woensdag 30 april 2014

'Avant l'hiver': Winterse kilte met Kristin Scott Thomas

© Lumière

Daniel Auteuil en Kristin Scott Thomas zitten in Avant l’hiver gevangen in een huwelijk dat lijkt uit te monden in winterse kilte.

Kristin Scott Thomas (1960) is – samen met Charlotte Rampling - één van de weinige actrices die een (prominente) plek heeft verworden in zowel de Franstalige als Engelstalige filmindustrie. Van Gosford Park en Richard III tot Il y a longtemps que je t’aime en Dans La Maison Scott Thomas geeft zich moeiteloos aan een rol over en slaat zelden een slecht figuur. Na het kritische en publieke succes van de eerste film van Philippe Claudel Il y a longtemps que je t’aime werken Claudel en Scott Thomas opnieuw samen voor de derde film van Claudel: Avant l’hiver. Na een gemengde ontvangst van de bioscoopversie is de film nu op DVD verschenen.

Naderende winter
In Avant l’hiver (“Voor de winter”) volgen we het huwelijk van de succesvolle neurochirurg Paul (Daniel Auteuil) en Lucie (Kristin Scott Thomas). Aan de oppervlakte lijkt alles koek en ei. Paul bestiert een zeer succesvolle praktijk, is veel van huis, maar keert immer terug in een prachtig huis met dito tuin die beide het domein zijn van zijn vrouw. Lucie heeft alle begrip voor de drukte en verantwoordelijkheid van zijn werkzaamheden en neemt de rol van ‘vrouw van’ met verve op zich. Een uitgebreide vriendenkring – met o.a. een naaste collega met wie Paul zijn praktijk deelt – maakt het ideale plaatje af. Het kan natuurlijk niet anders dan dat uiterlijke schijn bedriegt en wanneer Paul bij toeval (?) een vrouw (Lou) ontmoet en niet lang daarna zowel thuis, op zijn werk en op zijn auto een continue stroom van rode rozen anoniem ontvangt is dit het startschot voor een naderende winter in de relatie van Paul en Lucie. Een winter die overigens onder de oppervlakte al sudderde maar een katalysator heeft gevonden in een zee van bloemen. Bloemen die overigens vooral door Paul zelf en in veel mindere mate door Lucie als hinderlijk worden ervaren.

Wending
Het is zonneklaar dat Claudel voor zijn derde film ervoor heeft gekozen om als onderwerp het perfecte leven dat stiekem niet zo perfect is te nemen. In Kristin Scott Thomas en Daniel Auteuil heeft hij daarvoor de goede acteurs gevonden. Met name Auteuil speelt zijn rol met verve. Het is overduidelijk dat het broeit bij Paul waarbij ook het aardige is dat hij eigenlijk geen raad weet met de avances van Lou waardoor het centrale gegeven van de film zich minder voor de hand liggend ontwikkelt dan je op voorhand zou vermoeden. Dit komt ook tot uiting in de wijze waarop Scott Thomas Lucie vertolkt. Scott Thomas kan als geen ander afstandelijkheid en sereniteit aan een karakter meegeven en dat doet ze bij Lucie in volle mate. Het is duidelijk dat Lucie merkt dat er wat met Paul aan de hand is, maar ondanks de anoniem gestuurde bloemen (of misschien juist wel dankzij) vertrouwt zij Paul toch nog al is het duidelijk dat het huwelijk voor haar ook niet meer wat het geweest is. Het continu je storten op de tuin en het huis en het ‘bedienen’ van je echtgenoot lijkt uiteindelijk fnuikend voor haar te zijn. Claudel vertelt zijn verhaal in alle rust zonder dat het langdradig wordt en weet nog een aardige wending te geven aan de rol van Lou in het geheel speelt waardoor Paul uiteindelijk (onbewust!) door het oog van de naald weet te kruipen. Hoe dat zit wordt hier niet uit de doeken gedaan want spoilers hebben geen plek in recensies.

Zoals opgemerkt waren de recensies van Avant l’hiver toen deze eind 2013 in de bioscoop verscheen gemengd en aanmerkelijk negatiever dan de eerste samenwerking tussen Claudel en Scott Thomas. Een beeld dat – althans hier – niet gedeeld wordt. Avant l’hiver is zeker niet de beste film uit zowel het oeuvre van Claudel of Scott Thomas, maar zonder meer het kijken waard: het liefst op een wat desolate zondagmiddag in afwachting van de aanstormende zomer.

De trailer van ‘Avant l’hiver’:


‘Avant l’hiver’ van Philippe Claudel is sinds april op DVD verkrijgbaar en wordt uitgegeven door Lumière. Bestellen kan hier

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

woensdag 23 april 2014

Niet-alledaags dagelijks leven: 'Zeven vette jaren' van Etgar Keret


Etgar Keret past zijn absurdistische stijl toe op zijn eigen leven en geeft daarmee een treffende weergave van het leven in Israel dat ondanks de abnormale omstandigheden vaak ook heel normaal is. 

