zaterdag 21 april 2012

Concert 20 april 2012: Nikolaus Harnoncourt in Amsterdam


Beethoven: Missa Solemnis

Marlis Petersen, sopraan
Elisabeth Kulman, alt
Gerald Finley, bas
Werner Güra, tenor

Groot Omroepkoor
Nikolaus Harnoncourt, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

De E-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest deed haar naam, 'De Grote Maestro's', gisteravond al eer aan voordat een noot gespeeld was. Want met Nikolaus Harnoncourt op de bok stond er iemand die gerekend kan worden tot de absolute wereldtop van dirigenten. De Oostenrijkse afstammeling van de Habsburgse dynastie Nikolaus Harnoncourt, of zoals zijn volledige naam klinkt Johann Nicolaus Graf de la Fontaine und d'Harnoncourt-Unverzagt, heeft een imposante discografie en is een veelgevraagd gastdirigent bij de grote orkesten ter wereld waaronder de Wiener Philharmoniker en de Berliner Philharmoniker. Ook bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) is hij een graag geziene gast en samen met het KCO heeft hij prachtige opnames op cd vastgelegd waaronder de symfonieën van Haydn, Schubert en Mozart. Harnoncourt is overigens een van de weinige dirigenten die niet echt een vast orkest heeft. Hij vult zijn tijd met gastdirigentschappen, maar is ook zeer nauw betrokken bij het door hem (en zijn vrouw) opgerichte Concentus Musicus Wien. Dat hij dit orkest heeft opgericht is niet vreemd aangezien hij een van de vaandeldragers is van de authentieke uitvoeringspraktijk en dit orkest daarmee zijn instrument is om deze uitvoeringspraktijk ten uitvoer en onder de aandacht te brengen.

Maar daar stond dus de 82-jarige Harnoncourt gisteravond in het Concertgebouw op de bok voor het Koninklijk Concertgebouworkest. En hij was daar niet alleen. Voor de Missa Solemnis van Beethoven is veel muzikale mankracht nodig. Daarom stond daar tevens het altijd uitmuntende Groot Omroepkoor en vier  solisten die zonder uitzondering prachtige uitvoeringen ten beste brachten zonder in het geweld van het orkest en koor ten onder te gaan: de sopraan Marlis Petersen, de alt Elisabeht Kulman, de bas Gerald Finley (bekend van o.a. John Adams 'Doctor Atomic') en de tenor Werner Güra. 

Beethovens Missa Solemnis kende ik voor deze uitvoering eigenlijk volstrekt niet. Toevallig heb ik er wel een (live)opname van door het Wiener Philharmoniker onder James Levine als onderdeel van de cd-box '50 Jahr Grosses Festspielhaus Salzburg', maar had ik het stuk nog nooit in zijn geheel, of zelfs maar grote delen, gehoord. Na wat nazoeken blijkt dat deze gewijde muziek door Beethoven is geschreven ter ere van de installatie in 1820 van zijn vriend en pupil Aartshertog Rudolf als Aartsbisschop van Olmütz. De Rough Guide to Classical Music stelt 'there's no piece of religious music to compare with the Missa Solemnis, for this is a composition that externalizes its creator's struggle to achieve inner peace, with extraordinary dynamic contrasts and passages that make enormous demands of the soloists'. Dat was gisteren ook zeer duidelijk: het stuk laveert van grootse vergezichten tot bijna intieme muziek van gewijde en overdonderende schoonheid. Met name wanneer in het Benedictus een prachtige uitgebreide vioolsolo klinkt die gisteren perfect door de Concertmeester van het KCO werd uitgevoerd. De invloed van Harnoncourt was overigens flink te merken. Hoewel het KCO een 'klassiek' orkest is, wordt het gekneed door de dirigent die ervoor staat. En zo hoor je duidelijk de authentieke uitvoeringspraktijk van Harnoncourt terug in de uitvoering van het KCO. Hoewel ik het stuk, door de onbekendheid ermee, niet ontzettend goed kan taxeren, zegt mijn gevoel (en het grootste en stormachtige applaus na afloop) dat deze uitvoering van uitersten een groot succes was. 

