het zich op de relaties die mensen onderling aangaan. 


Retoucheren van de werkelijkheid

Startpunt voor deze bundel van korte verhalen die feitelijk toch één langgerekt verhaal vormt, is de kunstenaar Roman Markin die voor het Sovjetregime in ongenade partijgenoten wegretoucheert uit schilderijen. Daarbij is hij tevens in staat om de grote leider Stalin er voordeliger uit te laten zien waardoor er gefluisterd wordt dat Stalin zelf geporteerd is van deze Markin door diens vermogen zijn wangen te laten stralen. Maar net zoals voor iedere onderdaan van het Sovjetrijk ligt ook voor Markin altijd gevaar op de loer. Een gevaar dat al tot de dood van zijn broer heeft geleid en het leven van zijn schoonzus en zijn neefje continu in gevaar brengt. Dit leidt hem tot een kleine maar zeer symbolische rebellie: het invoegen van het gezicht van zijn broer in tal van schilderijen die hij moet retoucheren. Een schilderij waar hij een ballerina moest wegwerken, brengt hem uiteindelijk in de problemen, maar juist die ballerina en het gezicht van zijn broer vormen de bron van de hele serie korte verhalen die volgen. 


De kosmos

Het aardige daarbij is dat je met enige regelmaat afvraagt wat de link is tussen de volstrekt verschillende verhalen. Niet alleen door het wisselende vertelperspectief, maar ook de verschillende tijdsperiodes en locaties die variëren van Sint-Petersburg in de jaren dertig onder Stalin tot het heden onder Poetin. En dan komt telkens een bekend personage of – nog vaker – een object zoals een schilderij van een Tsjetsjeens landschap om de hoek kijken waardoor de banden tussen de diverse verhalen steeds duidelijker en intensiever worden. Gezien het grote aantal verhalen en personages zal het daarbij ongetwijfeld zijn dat bij het herlezen je nog veel meer verbanden gaat zien. Hoewel deze aanpak voor de lezer niet altijd makkelijk is en tot enige verwarring kan leiden, is dat een klein minpunt tegenover veel pluspunten. Het enige waar Marra wat oorspronkelijker in had kunnen zijn, is het slot van De Tsaar van Liefde en Techno. Daar komt het einde net iets te mooi samen met het begin en zijn trekken van een ietwat drakerige Hollywood happy ending te ontwaren, om nog maar te zwijgen over een geestverruimend uitstapje naar de kosmos die de lezer vooral in onbegrip in plaats van vervoering achter laat. Maar ook dat is in the end een klein minpunt voor het verder zeer geslaagde tweede volwaardige boek van de hand van Marra. Het is knap dat hij op lichtvoetige wijze de ellende van het Russische volk dat eigenlijk nooit over het eigen lot heeft kunnen beschikken en zich altijd heeft gevoegd naar ‘sterke mannen’ getooid met de titel Tsaar, Secretaris-Generaal of President. 


In juni is ‘De Tsaar van Liefde en Techno’ bij De Bezige Bij verschenen. Het betreft de Nederlandse vertaling door Hein Montijn van ‘The Tsar of Love and Techno’ van Anthony Marra. Het boek is tevens als eBook beschikbaar. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

zondag 11 september 2016

De Cicero-trilogie van Robert Harris


Het leven van de Romeinse staatsman en filosoof Marcus Tullius Cicero is het bewijs dat een pen machtiger dan het zwaard kan zijn. Zijn intellect en redenaarstalent ondersteunden de Romeinse Republiek in haar donkerste dagen, maar leidden tevens tot zijn eigen ondergang. Met zijn drieluik aan romans brengt Robert Harris Cicero overtuigend en meeslepend tot leven en vestigt hij zich als een waardig opvolger van Robert ‘I, Claudius’ Graves

