zondag 30 juni 2013

De Europese koerier tegen Merkel en de natiestaat: 'De Europese Koerier' van Robert Menasse


Het pro-Europa pamflet De Europese Koerier van de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse benadrukt vooral de nadelen van de natiestaat. Waarom dit pamflet aanleiding was om uit te geven is minder evident. 

Er waren tijden dat het onderwerp ‘Europa’ een slapend bestaan leidde. Wat er allemaal precies in Brussel gebeurde, daar waren we allemaal eigenlijk niet zo mee bezig. Soms hoorde je iets over richtlijnen voor de kromming van bananen, maar voor de rest was ‘Europa’ vooral een instituut dat bijdroeg aan vrede en welvaart. Inmiddels is ‘Europa’ – beter gezegd: de Europese Unie – niet meer van de voorpagina’s weg te slaan en is de meningsvorming over de aanpak van de Eurocrisis, maar ook de toekomst van de Europese Unie zelf, structureel onderwerp van gesprek.

Met de verkiezingen voor het Europees Parlement op 22 mei 2014 zal de aandacht alleen maar toenemen. De dames en heren van de Arbeiderspers willen op deze belangstelling inspelen en hebben het pamflet Der Europäische Landbote van de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse vertaald en onder de titel De Europese Koerier in Nederland uitgebracht. Daarbij laat de ondertitel geen enkele vorm van misverstand bestaan over waar Menasse zich binnen het Europese discours bevindt: De Woede van de Burger en de Vrede van Europa. Een prachtig en prikkelend pleidooi pro Europa.

Ter voorbereiding op een mogelijke roman over een medewerker van de Europese Commissie is Robert Menasse tijdelijk naar Brussel vertrokken om de Europese Unie, haar instellingen en de mensen die de instellingen bevolken te bestuderen. Blijkbaar heeft dit niet tot het gewenste resultaat geleid, want de roman is er (vooralsnog?) niet van gekomen. Ook een reportage vanuit de Brusselse burelen van de Europese Unie is het niet geworden, maar wel een pamflet. In zijn pamflet refereert hij een enkele keer nog aan de roman waarbij ook een enkele ontmoeting juist in het teken stond van die roman. De precieze aanleiding voor dit pamflet en het lot van de roman blijven echter in het ongewisse.

Hoogstwaarschijnlijk is de aanleiding vooral Menasse’s woede over het feit dat de Europese Unie in zo’n kwaad daglicht staat. Daarbij richt hij zich met name op de natiestaat in het algemeen en populistische kiezers en politici in het bijzonder. Vooral Bondskanselier Angela Merkel moet het ontgelden, hoewel ook zijn eigen land Oostenrijk een flinke veeg uit de pan krijgt. Het is duidelijk dat Menasse de Europese Unie ziet als een postnationale transformatie teneinde natiestaten overbodig te maken.

Menasse’s postnationale stellingname zal, zeker in de huidige eurosceptische tijd, maar weinigen aanspreken. Dit vooral omdat hij zijn stellingname kracht bijzet door de natiestaat en haar leiders af te breken. Daarmee maakt hij zich schuldig aan hetgeen hij de ‘tegenstanders’ van de Europese Unie verwijt. Daar waar zij alle positieve gevolgen van de Europese integratie wegcijferen en alleen de focus leggen op die zaken die niet goed gaan, doet hij precies het tegenovergestelde. Een nogal vreemde stellingname (van beide kampen) omdat de Europese Unie en de (regeringen van de) lidstaten geen gescheiden werelden zijn, maar samen de toekomst van dit continent bepalen. Ze dragen samen ‘schuld’ en hebben de bijbehorende gezamenlijke oplossingen in de hand.

Het debat over de Europese Unie lijkt toch meer gebaat bij realiteit en feiten en minder met pamfletten als deze. Daarbij kan overigens de vraag gesteld worden in hoeverre een pamflet in deze tijden überhaupt nog effect heeft. Recent werd Erik de Zwart door de Volkskrant geïnterviewd in het kader van de 4 Uur Nieuwsbreak-rubriek. Zijn ene zin over Europa ‘Ik vind de Europese Unie een grote zegen, maar qua uitvoering laat het nogal wat te wensen over’ is een waardevollere toevoeging op het Europese debat dan het pamflet van Menasse.

Wellicht had Menasse beter zijn ervaringen kunnen gebruiken om een behind the scenes-boek te schrijven zoals Derk-Jan Eppinks Europese Mandarijnen waarvan de eerste zinnen wel nodigen tot verder lezen: "De Europese Commissie is de prinses die op de dansvloer van de geschiedenis de wals inzet naar de eenmaking van een heel continent. Zij is gracieus, maar soms nukkig. Zij is doelgericht, maar vaak wispelturig."

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zaterdag 22 juni 2013

Opera 17 juni 2013: Over een meesterlijke 'Meistersinger' en de sterfelijkheid van dirigenten


De Nederlandse Opera:
Die Meistersinger von Nürnberg

James Johnson - Hans Sachs
Roberto Saccà - Walther von Stolzing
Adrian Eröd - Sixtus Beckmesser
Agneta Eichenholz - EvaPogner
Alastair Miles - Veit Pogner
Marcel Beekman - Ulrich Eisslinger

Koor van De Nederlandse Opera
Marc Albrecht (Akte 1 & 2) / Boudewijn Jansen (Akte 2 & 3)
Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

Een meesterlijke Meistersinger kreeg een onverwachte wending en bezorgde assistent-dirigent Boudewijn Jansen een droomdebuut.