In de Volkskrant las ik dat het KCO met Harnoncourt nu onderweg is naar Londen om ter gelegenheid van de uitreiking aan Harnoncourt van de prestigieuze Gold Medal van The Royal Philharmonic Society dit eerbetoon aan de muziek en persoonlijke geloofsbeleving van Beethoven ten gehore te brengen. In Londen zal men zeer zeker niet teleurgesteld zijn.

woensdag 11 april 2012

'Met Stille Trom. Een Journaal' van F. Springer


Mijn vorige blog ging over Andrew Marr's boek over Elizabeth II, de Britse monarch die het grote en trotse Britse imperium (ooit besloeg het bijna een kwart van de aarde) zag veranderen in de Commonwealth. Nederland kan natuurlijk niet tippen aan de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk, maar stiekem toch een beetje wel. Niet alleen was een Nederlandse Stadhouder Koning van Engeland (William & Mary na de 'Glorious Revolution'), maar ook Nederland heeft lange tijd kunnen bogen op overzeese gebieden waardoor Karel V's uitspraak bijna ook voor Nederland gold: een rijk waar de zon nooit onder ging. Juist dit laatste koloniale aspect is voor het grootste deel van de boeken van F. Springer (Carel Jan Schneider) het leitmotiv.   F. Springer overleed vorig jaar nadat het jaar daarvoor zijn laatste roman 'Quadriga. Een Eindspel', gesitueerd in Oost-Duitsland van het heden en het verleden, verscheen. Toch lag daar in de Boekenweek, bij mijn favoriete boekhandel het Haagse Paagman, een nieuw boek van F. Springer: 'Met Stille Trom. Een Journaal'. Het bleek geen herdruk, maar zijn allereerste roman die hij in 1963 terugtrok en daarmee zijn romandebuut uitstelde. En zo, maanden na zijn dood, maar met zijn expliciete instemming, ligt daar toch nog een nieuwe F. Springer!

Mijn 'verbintenis' met F. Springer gaat al ver terug. Op de middelbare school las ik 'Quissama', het boek waardoor ik overigens het woord 'apotheose' leerde kennen, en dat heeft grote indruk op me gemaakt. Ruim anderhalf jaar geleden las ik 'Quadriga' die ik wat vond tegenvallen, maar daarna begon ik aan de verzameling  'Weemoed en Verlangen' van F. Springer: 'Bougainville', 'Bandoeng-Bandung' en 'Quissama'. Wederom was ik onder de indruk van dit boek (en zijn andere boeken). Een boek over een Nederlandse zakenman, Charles Enders, die in Angola op sleeptouw wordt genomen door King Velderman. Het boek, en de relatie tussen deze twee mannen, beleeft het hoogtepunt (apotheose!) in het nationale wildpark van Angola, Quissama.

'Met Stille Trom' heb ik dus zonder aarzelen gekocht en vrij snel daarna gelezen. Hoewel de typische stijl van F. Springer al wel doorklinkt, is dit niet zijn beste boek. Het is overduidelijk, mede door zijn eigen foto's uit die tijd, een journaal van zijn eigen tijd als bestuursambtenaar (hier genoemd Dekker) in Nederlands Nieuw-Guinea vlak voordat een einde komt aan de Nederlandse overheersing van dit eiland dat nu deel is van Indonesië. Voor de onafhankelijkheid van Suriname de laatste stuiptrekking van het Nederlandse koloniale verleden. Het gebrek aan het boek is dat het vooral een sfeerbeeld is van Nederlandse ambtenaren in een gekoloniseerd land dat zij, met minimale mankracht, maximale internationale druk in volstrekt vreemde context van stammen(oorlog) moeten besturen. Daardoor mist het boek een echte rode draad, hoewel aan het einde van het boek de draadjes van de verschillende gebeurtenissen, waaronder de komst van een Amerikaanse antropoloog en een sluimerende stammenoorlog, behoorlijk samenkomen. Dat is dan meteen ook weer de kracht van het boek: het geeft een inkijk in een Nederlandse bestaanswijze die voor mijn generatie ondenkbaar is en voor vorige generaties, voor het grootste deel, alleen maar van horen zeggen is. Een bestaanswijze die ook voor veel Britten wereldvreemd maar toch bekend moet voorkomen. De wijze waarop het Verenigd Koninkrijk India bestuurde, met een relatief klein leger en ambtenarenapparaat, zo gold dat ook voor Nederland in Nieuw-Guinea. In 'Met Stille Trom' verzucht een missionaris dan ook dat het niet moet voorkomen dat een 'blanke' door een van de stammen wordt gedood, dan zouden 'ze' door hebben dat 'wij' niet onoverwinnelijk zijn en daarmee binnen vierentwintig allemaal gedood worden. Een dergelijke zienswijze doet nu toch niet echt meer opgeld zal ik maar zeggen. Maar juist vanwege deze inkijk en het feit dat je de latere F. Springer al door de regels heen leest, is dit boek het lezen meer dan waard!