Dat Robert Harris (1957) – bekend van onder andere Fatherland, Enigma, The Ghost en An Officer and a Spy - een begenadigd schrijver is, mag geen verrassing zijn. Het zal daarom niet verbazen dat het grootste deel van zijn boeken verfilmd zijn of de basis vormen voor een miniserie. Zijn achtergrond als journalist en reporter klinkt door in de onderwerpen van zijn romans die vrijwel altijd een historische context hebben, zowel fictief als buitengewoon trouw aan de werkelijkheid. Zo is zijn voorlaatste boek An Officer and a Spy een getrouwe romanversie van de infame Dreyfuss-affaire die Frankrijk rondom de vorige eeuwwisseling in haar greep hield. Daarentegen is zijn Fatherland – verfilmd met in de hoofdrol onze eigen Rutger Hauer - historisch georiënteerd, maar dan wel een alternatieve geschiedenis waarbij Duitsland uit de Tweede Wereldoorlog als overwinnaar is gekomen. Zijn Romeinse roman Pompeii neemt de uitbarsting van de Vesuvius als gegeven voor een verder fictief verhaal, maar ontbrandde wel zijn interesse voor de Romeinen. Een interesse die verder versterkt werd door Rubicon, Tom Holland’s beschrijving van de nadagen van de Romeinse Republiek en de opkomst van Julius Caesar. Door Rubicon raakte Harris geïntrigeerd door één van de hoofdrolspelers uit die periode: Marcus Tullius Cicero (106 – 43 voor Christus). Cicero is de geschiedenis ingegaan als staatsman én filosoof die tijdens de turbulente periode dat de Romeinse Republiek overging in een keizerrijs een hoofdrol speelde. Een hoofdrol niet door aan het hoofd van legioenen te staan, maar door de overtuigingskracht van zijn woorden. Een periode die in de ogen van Harris zo belangwekkend en verstrekkend is geweest in de geschiedenis van de mensheid dat pas met de Tweede Wereldoorlog en de aanloop naar die allesverwoestende oorlog toe een soortgelijk kantelpunt zich heeft afgespeeld. Het heeft Harris verleid om in 2006 Imperium te publiceren, zijn eerste roman over Cicero. In 2009 verscheen het vervolg Lustrum (in de Verenigde Staten en Italië verschenen als Conspirata) en eind vorig jaar was daar het slotstuk Dictator waarvan afgelopen juni de paperbackversie verschenen is. 

Weer de opkomst en ondergang van Caesar?
Hoewel meteen bij de start van de trilogie in 2006 Robert Harris kon rekenen op lovende recensies heb ik tot zeer recent zijn Cicero links laten liggen. Want hoewel kennis over het leven van Cicero – in markante tegenstelling met zijn naamsbekendheid - nu niet bepaald gemeengoed is, speelt een groot deel van zijn leven af tijdens één van de bekendste periodes uit de wereldgeschiedenis: de opkomst en ondergang van Julius Caesar. Een onderwerp dat niet bepaald onderbelicht gebleven zowel op het vlak van non-fictie als fictie, waar misschien de uitmuntende HBO-serie Rome nog wel het meest treffende voorbeeld is en Cicero – vertolkt door David Bamber – een belangrijk personage vormde. Juist daarom heb ik de Cicero-boeken altijd aan me voorbij laten gaan, maar met het verschijnen van het derde en laatste deel Dictator ben ik gestart met Imperium. En het enige waar ik spijt van heb, is dat ik niet eerder begonnen ben aan deze magistrale trilogie. Het feit dat de ruim 1.200 pagina’s in nog geen twee weken voorbijvlogen spreekt boekdelen. Het bijzondere daarbij is dat hoewel – zeker in Lustrum en Imperium – de (over)bekende episodes uit de nadagen van de Romeinse Republiek de revue passeren Harris die juist sporadisch behandelt en zich richt op Cicero en de gebeurtenissen in zijn leven die een stuk minder bekend zijn dan de opkomst van Caesar, het eerste triumviraat (Pompeius, Caesar en Crassus), de moord op Caesar, het tweede triumviraat (Octavianus, Marcus Antonius en Lepidus) en de vestiging van het Romeinse Keizerrijk onder Augustus. Harris neemt je overtuigend mee in de mores van de Romeinse Republiek en schetst in Imperium de opkomst van de niet-aristocratische Cicero door het aanklagen van Verres, de corrupte gouverneur van Sicilië. In Lustrum bereikt Cicero zijn hoogtepunt wanneer hij tot consul verkozen wordt en tot twee keer toe de Republiek weet te redden van de opstand onder leiding van Catilina. In Dictator wordt de Republiek overschaduwd door de opkomst van Caesar die uiteindelijk eindigt in een burgeroorlog waar Cicero de (verliezende) kant van Pompeius kiest en Caesar uiteindelijk tot dictator wordt uitgeroepen om vervolgens door een grote groep senatoren in het Theater van Pompeius (dat dienst deed als Senaat nadat het oorspronkelijke gebouw uitgebrand was tijdens de opstand van Publius Clodius Pulcher, een episode die ook tot in detail in deze trilogie uit de doeken word gedaan) op de Iden van maart met tientallen messteken om leven gebracht wordt. Anderhalf jaar later wordt Cicero verpulverd in de machtsstrijd om Caesar op te volgen en is zijn executie het lijm dat het (ongemakkelijke) triumviraat van Octavianus, Marcus Antonius en Lepidus bijeen moet houden. 