Hoewel er nog altijd een kleine minderheid bestaat die de muziek van Richard Wagner (1813-1883) vanwege zijn antisemitisme als ‘gevaarlijk’ bestempelt, zal Wagner’s muziek niet snel gezien worden als een gezondheidsrisico. Toch heeft de muziek van Wagner de dubieuze eer om geassocieerd te worden met het overlijden van enkele dirigenten. Zo zijn zowel Felix Mottl in 1911 als Joseph Keilberth in 1956 ingestort en vervolgens overleden tijdens het dirigeren van Tristan und Isolde. De intensiteit van het dirigeren van muziek kan het menselijk lichaam te veel worden zoals ook Giuseppe Sinopoli in 2001 overkwam bij het dirigeren van Verdi’s Aida bij de Deutsche Oper van Berlijn. Keilberth, Mottl en Sinopoli zijn onderdeel van een behoorlijke lijst van dirigenten die ‘in het harnas’ zijn gestorven. Hoewel de bekende klassieke muziek-columnist Norman Lebrecht schreef over Why conducting is a health hazard blijft de conclusie dat het eerder regel dan uitzondering is dat dirigenten levend de bok verlaten.

Bij de opvoering maandag van Die Meistersinger von Nürnberg werd dirigent Marc Albrecht (chef van De Nederlandse Opera) onwel tijdens de Tweede Akte van Meistersinger, maar hoefde gelukkig niet in het rijtje van Mottl c.s. toegevoegd te worden. De verwachting was dan ook dat hij de volgende voorstelling op 20 juni zou dirigeren. Met het onwel worden werd meteen de professionaliteit van De Nederlandse Opera (DNO) duidelijk. De solisten gaven geen krimp, het orkest bleef rustig zitten en de techniek deed haar werk. Binnen vijf minuten stond assistent-dirigent Boudewijn Jansen op de bok, zette gedecideerd in op het punt waar Albrecht moest stoppen and never looked back. Na het uitstekend afronden van de Tweede Akte nam Jansen ook de Derde Akte (die ruim twee uur duurt!) soeverein voor zijn rekening. Daarmee leverde hij een uitstekend visitekaartje voor zichzelf af en wie weet wat hem dat in de toekomst nog gaat brengen.

Het komt vaker voor dat een beginnende dirigent door het vervangen van een onwel geworden topdirigent zijn naam vestigt. Zo stond Bernard Haitink in 1956 opeens voor het – toen nog niet Koninklijke – Concertgebouworkest om de ziek geworden Carlo Maria Giulini te vervangen bij het Requiem van Cherubini en maakte Esa-Pekka Salonen in 1983 een droomdebuut met Mahler’s Derde bij het Philharmonia Orchestra door de onwel geworden Michael Tilson Thomas. Een debuut dat hem een betrekking zou opleveren bij het Philharmonia Orchestra en toekomstig succes.

Na deze mijmeringen over de sterfelijkheid van dirigenten en de onverwachte kansen die deze biedt voor hun vervangers, terug naar de DNO-productie van Die Meistersinger von Nürnberg. Hoewel Meistersinger één van de langste werken van Wagner is, is de toegankelijkheid ervan juist één van de redenen om beginnende Wagner-liefhebbers te laten beginnen met deze ode aan de meesterzangers van Neurenberg. Want bij het schrijven van het libretto liet Wagner zich ditmaal niet inspireren door Germaanse mythen en legenden maar door het daadwerkelijk bestaande Middeleeuwse Gilde van de meesterzangers. Hoofdrolspeler Hans Sachs heeft daadwerkelijk bestaan en was – gelijk zijn personage in Meistersinger – een meesterzanger en schoenmaker. Deze realistische setting zorgt er ironisch genoeg ook voor dat deze opera als geen ander voer is voor diegenen die after the fact Richard Wagner tot Nazi verklaren. Want hoewel Meistersinger vooral een ode is aan de Kunst is het ook duidelijk een hommage aan de Duitse cultuur en een call to arms ter verdediging van die cultuur. Daarbij is de verbeelding van Sixtus Beckmesser de meest evidente naargeestige verpersoonlijking van Joden, althans, gezien vanuit de ogen van Wagner.

Het verhaal van Meistersinger is – in markante tegenstelling tot de duur van de opera - overigens simpel en vooral een liefdesverhaal. De wederzijdse liefde tussen ridder Walther von Stolzing en Eva Pogner kan slechts bezegeld worden wanneer Walther meedoet aan een zangwedstrijd om de hand van Eva. Overigens – heel geëmancipeerd – zijn de regels van deze wedstrijd door haar vader (en voorzitter van de jury) aangepast zodat Eva altijd zelf bepaalt of ze al dan niet trouwt met de winnaar, doch is het uitgesloten dat ze trouwt met een man die geen meesterzanger is. De gewiekste Sixtus Beckmesser heeft zijn zinnen ook op Eva gezet en weet Walther buitenspel te zetten. Hans Sachs, het muzikale geweten van Neurenberg, doorziet dit alles en weet Walther te inspireren tot een winnend lied en en passant Sixtus Beckmesser buitenspel te zetten.

Bij de DNO-productie is ervoor gekozen om deze ‘komische’ opera ook daadwerkelijk zo weer te geven. In alle eerlijkheid moet daarbij aangegeven worden dat het libretto van Wagner niet snel aanleiding geeft tot lachen, daar is Wagner toch niet genoeg een lachebekje voor. ‘Komisch’ moet in dit verband dan ook vooral gezien worden als ‘minder zwaar’ in vergelijking met het andere werk van Wagner. Door een theatrale regie en choreografie, gecombineerd met absurdistische elementen in het decor en de aankleding, wordt het lichtvoetige karakter onderstreept. Daarbij is gekozen voor een decor dat in veel opzichten raakvlakken heeft met het Parijs van de negentiende eeuw zoals terug te vinden in de schilderijen van impressionist Gustave Caillebotte waarbij het tijdperk van ijzer zichtbaar is.