Etgar Keret (1967) wordt betiteld als een van de belangrijkste hedendaagse Israëlische schrijvers. Zijn recente verhalenbundel Suddenly, a Knock on the Door (in het Nederlands uitgegeven als Verrassing) is zeer goed gerecenseerd onder andere op deze blog (klik hier voor de recensie). Het werk van Keret wordt gekenmerkt door zijn absurdisme en weergave van het leven in Israël. Het behoeft geen inleiding dat Israël een ongewoon land in een onstabiele regio is en dat dit nogal effect heeft op het dagelijkse leven. Wie Israël bezoekt zal het echter ook opvallen dat ondanks de abnormale context het leven in Israël gewoon doorgaat en op veel punten niet heel veel afwijkt van ons dagelijkse leven. Een abnormale business as usual

Dienstplicht
Onderdeel van die (voor ons) abnormale context is bijvoorbeeld de dienstplicht, waarbij mannen drie jaar, vrouwen twee jaar en kolonisten een jaar het leger in moeten. De vrijstelling voor ultraorthodoxe Joden is net afgeschaft waardoor vrijwel iedereen een tijdje onderdeel is van het leger. Eén van de neveneffecten is het economische succes van Israël door een grote mate van innovatie. Het boek Start-Up Nation verklaart dat succes op heldere wijze. In een interview met Trouw positioneert Keret zich als links-liberaal en humanist, maar keert zich - in markante tegenstelling met de Europese variant van zijn levensovertuiging - niet tegen het leger. Voor Keret is - net als het overgrote deel van de Israëlische bevolking het leger een existentiële noodzaak. Terecht stelt Keret in Trouw "het is geen luxe, anders dan het Zwitserse leven". 

Abnormaal 
Juist deze tegenstelling tussen het dagelijkse leven en de niet-alledaagse omstandigheden vormt de kern van het aanstekelijke karakter van Zeven vette jaren. In deze op zijn eigen leven gebaseerde bundel van (losse) verhalen met observaties schetst Keret de eerste zeven jaren van zijn zoon Lev. Het is geen strikte autobiografie, maar vooral een verzameling van schetsen en indrukken van die zeven jaar waarbij een groot deel van de verhaaltjes al eerder is verschenen. Zo gaat één van de eerste verhalen over de voor een ieder bekende strijd met telemarketeers, waarbij Keret de gekste smoezen verzint om ze om de tuin te leiden doch nimmer daarin slaagt. Verschil is wel dat deze smoezen samenhangen met de het leven in Israël en de daaraan gekoppelde gevaren van aanslagen en dergelijke. Juist het samenbrengen van het normale en abnormale fascineert en laat de lezer met veel plezier, interesse en soms ook verbazing Zeven vette jaren aan zich voorbij trekken. 

Voor een ieder met een interesse voor Israël en wat de hedendaagse Israëlische schrijvers te melden hebben, maar vooral liefhebbers van een absurdistische kijk op het dagelijkse leven is Zeven vette jaren geen verkeerde keuze. 

In maart jl. is de Nederlandse vertaling door Adriaan Krabbendam van 'Seven good years' van de Israëlische schrijver Etgar Keret verschenen bij Uitgeverij Podium. Het boek bestellen kan hier

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Leven, het culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.

dinsdag 22 april 2014

Macabere fascinatie: 'Revenge' van Yoko Ogawa


De in Nederland onterecht onbekende Japanse schrijfster Yoko Ogawa heeft met Revenge een verhalenbundel geschreven die fascineert door de macabere schoonheid ervan. 

De populariteit van Japanse schrijvers lijkt - zeker in Nederland - vooralsnog beperkt tot Haruki Murakami. Dit is ten onrechte, want wie de recent in het Engels vertaalde verhalenbundel Revenge van Yoko Ogawa leest, zou zich zomaar eens kunnen gaan verdiepen in de Japanse literatuur in het algemeen en die van Yoko Ogawa in het bijzonder. 

Macaber en onderkoeld
In ruim 160 pagina's schotelt de in Japan uitermate populaire en vaak onderscheiden schrijfster Yoko Ogawa (1962) de lezer elf dark tales voor die stuk voor stuk fascineren door de onderkoelde schrijfstijl waardoor de macabere schoonheid ervan wordt onderstreept. Ogawa geeft aan de realiteit een magisch-realistische draai waardoor realiteit en fantasie in de korte verhalen ongemerkt door elkaar lopen en daardoor levensecht overkomen. Daarom kan het zo gebeuren dat de lezer bij het zesde verhaal Sewing for the heart helemaal niet opkijkt van het verhaal van een tassenmaker die wordt benaderd door een klant met een aparte wens: een nauwsluitende tas die het hart van de klant beschermt. Let wel: het hart bevindt zich aan de buitenkant van het lichaam. Of het eerste verhaal Afternoon at the bakery waar een vrouw met alle geduld van de wereld wacht in een lege bakkerswinkel om een aardbeiengebakje te kopen voor haar zoon. Een traditie die ze jaarlijkse herhaalt op zijn verjaardag. Enige probleem is echter dat haar zoon al jaren geleden bij een noodlottig ongeval omgekomen is. Wees ook niet verrast wanneer Ogawa in het verhaal Welcome to the Museum of Torture je als lezer confronteert met een jonge kapster niet na het einde van haar relatie toevalligerwijs terecht komt in een museum volledig gewijd aan martelwerktuigen waar ook nog eens een Bengaalse tijger als huisdier wordt gehouden. En zo volgen de verhalen elkaar op waarbij het absurde, macabere en afschrikwekkende elkaar afwisselen en de lezer steeds dieper onderdompelen in de wereld van Ogawa. Een wereld eenmaal betreden, waarvan het vervolgens moeilijk loskomen is. Daarmee heeft Ogawa een boek geschreven dat menig lezer vast en zeker nog een tijd lang zal heugen en aan het denken zet.