dinsdag 10 april 2012

'The Diamond Queen. Elizabeth II and her people' van Andrew Marr


In 1952 overleed de al langer met een zwakke gezondheid kampende Koning George VI toch nog onverwacht en werd zijn dochter Koningin Elizabeth II van het Verenigd Koninkrijk. Zij was toen, met Philip de Hertog van Edinburgh, op tussenstop in Kenia als onderdeel van een reis langs de uitgebreide overzeese gebieden van het Britse Rijk. Zestig jaar later zit Elizabeth nog ferm op de Britse troon en staat zij, met haar fitte 85 jaar, aan de vooravond van de viering van dit jubileum: The Diamond Jubilee. 

Ter gelegenheid van deze mijlpaal, overigens niet zo heel lang geleden bedacht om de monarchie in het zonnetje te zetten, zijn de afgelopen maanden talloze boeken verschenen over Elizabeth. De bekende politieke commentator Andrew Marr, opvolger van Sir David Frost bij de BBC en schrijver van meerdere boeken over het Verenigd Koninkrijk, schreef ook een boek over zijn vorstin: 'The Diamond Queen. Elizabeth II and her people'. Tegelijkertijd verscheen op de BBC een gelijknamige driedelige documentaireserie die de moeite van het kijken meer dan waard is, maar toch zeer zeker los staat van het boek.

Wie op zoek is naar een lineaire biografie van deze opmerkelijke vorstin, die over niet al te lange tijd, bij leven en welzijn, langer op de troon zal zitten dan de legendarische Koningin Victoria, moet verder kijken. Wie weinig opheeft met het instituut monarchie, nog dagelijks rouwt om Diana en het vermeende leed dat haar door de koninklijke familie is aangedaan, moet zeker verder kijken. Maar voor allen die geïnteresseerd zijn in het instituut dat de Britse monarchie is, de wijze waarop dit instituut zich aan de veranderende tijden heeft aangepast en de rol van Elizabeth hier in hoeft niet verder te kijken dan dit boek. Uit deze inleidende woorden valt duidelijk op te maken dat ikzelf in die laatste categorie val. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik de gelijknamige serie met plezier heb gekeken evenals een eerdere, nog beter geslaagde, BBC-serie over de Britse monarchie: 'Monarchy'.

Het boek van Marr geeft een mooie inkijk in 'The Firm' zoals de Windsors zich plegen te noemen. Want dat de familie een bedrijf is staat buiten kijf. Een eeuwenoud traditioneel bedrijf dat natuurlijk wel. Tegelijkertijd komt het leven van Elizabeht, dan weer anekdotisch dan weer wat langer verhalend,  ook aan bod: haar lange en gelukkige huwelijk met de Deens-Griekse prins Philip Mountbatten, het wel maar vooral het wee van haar kinderen (Charles voorop), haar grootvader George V en Koningin Mary, de abdicatie van haar oom Edward VIII en de onverwachte troonsbestijging van haar vader George VI en daarmee haar nieuwe toekomst als troonopvolger. Voor liefhebbers van de Britse kaskrakers 'The Queen' (met Helen Mirren) en 'The King's Speech (met Colin Firth) zal het allemaal bekend voorkomen. 

