woensdag 26 september 2012

CD-recensie: 'Elysium' van Pet Shop Boys


Voor fans van de Pet Shop Boys zoals ik is het een mooi PSB-jaar. In februari kwam de dubbel-cd 'Format' uit met alle B-sides en bonustracks uit de periode 1996-2009 (zie voor mijn recensie hier). Met 'Format' lieten de Pet Shop Boys zien dat hun 'tweede keus' veelal beter is dan de eerste keus van menig ander popartiest. Bij het uitkomen van dat album waren de Pet Shop Boys al de studio ingedoken in Los Angeles en het resultaat is begin september uitgekomen: Elysium! Het zal velen niet ontgaan zijn aangezien bij de slotceremonie van de Olympische Spelen in Londen, naast alle andere Britse pophelden, ook de Pet Shop Boys acte de presence gaven met het nummer 'Winner'. Een nummer dat overigens niet specifiek gaat over de Olympische Spelen doch wel zo klinkt. 'Winner' werd snel daarna uitgebracht als single en deed het meteen goed in de singlelijsten.

En nu staat 'Winner' met elf andere nummers op 'Elysium'. Aangezien ik al jarenlang een groot fan van de Pet Shop Boys ben, zonder ze (helaas!) live gezien te hebben, zag ik enorm uit naar dit album. In alle eerlijkheid was ik bij de eerste keer luisteren een beetje teleurgesteld. Het album is een nogal 'subdued affair'. En een echte single-topper, ondanks het succes van 'Winner', lijkt ook niet op het album te staan. Gek genoeg vind ik een B-side van de 'Winner'-single, het hilarisch getitelde 'A certain "Je ne sais quoi''', daar de grootste kanshebber voor:

Maar toen ik het album een paar keer vaker gehoord had kan ik alleen maar concluderen, zoals het Engels altijd de mooiste uitdrukkingen heeft, 'it grew on me' waardoor ik tot de conclusie kom dat ik dit dus een erg lekker album vind. Het is een enorm relaxte plaat die vintage Pet Shop Boys is. Meer 'Being Boring'  en 'West End Girls' dan 'Going West' en 'New York City Boy'. De hoogtepunten voor mij zijn het coole 'Leaving', het hilarische en de huidige cultuur van zichzelf te serieus nemende 'celebrities' op de hak nemende 'Ego music', de discohit van het album 'A face like that' (met bizarre doch passende F1-sounds) en de echte PSB-nummers 'Memory of the future' (mooie titel!) en 'Requiem in denim and leopardskin' (nog mooiere titel!!). Eigenlijk zit er geen nummer bij dat ik bij het luisteren 'fast forward'. Vreemde eend in de bijt is het vreemde, doch 'catchy' nummer 'Hold on'. Ik hoor daar in de verte iets in van Rick Wakeman ('King Arthur'), maar de kitschy toevoeging van een soort musicalkoor gaat me te ver. 'Hold on' is daarmee eigenlijk het enige nummer dat me een beetje tegen staat. De teksten zijn weer typisch Pet Shop Boys: grappig, doordacht, maar niet te diepzinnig. De songtekst van 'Early stuff' schijnt door Neil Tennant en Chris Lowe verzameld te zijn uit uitspraken die ze te horen kregen van taxichauffeurs. Bovenstaande beschrijving is natuurlijk allemaal leuk en aardig, maar je moet het album natuurlijk gewoon horen. En als je de aankoop niet aan durft, waarom kan ik me niet goed voorstellen, dan is er altijd nog de officiële sampler op YouTube:


Kortom deze PSB-fan is erg blij met dit elfde album van de Pet Shop Boys dat met opgeheven hoofd plaats kan nemen in het illustere gezelschap van de tien voorgangers. 

maandag 24 september 2012

'England, England' van Julian Barnes


Het Verenigd Koninkrijk worstelt nog weleens met haar grootse en wijdverspreid verleden en juist daardoor ook met haar huidige plek in de wereld. Deze kwestie kwam al uitgebreid aan bod in het boek Empire van Jeremy Paxman dat ik recent las. Grappig genoeg ligt het verleden van het Verenigd Koninkrijk, en dan met name Engeland, ten grondslag van de satirische roman 'England, England' van Julian Barnes. Barnes won in 2011 de Man Booker Prize, maar al jaren daarvoor streed hij voor deze prestigieuze prijs met 'England, England' uit 1998, maar toen niet won. Barnes is pas op mijn radar gekomen met zijn Man Booker-nominatie en winst in 2011 met 'The Sense of an Ending'. Een boek dat ik pas las na aanraden van een collega en recent nog op deze blog over schreef (zie voor recensie hier). Het boek las zo ontzettend prettig en het verhaal intrigeerde en verraste dermate dat ik meteen meerdere boeken van Barnes heb aangeschaft.  'England, England' is daarmee het tweede boek van Barnes dat ik las.