Juist bij Meistersinger is de kwaliteit van de uitvoering van het grootste belang en daarmee zet De Nederlandse Opera, ook met een uitgeschakelde Marc Albrecht, een meesterlijke toon. Het Nederlands Philharmonisch Orkest combineert een prachtige klank met grote transparantie ter ondersteuning van het altijd soevereine Koor van De Nederlandse Opera en louter kwalitatief hoogwaardige solisten waarbij met name Adrian Eröd (Sixtus Beckmesser), Agneta Eichenholz (Eva Pogner) en Roberto Saccà (Walther von Stolzing) hoge ogen gooien en James Johnson (Hans Sachs) de absolute ster is. Met een dergelijke uitvoering, en dan met name het sensationele slot, toont De Nederlandse Opera datMeistersinger terecht een ode is aan de Kunst in het algemeen en de muziek in het bijzonder.



De Nederlandse Opera viert de tweehonderdste geboortedag van Richard Wagner (1813-1883) uitbundig met een reprise van ‘Der Ring des Nibelungen’ en nieuwe ensceneringen van ‘Parsifal’ en ‘Die Meistersinger von Nürnberg’. ‘Meistersinger’ is op 4 juni in première gegaan en de laatste voorstelling vindt plaats op 23 juni 2013. 

Lees hier eerdere recensies van Ferdi de Lange van DNO-producties van Parsifal, Das Rheingold en Die Walküre.


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zondag 16 juni 2013

'Het Stenen Bruidsbed' van Harry Mulisch


Na de toneelvoorstelling van Het Stenen Bruidsbed, in een uitstekende bewerking van Johan Doesburg, te hebben gezien, kon het lezen van de gelijknamige roman niet uitblijven. Een roman die overigens al ruim tien jaar - op een halve poging na - ongelezen in mijn boekenkast staat. En dat is eigenlijk best vreemd aangezien ik - gelijk de schrijver zelf overigens - een groot liefhebber van het werk van Mulisch ben. De toneelbewerking was een mooie aanleiding om alsnog het boek erbij te pakken. Opvallend daarbij was dat de onsuccesvolle eerdere poging ook na het lezen van Het Stenen Bruidsbed goed valt te verklaren. Het is één van de minder toegankelijke romans van Mulisch. Voor die lezers die verknocht zijn geraakt aan Mulisch door Siegfried, De Ontdekking van de Hemel en De Aanslag zal het even wennen zijn met dit vroege werk.  Hoewel met slechts 171 pagina's het lezen ervan geen uitgebreide exercitie is, moet wel zorgvuldig gelezen worden om de betekenis achter de woorden goed te kunnen doorgronden. Hoewel de schrijfstijl dus minder Mulisch is dan je zou verwachten is de thematiek vintage Mulisch: de tegenstelling tussen Goed en Kwaad en met name het schemergebied ertussen tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. 

In Het Stenen Bruidsbed maken we kennis met Norman Corinth. Corinth is een Amerikaanse tandarts uit Baltimore die op uitnodiging een congres te Dresden bijwoont. Het is inmiddels 1956 en Dresden is gelegen achter het IJzeren Gordijn en is verloren geraakt aan het Communisme. Dertien jaar eerder was Corinth ook al in Dresden, maar dan als piloot van de Amerikaanse luchtmacht en onderdeel van het bombardement dat de cultuurstad Dresden met de grond gelijk maakte. Een bombardement waar Dresden nooit meer van zou herstellen. Zoals Herr Ludwig - de eigenaar van het pension waar Corinth verblijft - aan Corinth vertelt was Dresden ooit dynamischer dan Berlijn en mooier dan Parijs, maar das war einmal. 

Corinth worstelt met zijn rol tijdens het bombardement. Overigens niet het bombardement zelf, maar wel de 'nazorg' die hij en zijn kompanen in hun bommenwerper gaven aan de burgers van Dresden die van huis en haard verdreven werden en - vanwege de vuurstorm als gevolg van het bombardement - hun toevlucht zochten in de rivier de Elbe om vervolgens door Corinth c.s. onder vuur genomen te worden. Daarbij lijkt de naam van Corinth niet toevallig door Mulisch gekozen. Corinth is niet alleen de naam van de antieke Griekse stadstaat en daarmee een net zo grote ruïne als Dresden in de jaren na het bombardement, maar ook de naam van de moderne stad die in de 19e eeuw zowel door de Turken (tijdens de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog) als een aardbeving vernietigd is. 

Tijdens zijn bezoek aan Dresden, dat hij 'opleukt' door zijn begeleider Hella Viebahn te verleiden en weer terzijde te schuiven, lijkt hij in medecongresganger Herr Doktor Schneiderbahn, zijn verlossing te hebben gevonden. Deze West-Duitser in Oost-Duitsland lijkt erop te zinspelen dat hij in de Tweede Wereldoorlog actief was in een concentratiekamp. Uiteindelijk blijkt dat deze Schneiderbahn juist wel aan de goede kant opereerde wat tot een complete nervous breakdown bij Corinth leidt en aantoont dat Goed en Kwaad wel degelijk gescheiden kunnen zijn en dat zijn schemergebied uiteindelijk onhoudbaar is.