De Robert Graves van de 21e eeuw
Het knappe aan deze trilogie is dat hoewel volledig geborgd in – voor zover mogelijk – historische feitelijkheid het leven van Cicero als een trein leest en daarmee een historische pageturner is. Om Cicero tot leven te brengen, geeft Harris het woord aan Cicero’s secretaris Tiro die het leven van zijn meester aan het papyrus heeft toevertrouwd. Harris lijkt hiermee navolging te geven aan de grootmeester van de Romeinse roman Robert Graves. In diens fictieve “autobiografie” I, Claudius (1934) en Claudius the God (1935) is keizer Claudius (de voorlaatste keizer van de Julisch-Claudische dynastie en verre erfgenaam van Caesar) aan het woord en beschrijft hij zijn wonderlijke leven waarmee hij tegelijkertijd de opeenvolgende regeringen van Augustus, Tiberius en Caligula tot leven brengt. Niet alleen door de vertelvorm, maar juist door de wijze waarop hij Cicero tot leven brengt is Robert Harris een waardig opvolger van Robert Graves. Door zijn schrijftalent en overduidelijke fascinatie voor de nadagen van de Romeinse Republiek in het algemeen en Cicero in het bijzonder weet hij op een meeslepende wijze dat leven gestalte te geven. De woorden spatten van de pagina’s af. Woorden die het redenaarstalent, de staatsrechtelijke overtuigingen maar ook de liefde voor roddel en achterklap en de blinde ambitie om tot consul gekozen te worden van Cicero tot leven brengen. Zo ga je gaandeweg tijdens het lezen steeds meer houden van deze tegenstrijdige einzelgänger die de Romeinse senaat en het volk om zijn vingers weet te winden, maar evenzo levensgevaarlijke vijanden weet te maken en grote triomfen afwisselt met diepe dalen in zowel zijn politieke als persoonlijke leven. Het behoeft geen nadere toelichting dat de Cicero-trilogie van Robert Harris een ongekwalificeerd succes is en het verdient om gelezen te worden. Want na het lezen van de eerste pagina’s is er – gelijk Caesar toen hij de Rubicon overstak – geen weg meer terug: alea iacta est.

