woensdag 31 oktober 2012

'Suddenly, a Knock on the Door' van Etgar Keret


Hoewel het de voorkeur geniet om een land zelf te 'ondergaan', is de geest van een land vaak beter te doorgronden door het lezen van haar schrijvers. Vorige week ben ik teruggekeerd van een (studie)reis naar Israël. Via een afwisselend, indrukwekkend en vol programma bezocht ik, samen met vijftien andere gelijkgestemden, in vijf dagen Jeruzalem, Tel Aviv en de Palestijnse gebieden. De Heilig Grafkerk, de Rotskoepel, de Knesset en het indrukwekkende en ontroerende Yad Vashem ontbraken natuurlijk niet. En hoewel de focus bij een dergelijke reis ligt op het Israelisch-Palestijns conflict en de verhoudingen in het Midden-Oosten in het algemeen en de positie van Iran in het bijzonder was het ook leerzaam om meer over Israël te weten te komen. Israël is meer dan een belanghebbende in een conflict en enige (volwaardige) democratie in een op dat vlak verder desolate regio. Geen land ter wereld leidt per hoofd van de bevolking tot meer 'start-ups' (het boek 'Start-Up Nation' staat inmiddels op mijn lijstje te lezen boeken). Ook kent Israël, in tegenstelling tot de meeste andere OESO-landen, gewoon nog economische groei en is de bijdrage in 'high-tech', maar ook cultuur groots. Tegelijkertijd werden wij ook geconfronteerd met de 'Israeli west Bank Barrier' (veiligheidsmuur c.q. -hek) en de wijze waarop Joodse nederzettingen in Oost-Jeruzalem worden uitgebreid terwijl de door Palestijnen bevolkte gebieden in Israël er toch aanmerkelijk anders bij liggen. Maar ook de dagelijkse doses raketten op het zuiden van Israël vanuit de door Hamas bestuurde en gecontroleerde Gazastrook. Op de dag dat wij Sderot en het Black Arrow-monument (op minder dan een kilometer afstand van de Gazastrook) kwamen in de omgeving 12 raketten neer, maar gelukkig niet toen wij er waren. Dat biedt, op z'n zachtst gezegd, een meer gekleurd perspectief op de ontwikkelingen in de regio. En dat binnen de context van de voorbereidingen voor nieuwe verkiezingen in januari waarbij het, op Nederlandse leest geschoeide, parlementaire stelsel gebukt gaat onder het (te) grote aantal partijen. Een ontwikkeling die wellicht doorbroken wordt door een verregaande lijstverbinding tussen de Likud-partij van premier Netanyahu en Israel Beitenu van Lieberman op rechts en als gevolg hiervan wellicht ook een samenvoeging op links en de opkomst van een nieuwe middenpartij onder leiding van het triumviraat van Olmert, Livni en Lapid. Dit is echter voer voor een separate blog, duidelijk voor mij is wel dat een dergelijke reis mijn mening over 'Israël' (in de meest brede zin van het woord) niet fundamenteel heeft gewijzigd, maar wel heeft verdiept, ingekleurd en genuanceerd. 

Het geeft echter wel aan hoe fascinerend Israël is en daarom voor mij aanleiding vormt om me te verdiepen in Israëlische schrijvers. Een verdieping die ik ben gestart met de verhalenbundel 'Suddenly, a Knock on the Door' van Etgar Keret. Het boek is oorspronkelijk in 2010 uitgegeven, maar in 2012 in het Engels vertaald. Overigens is er ook gewoon een Nederlandse vertaling verkrijgbaar onder de titel 'Verrassing'. De bundel van een kleine 300 pagina's bevat 37 korte verhalen die volstrekt afwisselend zijn, vanuit verschillende perspectieven zijn geschreven en verschillende verhaaltechnieken tentoonspreiden. Wat ze delen is een bepaalde absurditeit die soms omslaat in humor en soms in bepaalde mate van naargeestigheid. Veel van de korte verhalen hebben geen einde en 'leave the reader hanging'. Het voorlaatste verhaal, 'Surprise Party', is een van de langste verhalen en verhaalt over de 'surprise party' voor Avner georganiseerd door zijn vrouw. Avner komt echter niet opdagen en zijn vrouw gaat, samen met de drie gasten die de moeite namen om te komen en Avner eigenlijk helemaal niet goed kennen (uitgenodigd op grond van de Blackberry van Avner), op zoek naar hem in de wetenschap dat hij een pistool heeft meegenomen en in de angst dat hij iemand vermoordt of zelfmoord pleegt. Hoe het met Avner is afgelopen? Ik heb geen flauw idee, dat vertelt het verhaal dus niet. En toch voel je je niet bekocht en zo gaat het met meer verhalen. Overigens zitten er ook verhalen bij die slechts enkele pagina's zijn: een man die last heeft van een aambei die groter en groter wordt, hem adviseert en succesvol maakt en uiteindelijk ertoe leidt dat het een aambei wordt die last heeft van een man. Volstrekt bizar, maar toch fascinerend. 