Opvallende daarbij is dat 'England, England', op het prachtige proza na, volstrekt anders is dan 'The Sense of an Ending'. Als ik niet had geweten dat beide boeken dezelfde schrijver hadden, had ik dat wellicht zelf nooit bedacht. Want 'England, England' is een compromisloze satire op de geschiedenis van Engeland, het verlies van haar wereldrijk, de aard van de Engelsman en de waarde van een replica versus de waarde van een origineel. 

De premisse van het boek is volstrekt onrealistisch, maar de wijze waarop het door Barnes wordt doorgevoerd, maakt het een perfecte satire. 'England, England' is het verhaal van de steenrijke Britse entrepeneur Sir Jack Pitman die zeggenschap over het Isle of Wight verwerft en daar een replica creëert van 'Englishness', toeristische trekpleisters en het Engelse verleden. Zo verwordt het Isle of Wight tot een klein Engeland waar de gemiddelde toerist het echte Engeland slechts in een fractie van de tijd, in groter comfort en zonder alle hedendaagse ellende kan ondergaan, aanschouwen en beleven. Het 'England, England' zoals Pitman's 'The Project'/'The Island' langzamerhand wordt, stelt het oude Engeland op een gegeven moment zelfs in de schaduw. Want het boek begint in de 20e eeuw, maar sleurt de lezer mee naar een satirisch alternatief universum dat eindigt in de 21e eeuw wanneer zelfs de oprichter Sir Jack Pitman door een replica is vervangen omdat hij van ouderdom is gestorven. Daarmee wordt de waarde van de replica op ondubbelzinnige wijze aangetoond en leidt tot de vraag wanneer replica's zo allesomvattend zijn dat het origineel er niet meer toe doet. Wie wel eens in Las Vegas is geweest kan zich bij replica's van alles voorstellen, maar niet dat ze het origineel doen vergeten. Wanneer wordt dat punt echter wel bereikt? Tegelijkertijd wordt in het boek 'Englisness' en 'everything English' op de hak genomen waarbij eigenlijk de conclusie is dat de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk is afgerond en men slechts nog kan teren op het glorieuze verleden. En wanneer dat verleden in een perfecte Disney World-achtige context kan worden weergegeven, rijst de vraag of er dan nog behoefte is aan het origineel. 

Door de grootsheid maar ook de satire van het centrale idee van het boek komen de personages er wat vlakjes vanaf. Dat kan eigenlijk ook niet anders, want satire leent zich niet voor diepgravende beschouwingen van personages en hun onderlinge verhoudingen. Toch doet Barnes hier een poging toe door ook de diverse medewerkers van Pitman een centrale plek te geven. Een plek die vooral is voorbehouden aan de ambitieuze Martha Cochrane die Pitman uiteindelijk naar de kroon zal steken en haar collega, later ondergeschikte, Paul Harrison met wie ze een relatie zal krijgen. De invulling van de personages vond ik wel erg oppervlakkig en het is ook de vraag in hoeverre zij nou echt iets aan het boek toevoegen. Aan de andere kant zijn ze juist broodnodig om het centrale idee en de satire van dat idee enigszins 'body' te geven. Wanneer je dus van satire, mooi proza en (de geschiedenis van) het Verenigd Koninrijk c.q. Engeland dan kun je met een gerust hart dit boek aanschaffen.

zondag 23 september 2012

Concert 21 september 2012: Mariss Jansons en 'Ein Deutches Requiem'


Brahms: Ein Deutsches Requiem

Genia Kühmeier - sopraan
Gerald Finley - bas

Groot Omroepkoor
Mariss Jansons, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

De combinatie van Mariss Jansons en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), door velen al gememoreerd, is onweerstaanbaar en kent alleen maar successen. Het geheim van deze samenwerking lijkt, naast de topkwaliteit aan spelers die het KCO herbergt, toch met name te liggen bij Jansons. Niet voor niets opereert zijn andere orkest, het Symphonieorchester des Bayerische Rundfunks, ook in de muzikale top. Het geheim van Jansons ligt in zijn gedegen voorbereiding, zijn bescheiden doch overtuigende karakter en zijn gave om (dodelijke) routine uit te bannen. Ik lees op dit moment 'Music as alchemy' van Tom Service. Daarin gaat Service op zoek naar het wezen van dirigenten door een aantal topdirigenten te portretteren. Mariss Jansons is daar (uiteraard) één van. Binnenkort een recensie van dat boek, maar het portret van Jansons leidt me al tot bovenstaande conclusie. Een portret dat ik overigens las na afloop van het concert in de trein terug naar Den Haag.

Een zorgpunt bij Jansons, maar ook dat is algemeen bekend, is zijn ietwat broze gezondheid. Dus toen bij het betreden van het Concertgebouw een mededeling werd uitgedeeld, vreesde ik even het ergste. Het bleek echter dat via deze mededeling werd aangegeven dat dit concert werd opgedragen aan de vorig jaar overleden dirigent Kurt Sanderling (1912-2011). Sanderling was een graag geziene gastdirigent bij het KCO en Jansons was goed bevriend met hem. Eenmaal gezeten in de grote zaal van het Concertgebouw nam echter de directeur van het KCO het woord. Ditmaal om te melden dat de sopraan, Genia Kühmeier, kampte met een verkoudheid, maar desondanks zou optreden. Een verkoudheid waarvan tijdens het concert (gelukkig) niets was te horen. Ik krijg altijd het idee dat het een middel is om in te dekken voor het geval dat. 