Het opvallende van deze roman is dat een groot aantal thema's die dominant zijn voor het oeuvre van Mulisch hier al aan de oppervlakte komen. Natuurlijk is dat de Tweede Wereldoorlog in het algemeen, maar ook zijn fascinatie met Hitler (briljant tot uitdrukking gebracht in Siegfried) die hier vooral wordt benoemd als de 'Kakkerlak' die wegvlucht in zijn bunker terwijl Duitsland de vernietiging tegemoet gaat. En tenslotte is daar de fascinatie van Mulisch voor Goed en Kwaad en het schemergebied daartussen. Voor fans van Mulisch is daarom Het Stenen Bruidsbed verplicht leesvoer, hoewel de gebrekkige toegankelijkheid deze roman nooit op één lijn zal plaatsen met de romans die Mulisch - terecht - een schrijver van wereldfaam hebben gemaakt. 

woensdag 12 juni 2013

Onvoltooide verwarring: 'De Onvoltooide' van Yasmina Allas


Met De Onvoltooide schetst Yasmine Allas een allesbehalve doorsnee liefdesverhaal dat meer vragen oproept dan beantwoordt.

Een liefdesverhaal over een man en een vrouw met botsende karakters. Zo kan de nieuwste roman van Yasmine Allas, De Onvoltooide, (uitgekomen in februari van dit jaar) simpel samengevat worden. En dat is eigenlijk te simpel omdat dit ogenschijnlijke doorsnee liefdesverhaal alles doet, behalve de bekende weg volgen.

In De Onvoltooide volgen we Victor die na een liefdesnacht met Hanna 'in het ongerede' is geraakt. Terwijl Hanna nabij is, vertellen de onsamenhangende gedachten van Victor het voorafgegane verhaal van de onmogelijke liefde van Victor en Hanna (‘Bloesemtak’, zoals hij haar noemt). Een relatie tussen een tandarts van middelbare leeftijd met een verstoorde liefdeloze jeugd en de impulsieve en bij tijd en wijle ‘gekke’  Hanna die gevormd is door de geschiedenis van haar familie.

We volgen Victor vanaf het einde van de nacht tot en met de volgende dag. Daarbij vindt weinig actie plaats, want hij komt zijn huis niet uit en verlaat slechts sporadisch de plek waar hij de liefde bedreef met Hanna: zijn slaapkamer. De gedachten van Victor geven het verhaal jeu, want deze werpen licht op de buitengewone, zesjarige liefdesrelatie en de levensgeschiedenissen van Hanna en Victor.

Via de gedachten van de verteller ontwikkelt zich voor de lezer een onstuimige relatie die nimmer in balans is geweest. Hanna bepaalt de snelheid en invulling van de relatie en onthoudt Victor lange tijd ‘de daad’ die juist voor hem de definitieve onderkenning van zijn liefde inhoudt. Langzamerhand krijgt ook Hanna een stem via de gedachten van Victor.

Daar waar Victor is behept met een familiegeschiedenis zonder liefde, die fnuikend is voor zijn emotionele ontwikkeling op latere leeftijd, lijkt de vreemde wijze waarop Hanna hun relatie inricht een gevolg van een verinnerlijkte clash of cultures. Hoewel ze uit de Islamitische wereld voortkomt (wellicht Somalië, het land van oorsprong van Yasmina Allas?), is zij juist gevormd door haar zeer particuliere familiegeschiedenis waar emotie en impulsiviteit een grotere rol spelen dan gebruikelijk in een schaamtecultuur.

Allas weet op overtuigende wijze deze relatie via de gedachten van Victor vorm te geven waarbij zij overigens meer vragen voor de lezer oproept dan vragen beantwoordt. Want wat de status van Hanna is na de liefdesnacht waar we in het begin kennis van namen, blijft het hele boek onduidelijk. Daarbij bouwt de schrijfster de spanning op. Wat in het begin nog onschuldige uitingen lijken van typische relatieproblemen nemen al snel een wat meer sinistere wending, culminerend in een wel erg atypische aanvaring tussen Victor en Hanna aan de oever van, en ín het Italiaanse Comomeer. De botsing doet begrip opbrengen voor zowel de positie van Victor als die van Hanna, maar maakt bovenal duidelijk dat dit verhaal nooit goed kan eindigen. De liefde zal altijd onvolmaakt en onvoltooid blijven.

Door veel te suggereren maar nooit te bevestigen zorgt Allas ervoor dat bepaalde elementen in het verhaal in de fantasie van de lezer, al naar gelang de herkenbaarheid ervan, tot de meest kwalijke proporties opgeblazen kunnen worden. De lezer die graag bij het omslaan van de laatste pagina closure ondervindt, moet dit boek mijden. Want echte antwoorden geeft Allas niet, zoals de titel natuurlijk al deed vermoeden, zeker niet wanneer in ogenschouw wordt genomen dat het verhaal is gebaseerd op de gedachten van een niet erg geestelijk stabiele Victor.

De lezer die van levenstwijfel en verwarring houdt, komt – in tegenstelling tot de hoofdpersonen uit dit boek – bij De Onvoltooide zonder meer aan zijn of haar trekken.
 
Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

vrijdag 7 juni 2013

Toneel 6 juni 2013: 'Het Stenen Bruidsbed' van Het Nationale Toneel

© Het Nationale Toneel

Het Nationale Toneel:
'Het Stenen Bruidsbed' 

Tekst: Harry Mulisch / Vertaling: Tom Kleijn
Bewerking: Stefan Bachmann & Felicitas Zürcher 
Decorontwerp: Berhard Hammer / Regie: Johan Doesburg

Jeroen Spitzenberger - Norman Corinth
Tamar van den Dop - Hella Viebahn
Stefan de Walle - Herr Doktor Schneiderhahn
Antoinette Jelgersma - verteller

Johan Doesburg heeft de smaak te pakken. Nadat hij het succesvolle boek De Prooi van Jeroen Smit over de ondergang van ABN Amro bewerkte voor toneel, heeft hij zich nu gestort op Het Stenen Bruidsbed (1959) van Harry Mulisch (1927-2010). En om maar met de deur in huis te vallen: ondanks dat het soms meer een vertelling dan een toneelstuk betreft, is de bewerking, vooral door de sfeer die het oproept, zeker geslaagd te noemen.