Veel, zo niet alle, verhalen zijn gesitueerd in Israël of daaraan gerelateerd en bij het lezen van de verhalen lees je toch de aparte leefsituatie van Israël terug. De geschiedenis van de staat Israël is kort, maar haar historie is uitgebreid, lang en on-af. De verhalen in Keret's bundel onderschrijven dit en is alleen daarom al de moeite waard om te lezen. Daarnaast zal de gemiddelde lezer zich niet snel vervelen met deze 'snoepjes' die heerlijk weg lezen, maar zeker ook even blijven hangen. En dat voor iemand die normaal geen fan is van verhalenbundels en er eigenlijk ook verder geen enkele in de boekenkast heeft staan... 

zondag 28 oktober 2012

Concert 26 oktober 2012: Daniele Gatti's lyrische Negende van Mahler


Mahler: Symfonie Nr. 9

Daniele Gatti, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Ondanks het feit dat het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) vorig seizoen een epische Mahlerserie, alle symfonieën en Das Lied von der Erde verspreid over drie seizoenen, afsloot, is het KCO het aan haar stand verplicht om minimaal eens per regulier seizoen Mahler te programmeren. En ondanks dat de Mahlerserie vorig jaar ruim baan gaf aan Bernard Haitink's interpretatie van Mahler's Negende lag deze zelfde symfonie afgelopen vrijdag (en donderdag) op de lessenaars van het KCO. Ditmaal onder leiding van de Italiaanse dirigent Daniele Gatti die in de Mahlerserie de Vijfde voor zijn rekening nam. Een lyrische en prachtige uitvoering die me nog lang zal heugen. Nu moest Gatti echter opboksen tegen de Mahler-grootmeester Bernard Haitink in Mahler's wellicht meest dramatische doch onderkoelde symfonie. De Negende Symfonie van Gustav Mahler (1860-1911) is zijn laatste volledige symfonie (Mahler is nog gestart met zijn Tiende, maar ronde deze door zijn vroegtijdige dood niet af, waardoor slechts het Adagio resteert op grond waarvan een 'performing version' is gecompleteerd die de muzikale meningen verdeeld houdt) en lijkt volledig geobsedeerd door de dood. 

De Negende is volop dramatisch, maar 'for lack of a better word' onderkoeld. Zoek geen sensationele klanken en muzikale vergezichten zoals in de Vijfde of Zesde of het hemelse zoals in de Tweede, Vierde en Achtste. De Negende is de culminatie van zijn symfonisch repertoire en lijkt een ietwat andere weg in te slaan dan de voorgaande symfonieën. Dat is ook de reden waarom ik de Negende altijd wat moeilijk kan bevatten c.q. omvatten. En dat terwijl ik deze symfonie al in 2004 voor het eerste live hoorde bij het KCO onder toenmalig chef-dirigent Riccardo Chailly bij diens afscheidsconcert en dus vorig jaar door het KCO maar toen door de voormalig chef-dirigent Bernard Haitink. En in 2012 dus voor de derde maal door hetzelfde orkest onder Gatti. 

En ondanks zijn twee illustere voorgangers, zorgde Gatti voor een interpretatie van formaat. De symfonie werd door Gatti zo lyrisch en met pit uitgevoerd dat de tijd voorbij vloog en het publiek volop meeging in deze interpretatie. Gatti gaf zich volledig en wist op de goede momenten, met name in chaotische derde deel (Rondo-Burlesque), tot prachtig opgebouwde hoogtepunten te komen. Het publiek beloonde Gatti met een welverdiend stormachtig, joelend en langdurig applaus. En in tegenstelling tot de vele plichtmatige staande ovaties in de Nederlandse concertzalen was deze meer dan gemeend. Of het een betere uitvoering was dan onder Haitink is moeilijk te zeggen: Gatti legt andere accenten. Beide uitvoeringen zal ik in ieder geval niet snel vergeten. Overigens sprak hierbij het enthousiasme van het KCO zelf voor Gatti ook boekdelen. Nu hoop ik dat de huidige chef-dirigent Mariss Jansons nog lang chef-dirigent zal zijn van het KCO ('long may he reign!'), maar indien er op termijn een opvolger wordt gezocht, zou het mij niet verbazen wanneer Gatti die grote eer ten deel valt. Een andere mogelijkheid is overigens Iván Fischer van het Budapest Festival Orchestra, maar ik zet mijn geld voorlopig op Gatti!

Voor de liefhebber van Mahler en het KCO is het overigens goed om te weten dat deze maand een box is uitgegeven met de videoregistraties van de volledige Mahlerserie, zowel in Blu-ray als op DVD in een zeer toepasselijke verpakking in de KCO-huisstijl:


Ik heb de box meteen in het KCO-winkeltje in het Concertgebouw gekocht. Vooralsnog is de box, naast het KCO-winkeltje, o.a. (na wat zoeken) via bol.com en de Klassieke Zaken verkrijgbaar. Een prachtig document van een epische Mahlerserie.

vrijdag 26 oktober 2012

'The Casual Vacancy' van J.K. Rowling


Ik kom er maar rond voor uit: ik heb de Harry Potter-boeken van J.K. Rowling verslonden. Het duurde even voordat ik er aan wilde beginnen, maar bij het uitkomen van 'Harry Potter and The Goblet of Fire' ben ik aan de reeks begonnen en ieder deel dat daarna uitkwam las ik binnen enkele dagen na de start van de verkoop uit. Uiteraard in de originele Engelse versie en met de kaft voor volwassenen, dat dan weer wel. De kracht van de Harry Potter-reeks, naast de aansprekende karakters en de combinatie van de 'stand alone'-verhalen en de 'story arc' over de strijd tussen Harry Potter en Lord Voldemort ('He who must no be named'), is de meesterlijk verhalenverteller die J.K. Rowling is. 