In 2015 is ‘Dictator’ het laatste deel van de Cicero-trilogie van Robert Harris verschenen. In 2006 en 2009 verschenen respectievelijk ‘Imperium’ en ‘Lustrum’ . De trilogie is tevens in een Nederlandse vertaling verschenen terwijl de paperback-versie in juni op de markt gekomen is. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

vrijdag 2 september 2016

Harry Potter is terug! 'Harry Potter and the Cursed Child' van J.K. Rowling


Met Harry Potter and the Deathly Hallows leek een definitief einde te zijn gekomen aan de avonturen van Harry Potter. En op enkele uitstapjes naar de wereld van Harry Potter na leek de toekomst van J.K. Rowling als schrijver daarbuiten te liggen . The Casual Vacancy en vooral de Cormoran Strike-serie onder haar pseudoniem Robert Galbraith maakten dit al duidelijk. Maar dat is buiten de aantrekkingskracht van Harry Potter gerekend, die blijkbaar ook op J.K. Rowling zelf effect heeft. Want met het toneelstuk Harry Potter and the Cursed Child en de uitgave van de scriptversie betreedt Rowling – alhoewel voorzichtig – wederom de magische wereld van Harry, Hermione en Ron. Grote vraag is daarbij natuurlijk of zij heeft kunnen voldoen aan de hoge verwachtingen of dat ze het beter bij de zeven boeken had kunnen laten. 

Op het hoogtepunt stoppen is voor velen niet weggelegd, zeker niet wanneer het ene succes op het andere volgt. In het geval van de Harry Potter-reeks van J.K. Rowling werd dat succes met ieder nieuw boek alleen maar groter. Zo zijn uiteindelijk bijna een half miljard exemplaren van de zeven boeken verkocht, hebben de acht films (het laatste boek is in twee delen verschenen) miljarden opgeleverd en is Harry Potter een vast onderdeel van de hedendaagse popular culture geworden. Hoewel ieder nieuw brokje Harry Potter als een warm broodje over de plank gaat, heeft J.K. Rowling zich niet laten verleiden tot het schrijven van een nieuw Harry Potter-avontuur. Dat wil niet zeggen dat ze die wereld achter haar heeft gelaten zoals Fantastic beasts and where to find them aantoont en waarvan de filmversie met Eddie Redmayne in november verschijnt. En in alle eerlijkheid: de zeven boeken die samen het Harry Potter-epos vormen, leken dermate definitief dat ieder nieuw avontuur alleen maar kan tegenvallen. Ga maar na: Lord Voldemort is definitief vernietigd terwijl de epiloog van het laatste boek Harry, Hermione en Ron negentien jaar later toont. Ditmaal zelf met kinderen die richting Hogwarts vertrekken waardoor de cirkel compleet is. Maar blijkbaar kruipt het bloed waar het niet gaan kan en heeft J.K. Rowling toch weer een nieuw Harry Potter-verhaal geschreven. Een cynicus zou kunnen stellen dat Rowling nog wat extra inkomen wil generen, maar gezien het enorme succes dat zij zowel met Harry Potter als daarbuiten heeft, lijkt dat een weinig aannemelijke aanleiding voor Harry Potter and the Cursed Child. Daarbij is het – strikt genomen – ook geen nieuw boek, maar een tweedelig toneelstuk dat op 30 juli in première is gegaan in Londen. Een dag later is de scriptversie gepubliceerd die – hoe kan het ook anders – meteen een bestseller bleek. Hoewel de Nederlandse vertaling nog tot 19 november op zich laat wachten, is de Engelstalige versie natuurlijk ook gewoon in Nederland verkrijgbaar en zullen de meeste Harry Potter-fans inmiddels terugkijken op een fijne terugkeer in de wereld van Harry Potter. Want laat één ding duidelijk zijn: dit nieuwe verhaal is – ondanks de beperkingen van een toneelversie – een groot succes en vormt een verrijking op de bestaande canon. 