Verbondenheid
Hoewel de losse verhalen al fascinerend genoeg zijn, beklijven de elf verhalen met name door de onderlinge verbondenheid die Ogawa geraffineerd tot stand brengt tussen de verhalen. Een verbondenheid die tot uiting kan komen door het lied Sandmännchen van Johannes Brahms of een simpel object dat in meerdere verhalen voorkomt, zoals het aardbeiengebakje uit het eerste verhaal, maar ook personages die - al dan niet in een bijrol - hun opwachting maken in meerdere verhalen. Zo is de curator van het Martelmuseum tevens de oom in het verhaal The Man Who Sold Braces en blijkt een arts die in het verhaal Lab Coats vreemd gaat tevens de (stief)zoon van een schrijfster die op latere leeftijd verward raakt en uiteindelijk ervan overtuigd is dat de daadwerkelijke schrijfster van Revenge - Yoko Ogawa zelf! - plagiaat pleegt door haar werk (letterlijk) te stelen en onder haar naam uit te geven. Het knappe aan deze verbondenheid is dat deze nergens geforceerd aan doet, maar wel een rijke extra gelaagdheid in de gehele bundel aanbrengt die de fascinatie voor deze bundel alleen maar doet toenemen. Wanneer na het lezen van deze bundel alle verbindingen op een rijtje gezet worden, kan niet anders geconcludeerd worden dat Ogawa een ongekende eenheid creëert in deze diversiteit aan verhalen die variëren van het thema (en titelgever van het boek) wraak tot vervreemding en omgang met verdriet. Verbindingen die waarschijnlijk bij herlezen nog dieper blijken te zijn omdat Ogawa zo geraffineerd te werk is gegaan.     

Nederlandse doorbraak?
Uit het voorafgaande moge duidelijk zijn dat de verhalenbundel Revenge zonder meer een aanrader is die tevens uitstekend geschikt is om vaker dan één keer te lezen. Een diepere gelaagdheid en nadere verbondenheid van thema's zal zich dan vast en zeker doen gelden. Het enige jammere daarbij is dat het werk van Ogawa nog geen Nederlandse doorbraak kent. In het Verenigd Koninkrijk komt deze doorbraak langzamerhand op gang en heeft deze recensent zijn weg naar Ogawa gevonden via de (immer uitstekende) boekenrubriek van The Economist. Nederlandse uitgevers wees er dus snel bij: het werk van Ogawa verdient het zonder meer om op grote schaal uitgegeven én gelezen te worden. 

'Revenge' van Yoko Ogawa is al in 1998 uitgegeven in Japan, maar pas in 2013 door Stephen Snyder vertaald en uitgegeven door Harvill Secker. Inmiddels zijn een viertal boeken van Ogawa in het Engels uitgegeven.  Nederlandse vertalingen van het werk van Ogawa zijn beperkt tot 'Het Zwembad' (2012) en het - inmiddels alleen nog maar tweedehands te verkrijgen - 'De huishoudster en de professor' (2010).

zaterdag 19 april 2014

Concert 18 april 2014: Een Johannes-Passion met pathos

© JanWillemdeVriend.com

Bach: Johannes-Passion

James Gilchrist, tenor (Evangelist)
Geert Smits, bas (Christus)
Thomas Oliemans, bas (Pilatus)
Martina Rüping, sopraan
Helena Rasker, alt
Andrew Staples, tenor (Petrus)

Laurens Collegium Rotterdam
Jan Willem de Vriend, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam 

Jan Willem de Vriend tekent voor een vlotte en daardoor dynamische Johannes-Passion met als absolute ster van de avond James Gilchrist die met pathos en overtuiging de Evangelist is

Het is een goede gewoonte van orkesten zoals het Koninklijk Concertgebouworkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest om bij de jaarlijkse Passie-uitvoering - niet te verwarren met de edelkitsch van De Passion - de Matthäus-Passion en de Johannes-Passion af te wisselen. De populariteit van de Matthäus is natuurlijk - zeker in Nederland - enorm groot en hoewel de Johannes-Passion steeds meer in opkomst is, zal deze nimmer de oertraditie van de Matthäus overschaduwen. En dat hoeft overigens ook helemaal niet, want beide Passies zijn complementair aan elkaar waarbij de Johannes-Passion wat 'directer' en krachtiger is dan de Matthäus. Dat komt ook doordat de Johannes meteen diep in de 'actie' duikt met de arrestatie van Jezus, terwijl de Matthäus daarbij nog een aanloopje neemt. Niet voor niets zijn beide Passies gebaseerd op andere bijbelteksten, de titels zeggen het al. Het 'directere' van de Johannes-Passion komt overigens ook tot uiting in de kortere duur: de meeste dirigenten bereiken (ruim) binnen de twee uur het laatste koraal Ach Herr, laas dein lieb Engelein.

Energiek
En wanneer Jan Willem de Vriend voor het orkest staat, sta je als publiek nog sneller buiten dan bij menig ander dirigent. Wie recent De Vriend heeft gezien in de speciale editie van De Wereld Draait Door over de Matthäus-Passion en getuige is geweest van zijn energie en liefde voor muziek zal niet verrast zijn dat hij een flink tempo hanteert bij de Johannes-Passion. Een tempo dat overigens nog een tikkeltje hoger ligt dan toen De Vriend in 2011 de Johannes dirigeerde bij het Koninklijk Concertgebouworkest (zie hier voor een recensie van dat concert). Overigens is het tempo van de Johannes (en de Matthäus) - onder invloed van de authentieke uitvoeringspraktijk - sowieso al een stuk hoger geworden. Een klassieke opname van Karl Richter doet over de Johannes bijvoorbeeld ruim een half uur langer. Maar ook in vergelijking met collega's als Sir John Eliot Gardiner en Jos van Veldhoven kiest De Vriend voor nog meer snelheid. En hoewel het publiek in De Doelen even moest wennen aan dit tempo, beviel het goed. De magistrale opening Her, unser Herrscher kreeg daardoor een pulserend momentum dat de gehele Johannes werd doorgezet. 