Het portret dat Marr schildert is bovenal respectvol en plaats Elizabeth in de context van de veranderende maatschappij, maar ook diverse episodes in haar leven. Van politiek, haar eerste premier was Winston Churchill, haar voorlopig laatste premier is David Cameron, tot de overgang van British Empire naar de Commonwealth en alles wat daar tussenin zit. De kern van het boek bestaat er in dat Elizabeth, gelijk haar voorgangers, het gelukt is om een tegendraads en van nature ouderwets instituut als de monarchie ook in veranderende tijden relevant te houden. Zo voelde George V in 1917 goed aan dat de Koninklijke familie zich in een tijd van vijandschap met Duitsland moeilijk kon tooien met haar Duitse naam. Zo werd het Huis Saksen-Coburg en Gotha het Huis Windsor. En blijkt bij nadere inspectie dat vele eeuwenoud aandoende tradities van het Britse Koninklijke Huis meestal niet ouder dan honderd jaar zijn. Elizabeth voelt net als George V (maar ook haar vader) de tijd feilloos aan. Of het nu gaat om het inspelen op de komst van de televisie of nu internet en sociale media. Elke mogelijkheid om de monarchie, met behoud van haar waardigheid en relevantie, ferm onderdeel uit te laten maken van de Britse staat en maatschappij, wordt welbewust aangegrepen. 

Zoals gezegd is dit boek een sympathiek portret van deze bijzondere vrouw en stoort deze constatering niet omdat deze conclusie de juiste lijkt te zijn. Zoals zo vaak is The Economist het meest treffend in de beoordeling van het boek: 'Mr Marr palpably likes the queen, whether for touring the country to greet and thank people mostly ignored by “London power brokers”, or for relaxing when her work is done with “a glass of something cheerful”. Yet liking is not really the point. In Mr Marr’s words, there is only a little space, though “an interesting space”, between the queen and the woman who lives her life. Her calling gives her meaning. She “is what she does. Mr Marr’s sober conclusion feels right. To adapt the queen’s one-liner: for all that the spectacle and unattainable glamour of royalty still fascinates (and helps sell books), for Britain’s jubilee monarch the show is a means to an end. Being seen is about being believed.'

zondag 8 april 2012

Concerten 1 & 6 april 2012: De Johannes- & Matthäus-Passion in Den Haag


Bach: Johannes-Passion

Haags Toonkunstkoor
Daan Admiraal, Het Promenade Orkest
Elandstraatkerk, Den Haag

Bach: Matthäus-Passion

The Bach Choir and Orchestra of the Netherlands
Pieter Jan Leusink
De Grote Kerk, Den Haag

In de aanloop naar Goede Vrijdag en Pasen is het Passietijd. Ter gelegenheid hiervan componeerde Johann Sebastian Bach (1685-1750) een aantal passies, vijf in totaal waarvan alleen de Matthäus-Passion en de Johannes-Passion bewaard bleven. Hoewel Bach een van de meest gespeelde componisten ter wereld is en de Matthäus-Passion zijn bekendste werk is, kan geen land ter wereld tippen aan de Nederlandse Matthäus-traditie. In periode tot en met Pasen worden in heel Nederland, zowel door amateur als professionele gezelschappen, talloze uitvoeringen van de Matthäus-Passion uitgevoerd. Een werk dat overigens in 1829 door Felix Mendelssohn-Bartholdy is herontdekt en sindsdien een vaste en belangwekkende plek in het muzikale leven heeft verworven.