Na deze lange inleiding nu dan toch naar het concert zelf. Met 'Ein Deutsches Requiem' lijkt Jansons een jaarlijkse traditie begonnen te zijn. Vorig jaar lag het requiem van Mozart op de lessenaar (zie voor recensie hier). Terwijl in 2009 het, zelden uitgevoerde, requiem van Dvořák te horen was. Het requiem van Brahms wijkt af van de andere requiems doordat het niet gericht is op de doden, maar op het troost bieden van de nabestaanden. Niet voor niets zijn het overlijden van zijn goede vriend Schumann en de dood van zijn moeder de aanleiding geweest voor Brahms om dit requiem te schrijven. Daarnaast maakt Brahms geen gebruik van teksten in het Latijn, maar heeft hij de vertaling van delen van de bijbel door Luther op muziek gezet. Dit resulteert in een gewijd werk voor orkest, groot koor en sopraan en bas. Een gewijd werk waarbij de zeven delen nooit in mineur, maar altijd in troost eindigen. Vorig jaar hoorde ik dit intense werk al prachtig uitgevoerd door het Residentie Orkest onder Claus-Peter Flor (zie voor recensie hier). 

Uiteraard was, noblesse oblige, ook in het Concertgebouw sprake van een intense, mooi uitgevoerd requiem met prachtige vertolkingen van Kühmeier, maar vooral ook Finley. Daarbij viel me vooral de finesse op van het orkest en de wijze waarop Jansons, met name in het door mij geliefde tweede deel 'Denn alles Fleisch, es ist wie Gras', zorgde voor een intense opbouw en uitersten van ingetogenheid en ontlading was meer dan prachtig. Getroost en met 'a spring in my step' verliet ik het Concertgebouw weer in afwachting van mijn volgende concertavontuur.

woensdag 19 september 2012

Concert 18 september 2012: Das Lied von der Erde voor Kamerorkest


Mahler: Das Lied von der Erde (scenisch)
(bewerkt voor ensemble, tenor en alt door Reinbert de Leeuw)

Birgit Remmert - alt
Yves Saelens - tenor
Neil Wallace - regie
Tessa Joosse - film
Mirjam Pater - kostuums
Uri Rapaport - licht en beeld
Sanne van der Put - choreografie

Reinbert de Leeuw, Asko|Schönberg
De Doelen, Rotterdam 

Normaliter kom ik op Prinsjesdag mijn geliefde woonplaats Den Haag niet uit, maar via een vriend kreeg ik de mogelijkheid om mee te gaan naar Mahler's 'Das Lied von der Erde'. Een uitnodiging die op het eerste gezicht niet zo aantrekkelijk leek aangezien ik anderhalf jaar geleden een uitvoering van 'Das Lied von der Erde' door het Koninklijk Concertgebouw onder Fabio Luisi al bijwoonde in het kader van de Mahlerserie van het KCO (recensie van dat concert hier en van de hele Mahlerserie hier). Maar toen ik de uitvoering wat beter bekeek, bleek er sprake te zijn van een compleet andere benadering: een geënsceneerde 'Das Lied von der Erde' door Reinbert de Leeuw bewerkt voor kamerorkest en uitgevoerd door het gerenommeerde Asko|Schönberg ensemble onder leiding van diezelfde Reinbert de Leeuw. Daar waar het normaal eigenlijk een symfonie betreft die bestaat uit zes liederen, verwordt Das Lied in deze versie tot een echte liederencyclus voor tenor en alt. 

En hoewel ik bij aanvang een beetje bevreesd was dat het kleinschalige me tegen zou staan (ik hou over het algemeen van episch en bombastisch), was dit een meer intense uitvoering van Das Lied dan anderhalf jaar geleden. Het opvallende aan deze bewerking voor klein orkest is dat alle opsmuk ontbreekt en dat de basale Mahler in al zijn glorie klinkt. Juist daardoor werd Das Lied Mahler's Mahler. Natuurlijk is de orkestrale  versie prachtig, maar door deze bewerking kom je tot de kern van het muzikale wezen van Mahler. Je hoort veel meer de relatie met het andere werk van Mahler waarbij ik vaak juist aan de eerste symfonie moest denken. Maar ook het melancholische en 'witzige' in Mahler's muziek komt zo tot uitdrukking. Ten slotte was ook goed te horen dat de aanname dat wanneer Mahler langer had geleefd hij de overstap had gemaakt naar de atonaliteit best wel eens waar zou kunnen zijn. De muziek scheert langs het atonale en krijgt daarmee een bijzonder karakter. Dit alles geholpen overigens door een prachtige, energieke en (behoorlijk) vlugge uitvoering door het Asko|Schönberg ensemble onder de immer vitale Reinbert de Leeuw (bouwjaar 1938). 