Het zal, door de enorme publiciteit in binnen- en buitenland en de stapels boeken in de boekhandels, weinigen zijn ontgaan dat Rowling met 'The Casual Vacancy' (in het Nederlands vertaald als 'Een Goede Raad') nu de stap heeft gemaakt naar de 'volwassen' boekenmarkt. Overigens vind ik die scheiding tussen boeken voor kinderen en volwassenen nogal arbitrair. Het gaat er uiteindelijk om of een boek een aansprekend verhaal heeft en mooi is geschreven. Met het schrijven van dit boek heeft Rowling een risico genomen. Het boek kan na de Harry Potter-reeks eigenlijk alleen maar tegenvallen en de vraag daarbij is dan ook: is Rowling een net zo magische verhalenverteller als bij Harry Potter. Het antwoord is wat mij betreft: niet helemaal. 

Ik heb geen enkele behoefte om het boek af te kraken zoals een aantal recensenten heeft gedaan noch voel ik de aandrang om het boek compleet op te hemelen zoals andere recensenten. Het boek start veelbelovend met de plotselinge dood van raadslid Barry Fairbrother. In de volgende zeven hoofdstukken (elk weer opgedeeld in een aantal paragrafen wat de leesbaarheid versterkt) wordt het dorpsleven van het schilderachtige dorp Pagford in al zijn glorie en weerbarstigheid beschreven. Een groot aantal karakters passeert de revue. Karakters die verbonden zijn met elkaar door Pagford en Barry Fairbrother. Daar tussendoor speelt de kwestie van 'The Fields': sociale woningbouw gebouwd op instigatie van het grotere Yarvil. 'The Fields' huisvest met name probleemgezinnen waaronder het gezin van Krystal Weedon. Weedon zit, net als de andere, meer welvarende, Pagford-kinderen op dezelfde school in Pagford. De kwestie die in de lokale dorpsraad speelt is of 'The Fields' van Pagford naar Yarvil moet overgaan (aldus een grote factie onder leiding van de eigenaar van de lokale delicatessenwinkel en raadsvoorzitter Howard Mollison) of bij Pagford moet blijven (de factie die tot de dood van Barry Fairbrother onder diens leiding stond). De kwestie escaleert na de dood van Fairbrother waarbij via de raadssite belastende berichten worden geplaatst over prominente inwoners van Pagford. Dit alles in het licht van de strijd om de vrijgevallen zetel in de raad ('The Casual Vacancy').

Na een sterk begin zakte het boek wat mij betreft een beetje weg om soms ronduit saai te worden in de beschrijving van allerhande gesprekken tussen de inwoners van Pagford. In het begin moest ik nadrukkelijk toch wennen aan het feit dat ik in mijn handen een 'volwassen' boek van Rowling had. Ik probeerde daarbij ook het onderscheid te maken wat de schrijfstijl, op het gebruik van schuttingwoorden na dan, nu anders maakte dan de Harry Potter-boeken. Ik kon het niet duiden, maar tegelijkertijd had ik ook niet het gevoel een kinderboek te lezen hoewel de gekozen namen voor de inwoners van Pagford wel wat weinig serieus aandoen. Waar ik echter de verhalenverteller Rowling weer herkende was tegen het einde van het boek waar een tweede tragische gebeurtenis met dodelijk afloop de verschillende verhaallijnen doet culmineren in een prachtig einde van het boek. Dat is de Rowling die ik ken. De Rowling die zorgt dat je het boek niet wilt neerleggen maar constant verder wil lezen om te weten wat er gaat gebeuren. Helaas was die Rowling voor een groot deel van het boek afwezig. Echt aanraden van het boek kan ik niet, evenmin kan ik het boek afraden. Een echte 'mixed bag' dus.

zondag 14 oktober 2012

Concert/dans 13 oktober 2012: NDT & Residentie Orkest in optima forma


'25 jaar Spuiplein / 100 jaar Sacre'


'Swan Song' 
Choreografie: Sol León & Paul Lightfoot
Glass: Double Concerto for Violin, Cello and Orchestra

Stravinksy: Le Sacre du Printemps

'Chamber'
Choreografie: Medhi Walerski
Talbot: Chamber Symphony

Nederlands Dans Theater
Studenten Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Frederieke Saeijs (viool), Joris van den Berg (cello)

Andrew Grams, Residentie Orkest
Lucent Danstheater / Dr. Anton Philipszaal, Den Haag

Het culturele leven in Den Haag heeft meerdere gezichten: van de wereldklasse van het Nederlands Dans Theater (NDT) tot het ooit vermaarde maar nu tot cultureel verweesd kind verworden Residentie Orkest (RO). De behuizing van beide culturele instellingen, het Spuiplein, is exemplarisch. De combinatie van de Dr. Anton Philipszaal en het Lucent Danstheater, anno 1987, heeft zijn langste tijd gehad en een ieder die er wel eens komt, zal dat beamen. De staat van beide zalen zegt overigens ook iets over de instellingen die er huizen. Het Lucent Danstheater is een strakke, moderne, donkere zaal waar de dansers van het NDT tot hun recht komen terwijl de Dr. Anton Philipszaal een wat treurige en goedkope aanblik heeft met een akoestiek die ook niet altijd om over naar huis te schrijven is. De wereldklasse van het NDT wordt door vriend en vijand erkend waardoor de cultuurbezuinigingen het NDT bij lange na niet zo hard treffen als het Residentie Orkest. Dit ooit vermaarde orkest is naarstig op zoek naar een nieuwe toekomst. Een toekomst die met minder musici, zonder zicht op een chef-dirigent (het contract met Neeme Järvi is inmiddels verlopen) en met samenwerking met het Rotterdams Philharmonisch Orkest tegemoet wordt getreden. Voor de behuizing lijkt er inmiddels een oplossing wanneer in november de gemeenteraad een besluit neemt over het plan van het college van B&W te komen tot een gezamenlijke behuizing van NDT, RO en het Koninklijk Conservatorium. Dit nieuwe Spuiforum moet gereed zijn in 2018 en vervangt een eerder plan dat uitgebreider en duurder was. Een van de argumenten voor de bouw van het Spuiforum is de kruisbestuiving tussen de Haagse culturele instellingen. Meer info via het YouTube-filmpje van de gemeente Den Haag over het nieuwe Spuiforum:


Wie gisteren, of de dagen ervoor, het programma '25 jaar Spuiplein / 100 Sacre' heeft bezocht zal, in weerwil van de wellicht wat negatieve toonzetting van het voorafgaande, concluderen dat in deze kruisbestuiving de absolute meerwaarde zit voor het Haagse (en nationale!) culturele leven. Aanleiding: het vieren van 25 jaar Spuiplein en tegelijkertijd memoreren van het feit dat het bijna 100 jaar geleden is dat de 'Sacre du Printemps' van Stravinsky, tot grote afschuw van het toenmalige culturele establishment, haar roerige première beleefde.  En voor het eerst in tijden nam ik, samen met twee vrienden, plaats in een volledig uitverkochte voorstelling op het Spuiplein waar de foyers de drukte amper aankonden van een enthousiast (en divers!) publiek. 

De avond begon in het Lucent Dans Theater met een reprise van 'Swan Song' door het NDT en het Residentie Orkest. Een choreografie van Sol León en Paul Lightfoot op speciaal hiervoor gecomponeerde muziek van Philip Glass: zijn dubbel concert voor viool, cello en orkest. Philip Glass (1937) is al jarenlang één van mijn favoriete moderne componisten. Zijn muziek omschreven door Godfrey Reggio, een vriend van Glass, als een 'ever ascending score that never reached the heavens' is meteen herkenbaar en hoewel zijn muziek altijd hetzelfde lijkt, is het altijd verschillend. Kenners van de muziek van Glass weten dan meteen wat ik bedoel, iets wat zich moeilijk op schrift laat stellen. De combinatie van moderne dans met de muziek van Glass vond ik magisch en heb ik ongelooflijk van genoten. Juist ook door het feit dat de muziek live door het Residentie Orkest werd uitgevoerd en door het gebruik van een inventief decor met twee grote verplaatsbare trappen en het grote talent van het NDT was dit een prachtig voorbeeld van kruisbestuiving. Nu ben ik altijd slecht in het 'lezen' van choreografie, maar mijn beste vriend die mee was, heeft daar wel een goed gevoel voor en die kon me vertellen dat de choreografie de verbeelding was van de verschillende stadia van een relatie en de uitdagingen waar een relatie in een leven voor komt te staan. 'In hindsight' kan ik dit bevestigen. Het blijft moeilijk om een dergelijke uitvoering te beschrijven, maar gelukkig heeft het NDT een filmpje op YoutTube gezet:


Na deze geweldige start, en na een korte pauze, togen alle bezoekers naar de Dr. Anton Philipszaal waar de 'Sacre du Printemps' van Igor Stravinsky (1882-1971) wervelend werd uitgevoerd door het Residentie Orkest onder Andrew Grams. Ditmaal niet met, zoals bij de première in 1913, begeleidende dans, maar videoprojecties samengesteld op grond van de muziek door studenten van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Dit vond ik een erg inventieve manier om muziek aan hedendaagse kunst te koppelen. En de diverse beelden gaven de chaos van de huidige maatschappij weer en vervingen de aan de Zonnegod te offeren maagd door een beeltenis van Stravinsky zelf. Opvallend daarbij is overigens dat deze muziek tot grote consternatie leidde bij de première, maar bijna een eeuw na dato nog steeds niet aan kracht heeft ingeboet. Tussen de moderniteit van Glass en het stuk dat zou volgen van Talbot houdt Stravinsky zich buitengewoon goed staande en zijn zijn muzikale opvolgers hem schatplichtig.

Na Stravinsky volgde wederom een korte pauze en toog het publiek, ditmaal voor de laatste keer, naar het Lucent Danstheater voor 'Chamber' die, op dezelfde plek, de wereldpremière beleefde op 4 oktober. Joby Talbot (1971) schreef, geinspireerd door de 'Sacre', zijn 'Chamber Symphony' op grond waarvan Medhi Walerski een werkelijk prachtige en imponerende choreografie creëerde. Met dezelfde rauwe muzikaliteit lieten de dansers van het NDT wederom hun terechte claim op wereldfaam zien door in de tegenstelling van massa, individue en koppels de sterren van de hemel te dansen. Ook hier weer een groot compliment voor het inventief gebruik van het decor dat door gebruik van licht en deuren een sfeer neerzette die de gecombineerde pracht van de muziek uitgevoerd door het RO en de dans van het NDT compleet maakte. Voor een beeld hiervan wederom een YouTube-filmpje, ditmaal van de repetitie voor dit stuk:


Gelijk de twee voorgaande delen van deze avond eindigde deze uitvoering met een welverdiende stormachtige staande ovatie. Het moge uit het voorafgaande duidelijk zijn dat ik enorm enthousiast ben over deze avond. Zelden heb ik zo genoten van een cultureel samenspel als gisteravond. Ik hoop dan ook van harte dat het Residentie Orkest en het Nederlands Dans Theater deze samenwerking verder intensiveren en veel vaker dan nu zulke uitvoeringen programmeren. En als dat geholpen wordt door de bouw van het Spuiforum dan kan ik dat alleen maar van harte ondersteunen. Want de artistieke merites gecombineerd met het enthousiasme van het in grote getale toegestroomde publiek onderstreept het succes van deze kruisbestuiving. Om de film 'Fields of Dreams' te parafraseren: 'If you build it, they will come'.

zaterdag 13 oktober 2012

Concert 11 oktober 2012: Yannick's Beethoven & Mahler


Beethoven: Symfonie Nr. 2
Mahler: Symfonie Nr. 4

Christiane Karg (sopraan)
Yannick Nézet-Séguin, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Er zijn maar weinig dirigenten die zo energiek en gepassioneerd op de bok staan als Yannick Nézet-Séguin ('Yannick'). En nog minder die hun energie en passie weten over te brengen op hun orkest en een concert daarmee ongrijpbaar maken. Wat het programma ook is: Yannick is in staat om een tomeloze energie uit zijn musici te halen en daarmee zelfs het meest saaie stuk tot leven te brengen. Ik heb Yannick inmiddels al een aantal keer in Rotterdam meegemaakt en de conclusie is helder: er is ware (muzikale) liefde tussen Yannick, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het publiek.

Een liefde die soms wat bizarre vormen aanneemt wanneer het publiek na de uitvoering van de Tweede Symfonie van Ludwig van Beethoven (1770-1827) Yannick trakteert op zijn eerste, maar niet laatste, uitzinnige staande ovatie van de avond. Het valt me al langer op dat het instrument van de staande ovatie, vooral in Nederland, nogal aan inflatie onderhevig is. Het lijkt tegenwoordig te horen bij 'het avondje uit' om na een uitvoering, van welke kwaliteit dan ook, zo snel mogelijk een staande ovatie te geven. Een gebruik dat zich eerst nog beperkte tot het einde van het concert, maar nu voor de pauze, ook wanneer er geen solist op het podium is die na de pauze niet terugkomt, ook al gemeengoed lijkt te zijn. Nu kun je natuurlijk nooit echt bezwaar maken tegen een staande ovatie: het is immers de optelsom van individuele meningen over de uitvoering die zonder dwang tot stand komt. Maar vreemd is het wel. Met name omdat het de vraag is wanneer je deelgenoot bent geweest van een, in de woorden van Mariss Jansons, 'kosmische' uitvoering. Zeker gezien het feit dat het soms lastig lijkt voor een publiek om de laatste noot weg te laten sterven en na te genieten. Misschien zijn mensen al de laatste minuten gericht op de garderobe en is een staande ovatie niet meer dan een efficiënte tussenstap. Gelukkig merk je, tussen de staande ovaties door, toch nog altijd iets aan de intensiteit van de ovatie, en natuurlijk je eigen gevoel, of er sprake was van een bijzonder concert.

En het voorgaande is kritisch op het Nederlandse concertpubliek, maar de emotie erachter bij dit specifieke concert snap ik zeker. Het is gewoon duidelijk dat Yannick iets bijzonders doet. En dat werd me op donderdagavond het meest duidelijk bij de symfonie van Beethoven. In alle eerlijkheid: een echt fascinerend werk vind ik het niet. De buitenste delen hebben veel weg van Haydn, maar dan minder 'to the point'. De binnenste delen vond ik vooral erg saai. En toch: de energieke wijze waarop Yannick de partituur grijpt, zich eigen maakt en overbrengt op het orkest maakte het tot een heerlijke uitvoering. Hoewel ik bij de binnenste delen toch vaak met mijn gedachten ergens anders was. In weerwil van de verdedigers van deze vroege symfonie van Beethoven ben ik niet van mening dat Beethoven hier zijn 'eigen stem' al aan het vinden was. Het was me iets teveel Haydn en Mozart zonder hun scherpzinnigheid. 

Na de pauze was het de beurt aan volgens mij de meest uitgevoerde symfonie van Gustav Mahler (1860-1911): zijn Vierde Symfonie. Het was de eerste symfonie van Mahler waarmee ik in aanraking kwam en inmiddels was dit de derde keer dat ik 'm live hoorde. En gek genoeg heeft een 'live'-uitvoering me nog niet kunnen bekoren. Ik hoorde deze symfonie voor het laatst door mijn Mahler-abonnement van het Koninklijk Concertgebouworkest waar Ivan Fiscsher op de bok stond. En hoewel Fischer tekent voor de 'benchmark'-opname was ik toen nogal 'underwhelmed'. Donderdag was dat anders. Wederom nam Yannick met zijn energie en passie orkest en publiek mee in een heerlijke uitvoering van Mahler's vierde. Vanaf de allereerste 'jingle bells' via het tweede deel waar de concertmeester schitterde in zijn solo en het zorgvuldig opgebouwde derde deel met het orkestrale hoogtepunt tegen het einde waarbij Yannick op de poorten van de hemel leek te willen kloppen naar het zorgvuldig en mooi door Christiane Karg gezongen 'Das Himmlische Leben' fascineerde deze uitvoering tot de allerlaatste noot. Na het wegsterven van die noot bleef het een aantal momenten adembenemend stil en volgde, ditmaal meer dan terecht, een daverende staande ovatie.