Albus en Scorpius (en Delphi)
Het aardige is dat The Cursed Child begint daar waar The Deathly Hallows eindigde: op Platform 9 ¾ van King’s Cross Station in Londen. Harry en Ginny zijn getrouwd en hebben inmiddels drie kinderen (James, Albus en Lily) terwijl Rose en Hugo het resultaat zijn van de samenkomst van Ron en Hermione en zelfs Draco Malfoy mee doet in het kindergeluk met zijn zoon Scorpius. Wat totaal anders is, is de leeservaring, want wie een boek verwacht zoals de zeven voorgaande avonturen komt bedrogen uit. The Cursed Child is bedoeld als toneelstuk en de ‘boekversie’ is niet meer of minder dan het script van het toneelstuk. Zelfs een aantal aanwijzingen om de context voor de acteurs te schetsen zijn er in opgenomen. Hoewel bij het lezen van de eerste pagina’s dit tot enige verwarring leidt - immers je verwacht toch stiekem een heel nieuw Harry Potter-boek - raak je dermate snel gewend dat het uiteindelijk the next best thing is. Daarbij heeft Rowling – samen met medeschrijvers Jack Thorne en John Tiffany – er zich niet makkelijk vanaf gemaakt. Zo is The Cursed Child een prequel nog een rehash. Al bevat het verhaal wel degelijk prequel-achtige momenten en worden belangrijke scenes uit met name Harry Potter and the Goblet of Fire nog eens dunnetjes overgedaan. Het laat zich daarmee al raden: in The Cursed Child is er sprake van tijdreizen. Niet verwonderlijk gezien het bestaan van de zogenaamde Time-Turner waarmee Hermione in The Prisoner of Azkaban op meerdere plekken tegelijk kon zijn. Door deze mogelijkheid tot tijdreizen lijkt het definitieve einde van Lord Voldemort plots een stuk minder definitief en is het aan een nieuwe trio om hun magische wereld te redden. En zie daar de geboorte van een nieuw trio: Albus, Scorpius en Delphi.

Veelal hetzelfde, maar toch altijd anders
Want natuurlijk is het ook nu een drietal waar het om draait. En gelijk hun voorgangers Harry, Hermione en Ron zijn het de beste vrienden. Althans twee ervan, maar dan wel de minst voor de hand liggende vrienden: Harry’s lastige zoon Albus en Draco’s zachtaardige oogappel Scorpius. Hun duo wordt uiteindelijk een trio door Delphi, het nichtje van de vader van Cedric die in The Goblet of Fire zo tragisch om het leven kwam. Zonder al te veel te verraden, heeft The Cursed Child dezelfde energie als de andere Harry Potter-verhalen en wordt het beperkte medium van een toneelscript gecompenseerd door de blik in de toekomst en dus hoe het met Harry, Hermione en Ron, maar ook al die andere personages is vergaan. Stiekem is het dan weer erg leuk om door het wel erg voor de hand liggende en eigenlijk te makkelijke middel van tijdreizen meer te weten te komen over die fatale avond waar Harry daadwerkelijk Harry Potter werd en teruggeworpen te worden naar één van de beste boeken uit de serie. Het zal daarbij overigens voor een aantal fans nog best even slikken zijn om hun favoriete karakter als volwassene te accepteren. Want het volwassen leven van de jonge helden van toen is allesbehalve rooskleurig. Tegelijkertijd geeft dat weer diepte en kleur aan het verhaal en daarin ligt het unieke karakter van deze toevoeging op de Harry Potter-canon besloten. Laat er dus geen misverstand over bestaan: voor allen die ook maar enigszins verstrikt zijn geraakt in de wondere en magische wereld van Harry Potter is The Cursed Child – maar hoe kon het ook eigenlijk anders – een must-read.

Op basis van een nieuwe Harry Potter-verhaal van J.K. Rowling, Jack Thorne en John Tiffany heeft Jack Thorne het tweedelige toneelstuk ‘Harry Potter and the Cursed Child’ geschreven. Het toneelstuk is in première gegaan in het Palace Theatre te Londen op 30 juli. De dag erna is het script uitgegeven. Op 19 november verschijnt de Nederlandse vertaling ‘Harry Potter en het Vervloekte Kind’.