Het is daarom niet verwonderlijk dat deze uitvoering (het betreft een reprise!) gold als een van de hoogtepunten van de Rotterdamse Operadagen 2011. De enscenering behoeft ook bijzondere vermelding. Door middel van een groot scherm met natuurbeelden wordt een prachtige sfeer gecreëerd. De enscenering op het toneel zelf is simpel maar zeer doeltreffend. Door de kostuums die lijken te dateren uit de jaren twintig en een paar strandstoelen en zand wordt treffend gememoreerd aan een strand in het Noorden van Europa of de Zuidkust van Engeland, met daarbij een bijbehorend gevoel van melancholie dat zeer passend is bij de muziek van Mahler. Bewust worden tenor en alt als man en vrouw gepresenteerd. Tegelijkertijd is er ook ruimte voor humor wanneer de tenor 'te paard' het podium op en neer gaat en ook zo in de film voorkomt. Hoogtepunt van de liederencyclus dat Das Lied, gebaseerd op teksten uit 'Die chinesische Flöte' van Hans Bethge, is het laatste (bijna half uur durende!) lied 'Der Abschied'. Daar komen kamerorkest, zang, enscenering, sfeer en afscheid (een priester, zeer lang van stuk, verschijnt ten tonele en lijkt de tenor mee te nemen naar het hiernaarmaals) perfect samen. Als er al minpunten zijn te noemen dan is het dat de balans tussen orkest en tenor, zeker bij het eerste lied, niet altijd perfect is. Dit euvel deed zich overigens in het Concertgebouw ook al wat wellicht ook te maken heeft met het tweede minpunt: De Doelen is eigenlijk te groot wat in realiteit een intiem stuk is en zou moeten zijn. Een kleinere, intiemere zaal zou de beleving nog beter maken. Dit zijn echter een paar minpunten bij een verder prachtige uitvoering die mijn waardering voor Mahler in het algemeen en Das Lied in het bijzonder alleen maar verdiept heeft. Mocht er binnenkort nog een reprise volgen dan is het meer dan de moeite van het bezoeken waard!

zondag 16 september 2012

'Sweeth Tooth' van Ian McEwan


De laatste tijd heb ik in een hoog tempo diverse boeken van Ian McEwan gelezen: 'Innocent', 'Solar' en 'Amsterdam'. Op de constatering na dat alle boeken van Ian McEwan tot leven komen in een prachtig en verleidelijk proza lijkt McEwan geen vast receptuur te hebben voor zijn boeken. McEwan start bij elk boek weer opnieuw wat kan variëren van een spannende spionagedrama (Innocent) tot een literaire komedie (Solar). En met zijn nieuwste boek 'Sweet Tooth' (net uit, in het Nederlands vertaald als 'Suikertand') is het niet anders. 

Het boek lijkt overigens in beginsel een spionageroman. De eerste regel lijkt dat meteen de bevestigen: 'My name is Serena Frome (rhymes with plume) and almost forty years ago I was sent on a secret mission for the British security service'. Toch wordt de lezer hier meteen op het verkeerde been gezet. Want deze biografie van Serena Frome, die door ik-verteller de lezer in een wat voyeuristisch perspectief plaatst, kantelt aan het einde van het boek volledig naar een liefdesroman met een volstrekt onverwachte 'twist'. En in die constatering ligt ook besloten of je het boek al dan niet goed vindt. 

Tijdens het lezen had ik lange tijd het idee dat dit boek me zou gaan teleurstellen. En dat is, na zoveel boeken van McEwan in korte tijd, ook niet zo vreemd. Het boek lijkt in beginsel wat voort te kabbelen terwijl het tegelijkertijd intrigeert. In grote stappen banjert Serena door haar leven. Een leven dat niet lijkt af te wijken van de gemiddelde zoon of dochter in de hogere Britse middenklasse. Als dochter van een Anglicaanse bisschop groeit Serena, samen met een zus, op in een normaal gezin. Het enige abnormale aan Serena is haar fascinatie voor lezen en de snelheid waarmee ze grote hoeveelheden boeken, van uiteenlopende soort, verslindt. Dit leidt uiteindelijk niet tot een studie Engels in Cambridge, maar een studie Wiskunde, iets waar Serena enorme aanleg voor blijkt te hebben. Daarbij speelt het verhaal in de jaren zeventig waar de positie van vrouwen, en daardoor de te maken keuzes, een andere was. In haar universitaire wereld leert ze de oudere professor Tony Canning kennen en ze worden geliefden. In een verder verleden heeft hij voor de Britse geheime dienst gewerkt, MI5 (MI6 is de buitenlandse inlichtingendienst), en hij regelt dat Serena op gesprek kan komen om bij MI5 te gaan werken. Niet veel later maakt hij, op brute wijze, een einde aan de relatie. Serena komt desondanks terecht bij MI5 en niet veel later, bij het overlijden van Canning, zal blijken dat er bij Canning sprake was van 'more than meets the eye'. 