woensdag 10 oktober 2012

Opera 9 oktober 2012: 'Written on Skin' van George Benjamin


 
Benjamin: 'Written on Skin'
 
Christopher Purves - The Protector
Elin Rombo - Agnès
Bejun Mehta - Angel 1 / Boy
Victoria Simmonds - Angel 2 / Marie
Allan Clayton - Angel 3 / John
 
George Benjamin, Nederlands Kamerorkest
Het Muziektheater, Amsterdam
 
Mijn abonnement bij De Nederlandse Opera beperkt zich de komende twee seizoenen tot alle Wagner-producties, maar ik ben in de gelukkige omstandigheid van een algemeen directeur die net als ik (en nog veel meer) van opera houdt, een abonnement heeft op alle nieuwe producties én een volle agenda kent die er soms toe leidt dat kaartjes 'overblijven'. Zo zat ik dus gisteren bij 'Written on Skin' van George Benjamin (1960) die ook meteen op de bok stond bij het Nederlands Kamerorkest om zijn eigen werk te dirgeren. 'Written on Skin' is overigens pas de tweede opera van Benjamin na het (veel kortere en beperktere) 'Into the Little Hill' uit 2006.
 
Moderne opera heeft nu niet bepaald de naam toegankelijk te zijn en, in alle eerlijkheid, moet ik ook toegeven dat mijn muzikale voorkeur zich ferm richt op de Romantiek met enkele uitstapjes naar de periode daarvoor (met name Bach, Händel en Monteverdi) en daarna (Glass en Adams). Echter is mijn horizon zich op het punt van modern klassiek zich inmiddels aan het verbreden. 'Written on Skin'  is geschreven in opdracht van o.a. het Festival d'Aix-en-Provence en De Nederlandse Opera en beleefde afgelopen zaterdag de Nederlandse première. De wereldpremière was voorbehouden aan Aix-en-Provence op 7 juli 2012. Het verhaal is overigens gebaseerd op een 800 jaar oude legende uit de Franse streek Languedoc: 'Le coeur mangé'. Een tijdloos verhaal over een driehoeksverhouding waarbijeen vrouw vreemd gaat met een ander (in dit geval een bezoekende troubadour die optreedt bij een adellijke familie) en haar man die dit niet accepteert en op wrede manier wraak neemt. In dit geval door de troubadour te doden en zijn hart, zonder dat zijn vrouw ervan weet, voor te schotelen als diner. Met deze vreselijke wetenschap maakt zij een einde aan haar leven door zich uit een venster te werpen.
 
Benjamin heeft dit gegeven, samen met toneelschrijver Martin Crimp, vertaald naar een moeilijk in de tijd te plaatsen setting waarbij de adellijke man de machtige The Protector is die een illustrator, The Boy, in dienst neemt om zijn leven en goede daden te verheerlijken in een geïllustreerd boek. Een boek geschreven op perkament: 'written on skin'. De pracht van zijn illustraties leidt tot het vreemdgaan van Agnès met The Boy. In de tweede akte confronteert The Protector The Boy met zijn vermoedens van overspel, maar die bezweert dat het niet Agnès is, maar haar zus Marie. Hierop wordt Agnès weer laaiend van jaloezie waarbij ze The Boy dwingt een illustratie te maken die The Protector duidelijk maakt dat zij minnaars zijn. Dit leidt tot de dood van The Boy en de zelfmoord van Agnès nadat ze, ook na de wetenschap van de herkomst van het eten, het hart van The Boy heeft opgegeten. The Boy is dan inmiddels tot Engel omgevormd.
 
Dit uitgangspunt is op fascinerende wijze uitgewerkt in de muziek die volstrekt ten dienste staat van het drama en deze versterkt. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de personages tot leven komen. De personages vertellen namelijk wat ze voelen en doen waardoor er een 'narrative drama' ontstaat. Dit lijkt wat bevreemdend te werken, maar funcitoneert uitstekend. Ten slotte wordt dit inventief tot uiting gebracht in het decor (zie foto hierboven) waarbij een scheiding is aangebracht tussen de kamer waar het Aardse leven zich voltrekt en de kamers ernaast en daarboven waar de Engelen zich bevinden. Deze Engelen zetten (letterlijk!) tussen de scènes door de personages en de inrichitng van de kamer goed voor de volgende scène daarmee aangevend dat de mens op beperkte wijze invulling aan zijn eigen bestaan geeft. Een dergelijke nieuwe opera zonder vergelijkingsmateriaal valt moeilijk te omschrijven, maar gelukkig voorziet De Nederlandse Opera altijd in YouTube-filmpje:
 
 
Deze opera, die ruim anderhalf uur duurt, fascineerde van begin tot eind. Dit kwam met name omdat de verschillende onderdelen (zang, muziek, decor, choreografie, belichting) uitermate goed in elkaar vielen. De opera eindigt zonder de daadwerkelijke val van Agnès te zien, maar de wijze waarop de laatste scène in slow motion choreografie wordt uitgevoerd is uitermate effectief. Dat gekoppeld aan werkelijk uitmuntende zang van alle betrokkenen, maar met name Christopher Purves (die ik in december nog hoorde in het Weihnachtsoratorium van Bach) en de falsetto-stem van Bejun Mehta (waardoor de opera soms wat barokachtige trekken kreeg!) en de toch altijd unieke situatie dat de componist tevens de dirigent is, zorgde voor een mooie avond moderne opera. Iets wat niet iedereen zal aanspreken, maar zeker de moeite van het proberen waard is! 