Pathos
James Gilchrist
Absolute hoogtepunt - naast het uitstekende koorwerk van het Rotterdamse Laurens Collegium - was zonder twijfel de Evangelist van James Gilchrist die net als in 2011 te Amsterdam Jan Willem de Vriend vergezelde in deze uitvoering. Gilchrist is één van de beste vertolkers van de Evangelist die er is. Niet alleen door zijn warme stem en enorme bereik, maar met name ook het pathos dat hij in zijn vertolking legt. Zijn dictie en inlevingsvermogen zijn ongeëvenaard waardoor hij de Evangelist niet vertolkt, maar is. Gilchrist werd kundig bijgestaan door Geert Smits als Christus en Thomas Oliemans als Pilatus. Martina Rüping zong prachtig, maar leek het tempo soms niet helemaal bij te kunnen benen terwijl Helena Rasker wat volume leek te missen. Dit mocht overigens de pret niet drukken, want deze uitvoering van de Johannes-Passion was voorbeeldig in zijn eigenheid en een mooi eerbetoon op Goede Vrijdag.

Richard Egarr 
Opvallend is overigens dat deze uitvoering qua tempo  veel weg heeft van de recente nieuwe opname van de Johannes door Ricard Egarr en de Academy of Ancient Music. In deze opname wordt de Evangelist overigens ook vertolkt door James Gilchrist dus voor de liefhebbers van de uitvoering door De Vriend een eigenlijk noodzakelijke aankoop. Aardige is overigens ook dat het Residentie Orkest, dat na het afscheid van Neeme Järvi al geruime tijd op zoek was naar een nieuwe chef-dirigent, recent heeft aangekondigd dat deze in Nederland wonende Richard Egarr en Jan Willem de Vriend gezamenlijk het chef-dirigentschap op zich zullen nemen waarbij ze allebei hun eigen specialisatie volgen. Een mooie keuze van het Residentie Orkest dat overigens steeds meer slachtoffer lijkt van het gedoe in de Haagse gemeenteraad over het Spuiforum. 

Met Pasen op komst hebben Jan Willem de Vriend, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Laurens Collegium en natuurlijk James Gilchrist gezorgd voor een prachtige start op Goede Vrijdag!

De 'Johannes-Passion' uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Jan Willem de Vriend is op Witte Donderdag en Goede Vrijdag (17 en 18 april 2014) in De Doelen te Rotterdam uitgevoerd. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 18 april 2014.

vrijdag 18 april 2014

Opera 17 april 2014: Een sublieme 'Arabella' overstijgt zichzelf

© De Nationale Opera

De Nationale Opera
Arabella
Richard Strauss (1864-1949)

Jacquelyn Wagner, Arabella
James Rutherford, Mandryka
Agneta Eichenholz, Zdenka/Zdenko
Alfred Reiter, Graf Waldner
Charlotte Margiono, Adelaide
Will Hartman, Matteo
Susanne Elmark, Die Fiakermilli

Koor van De Nationale Opera
Marc Albrecht, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam   

Zelden zorgden muzikale leiding, solisten en enscenering dat een opera zo boven zichzelf uit kon stijgen. Marc Albrecht en De Nationale Opera doen het met Arabella.

Hoewel Richard Strauss (1864-1949) in Duitsland is geboren en gestorven is zijn Weense (muzikale) volksaard alom aanwezig in zijn werk en dan met name zijn opera's. Arabella - het laatste resultaat van zijn samenwerking met librettist Hugo von Hofmannsthal (1874-1929) - is een heerlijke pastiche op het Weense leven van de Dubbelmonarchie. Een wereld die al ruim een kwart eeuw niet meer bestond bij de première van Arabella in 1933: de Eerste Wereldoorlog maakte een definitief einde aan het Oostenrijkse Keizerrijk en heeft sindsdien Oostenrijk teruggebracht tot een relatief klein land met een in verhouding te grote - nog altijd keizerlijk aandoende - hoofdstad. Maar juist in de hoogtijdagen van de opkomst van het Nazisme in Duitsland was Arabella een welkome herinnering aan vervlogen tijden en stond daarmee in zeer markant contrast met de duisternis die op Duitsland, en later de rest van Europa, zou neerdalen.

Verarmde adel
Want vervlogen tijden is het devies in Arabella. Het (wat vergezochte) verhaal van Hugo von Hofmannsthal draait om de familie Waldner. Graaf Waldner is gokverslaafd en bovenal verarmde adel. Zo verarmd dat hij en zijn vrouw Adelaide ervoor gekozen hebben om hun jongste dochter Zdenka als jongen (Zdenko) op te voeden om zo te kunnen besparen op de garderobe. Oogappel en parel van de familie is Arabella. Haar schoonheid moet ertoe leiden dat zij een rijke graaf aan de haak slaat om zo het (financiële) lot van de familie te keren. Gelukkig heeft ze er drie voor het uitkiezen: Elemer, Dominik en Lamoral. Echter is zij verliefd op een vreemdeling die door een gelukje de ideale kandidaat voor haar hand is. Want deze Mandryka is de neef van de gelijknamige kameraad van Graaf Waldner. Door een bedelbrief aan zijn oude, inmiddels overleden, kameraad vergezeld van een foto van de mooie Arabella, raakt Mandryka 2.0 op slag verliefd op Arabella. Natuurlijk is er een vuiltje aan de lucht, want hoe anders vul je een (komische) opera van drie uur? Zdenka/Zdenko is heimelijk verliefd op officier Matteo die echter alleen oog heeft voor Arabella en bij afwijzing zich van het leven wil beroven. Zdenka voorkomt dit door de fictie te laten bestaan dat Arabella gevoelens voor hem heeft.  Natuurlijk wekt dit de jaloezie van Mandryka op, maar - hoe kan het ook anders - alles komt uiteindelijk op z'n pootjes terecht en eindigt Graaf Waldner zelfs twee dochters die aan de man zijn en genoeg geld om zijn gokverslaving op niveau door te zetten.