De derde zin van het boek verraadt waar de bulk van het boek overgaat, de periode bij MI5: 'Within eighteen months of joining I was sacked, having disgraced myself and ruined my lover, though he certainly had a hand in his own undoing.' Bij MI5 wordt Serena op het project 'Sweeth Tooth' gezet. Een project dat tot doel heeft om 'goede' (lees: niet-linkse c.q. kritisch op communisme zijnde) schrijvers en andere literaire contribuanten aan de maatschappij te ondersteunen in hun werk. Serena moet zich ontfermen over T.H. Haley met wie ze al spoedig een liefdesrelatie krijgt. Zoals de net geciteerde zin al aangeeft, loopt dat niet goed af. De details laat ik hier, het lezen moet immers een plezier blijven, achterwege. 

Opvallende voor mij bij het lezen van dit boek was dat ik hoge verwachtingen heb door mijn McEwan-'fetish' van de afgelopen maanden, maar telkens knaagde bij het lezen het gevoel of ik het nu eigenlijk wel een goed boek vond. Daarbij dacht ik terug aan 'Amsterdam' dat ik tijdens het lezen erg goed vond, maar het 'over the top' einde die kwalificatie flink deed verwateren. Nu moet je tijdens het lezen van een boek nooit recensies ervan lezen, maar ik kon het niet laten. De boekrecensies van 'The Economist' zijn voor mij bijkans heilig en daar was zeer zeker geen sprake van een juichende beoordeling. Zo anders was het bij de Volkskrant die juist wel vol lof schreef. Zonder al te veel te willen verklappen, zette de (volstrekt onverwachte, maar wel geloofwaardige) 'twist' het hele voorgaande boek volstrekt op stelten. Een spionageroman die gaandeweg verwerd tot een liefdesroman blijk uiteindelijk ook een roman over literatuur te zijn. Na het lezen van de laatste pagina's heb ik met veel bewondering voor het vernuft van McEwan het boek in een nieuw perspectief tot mij genomen. Een boek dat daardoor hoog in mijn achting staat en daarom van harte wordt aanbevolen. Begin aan dit boek en houdt de recensie van 'The Observer' in ogenschouw: 'It may seem preposterous at first, but stick with this playful Russian doll of a novel and the rewards are immense.'

zaterdag 15 september 2012

Concert 14 september 2012: De AAA-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest

Lutoslawski: Jeux vénitiens (1960-1961)
Murail: Les Désenchantement du monde (2012)
Ives: Vierde symfonie (1909-1916)

Pierre-Laurent Aimard (piano)
Nederlands Concertkoor
Ralph van Raat (piano solo)
Bas Wiegers (tweede dirigent)

Péter Eötvös, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw Amsterdam

Hoewel het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) al jarenlang volle zalen trekt en lovende kritieken krijgt met muziek tot omstreeks het begin van de 20e eeuw hebben ook klassieke muziek uit de tweede helft van de 20e eeuw en zeer actuele composities uit de 21e eeuw een plek binnen het repertoire. Sinds 2010 heeft het KCO dit repertoire vervat in de serie AAA (actueel, avontuurlijk, aangrijpend) en verlaat daarmee de gebaande paden en daarmee overigens ook de volle zalen. Overigens is de AAA-serie meer dan alleen een serie concerten ook worden lezingen, films, debat en beeldende kunst rondom AAA-concerten georganiseerd:


Iedere editie van AAA heeft als uitgangspunt een thema dat van diverse kanten wordt belicht. Het concert van gisteravond had als thema 'Orde en Chaos' en dat was in de muziekkeuze goed te merken. De ontwikkeling in de klassieke muziek van de afgelopen honderd jaar werd gekenschetst door de drie gekozen muziekstukken: de Vierde symfonie van de Amerikaanse componist Charles Ives uit het begin van de 20e eeuw, het orkestwerk 'Jeux vénitiens' van de Poolse componist Witold Lutoslawski uit het midden van de 20e eeuw en de Nederlandse première van het pianoconcert 'Les Désenchantement du monde' van de Franse componist Tristan Murail dat afgelopen mei in München de wereldpremière beleefde. 

Vooral in de werken van Lutoslawski (1913-1994) en Murail (1947) is de ontwikkeling in de klassieke muziek naar atonale muziek goed te horen. Een ontwikkeling begonnen met Arnold Schönberg die als eerste brak met de traditionele atonaliteit. Het aardige aan de AAA-serie daarbij is overigens dat dit soort ontwikkelingen helder worden toegelicht in het (gratis) programmaboekje, maar ook door een korte inleiding van een lid van het KCO voorafgaand aan het concert. Dit overigens ook om te benadrukken dat sommige delen van de muziek vals zullen klinken, maar dat dit toch echt de bedoeling van de componist is. Op deze wijze, en de combinatie met andere uitingsvormen, zorgt dat deze niet altijd even toegankelijke muziek in ieder geval een minder hoge drempel kent dan voorheen. Dan resteert alleen nog de waardering (al dan niet!) voor de muziek zelf.