Voor toneelgangers die een 'gezellig avondje uit' zoeken is Het Stenen Bruidsbed absoluut de verkeerde keuze. Want de toneelbewerking handhaaft - uiteraard - de naargeestigheid van het boek waarin de Amerikaanse tandarts Norman Corinth (gespeeld door Jeroen Spitzenberger) voor een congres in 1956 terugkeert naar Dresden. Hoewel 'terugkeert' niet bepaald le mot juste is: elf jaar eerder bombardeerde Corinth Dresden als Amerikaanse gevechtspiloot. Een bombardement dat uiteindelijk leidde tot het neerstorten van zijn bommenwerper in Russisch gecontroleerd gebied. Een mislukte poging om de schade aan zijn gelaat te herstellen door de aanwezige Russische artsen dat resulteerde in een litteken op zijn gezicht dat zelfs de Phantom of the Opera nog zou doen terugdeinzen, herinnert hem nog dagelijks aan dit bombardement. 

Tijdens zijn bezoek aan het door Communisten gecontroleerde Dresden komt zijn verleden weer angstvallig dichtbij. Gelijk het boek laat de toneelbewerking een wereld zien die zwart noch wit, maar vooral alle tinten grijs is. Corinth worstelt zichtbaar met zijn verleden. Een verleden dat verder gaat dan het bombarderen van Dresden als onderdeel van de oorlog tegen Nazi-Duitsland. Corinth blijkt na de bombardementen ook onschuldige burgers, op de vlucht voor de vlammen en de vernietiging, met de boordmitrailleur te hebben doodgeschoten. Zonder meer een oorlogsmisdaad. Deze daad achtervolgt Corinth die zich graag verlies in drank en vrouwen. In Dresden weet hij dan ook zijn begeleider, Hella Viebahn (Tamar van den Dop), te verleiden. Een liaison waar zij overigens nadien spijt van heeft. Tevens ontmoet hij Herr Doktor Schneiderbahn (Stefan de Walle) die net als Corinth het congres bezoekt, maar woonachtig is in West-Duitsland. Deze Schneiderbahn laat veel over zijn achtergrond in het midden en lijkt Corinth (en anderen) bewust op het verkeerde been te willen zetten. 

Het 'geluk' lijkt Corinth toe te lachen wanneer Schneiderbahn lijkt te impliceren dat hij fout was in de oorlog door zijn activiteiten bij een concentratiekamp. Voor Corinth is dit een uitkomst: iedereen is fout geweest en als iedereen fout is, kan niemand echt fout zijn. Dit onder het motto van 'gedeelde schuld is halve schuld'. Uiteindelijk blijkt echter dat deze Schneiderbahn juist een heroïsche rol heeft gespeeld wat leidt tot een nervous breakdown bij Corinth en daarmee het onbestemde einde van de toneelvoorstelling.

Het knappe aan deze toneelbewerking is dat zowel het decor (een schuinaflopend houten vloer op een berg schedels die gaandeweg de voorstelling steeds zichtbaarder wordt), de muziek en de acteerprestaties bijdragen aan een unheimische sfeer die zo passend is bij het verhaal en met name de symboliek van het verhaal: de strijd tussen Goed en Kwaad die nimmer echt een duidelijke winnaar oplevert in onze grijze wereld. Daarbij helpt ook erg de gimmick van Doesburg om de 'Zang' uit het boek van Mulisch te verbeelden door Corinth en zijn bemanning als een spookachtige declamatie van hun bombardement op Dresden. Jeroen Spitzenberger, Stefan de Walle en Tamar van den Dop leven zich goed in hun personages in. Overigens ook een warm woord voor de prachtige dictie en vertelkracht van Antoinette Jelgersma als de verteller (Puck in Midzomernachtdroom). 

Overigens geeft het feit dat er sprake is van een verteller wel meteen een manco van de bewerking aan: bij tijd en wijle lijkt er toch meer sprake van een echte vertelling c.q. gesproken boek dan echt toneel. Ondergetekende heeft zich daaraan niet gestoord, maar het kan voor sommige bezoekers zeker enige verveling opleveren. Daarbij echter nog steeds de constatering dat Doesburg's bewerking van de vertaling van een eerdere toneelbewerking, Das Steinerne Brautbett van Stefan Bachmann, zonder meer geslaagd is en voor liefhebbers van sfeervol toneel en het werk van Harry Mulisch een aanrader is. 

'Het Stenen Bruidsbed' wordt tot en met 15 juni opgevoerd door Het Nationale Toneel in de Koninklijke Schouwbug te Den Haag. Tot en met november toert de voorstelling door Nederland om op 7 t/m 9 november te eindigen in de Koninklijke Schouwburg. Meer info via de speellijst en de teaser.

Het magisch realisme van François Ozon

© François Ozon


Dans la Maison is weer een typische film van de hand van de Franse cineast François Ozon. En dat is maar goed ook.