zaterdag 6 oktober 2012

Concert 5 oktober 2012: Een jazzy muzikale zeereis met Andris Nelsons


Britten: 'Four Sea Interludes' uit 'Peter Grimes'
Haydn: Trompetconcert
Turnage: 'From the wreckage'
Debussy: La Mer

Håkan Hardenberger (trompet)
Andris Nelsons, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Bij het Koninklijk Concertgebouworkest hebben ze de smaak voor Letland aardig te pakken. Met de Letse chef-dirigent Mariss Jansons speelt het KCO de sterren van de hemel, maar nu mocht gisteravond in de E-serie 'De Grote Maestro's' zijn landgenoot Andris Nelsons op de bok. En gelijk Jansons was dat een groot feest. Nelsons kent een stormachtige carrière en inmiddels is hij alweer een flink aantal jaren chef-dirigent van het door Sir Simon Rattle groot gemaakte City of Birmingham Symphony Orchestra waar hij veel succes heeft. En nu dus gisteren  in Amsterdam. In zijn kielzog nam hij de legendarische Zweedse trompettist Håkan Hardenberger mee. Een trompetsolist is nu niet bepaald de meest dankbare baan in de klassieke muziek aangezien er qua composities niet veel te kiezen valt. De bekendste trompetconcerten zijn van Hummel, Stamitz en Haydn. De 'Rough Guide to Classical Music' zegt overigens van Hummel's trompetconcert dat 'The Trumpet Concerto is Hummel's most-recorded work, in part because trumpet players gratefully accept any halfway decent piece that comes their way'. Het is niet zo gek dat Hardenberger de 'benchmark'-opname voor zijn rekening neemt van deze drie trompetconcerten. En dat allemaal op één cd begeleid door de Academy of St Martin-in-the-Fields onder Neville Marriner. 

Toch zal het voor Hardenberger een mooie avond zijn geweest. Een avond die draaide om de Nederlandse première van het trompetconcert van de Britse componist Mark-Anthony Turnage (1960). 'From the wreckage' is, in de woorden van het KCO, 'een psychologische reis die voert van angst, via boosheid en tomeloze woede naar kalmte. Onderweg kan Hardenberger alle facetten van zijn instrument – of liever instrumenten, want niet alleen de gewone bestrompet, maar ook de piccolo en de flügelhorn komen aan bod – laten zien.' En als je dan toch Hardenberger hebt, kan het bekendste trompetconcert, dat van Joseph Haydn (1732-1809), niet ontbreken. Hardenberger liet gisteravond perfect horen waarom hij zo'n trompetvirtuoos is. Moeiteloos laveerde hij zich door het trompetconcert van Haydn en 'From the wreckage'. Hayd's trompetconcert is een heerlijk stuk dat, zeker wanneer zo goed uitgevoerd door Hardenberger en uitstekend begeleid door het KCO onder Nelsons, een feestje is om naar te luisteren. De compositie van Turnage, speciaal voor Hardenberger geschreven, had overigens een erg 'jazzy feel' dat nog eens werd versterkt door Hardenberger zelf die eruit zag als een geklede oude rocker. Ik vond dit werk van Turnage overigens fascinerend en dit soort composities doet me wel enthousiast worden over moderne klassieke muziek in het algemeen en het werk van Turnage in het bijzonder. 

De 'jazzy feel' van 'From the wreckage' is meteen ook de rode draad van een gefragmenteerd programma dat daardoor tot eenheid kwam. In de 'Four Sea Interludes' uit de opera 'Peter Grimes' van Benjamin Britten (1913-1976) zorgde Nelsons voor een continu momentum door een relatief snel tempo aan te houden waardoor de 'inteludes' een ongekend mooie vloeiende en expressieve lijn kregen. Ik hoorde dit stuk ruim negen jaar geleden al in het Concertgebouw maar dan uitgevoerd door het London Symphony Orchestra onder Sir Colin Davis, maar dit sprak me veel meer aan. Deze lijn zette hij door in één van mijn favoriete orkestwerken: 'La Mer' van Claude Debussy (1862-1918). Nu was ik hier in beginsel wat sceptisch over aangezien ik de 'benchmark'-opname heel goed ken (Bernard Haitink met het KCO) en ik een aantal jaar geleden 'La Mer' live in het Concertgebouw hoorde door het KCO onder de meester zelf: Bernard Haitink. Daar waar de uitvoering van Haitink lyrisch, symfonisch en prachtig verzorgd was, koos Nelsons voor een expressieve interpretatie die bij tijd en wijle 'jazzy' klonk. En zo zorgde Nelsons voor een compleet andere beleving van 'La Mer' die Haitink niet voorbijstreeft, maar wel complementair er aan is. Voorwaar geen slechte prestatie. 