Der Rosenkavalier light
Arabella wordt vaak weggezet als een light-versie van Der Rosenkavalier (1911), de succesvolste opera van Strauss en na Elektra de tweede samenwerking met Von Hofmannsthal. Nu is dit ook niet zo gek, want bij het verzoek om een nieuw libretto na afronding Die Ägyptische Helena vroeg Strauss letterlijk om 'desnoods een tweede Rosenkavalier'. Verhaal en opzet lijken veel op elkaar en in tegenstelling tot Der Rosenkavalier heeft Arabella geen permanente plek gevonden in het repertoire. Het geweldige aan de uitvoering van De Nationale Opera is echter dat de uitvoering zo goed is en alle puzzelstukjes zo perfect samenvallen dat onder leiding van chef-dirigent Marc Albrecht een sublieme uitvoering wordt neergezet waardoor 'Arabella' als opera boven zichzelf uitstijgt. Een geweldige prestatie.

Schuivende panelen
Werkelijk alles klopt aan deze productie van De Nationale Opera. Nu mag dat eigenlijk geen verrassing meer heten want de combinatie van Marc Albrecht en Richard Strauss is al jarenlang een succesnummer. Een succes dat startte met een laaiend enthousiast ontvangen Die Frau ohne Schatten en vast en zeker heeft bijgedragen aan de permanente aanstelling van Marc Albrecht bij de (toenmalige) De Nederlandse Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest. De muzikale leiding van Albrecht is foutloos en benadrukt de verbondenheid tussen muziek en solisten waarbij de muziek - in tegenstelling tot andere opera's van Strauss - ondersteunend is. Albrecht kiest voor een dynamische aanpak waarbij de orkestratie van Strauss tot volle recht komt. Dit wordt nog een aangevuld met solisten die stuk voor stuk goed gecast zijn zowel voor het zingen als het acteren. Stralende hoogtepunten waren zonder meer Jacquelyn Wagner (Arabella), James Rutherford (Mandryka) en Agneta Eichenholz (Zdenka) die de opera dragen. Daarbij kundig bijgestaan door met name Charlotte Margiono (Adelaide) en Susanne Elmark als een heerlijke dronken feestpoes Die Fiakermilli. In dit geweld vielen Alfred Rieter (Graaf Waldner) en Will Hartmann (Matteo) een klein beetje tegen. Dit alles overigens afgemaakt door een inventieve enscenering met allerhande schuivende panelen die de oorspronkelijk nogal statische plaatsen van handeling dynamiek geven. Een verplicht nummer voor operaliefhebbers in het algemeen en liefhebbers van Richard Strauss en het nostalgische Weense leven in het bijzonder!

De trailer van 'Arabella':



'Arabella' van Richard Strauss wordt van 11 april t/m 2 mei 2014 uitgevoerd door De Nationale Opera in het Muziektheater te Amsterdam. Meer informatie en kaarten bestellen kan hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 17 april 2014.

dinsdag 15 april 2014

Opera 12 april 2014: Een puike 'Norma' in Duisburg

© Deutsche Oper am Rhein

Deutsche Oper am Rhein
Norma
Vincenzo Bellini (1801-1835)

Morenike Fadayomi, Norma
Calin Bratescu, Pollione
Sarah Ferede, Adalgisa
Guünes Gürle, Oroveso
Lisa Griffith, Clotilde
Ingmar Klusmann, Flavio

Chor der Deutschen Oper am Rhein
Giordano Bellincampi, Duisburger Philharmoniker
Theater Duisburg, Duisburg

De Deutsche Oper am Rhein zet een lekker dramatische en strakke uitvoering neer van Bellini's Norma die het afreizen naar Duisburg of Düsseldorf zeker de moeite waard maakt.

"Hell has no fury like a woman scorned" (William Congreve, The Mourning Bride, 1697) is een uitdrukking die op het lijf geschreven is van Norma, hogepriesteres van de Galliërs. Deze Norma heeft het aangelegd met Pollione, de Romeinse proconsul van Gallië en zelfs twee kinderen van hem gebaard. Nogal onhandig wanneer de Romeinen Gallië tot hun rijk rekenen en de Druïden, onder aanvoering van Norma's vader Oroveso, wachten op het (goddelijke) signaal om ten strijde te trekken tegen de Romeinen. Dit signaal moet komen van Norma, maar is - begrijpelijkerwijs - in de vertraging geraakt. Maar wanneer ze er achter komt dat de liefde van Pollione bekoeld is en in Adalgisa - een jonge priesteres in de tempel van Irminsul en daarmee ondergeschikte van Norma - een nieuwe liefde heeft gevonden, zijn de rapen gaar. Uit dit gegeven van liefde en wraak destilleerde Vincenzo Bellini (1801-1835) een heerlijk dramatische Belcanto-opera die afgelopen zaterdag in Duisburg door de Deutsche Oper am Rhein werd uitgevoerd.