In de wereld van film is er maar een select groepje regisseurs van wie de naam belangrijker is dan het onderwerp van de film of de beoogde sterrencast. Daarbij kan gedacht worden aan iconen als Alfred Hitchcock, Steven Spielberg en Tim Burton. Veelal betreft het Amerikaanse regisseurs, wat gezien de grootte van de Amerikaanse filmindustrie niet verwonderlijk is. Het moge bekend zijn dat de Franse cinematografie, als één van de weinige Europese landen, nog steeds een (beperkt) stempel drukt op de mondiale filmindustrie. En binnen die Franse filmwereld lijkt er maar één cineast van wie menig film vol verwachting tegemoet wordt getreden: François Ozon.

Met het voyeuristische en hilarische Sitcom (1998) brak François Ozon (1967) zowel bij het publiek als bij de critici door. Zijn faam in zowel Franrijk, als Europa, als daarbuiten werd vooral gevestigd door 8 Femmes (2002) en Swimming Pool (2003). 8 Femmes is een muzikale klucht met donkere ondertoon waarmee Ozon het publiek bewust op een verkeerd been zet. Wat aandoet als een joviale murder mystery is in werkelijkheid een bijtend commentaar op de menselijke natuur. Eenzelfde soort thematiek doet zich voor in het thrillerachtige Swimming Pool waarin een Britse misdaadschrijfster rust zoekt in het vakantiehuis van haar uitgever om haar volgende boek te kunnen schrijven, maar onverwacht geconfronteerd wordt met zijn losbandige dochter. Feit en fictie lopen daarbij door elkaar en aan het einde van de film is niet compleet duidelijk welke gebeurtenissen zich nu wel en niet hebben afgespeeld in Zuid-Frankrijk.

Het aansprekende van het werk van Ozon is dat iedere film van zijn hand, hoe onderscheidend het onderwerp ook, een gelaagdheid kent die getypeerd zou kunnen worden als magisch realisme. Gelijk de gelijknamige stroming in de kunst betreft het voorstellingen die waar kunnen zijn, maar niet per se waarschijnlijk. Ozon speelt bewust met zijn publiek en laat altijd gissen naar zijn beweegredenen en de waarheid achter de beelden. Het prachtige en tragische Sous le sable (2000) is daar een goed voorbeeld van. We volgen een vrouw wiens man tijdens het zwemmen in de zee vermist is geraakt en volgen haar in haar leven na deze dramatische gebeurtenis waarbij telkens de vraag naar voren komt of haar man misschien toch nog in leven is.

Typisch voor Ozon is ook de vaak terugkerende thematiek van homoseksualiteit, die overigens nooit als een 'kwestie' wordt gepresenteerd, laat staan een worsteling. Of het nu de lesbische zoen is tussen Catherine Deneuve en Fanny Ardant in 8 Femmes of de geaardheid van de jonge hoofdpersoon die stervende is aan kanker in Le temps qui reste: homoseksualiteit is een fact of life waarmee hij uiteindelijk de ware acceptatie representeert.

Opvallend is verder aan het werk van Ozon dat hij de grote acteurs en actrices uit de Franse filmwereld langdurig aan zich weet te binden. Verschillende Franse toppers komen terug in meerdere van zijn films: Catherine Deneuve (8 Femmes, Potiche), Charlotte Rampling (Swimming Pool, Sous le Sable en Angel) en Ludivine Sagnier (Swimming Pool, 8 Femmes en Gouttes d’eau sur pierres brûlantes). Een relatie die lijkt op die van Tim Burton en zijn vaste stal van acteertoppers.

Zijn nieuwste (recent op DVD verschenen) film Dans la Maison is, na het wat tegenvallende Potiche, in veel opzichten weer een echte Ozon-film. De film draait om de relatie tussen leraar Frans Germain (gespeeld door Fabrice Luchini) en diens leerling Claude Garcia (gespeeld door Ernst Umhauer). De facinatie van Germain start bij het lezen van een opstel van Claude waarin hij diens weekend op bijna literaire wijze beschrijft en tegelijkertijd een voyeuristisch inkijkje geeft in het huis (‘Dans la Maison’!) van klasgenoot Rapha die door Claude wordt bijgestaan in zijn moeite met wiskunde. Germain’s voyeurisme gekoppeld met het enthousiasme over een leerling die – in tegenstelling tot de meeste anderen – wel kan schrijven, zorgen ervoor dat hij Claude op sleeptouw neemt en hem motiveert zijn schrijftalent verder te ontwikkelen door over de gebeurtenissen te schrijven in de familie en het huis van Rapha. Vanaf de zijlijn leest de vrouw van de leraar, de weinig succesvolle galeriehoudster Jeanne Germain (gespeeld door de altijd soevereine Kristin Scott Thomas), mee terwijl Rapha en zijn ouders lijdend voorwerp zijn. De fascinatie van Germain/Claude wordt intussen steeds ongezonder en kan uiteraard niet zonder gevolgen blijven.

Ook in deze film komt het magisch realisme van Ozon weer om de hoek kijken. De film zou volstrekt realistisch kunnen zijn, maar toch is het allemaal zeer onwaarschijnlijk en daarom zo fascinerend. Daarbij helpt de uitstekende filmmuziek van Philippe Rombi trouwens enorm. Hoe vermakelijk deze Ozon ook is, Dans la Maison behoort niet tot zijn absolute topfilms. Dit komt met name door het einde dat een beetje wegloopt en niet helemaal bevredigt. Verder is ook opvallend dat de groots aangekondigde eerste samenwerking tussen Ozon en Kristin Scott Thomas niet aan de verwachtingen voldoet. Dat komt niet door de prestaties van Scott Thomas, maar door de rol die zij in de film heeft toebedeeld gekregen: te perifeer om een grote stempel op de film te drukken.