De fascinatie van Nederland voor dit grootse werk van Bach leidt terug naar het (toen nog niet koninklijke) Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. Mengelberg startte een jaarlijkse traditie met de Matthäus-Passion in een grootse samenstelling van orkest en koor dat we, evenals als de statige en trage tempi, tegenwoordig niet meer zouden herkennen. Als reactie hierop werd vanaf 1922 in Naarden door de Nederlandse Bachvereniging de Matthäus-Passion uitgevoerd die zich gaandeweg de jaren steeds meer zou ontwikkelen in de richting van de 'authentieke' uitvoering ervan. Dat betekent met name in kleinere bezetting met authentieke instrumenten zoals Bach deze herkend zou hebben. Dit verschil tref je ook in de talloze cd-opnames. De klassieke opname onder leiding van de Duitse dirigent Otto Klemperer is, door het gebruik van een groot orkest en koor en trage tempi, een wereld van verschil met de latere 'authentieke' opnames van met name Philippe Herreweghe, John Eliot Gardiner, Nikolaus Harnoncourt, Paul McCreesh en de opnames van de Nederlandse Bachvereniging onder Jos van Veldhoven. En uiteindelijk maakt het natuurlijk allemaal niet uit: het gaat om het genieten van deze prachtige muziek. In welke uitvoering dan ook. 

De afgelopen dagen hebben concertzalen en kerken daarom vol gezeten van traditionele concertgangers, maar ook families waar het gebruik is om jaarlijks de Matthäus-Passion te beluisteren tot nieuwsgierige nieuwkomers. En ook het kabinet ontkomt er niet aan. Dit jaar is met traditie gebroken, wat zelfs nog leidde tot een NOS-item op Goede Vrijdag, want een deel van het kabinet onder leiding van premier Rutte (en op uitnodiging van oud-minister Rudolf de Korte) woonde niet de Naardense Matthäus-Passion bij maar de meer traditionele uitvoering in de Pieterskerk in Leiden. Dit ontlokte Rudolf de Korte nog de uitspraak dat hij weinig enthousiast was over de Naardense 'Bonsai'-uitvoering. En, eveneens zoals gebruikelijk, klonk er in de Pieterskerk na afloop geen applaus. Gezien het gewijde karakter van de muziek met als onderwerp de lijdensweg van Jezus Christus wordt dit niet als gepast gezien. Overigens schijnt het eveneens traditie te zijn om na afloop de borrel aan te vangen onder vermelding van 'Zo! Die hangt weer!'.

Naast de Matthäus-Passion wordt ook de Johannes-Passion uitgevoerd, maar kent niet dezelfde traditie als de Matthäus. Al heb ik daarbij wel het idee dat de Johannes-Passion de afgelopen jaren steeds vaker wordt uitgevoerd. De Johannes-Passion is korter dan de Matthäus-Passion en wordt vaak als feller, maar ook ingetogener getypeerd. De Johannes-Passion hoorde ik vorig jaar voor het eerst uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest en het Groot Omroepkoor onder leiding van Jan Willem de Vriend (voor recensie zie hier). Dit jaar hoorde ik de Johannes-Passion wederom, maar ditmaal door het Promenade Orkest en het Haags Toonkunstkoor onder leiding van Daan Admiraal (aangespoord door een collega die tevens zingt in het Haags Toonkunstkoor). Locatie was ditmaal de katholieke (sic!) Elandstraatkerk. Dit jaar koos ik zeer bewust voor een kerk als uitvoeringslocatie. Niet alleen vanwege de passende omgeving en de unieke akoestiek, maar ook de hoop dat een uitvoering eens een keer niet zou eindigen in een (joelende) staande ovatie. 'Call me old-fashioned' maar ik vind eigenlijk dat je toch na zo'n stuk vooral in stilte je weg weer naar huis moet vinden. Ik neem daar overigens een standpunt van een steeds kleinere minderheid in zoals ook bleek in de Elandstraatkerk waar de prachtige en stemmige uitvoering, die me meer deed dan de uitvoering in het Concertgebouw een jaar eerder, werd afgesloten met een terechte doch ongewenste staande ovatie.