Duisburg en Düsseldorf
De Deutsche Oper am Rhein is de muzikale samenwerking van Duisburg en Düsseldorf waarbij de Duisburger Philharmoniker en de Düsseldorfer Symphoniker het muzikale hart vormen. Voor Nederlandse operaliefhebbers, en dan zeker die in de grensstreek van Limburg, is een bezoek aan Duisburg of Düsseldorf meer dan de moeite waard. Niet voor niets stonden er na de uitvoering van Norma in Duisburg afgelopen zaterdag tal van touringcars klaar die operaliefhebbers van buiten Duisburg, waaronder ook redelijk wat Nederlanders, weer terugbrachten naar hun stad (en land) van herkomst. Overnachten in Duisburg kan overigens prima, maar in deze typische na de oorlog herbouwde Ruhrgebied-stad is - op de opera na - niet dermate veel te beleven dat je een heel weekend er door brengt. 

Dramatiek 
En de bezoekers van heinde en verre waren niet voor niets gekomen. Onder leiding van de Italiaanse chef-dirigent van de Duisberger Philharmoniker, Giordano Bellincampi, ontvouwde zich een strak geleide Norma waar het muzikale tempo en dramatiek uitstekend op elkaar waren afgestemd. En in Morenike Fadayomi trad een zeer geloofwaardige Norma naar voren. De haat die Norma voor Pollione voelde, kwam uitstekend naar voren. Maar evenzo zo de ontreddering en twijfel op het moment dat Norma bijna besluit om haar beide zoons van Pollione om te brengen omdat zij door zijn verraad geen toekomst te hebben. In de finale van Norma - waar Norma beseft dat haar roep om een offer een grove fout is en ze uiteindelijk besluit zichzelf op te offeren wat haar de hernieuwede liefde van Pollione oplevert - toonde Fadayomi zonder twijfel dat de rol van Norma op haar lijf geschreven was. Woede, wanhoop, twijfel en berusting waren allemaal zicht- en voelbaar. En hoewel Fadayomi qua stem haar meerdere moest erkennen in de Adalgisa van Sarah Ferede was zij juist door die combinatie van stem en dramatisch vermogen de echte ster van de avond.

Verwarrende enscenering
Enige let down van de avond was de verwarrende enscenering die in markante tegenstelling stond tot de strakke muzikale regie. Werner Schroeter poogde behoorlijk trouw te blijven aan het tijdsbeeld in Norma wat veelal Romeinse en Gallische dracht betekent. Toch werd dit dan afgewisseld met kledij uit diverse andere eeuwen waaronder de 19e eeuw en onze eigen tijd. Dit zorgde voor een rommelig beeld. Centraal daarbij stond een kooi met kinderen die nogal overduidelijk onschuld moesten uitbeelden. Om het nog eens extra te benadrukken werden cruciale scenes begeleid door twee engelen. Zowel kooi als engelen vormden niet echt een meerwaarde. Extra jammer was de choreografie op enkele punten. Wanneer tegen het einde van de opera Norma oproept tot oorlog ('Guerra, Guerra!') is dat een uitgelezen moment om het grote aantal (koor)figuranten op het toneel effectief in te zetten. Het werd echter een rommeltje waarbij de drang naar oorlog niet echt lekker uit de verf kwam.

Dit is echter een beperkte kanttekening bij een verder strakke en dramatische uitvoering van Norma die een ritje naar Duisburg of Düsseldorf meer dan de moeite waard maakt.

'Norma' van Bellini wordt uitgevoerd in april en mei door de Deutsche Oper am Rhein in zowel Duisburg als Düsseldorf met als orkest respectievelijk de Duisburger Philharmoniker en de Düsseldorfer Symphoniker. Meer info en kaarten bestellen kan hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 12 april 2014 in het Theater Duisburg te Duisburg.

maandag 14 april 2014

Concert 11 april 2014: Ten dienste van de beleving van Bach

© Anne Dokter / Koninklijk Concertgebouworkest

Bach: Matthäus-Passion

Maximilian Schmitt, tenor (Evangelist)
Thomas E. Bauer, bas (Christus)
Carolyn Sampson, sopraan
Damien Guillon, countertenor
Benjamin Hulett, tenor
Peter Kooij, bas

Collegium Vocale Gent, Nationaal Jongenskoor
Philippe Herreweghe, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Herreweghe brengt de Matthäus-Passion van Bach zoals deze hoort: een doorvoelde en prachtige uitvoering die staat den dienste van de muziek en de beleving van dit meesterwerk van Bach.

"Artificieel". Zo betitelde de Vlaamse dirigent en Bach-specialist Philippe Herreweghe het niet klappen na een niet-kerkelijke uitvoering van de Matthaus-Passion. Een mooie vraag tijdens een speciale editie van De Wereld Draait Door van afgelopen donderdag die volledig in het teken stond van de het meesterwerk van Bach: de Matthaus-Passion. In de ogen van Herreweghe staan het gewijde karakter van de muziek en het feit dat de Matthäus gaat over de lijdensweg van Jezus Christus los van de artistieke kwaliteit van het werk. Zelf vind ik het overigens altijd wat ongemakkelijk om na een uitvoering van de Matthäus te klappen, maar Herreweghe heeft me overtuigd en zijn uitvoering met het Koninklijk Concertgebouworkest en zijn eigen koor, het Collegium Vocale Gent, stond zo ten dienste van de beleving van Bach dat de uitvoerenden zonder meer beloond mochten worden met een groots applaus.