En in alle eerlijkheid moet ik zeggen dat lang niet alle moderne klassieke muziek aan mij besteed is. Mijn voorliefde ligt bij de (late) Romantiek, maar Amerikaanse moderne componisten zoals Philip Glass en John Adams staan ook hoog bij mij in aanzien. Muziek moet iets met je doen en of het nu Mahler, Bruckner, Mozart, Haydn, Wagner of Glass of Adams is, al deze muziek doet iets met me en luister ik, op alle mogelijke momenten en in alle uiteenlopende stemmingen, daarom graag. Helaas moet ik zeggen dat het orkestwerk van Lutoslawski en het pianoconcert van Murail met als solist Pierre-Laurent Aimard mij gisteravond niet echt konden bekoren. Het werd, alhoewel dat lastig is te zeggen, goed en enthousiast door het KCO onder leiding van dirigent-componist Péter Eötvös gespeeld, maar de wijze waarop deze componisten atonaliteit hebben doorgevoerd, doet me niet zoveel. Daarbij mogen we overigens nog van geluk spreken dat zij aanhangers zijn van de vrije atonaliteit (meer info via Wikipedia) wat het luistercomfort iets vergroot. Het blijft echter muziek waar ik de logica en het luisterplezier niet van inzie. Dus meer dan een welwillende toeschouwer van een muzikaal experiment was ik dus niet. Dit overigens in weerwil van het feit dat de componist Tristan Murail zelf aanwezig was om de Nederlandse première bij te wonen. Dat maakt zo'n concert dan toch weer bijzonder. 

Na de pauze was dat gelukkig anders met de (zelden uitgevoerde) vierde symfonie van Charles Ives (1874-1954). Een atypische componist aangezien hij een dubbelleven leidde: overdag een succesvolle verzekeringsagent en daarbuiten componist. Lange tijd over het hoofd gezien maar sinds decennia één van de toonaangevende Amerikaanse componisten van de 20e eeuw. Een erkenning die overigens tot na zijn dood heeft geduurd, maar eerder zich had kunnen voltrekken aangezien Gustav Mahler, niet lang voor zijn dood, zich interesseerde voor het werk van Ives. 

De Vierde symfonie van Ives wordt maar zelden uitgevoerd vanwege de bezetting. Naast een volledig orkest is een concertkoor nodig en een tweede dirigent om de diverse elementen op koers te houden. Dit komt omdat Ives niet alleen experimenteert met de muziek zelf, maar ook de wijze waarop de muziek wordt uitgevoerd. Zo zat gisteren het koor in het publiek terwijl bovenaan de legendarische trap van het concertgebouw een deel van het orkest zich bevond en naast de dirigent een tweede dirigent, Bas Wiegers, moest aantreden omdat het stuk dat nu eenmaal verlangt. Op YouTube vond ik overigens een filmpje van deze zelfde symfonie maar dan op de bok de dirigenten Stokowski en Serebrier:


De wijze van musiceren intrigeerde al, maar de muziek zelf zeker ook. Hoewel Ives de ontwikkelingen van de 20e eeuw in zijn muziek verwerkt, citeert hij altijd allerhande bekende en minder bekende marsen, deuntjes en dergelijke. Zo staat in deze symfonie de hymne 'Nearer, My God, to thee' centraal en heeft hij in het eerste deel de hymne van John Bowring 'Watchman, tell us of the Night' uit 1825 gezet op zijn muziek. Zo komen in het eerste deel atonaal en tonale lyriek in orde en chaos samen. Dit wordt verder uitgebouwd in een explosief en komisch scherzo waar 'The Celestial Railroad' van Nathaniel Hawthorne als inspiratiebron geldt. Dit wordt gevolgd door een prachtige lyrische fugue waarin duidelijk wordt dat Ives ook prachtige tonale muziek kon schrijven. Dit alles afgesloten met een terugkeer naar de Prelude en een zinderende finale met een woordloos koor eindigend in slechts de puls van het slagwerk. Met recht een actuele, avontuurlijke en aangrijpende avond die helder voor mij maakt waar mijn muzikale smaak eindigt en waar mijn vraagtekens bij het wezen van muziek beginnen. 

maandag 10 september 2012

'Empire' van Jeremy Paxman


Wie afgelopen zaterdag op de BBC de traditionele 'The Last Night of the Proms' heeft gezien, zal zich wellicht afvragen waar die oprecht serieuze passie vandaan komt bij de 'Prommers' wanneer vaderlandslievende liederen als 'Jerusalem', 'Land of Hope and Glory' en bovenal 'Rule Britannia' worden gezongen. De Union Jack, te midden van andere vlaggen (niet in het minst de Engelse en Schotse), wappert dan fier in de Royal Albert Hall. En zo gek is dat niet, want nog tot ver in de 20e eeuw, regeerde het Verenigd Koninkrijk over een rijk waar de zon nooit onder ging. Een rijk dat ongeveer 200 jaar heeft bestaan, doch in een kleine twintig jaar werd ontmanteld. Op het hoogtepunt, in 1922, besloeg het British Empire ongeveer een kwart van het aardoppervlak en was twintig procent van de wereldbevolking onderdaan ervan. 