Desalniettemin is Dans la Maison voor allen die de Franse film in het algemeen, en de films van François Ozon in het bijzonder, een warm hart toedragen zeker een aanrader. Elke aanleiding om je in de wondere wereld van Ozon onder te laten dompelen moet met beide handen aangegrepen worden! 

‘Dans la Maison’ is in februari jl. op DVD uitgebracht. Zie hieronder de filmtrailer:



Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zondag 2 juni 2013

'What are you looking at? 150 years of Modern Art' van Will Gompertz


Moderne kunst is onlosmakelijk verbonden met het bekende vooroordeel van 'dat kan mijn kleine zusje ook'. Wanneer je de hedendaagse kunst in de toonaangevende musea voor moderne kunst ziet, dan kan ook niet altijd aan die indruk onttrokken worden. Tegelijkertijd word je ook geconfronteerd met werken die aanzetten tot denken of gewoon mooi, fascinerend of aansprekend zijn. Ondanks de pogingen van veel musea om moderne kunst inzichtelijk te maken, blijft dit noodzakelijkerwijs beperkt tot de context van de betreffende expositie c.q. stroming. Het bredere beeld ontbreekt waardoor moderne kunst ongrijpbaar kan zijn. Met What are you looking at? heeft Will Gompertz een uiterst leesbare, grappige en niet van tongue in cheek gespeende reisgids voor de moderne kunst geschreven. 

Will Gompertz lijkt uitermate geschikt voor het schrijven van dit boek. Niet alleen is hij de BBC Arts Editor maar voorheen was hij ook één van de directieleden van de Tate Gallery, een netwerk van vier Britse musea bestaande uit het Tate Britain, Tate Liverpool, Tate St. Ives en - zeker voor dit boek het belangrijkst - Tate Modern. Het Tate Modern, fantastisch gelegen in een voormalig elektriciteitscentrale en verbonden door de Millennium Bridge met het symbool van het 'oude' London St. Paul's Cathedral, is de exponent van de ambiguïteit van de moderne kunst. Tegelijkertijd gaan we in massale aantallen naar het Tate Modern voor toonaangevende exposities om bij de exposities zelf (maar vaker bij de permanente collectie) ons in bijna-wanhoop af te vragen waarom iets moderne kunst is, wat er mee beoogd is en - vooral - waarom je er voor zou moeten betalen.

Will Gompertz schrijft met groot enthousiasme, maar vooral ook met humor over moderne kunst. Gezien zijn achtergrond is dat ook niet zo vreemd en dat het boek naast feitelijk ook erg koddig is, heeft te maken met de aanleiding voor het boek: een one-man show van Gompertz over moderne kunst tijdens het Edinburgh Fringe Festival in 2009. Daarbij maakt hij niet de fout om de lezer te bevoogden. Door de achtergrond en geschiedenis van de moderne kunst en de diverse stromingen daarbinnen uiteen te zetten, poogt Gompertz alleen moderne kunst toe te lichten zonder de lezer te hersenspoelen. Na een kleine vierhonderd pagina's is de wereld van de moderne kunst een stuk inzichtelijker gemaakt, maar bepaal je nog steeds zelf of je de representaties van de moderne kunst al dan niet mooi vindt. En dat is zoals het hoort en vormt de grote meerwaarde van dit boek.

Gompertz loopt daarbij niet weg voor controversiële kunst zoals het Dadaïstische 'urinoire' werk Fountaine (1917) van Marcel Duchamp waarmee Duchamp door een alledaags voorwerp te verheffen tot kunst (via een ongebruikelijke plaatsing en het toevoegen van zijn handtekening) en daarmee een statement te maken tegen de toen heersende opvatting van kunst. Een werkwijze die in de rest van de 20e eeuw nog veel navolging zou krijgen en meteen ook één van de redenen is voor de verwijdering tussen (bepaalde) uitingen van moderne kunst en het brede publiek. Kunstenaars zoals Duchamp bevinden zich - soms letterlijk - buiten de lijnen van de gangbare kunst waarbij vaak niet de objecten zelf maar de intenties ervan het kunstwerk zelf zijn. 


In zijn boek maakt Gompertz daarom ook duidelijk dat hij vooral gecharmeerd is van kunstenaars die van grote invloed zijn geweest op de ontwikkeling van de moderne kunst zoals Duchamp, maar ook Andy Warhol, Jackson Pollock en Pablo Picasso. Overigens is voor Gompertz het werk van Paul Cézanne (1839-1906) het meest van belang voor de ontwikkeling van de moderne kunst in de 20e eeuw. Cézanne verbindt, mede door zijn nieuwe manier van het gebruik van onrealistisch perspectief om meer dimensie aan zijn werk te geven (zie Mand met appelen hiernaast), de aartsvaders van de moderne kunst, de Impressionisten, met het kubisme en daarmee de verdere ontwikkeling van de moderne kunst. 

Dat hij begint bij de Impressionisten is niet zo vreemd aangezien daar toch de cesuur valt aan te brengen waarmee moderne kunst van de klassieke kunst valt te onderscheiden. Een cesuur die zowel samenhangt met de ontwikkeling van het menselijk denken als de verruiming van het handelen door de voortschrijdende techniek. Mannen (ook hier geldt dat het vooral mannen zijn) zoals Manet, Monet, Degas en Renoir keerden zich tegen het gebruik om alleen Bijbelse taferelen en de representatie van de (aristocratische) elite onderwerp te laten zijn van kunstuitingen. Alledaagse zaken en beelden werden hun devies. Geholpen door de voortgang van de techniek en de introductie van 'mobiele' verf door de introductie van verftubes trokken de Impressionisten erop uit om impressies te maken van het dagelijkse leven. Impressies die door de opkomst van fotografie juist steeds minder realistisch hoefde te zijn, maar vooral - letterlijk - een 'impressie' gaven van wat zich in de maatschappij afspeelt. Een revolutie in de kunst werd daarmee ontketend. Een revolutie die in allerlei gedaanten zou worden voortgezet door voor ons (zeer) bekende kunstenaars zoals de eerder genoemde Picasso, Pollock en Warhol, maar ook Nederlandse toppers zoals Van Gogh en Mondriaan. 