Bach-traditie
De uitgebreide Bach-traditie die Nederland kent, hoeft eigenlijk niet meer toegelicht te worden. Geen land ter wereld die in de aanloop naar Pasen zo opgaat in het meesterwerk van Johann Sebastian Bach (1685-1750) als Nederland. Een traditie de inmiddels ook de minder bekende Johannes-Passion omvat. De publieke omroep in het algemeen, maar De Wereld Draait Door in het bijzonder zijn dan ook te prijzen dat ze een dergelijke traditie 'prime time' onder de aandacht brengen. Gelijk de viering van het 125-jarig bestaan van het KCO was nu ook weer (een deel van) het orkest in de studio aanwezig om onder leiding van Philippe Herreweghe delen van de Matthäus-Passion te spelen. Dit alles met commentaar van tafelgasten Paul Witteman die als kenner van klassieke muziek nimmer een slecht figuur slaat en de heerlijk dolenthousiaste Jan Willem de Vriend die op aanstekelijke wijze over de (en zijn!) Passie vertelt. En natuurlijk is het dan ook aardig om te horen van vaste bezoekers van de Matthäus-Passion waaronder de onvermijdelijke Sywert van Lienden, die veel is maar niet exemplarisch voor zijn leeftijdgenoten.

Fascinatie
Philippe Herreweghe en het KCO tijdens een repetitie
Terecht werd door Herreweghe, Witteman en De Vriend geconstateerd dat de muziek van Bach zo rijk is dat je er over door kunt blijven praten en naar kunt blijven luisteren. Een van de hoofdredenen voor de blijvende fascinatie voor het werk van Bach in het algemeen en die voor de Matthäus in het bijzonder. Ook de uitvoeringspraktijk van de Matthäus is bijzonder rijk. Daar waar de toen slechts twintigjarige Felix Mendelssohn-Bartholdy verantwoordelijk is voor de herontdekking van de Matthäus, daar is Willem Mengelberg hoofdverantwoordelijk voor de start van de Bach-traditie in Nederland. Maar zoals uit de DWDD al bleek, is zijn uitvoeringspraktijk tegenwoordig allesbehalve gangbaar. De Mengelberg-tempi zijn intens traag waardoor hij er voor koos om grote delen van de Matthäus te schrappen. Een gewoonte overigens overgenomen van Mendelssohn. Wie opnames van Mengelberg, maar ook die van bijvoorbeeld Karl Richter en Otto Klemperer, nu luistert zal dat met verwondering doen. De huidige vlottere, kleinschaligere en transparantere uitvoeringspraktijk staat mijlenver af van de grootsheid (en ja soms pompeuze) uitvoering van vroeger. Onder aanvoering van Nikolaus Harnoncourt is deze nieuwe uitvoeringspraktijk de norm geworden. Een praktijk waar Sir John Eliot Gardiner, die recent nog een zeer aanbevelenswaardig boek heeft geschreven over Bach dat net in het Nederlands is vertaald, en Philippe Herreweghe exemplarische exponenten van zijn.

Ten dienste van Bach
Juist deze uitvoeringspraktijk werd in optima forma gebracht door Philippe Herreweghe en zijn muzikale krachten die het Concertgebouw in opperste concentratie deden luisteren en genieten van de Matthäus. Het was duidelijk dat Herreweghe een diepe connectie heeft met het KCO en dat zijn eigen fantastische koor Collegium Vocale Gent een naadloze droomcombinatie opleverde met het Amsterdamse orkest. Dit ook nog eens met de toevoeging van het Nationaal Jongenskoor dat bij de openingskoraal een prachtige bijdrage leverde die terecht na afloop van het eerste deel door het publiek en Herreweghe met grote waardering werd beloond. Herreweghe zorgde dat in zijn kielzog uitstekende solisten hun blijde intrede in het Concertgebouw maakten. Alle solisten maakten indruk, maar stralend hoogtepunt was toch wel sopraan Carolyn Sampson die vorig jaar nog de Matthäus van het Rotterdams Philharmonisch Orkest opluisterde en ik eerder ook al hoorde in Purcell's Dido& Aeneas en Bach's Weihnachts-Oratorium. Ook Maximilian Schmitt als evangelist en Thomas E. Bauer als Christus maakten een krachtige en sublieme indruk. Wonderlijk was Damien Guillon als countertenor. Zelden zo'n passende en mooie stem gehoord voor deze rol, maar zijn connectie met de muziek was niet altijd optimaal. Iets wat met name in de eerste aria voor de countertenor 'Buss und Reu' nogal opvallend was. Een kleine kanttekening overigens bij een gedragen, maar vooral doorvoelde uitvoering van de Matthäus. In alles kon gemerkt worden dat Herreweghe de beleving van Bach volledig in zijn greep heeft. Precies op de goede momenten benadrukte Herreweghe de intensiteit om juist op andere momenten meer contemplatief te werk te gaan. Zo zorgde hij voor een weergaloze en door het hele Concertgebouw gevoelde gewijde stilte op het moment dat Christus sterft ("Aber Jesus schriee abermal laut, und verscheid"). Een Matthäus volledig ten dienste van de beleving van dit weergaloze meestwerk van Bach.

Kijk hier de speciale editie van 'De Wereld Draait Door' over de Matthäus-Passion met het Koninklijk Concertgebouworkest en Philippe Herreweghe:


Het Koninklijk Concertgebouworkest voert om het jaar de Matthäus-Passion uit. Ditmaal onder leiding van Philippe Herreweghe op 11 en 13 april 2014. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 11 april 2014.

woensdag 9 april 2014

Koninklijke huldigingen als vlinders: 'Wie ben ik dat ik dit doen mag' van Dorine Hermans


Dorine Hermans’ vlotte geschiedenis van de koninklijke inhuldigingen geeft een mooi beeld van 200 jaar Nederlandse monarchie, maar enige historische distantie was welkom geweest.  