Vijf dagen later, op Goede Vrijdag, vervoegde ik me in een lange rij voor de Grote Kerk waar een uitvoering plaats vond van de Matthäus-Passion door The Bach Choir and Orchestra of the Netherlands onder leiding van Pieter Jan Leusink. Dit concert maakt onderdeel uit van een Nederlandse tournee van 23 concerten (soms tweemaal op een dag) van de Matthäus-Passion door dit orkest en koor. Een tournee die kerken aandoet in onder andere Elburg, Vlissingen, maar ook Rotterdam, Groningen, Den Haag en het Concertgebouw in Amsterdam. Bijzondere hieraan is dat dit een volstrekt particulier initiatief is zonder enige vorm van subsidie. Uit alles wat Pieter Jan Leusink doet spreekt zijn passie voor de muziek. Naast deze reeks concerten mogen ook onder andere het Requiem van Mozart en de Messiah van Handel (vandaag in de St. Janskerk te Utrecht uitgevoerd) zich in de aandacht van Leusink verheugen. Ik vind het bewonderenswaardig dat je een dergelijk initiatief in Nederland van de grond krijgt en geeft tevens aan hoe diep de traditie van de Matthäus-Passion in Nederland geworteld is. In de prachtige Grote Kerk in Den Haag alleen al zaten meer dan 1.000 bezoekers te genieten van een prachtige doorleefde uitvoering van Bach's meesterwerk. Ondanks het grote aantal keren dat Leusink en zijn mensen dit werk al hadden uitgevoerd, deed dit niets af van de intensiteit van de uitvoering. Juist deze expertise zorgde ervoor dat iedere noot raak was en met name de Evangelist (Robert Luts) schitterde in zijn rol door met oprechte passie zijn teksten te zingen en te declameren. Daar neem je dan de continue promotie van de producten van Leusink ('5 cd digibox vandaag verkrijgbaar, normaal 30 euro nu slechts 15 euro', 'Niet op een aankoop gerekend? U kunt een formulier invullen en ontvangt een factuur') op de koop toe. Je kunt het hem natuurlijk ook niet kwalijk nemen. Helaas gold overigens ook hier, ondanks de Grote Kerk en het feit dat het Goede Vrijdag was, dat de uitvoering niet in stilte werd gewaardeerd maar met een staande ovatie. Ik vrees dat mijn verlangen naar stilte na afloop alleen in Naarden of Leiden wordt ingewilligd. Een klein 'ongemak' in ruil voor twee prachtige en doorleefde uitvoeringen van Bach's meesterwerken op bijzondere locaties in het hart van de Residentie.

Cabaret 3 april 2012: 'Cabaret voor beginners' van Brigitte Kaandorp


Brigitte Kaandorp
'Cabaret voor beginners'

Carré, Amsterdam

Bij cabaret komt het maar weinig voor dat het publiek neutraal ten opzichte van de cabaretier staat. Youp van 't Hek, Freek de Jonge, Bert Visscher, Theo Maassen of Hans Teeuwen: je houdt van hun humor of niet. En als je ervan houdt, is bijna elke show een hit. Met Brigitte Kaandorp, Nederlands beste cabaretière, is het niet anders. Je houdt van haar 'onhandige' manier van cabaret met een vrolijke ironische kijk op het dagelijkse leven of je hebt er een volstrekte hekel aan. Ikzelf val in die eerste categorie. En hoewel ik Kaandorp nog niet eerder live had gezien, vond ik haar shows, op tv dan wel op cd, altijd erg grappig. Met name de hilarische vertolking van Kaandorp van de problemen en manmoedige pogingen om met een kind de deur uit te komen ('Neem geen kind') en de nummers 'Andries Knevel' ('Liever in eenbuitenwijk tongen met Henk Binnnedijk dan...'), 'Annelies de Vries' (Ze noemen me Annelies van der Pies, ik moet al piesen als ik nies. Vertel me nooit een goeie grap, want mijn sluitspier is te slap') en 'Zwaar leven'. Afgelopen dinsdag was het dan zover en zag ik La Kaandorp voor het eerst live en dan nog wel in het Walhalla van het Nederlandse cabaret: Carré!