Het was al duidelijk uit het voorgaande, maar What are you looking at is voor een ieder die ook maar een klein beetje geïnteresseerd is in moderne kunst een prachtig overzichtswerk dat zowel een uitgebreide introductie als de context geeft van een niet altijd even toegankelijk vakgebied. En Gompertz bewijst gelukkig ook dat dit niet saai hoeft te zijn.

Hoewel een vertaling van 'What are you looking at' natuurlijk altijd afbreuk aan de typisch Britse humor van Will Gompertz is het boek ook in een Nederlandse vertaling verschenen bij Meulenhoff onder de toepasselijke titel 'Dat kan mijn kleine zusje ook'. In onderstaande YouTube-video geeft Will Gompertz een uitleg over zijn boek:



zaterdag 1 juni 2013

Gouden poging, jammer van het resultaat: de 'Golden Girls' go Dutch...



Leuke poging van Loes Luca en haar meiden om de Golden Girls naar Nederland te halen, maar in welke behoefte dit voorziet blijft onduidelijk.

Nederlanders hebben een moeizame relatie met komedie. Met enige jaloezie kijken we dan ook naar het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten en hun komedieklassiekers zoals Yes, Minister, Blackadder, Frasier en Curb your Enthusiasm om vervolgens te concluderen dat wij niets in huis hebben dat zich daarmee kan meten. En aangezien nadoen de hoogste vorm van vleierij is, ontstaan met enige regelmaat pogingen om een Angelsaksich succesnummer te vertalen voor de Nederlandse markt. 

Bij deze komedie-adaptie bestaan in Nederland twee scholen: die van het geheel 'eigen' maken van een buitenlands succesnummer en die van de vertaling met lichte aanpassingen. De poging van de VPRO enkele jaren geleden om de legendarische serie Yes, Minister op het Nederlandse scherm te brengen als Sorry Minister is een voorbeeld van de eerste school. Wat mij betreft een volledig mislukte poging. Het leverde een serie op die gewoon niet grappig was en krampachtig politiek correct moest zijn met (natuurlijk!) een vrouwelijke topambtenaar en haar allochtone medewerker tegenover hun hulpeloze minister. Dit terwijl het origineel juist briljant en met een grote dosis humor een prachtige karikatuur van de Britse civil service en haar verhouding met de politieke top wist neer te zetten. 

De tweede school wordt momenteel aangevoerd door RTL waarbij een komediekraker wordt geactualiseerd en op milde wijze aangepast aan de Nederlandse situatie. Zo werd Everybody loves Raymond als Iedereen is gek op Jack en is het nu de beurt aan een Nederlandse remake van The Golden Girls. Het charmante aan deze aanpak is dat RTL het succes onderkent van de oerserie en geen al te actieve poging doet om de kern van de serie te wijzigen. 

Dat nu gekozen is voor de Golden Girls is natuurlijk niet zo gek. Hoewel het Amerikaanse origineel wat oubollig kan aandoen is het een bijna ambachtelijk gemaakte komedie die niet voor niets zo succesvol was en Beatrice Arthur, Betty White, Rue McClanahan en Estelle Getty naar wereldfaam katapulteerde. Een status die nog eens wordt onderstreept door de nog enige levende Golden Girl Betty White die in de V.S. al weer enkele jaren met een renaissance bezig is en ware entertainment royalty is. 

En laat ik u hier dan maar meteen een illusie armer maken: hoe goedbedoeld de poging van Loes Luca, Beppie Melissen, Cecile Heuer en de (bijna onherkenbare) Pleuni Touw ook is, het blijft bij goede bedoelingen steken. Hoewel het allemaal leuk en aardig is dat Miami Beach is vervangen door Scheveningen kan dit niet verdoezelen dat we in Nederland gewoon niet in staat zijn een echt goede komedie te maken. De oubolligheid regeert bij de Nederlandse Golden Girls terwijl juist de scherpte van het origineel ontbreekt. Het is allemaal erg braaf en gericht op de obligate lach. Misschien moeten we daarom ook maar concluderen dat dergelijke humor gewoon niet ons ding is. Illustratief daarvoor was overigens ook weer het commentaar op het Eurovisie Songfestival afgelopen weekend. Waar we in Nederland opnieuw geconfronteerd werden met tenenkrommend commentaar door de verTrossing en Voledamisering van het songfestival liet de BBC met commentator Graham Norton wederom zien hoe de grote jongens dit doen. Gelukkig spreekt de gemiddelde Nederlander behoorlijk tot uitstekend Engels waardoor gedwongen Nederlandse winkelnering onnodig is.

Deze constatering leidt overigens ook tot de wezenlijke vraag waarom het uberhaupt nodig is om komedies zoals The Golden Girls en Yes, Minister te vertalen. Want helaas geldt voor Golden Girls dat de poging echt wel goed bedoeld is en Loes Luca c.s. hun best doen, maar dat je beter het origineel weer tevoorschijn kunt halen, zachtjes Thank you for being a friend meezingt en je onderdompelt in de gouden wereld van Dorothy, Rose, Blanche en Sophia.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.