Geen boek over het Koninklijk Huis kan uitkomen zonder dat er een relletje over ontstaat. Dat is ook niet zo gek, want in een constitutionele monarchie is de Koning onschendbaar en de ministers verantwoordelijk, maar natuurlijk zijn de Koning, de overige leden van het Koninklijk Huis en de rest van de familie Van Oranje net echte mensen waar ook weleens wat mis gaat. Probleem is alleen dat iedere misstap of spanning in een relatie of familie voor de gemiddelde Nederlander de gewoonste zaak van de wereld is, maar in het koninklijke geval vrijwel meteen een schandaal van formaat ontstaat. Of op z’n minst weer fijne vulling voor tal van kranten, weekbladen en televisieprogramma’s.

Update
Dorine Hermans (1959) heeft inmiddels de nodige ‘koninklijke’ boeken op haar naam staan en altijd is er wel wat ‘gedoe’ over. Toch is Hermans – blijkens een interview met HP/De Tijd uit oktober 2011 – duidelijk over haar rol: ‘ik ben historica, geen relmuis’. Dat laat onverlet dat toen haar boek Wie ben ik dat ik dit doen mag in het najaar van 2011 uitkwam dit met een rel gepaard ging over passages in het boek over spanningen in het huwelijk van toenmalig Koningin Beatrix en wijlen prins Claus. Het boek van toen ging over de zes inhuldigingen van Willem I (1814), Willem II (1840)  en Willem III (1849) en die van Wilhelmina (1898), Juliana (1948) en Beatrix (1980). In 2013 kwam daar een zevende inhuldiging bij: Koning Willem-Alexander. Aanleiding om nu een herziene versie van Wie ben ik dat ik dit doen mag uit te geven met een nieuw hoofdstuk over de inhuldiging van Koning Willem-Alexander en zijn eerste jaar als monarch. In deze herziene versie zijn overigens de opmerkingen over de spanningen in het huwelijk van Beatrix en Claus blijven staan doch met meer bronnen ondersteund.
 
200 jaar Oranje-geschiedenis
Voor wie meer wil weten over de (inmiddels) zeven monarchen die Nederland in meer of mindere mate hebben geregeerd, is Wie ben ik dat ik dit doen mag een heerlijk boek. Hermans weet hoe ze een verhaal moet vertellen en in ruim 350 pagina’s loodst ze de lezer door tweehonderd jaar Oranje-geschiedenis. Hoewel de focus ligt op de inhuldigingen en ze iedere inhuldiging op dezelfde manier beschrijft (beginnend met hoe iedere aankomende monarch wakker werd en of ze een ochtendmens waren of juist niet) is het voor Hermans vooral een aanleiding om via allerlei zijpaadjes het wel en wee van de monarchie in Nederland in het algemeen en het leven van de koningen en koninginnen in het bijzonder te bespreken. Daarmee wordt ook stevig de interesse gewekt in de diverse hoofdpersonen waardoor de gemiddelde lezer vast en zeker zal grijpen naar de meer lijvige biografieën van de drie Willems die recent verschenen en de al langer geleden uitgeven biografieën over Wilhelmina en het huwelijk tussen Bernhard en Juliana van Cees Fasseur, de biografie van Jutta Chorus over Beatrix en de biografie van Annejet van der Zijl over Bernhard. De titel slaat overigens op één van de zinnen uit de inhuldigingsrede van Juliana, een hoeder van de monarchie die zich ‘gewoner’ placht voor te doen dan haar voorgangers en opvolgers.

Vlinders
In het eerder aangehaalde interview uit 2011 stelt Hermans ‘als historica bestudeer ik gewoon de monarchie zoals iemand vlinders zou bestuderen’. Daar heeft ze zonder meer gelijk in, met name wanneer het de vorsten en vorstinnen uit het verleden betreft. De inhuldiging van Willem-Alexander is een onontkoombare toevoeging op het boek, maar juist in dit hoofdstuk mis je de distantie die een historicus hoort aan te nemen. Een beschrijving van de inhuldiging kan nog wel, maar door meteen een analyse te geven van het eerste jaar van Willem-Alexander die loopt tot het ‘gedoe’ rondom de Russische Winterspelen (de Oekraïne/Krim-problematiek haalde blijkbaar de deadline niet meer) wordt aan die distantie geweld gedaan. Daarmee wordt het boek in de laatste pagina’s onevenwichtig, want het is voor een historicus onmogelijk om zo snel al een ‘historisch’ oordeel te geven. Hetzelfde euvel doet zich ook al een beetje voor bij de beschrijving van de inhuldiging van Willem-Alexander. Twitter, het satirische weblog De Speld maken daar bijvoorbeeld hun opwachting waarbij die impact eigenlijk gelijkgesteld wordt met de memorabele momenten van de vorige inhuldigingen. Dat doet afbreuk aan het boek als geheel en maakt het boek daarmee meteen al gedateerd. Een toch wel serieuze kanttekening bij een overigens verder zeer leesbaar en aan te raden boek.


‘Wie ben ik dat ik dit doen mag. Zeven koninklijke inhuldigingen’ van Dorine Hermans is een herziene en uitgebreide versie van ‘Wie ben ik dat ik dit doen mag. Zes koninklijke inhuldigingen’ die in september 2011 is verschenen bij Meulenhoff. Deze tweede en herziene druk van maart 2014 bevat een extra hoofdstuk over de inhuldiging van Koning Willem-Alexander en zijn eerste jaar als koning.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele cultuurpolitiek.