De show 'Cabaret voor beginners' is precies zoals de titel zegt: een training voor mensen die cabaretier willen worden. In tien makkelijke stappen (stap 1: 'kom op', stap 2: 'met iets' etc.) wordt uitgelegd door Kaandorp hoe je zelf een cabaretier kunt worden. Natuurlijk, het blijft Kaandorp, wordt de cursus regelmatig 'on hold' gezet voor een zijpad bestaande uit haar observaties vertolkt in korte conferences of een liedje. Van deze zijpaden is de beschrijving van het ANWB-echtpaar een van de meest sterke. Wat dit programma doet afwijken van haar andere cabaretprogramma's is dat het publiek, het is immers een cursus, ook vragen mag stellen. Hoewel sommige vragen natuurlijk, zeker na een groot aantal optredens, te voorspellen vallen,  maakt dit element toch de show onvoorspelbaar. En Amsterdam zou Amsterdam niet zijn wanneer het publiek niet op hun collectieve mondje was gevallen en door allerlei vragen het programma nog behoorlijk deden afwijken van wat Kaandorp had bedacht. En daar toonde Kaandorp wederom haar klasse: de sfeer zat er in Carré daarom goed in. Cabaret blijft altijd moeilijk om in een geschreven recensie te vertolken: in dit geval geldt toch echt dat je het zelf moet hebben gezien. Als je van Brigitte Kaandorp houdt, moet je zeker gaan: het is misschien niet ontzettend vernieuwend maar wel 'vintage' Kaandorp. Als je niets van haar moet hebben, blijf dan vooral thuis. En  heb je nog nooit iets van haar gehoord? Kaandorp eindigde dinsdagavond (na een show van ruim 2,5 uur) na een groots en welverdiend applaus met een encore,  eensgezind gevraagd van uit het publiek, een lied uit haar laatste show 'Zwaar Leven'. Ken je Kaandorp niet, maar vind je dit geweldig? Dan moet je zeker gaan!


zondag 1 april 2012

Concert 31 maart 2012: Sir Andrew Davis in Rotterdam


Vaughan Williams: Fantasie op een thema van Thomas Tallis
Ravel: Concert voor piano en orkest in G
R. Strauss: Also Sprach Zarathustra, op. 30

Plamena Mangova (piano)
Sir Andrew Davis, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Dat componisten en hun werk onderdeel zijn van hun omgeving is natuurlijk evident, maar werd gisteren in het afwisselende concert van het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Sir Andrew Davis ferm onderstreept. Want de gekozen stukken waren zo verschillend van aard dat het ene moment je je waande in de gewijde omgeving van een kathedraal om vervolgens terecht te komen in een jazzclub en te eindigen in de ruimte. 

Al jarenlang heb ik een zwak voor muziek van Britse componisten. En dat loopt van Henry Purcell via Edward Elgar, Hubert Parry en Vaughan Williams tot Benjamin Britten. Ralph Vaughan Williams (1872-1958) is vooral bekend vanwege zijn cyclus van negen symfonieën, maar ook zijn orkestrale, vocale en koormuziek die veelal geïnspireerd is op het rijke Britse verleden. De 'Fantasia on a theme of Thomas Tallis' uit 1910 (gereviseerd in 1919) is daar een uitmuntend voorbeeld van. Tijdens zijn werkzaamheden voor 'The English Hymnal', het overzichtswerk van Engelse hymnen voor de Church of England, trof hij een melodie van de Middeleeuwse Thomas Tallis die de basis vormde voor deze ruim een kwartier durende fantasie. Vaughan Williams heeft zich van die taak buitengewoon goed gekweten, want deze muziek is zeer gewijd, maar ook Romantisch van karakter waardoor je je bijna waant in een van de typisch Britse kathedralen in steden als Gloucester of Canterbury. Het werk is geschreven voor een strijkorkest dat in drie ongelijke groepen verdeeld is. Dit heeft overigens te maken met het feit dat de muziek was geschreven voor uitvoering in de kathedraal van Gloucester en daarmee rekening houdend met de galmende akoestiek. In Rotterdam volgde een zeer intense uitvoering waarbij het strijkorkest ook in drieën was verdeeld en Sir Andrew Davis duidelijk maakte waarom het uitvoeren van werk van Britse componisten altijd het beste kan worden overgelaten aan de Britten zelf. Davis (niet te verwarren met die andere Davis-dirigent Sir Colin Davis) was de motor voor deze uitvoering. Duidelijk was ook dat hij zelf volstrekt in de muziek opgaat, maar wel met behoud van dat typische Britse decorum. Een Sir waardig. Davis is overigens sinds 2000 verbonden aan de Lyric Opera of Chicago, maar is vooral bekend van zijn chef-dirigentschap (nu 'conductor laureate') van het BBC Symphony Orchestra. In die hoedanigheid stond hij jarenlang op de bok tijdens 'The Last Night of the Proms'. Britser kan bijna niet.