Over het British Empire zijn al vele boeken geschreven, maar vaak vallen deze uiteen in boeken die het veroordelen dan wel prijzen. Jeremy Paxman, bekend als de genadeloze interviewer van Newsnight van de BBC, heeft met 'Empire' een neutraal boek geschreven waar via diverse episodes het wezen van het British Empire wordt uiteengezet. Hoewel voorkennis van de Britse geschiedenis essentieel is, heeft Paxman met 'Empire' een toegankelijk boek geschreven voor de anglofiel die meer wil weten van deze roemruchte periode uit de Britse geschiedenis. En voor die lezers van mijn blog die liever kijken dan lezen: er is ook nog een begeleidende BBC-serie gemaakt, gepresenteerd door diezelfde Paxman. Zeer de moeite waard, ook na het lezen van het boek.

Het voert wat ver om het boek samen te vatten omdat het vooral een mooie samenballing van allerhande verhalen rondom de British Empire zijn: van Canada en Australië via de uithoeken van Afrika en exotische paradijzen zoals de Bahama's tot de parel in de keizerlijke kroon: India. Want met de toevoeging van India aan het Verenigd Koninkrijk was er echt sprake van een wereldrijk. Een onmetelijk land van onvoorstelbare oppervlakte (het Britse India besloeg zowel het huidige India als Pakistan) en honderden miljoenen inwoners kreeg een bijzondere plek in het collectieve Britse bewustzijn. In het hedendaagse India valt nog veel van de 'Raj' (de term voor het Britse bewind in India) terug te zien. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan het British Empire. Het land was financieel en materieel uitgeput terwijl tegelijkertijd het recht op vrijheid waar het Verenigd Koninkrijk voor vocht niet ontzegd kon worden aan haar onderdanen. Met de onafhankelijkheid van India in 1947 was het definitief gedaan hoewel er nog tientallen jaren onderdelen van de wereld stug Brits zouden blijven, is dit tegenwoordig beperkt tot delen van de wereld die slechts een paar honderdduizend inwoners  tellen met de Falkland eilanden, waar Thatcher nog een succesvolle oorlog om vocht met Argentinië, als bekendste voorbeeld. 

Wat vooral opvalt bij het lezen van 'Empire' is, zoals ook laatst verklaard door de huidige Britse premier David Cameron, dat veel van de huidige geopolitieke problemen (deels) zijn veroorzaakt door de Britten. Het zal voor velen niet al te bekend zijn dat het Verenigd Koninkrijk, na de Eerste Wereldoorlog, ook nog een tijd de scepter zwaaide over dat deel van het Midden-Oosten dat nu Israël is en met tegenstrijdige beloftes aan zowel de Joden als de Palestijnen het hele 'gedonder' daar is begonnen. Alleen al deze informatie maakt dit een zeer lezenswaardig boek, wat versterkt wordt door de schrijfstijl van Paxman die ik niet anders kan typeren als Brits met her en der een flinke dosis 'tongue in cheek'. 

In de TV-serie, maar ook in de ondertitel van de hardcover-versie van dit boek, lijkt Paxman uit te zijn op het antwoord op de vraag 'what ruling the world did to the British'. In het boek komt daar eerlijk gezegd niet zo heel veel van terecht doch geeft de afsluiting de nodige 'food for thought': 'The empire was Britain's main international preoccupation for a very long time. But instead of trying to grapple with the implications of the story of empire, the British seem to have decided just to ignore it. It is perhaps possible that this collective amnesia has nothing whatever to do with the country's lamentable failure to find a comfortable role for itself in the world. But it seems unlikely. The most corrosive part of this amnesia is a sense that because the nation is not what it was, it can never be anything again. If only the British would bring a measure of clarity to what was done in their country's name, they might find it easier to play a more useful and effective role in the world.'

donderdag 6 september 2012

Toneel 3 september 2012: 'Midzomernachtdroom' met Stefan de Walle, Anniek Pheifer en Pierre Bokma


 
Het Nationale Toneel:
'Midzomernachtdroom'
 
Stefan de Walle - Theseus/Oberon
Anniek Pheifer - Hippolyta/Titania
Antoinette Jelgersma - Philostrates/Puck
Joris Smit - Lysander
Tibor Lukács - Demetrius
Sallie Harmsen - Hermia
Hannah Hoekstra - Helena
Theo Pont - Egeus
Pieter van der Sman - Kale
Pierre Bokma - Bok
Jappe Claes - Belg
Jelle de Jong - Pikkie
Vincent Linthorst - Kluit
Ali Çifteci - Turk
 
Tekst: William Shakespeare
Vertaling: Tom Kleijn
Regie: Theu Boermans
Koninklijke Schouwburg, Den Haag
 
 
Vorig seizoen triomfeerde het Nationale Toneel met de Nederlandse bewerking van 'A Mid-summer Night's Dream' van William Shakespeare. Met 'Midzomernachtdroom' werden klinkende recensies behaald en aan het begin van het nieuwe seizoen is 'Midzomernachtdroom' in de reprise gegaan. Van vrienden die geweest waren, hoorde ik al lovende verhalen, dus zonder schroom kocht ik net voor de zomer een kaartje voor de reprise.
 