Knap dus hoe Nelsons niet alleen in de thematiek van de zee, maar ook de interpretatie van de werken een perfecte rode draad vond die de avond deed samensmelten. Het trompetconcert van Haydn viel daarmee overigens qua thema, tijdsgewricht en onmogelijkheid tot een 'jazzy feel' uit de toon, maar was desalniettemin wel heel prettig om Hardenberger extra lang het podium te geven. Wat, in de woorden van de 'Rough Guide to Classical Music', geldt voor de opname ervan, geldt ook voor de uitvoering gisteren: ''his playing has everything, a pure burnished tone when necessary and the most breathtaking articulation, all of which help to breathe new life into what is something of an old chestnut.' En zo is het maar net!

vrijdag 5 oktober 2012

'Music as Alchemy' van Tom Service


Ik heb het al eerder vermeld: niet alleen luister ik veel naar muziek en ga ik vaak naar concerten, maar net zo lief lees ik ook over muziek en dan met name dirigenten. Dit leidde al tot recensies van twee 'oude gebakjes': 'The Maestro Myth' van Norman Lebrecht en 'Dirigenten. En nog eens dirigenten' van Roland de Beer. Recent is echter 'Music as alchemy. Journeys with Great Conductors and their Orchestras' van Tom Service verschenen. In dit boek volgt Service, bekend als klassieke muziekrecensent van The Guardian en presentator BBC Radio 3, een aantal dirigenten en hun orkesten in repetitie en een serie concerten van hetzelfde programma. En de ondertitel van het boek is geen overdrijving, want Service volgt daadwerkelijk de muzikale grootheden en hun orkesten: Valery Gergiev en de London Symphony Orchestra en het World Orchestra for Peace, onze eigen Mariss Jansons en het Koninklijk Concertgebouworkest, Jonathan Nott en de Bamberger Symfoniker, Sir Simon Rattle en de Berliner Philharmoniker, Ivan Fischer en het Budapest Festival Orchestra en Claudio Abbado en het Lucerne Festival Orchestra. 

Wat opvallend is, en ook al opgemerkt door Gramophone die het boek in het oktober-nummer recenseert, is dat Service een onderwerp dat je moet zien en horen overtuigend weet op te schrijven. Daarnaast is het vooral wat dit boek bijzonder maakt zijn queeste om de aard van het dirigeren te begrijpen om uiteindelijk te concluderen dat op deze vraag geen antwoord is c.q. heel veel verschillende antwoorden bestaan. Want dat maakt dit boek duidelijk: deze dirigenten hebben allemaal hun eigen aanpak die fors van elkaar kan verschillen en daarom niet leidt tot een duidelijk recept voor een succesvolle dirigent. Een aanpak die zich overigens verder strekt dan het aangeven van het tempo. Het gaat ook om leiderschap, aanbrengen van cohesie in een diverse groep etc. Zo lezen we over de strijd tussen Simon Rattle en de Berliner Philharmoniker om Sibelius op de lessenaar te krijgen (het orkest ziet het niet zo zitten en vindt vooral zichzelf belangrijker dan de dirigent), maar tegelijkertijd ook Ivan Fischer die als een goedmoedige dictator regeert over zijn zelf samengestelde Budapest Festival Orchestra waar niemand een vast contract heeft en elke twee jaar moet bewijzen nog onderdeel van het orkest te kunnen zijn. Ook Claudio Abbado (ex-Berliner Philharmoniker als opvolger van de grote Karajan) heeft zijn eigen orkest dat hij voor de zomer samenstelt en laat optreden in Luzern: het Lucerne Festival Orchestra. Daarnaast is Abbado overigens ook de grondlegger van het European Union Youth Orchestra, Chamber Orchestra of Europe, het Mahler Chamber Orchestra (opvolger van de Gustav Mahler Youth Orchestra) en het Orchestra Mozart waarmee hij recent tal van prijswinnende Mozart-opnames heeft gemaakt. Abbado is overigens zeer zwijgzaam, je moet het van zijn fysieke aanwijzingen hebben. Het is ook niet voor niets dat in dit boek, opgebouwd uit een hoofdstuk per dirigent met tussendoor een interview met de dirigent en orkestleden, Abbado amper aan het woord komt. Het zit niet in het karakter van dit stille type.

Tussen deze twee uitersten figureert een voor de meeste mensen onbekende Jonathan Nott die prachtige dingen doet in het slaperige Duitse stadje Bamberg dat kan bogen op een toporkest. Door zijn voorliefde voor moderne muziek slaat hij de brug naar het klassieke (Oostenrijks-Duitse) Romantische repertoire en vernieuwt hij en passant de Bambergers. Iets wat gretig aftrek vindt in Bamberg waar 10% (!) van de inwoners een abonnement heeft op de Bamberger. Ten slotte nog de topmaestro's van hun generatie: Gergiev en Jansons. Gergiev is de meest explosieve dirigent van het stel. Misschien niet zo zeer van karakter maar wel in output. Mede door zijn jachtige leven is het 'hit or miss' maar 'never a dull moment'. Ik ondervond dit zelf eerder dit jaar toen ik een concert van hem bijwoonde met het orkest van het Mariisnky Theater in Sint Petersburg (voor recensie zie hier). En ten slotte is daar mijn, na Bernard Haitink, grote favoriet Mariss Jansons. Een dirigent die door zijn orkesten op handen wordt gedragen, aardig wordt gevonden, maar toch precies voor elkaar krijg wat hij wil. Daarbij streeft Jansons altijd naar een 'kosmische' uitvoering. Bij Jansons is geen uitvoering volstrekt gelijk. Hij houdt de spanning er in en kan er soms voor kiezen om in het concert een net iets andere variant te kiezen. Dat houdt de orkestleden scherp en vermijdt de routine. Opvallende is, en dat zegt ook iets over de voorbereiding van dit boek, dat Service niet alleen de repetities volgt maar ook de serie van uitvoeringen van het gerepeteerde programma (meestal drie concerten) en feilloos kan aangeven waarom de ene uitvoering goed was en de ander fantastisch, soms kosmisch. Dan blijkt toch maar weer dat muziek maken iets magisch kan zijn wanneer alle elementen kloppen: muziekstuk, orkest, dirigent, zaal en publiek.