Na deze gewijde muziek, en een 'changement de decor' was het de beurt aan het 'Concert voor piano en orkest' (1929-1931) van Maurice Ravel (1875-1937). Ravel staat in de traditie van zijn collega Claude Debussy, maar heeft zich ook laten inspireren tot allerhande muzikale invloeden van de Spaanse muziek (de 'Bolero'!), maar ook de jazz. Dit alles kwam samen in een ongekend kleurrijk en afwisselend pianoconcert waar een Spaans-jazzy eerste deel gevolgd werd door een klassiek Frans adagio geïnspireerd op Mozart om af te sluiten met een Big Band-achtige finale waar de piano en de blazers, met name de fluiten, alles uit de kast moesten halen. Het resultaat was ongekend enerverend, met name ook door de uitstekende techniek, maar ook lichte toets van de Bulgaarse pianiste Plamena Mangova. De sfeer zat er in De Doelen goed in wat leidde tot een tweevoudige toegift. Ervaring leert meestal dat een toegift ontzettend leuk is, maar leidt (te) vaak tot de paradox dat een geweldige uitvoering vraagt om meer, maar dat de toegift zelf weer afbreuk doet aan het resultaat van de oorspronkelijke uitvoering. Het blijft altijd een beetje mosterd na de maaltijd. In dit geval dus niet. Wat volgde was een spetterende uitvoering van de 'Danzas Argentinas' van Alberto Ginastera waarmee Mangova haar debuut in Rotterdam sprankelend en succesvol afsloot.

Na de pauze volgde het stuk waarvoor de meeste aanwezigen hun kaartje hadden gekocht: het, mede door Stanley Kubrick's '2001: A Space Odyssey', overbekende toondicht van Richard Strauss (1864-1937): 'Also  Sprach Zarathustra' (1896). Richard Strauss hield de Romantiek in de muziek tot het einde van zijn leven overtuigend vol en liet zich niet van de wijs brengen door de atonale opmars die na zijn dood de overhand zou krijgen. Zijn genre van toondichten is daar een prachtig voorbeeld van. In die miniaturen vertaalde hij zijn inspiratie op onnavolgbare wijze in muziek die vanaf de eerste uitvoering tot nu onverminderd populair zijn. Slechts enkele jaren na de publicatie van 'Also Sprach Zarathustra' van Friedrich Nietsche vond Strauss de aanleiding om een toondicht te baseren op een van de bekendste filosofische werken. Het sprak Strauss allemaal ook erg aan: 'Nietsche's philosophy of the Superman and his celebration of human power and energy clearly appealed to Strauss's overwhelming self-belief and sense of destiny', aldus The Rough Guide to Classical Music. Zodra je het overbekende eerste deel 'Einleitung oder Sonnenaufgang' hoort, ben je al overtuigd. Toch moet ik zeggen dat ondanks de uitstekende uitvoering door Davis en het Rotterdams Philharmonisch de verwachtingen misschien iets te hoog gespannen waren voor een werk dat zo (over)bekend is. Het hoogtepunt voor mij lag toch echt in jazzclub en kathedraal voor de pauze en minder in de reis door de ruimte na de pauze.