Het gevaar van zulke hoge verwachtingen is natuurlijk dat het alleen maar kan tegenvallen. En toen ik in de Koninklijke Schouwburg ietwat gaar plaats nam en de voorspelde duur van 3 uur (met gelukkig wel een pauze) op me liet inwerken begon enige twijfel zich van mij meester te maken. Maar die vrees was volstrekt ongegrond. In die drie uur tijd trok zich aan mij een prachtige, maar vooral humoristische toneelvoorstelling voorbij die vanwege de inventieve enscenering, het geweldige ensmeblewerk maar ook individuele acteerprestaties en de scherpe, treffende Nederlandse vertaling geen moment verveelde. Ik ga niet extreem vaak naar het toneel, maar een dergelijke voorstelling is een groot genot en aanleiding om veel vaker te gaan.
 
En dat begint al met de enscenering. Shakespeare's komische meesterwerk is al eeuwenoud en de plaatsing, het oude Athene, leent zich al snel voor stoffigheid. In de visie van Theu Boermans wordt dit oude blijspel de 21e eeuw ingesleept. Het begint met het huwelijksfeest van Theseus en Hippolyta. Een zakelijk huwelijk dat door het Nationale Toneel wordt gezien als een overname van het bedrijf van Hippolyta door het bedrijf van Theseus bezegeld door een huwelijk tussen de CEO's. Daarbij speelt tevens de door Egeus niet geaccepteerde liefde tussen Lysander en zijn dochter Hermia. Op grond van oude Atheense wetten heeft hij het recht om Hermia uit te huwelijken aan wie hij wil: Demetrius. Helena, de zus van van Hermia, is verliefd op Demetrius doch deze liefde is niet wederzijds. Ten slotte maken we kennis met een groep technici die ter gelegenheid van de bruiloft een toneelstuk instuderen. Met het invallen van de nacht verplaatst de 'actie' zich naar het bos waar de technici hun toneelstuk oefenen, Lysander en Hermia een liefdesvlucht ondernemen en Demetrius achterna wordt gezeten door Helena. In de nacht neemt het sprookje echter de overhand en nemen de sprookjes alterego's van Theseus en Hippolyta, Oberon, Koning der Elfen en Titania, Koningin der Elfen de leiding. Dit leidt tot een indrukwekkende scenewisseling waarbij de partytent van het huwelijk door een grootste stroom van kurkenschilfers wordt omgetoverd tot een sprookjesbos. Dit alles ingeleid door Philostrates die zich omvormt tot Puck de adjudant van Oberon. Gelukkig heeft het Nationale Toneel een 'trailer' gemaakt voor 'Midzomernachtdroom' waardoor de enscenering ook voor de lezers van mijn blog inzichtelijk wordt gemaakt:
 
 
In deze nacht poogt Oberon, onhandig bijgestaan door Puck, de liefde tussen de diverse spelers te bedisselen door magie en misleiding. Tegelijkertijd zetten de technici hun repetitie voort waarbij Bok ook ten prooi valt aan Oberon en Puck en verandert in een ezel. Uiteindelijk ontwaakt iedereen weer en heeft de ware liefde overwonnen waarna het bedrijfsmatige huwelijk van Theseus en Hippolyta wordt uitgebreid met huwelijken tussen Lysander en Hermia en Helena en Demetrius. En ten slotte wordt het toneelstuk van de technici opgevoerd met een hilarische vrouwenrol voor de Belg. Deze scenewisseling wordt wederom begeleid door Puck die zich nu weer omvormt naar Philostrates en uiteindelijk het stuk afsluit en de vraag poneert wanneer sprake is van ware liefde.
 
Juist deze Puck/Philostrates en Bok vormen de nucleus van de oprecht komische uitwerking van 'Midzomernachtdroom'. Het hele toneelstuk is een blijspel, maar hun bijdrage, formidabel gestalte gegeven door Antoinette Jelgersma en Pierre Bokma, maken het onvergetelijk. En dat is niet in de laatste plaats ook te danken aan de uitstekende en prachtige vertaling door Tom Kleijn. Er valt nog veel te schrijven over deze mooie productie, maar eigenlijk, en dat was na een paar zinnen van deze blog al duidelijk, moet je gewoon deze reprise met eigen ogen aanschouwen. Teleurstelling is niet mogelijk.