woensdag 28 december 2011

Musical 26 december 2011: 'Wicked'


'Wicked'

Willemijn Verkaik (Elphaba)
Chantal Janzen (Glinda)
Jim Bakkum (Fiyero)
De Tovenaar van Oz (Bill van Dijk)

Tekst en muziek: Stephan Schwarz
Script: Winnie Holzman
Naar het boek van Gregory Maguire

Circustheater Scheveningen,
Den Haag

Hoewel aan het lezen van mijn blog je een andere indruk zou kunnen overhouden, heb ik ook nog andere interesses dan alleen maar klassieke muziek en boeken. Op Tweede Kerstdag toog ik met veel plezier naar het Circustheater, het bij mijn huis dichtstbijgelegen theater, voor de musical 'Wicked'. De kaarten voor deze musical waren zonder reserves gekocht omdat ik de musical in de oorspronkelijke Amerikaanse versie al in 2009 zag op Broadway. Toen was ik zeer onder de indruk van deze bewerking van het boek 'Wicked: The Life and Times of the Wicked Witch of the West' van Gregory Maguire. Zo onder de indruk dat 'Wicked', naast 'The Phantom of the Opera' mijn favoriete musical geworden is. Ik was daarom ook zeer benieuwd hoe de Nederlandse versie het ervan af zou brengen.

Dat er een Nederlandstalige versie van deze musical is gekomen, is niet zo vreemd. Sinds 2003 is 'Wicked' een van de populairste musicals van Broadway en is inmiddels naar diverse landen geëxporteerd waaronder naar dat andere muscial-mekka: Londen. De reden hiervoor is niet zo vreemd. 'Wicked' combineert uitstekende muziek met een ingenieus verhaal vanuit het unieke uitgangspunt dat één van de meest gehate 'villains' van de 'popular culture', de 'Wicked Witch of the West', goed in plaats van slecht is. Het verhaal van 'Wicked' is daarmee het verhaal van Elphaba die zou uitgroeien tot de iconische heks van de 20e eeuw. De musical beschrijft haar levensloop die wordt gekenmerkt door het feit dat zij de outsider is vanwege haar groene huidskleur. Elphaba is inwoner van Oz, het magische land bekend van het bezoek van Dorothy, dat onder leiding staat van een verlichte dictatuur onder de Tovenaar van Oz. Als blijkt dat Elphaba, in tegenstelling tot de Tovenaar, daadwerkelijk beschikt over magische krachten lijkt haar toekomst verzekerd. Een toekomst die haar samenbrengt met de Tovenaar. Tegelijkertijd verandert haar relatie met haar aartsrivaal Glinda van vijand- in vriendschap en lijkt er steeds meer te zijn tussen Elphaba en de knappe Fiyero dan Glinda en Fiyero die voor elkaar voorbestemd lijken: allebei knap en succesvol. De realiteit van Oz, waarbij dieren volwaardig (pratend en wel!) deelnemen aan de maatschappij, speelt hier een grote rol bij. De dieren worden, tot groot ongenoegen van Elphaba en Fiyero, steeds meer gemarginaliseerd. Waarom? Door  'De Grote Droogte' is er behoefte aan een zondebok en de dieren zijn daar uitstekend voor geschikt. Dit leidt ertoe dat Elphaba afstand neemt van de Tovenaar en deze zijn uitgebreide communicatieapparaat (lees: een uitstekende spindoctor, Madam Akaber) inzet om de gehate figuur van de 'Wicked Witch of the West' te creëren. Op de achtergrond speelt het bekende verhaal van Dorothy die via een tornadt in het huis van haar oom en tante in Oz is aangekomen en haar queeste over de 'yellow brick-road', samen met Blikkie, Laffe Leeuw en Lappie, onderneemt om uiteindelijk de Tovenaar te ontmoeten en samen met hem terug naar onze wereld te keren. Wat het knappe aan de opzet van de musical is dat het oorspronkelijke verhaal van L. Frank Baum, maar dan vooral de filmversie met Judy Garland, naadloos wordt verwerkt binnen het afwijkende uitgangspunt en daarme 'alternatieve universum' van Maguire. De overbekende scene van de laatste confrontatie tussen Dorothy (die in de musical als een zeurend kind overkomt) en Elphaba ('Í'm melting, I'm melting') krijgt zo een heel andere betekenis.

Zoals gezegd wordt het verhaal gelardeerd met goede muziek die ook in de Nederlandse vertaling, van de hand van Martine Bijl, zeer zeker overeind blijft en, in mijn ogen, de vergelijking met de Amerikaanse versie kunnen doorstaan. Om een idee te geven van de muziek, de vertaling, maar ook het kunnen van hoofdrolspeler Willemijn Verkaik een YouTube-video van de 'teaser' van de Musical Sing-a-Long op het Museumplein dit jaar:


Wat mij betreft kan de de Nederlandse versie de vergelijking met de Amerikaanse versie, ook op het gebied van de techniek, glansrijk doorstaan en dat terwijl ik normaliter geen fan van vertalingen ben. Dit komt door de goede vertaling, maar vooral ook door de meer dan uitstekende prestaties van Willemijn Verkaik en Chantal Janzen. Verkaik stond al in de Duitse versie en heeft een dijk van een stem die je voor deze rol ook nodig hebt. Chantal Janzen is vocaal minder sterk, maar in haar rol als 'domme blondje, met toch best wel wat verstand' Glind komt het vooral aan op (komische) timing en die is voortreffelijk. Beiden gaan volledig op in hun rol en zijn respectievelijk Elphaba en Glinda. De derde hoofdrolspeler is Jim Bakkum als Fiyero. Hij zingt prima, maar acteert en danst (ondanks 'Saturday Night Fever') als een houten klaas. Zijn naamsbekendheid is zijn grootste 'asset'. Daarnaast is Bill 'kan ik het Wilhelmus nog even voor u zingen' van Dijk (terecht) uit de mottenballen gehaald als uitstekende tovenaar en is 'Onderweg naar Morgen'-bitch Pamela Teves bereid gevonden om Madam Akaber te spelen. Die laatste werd op Tweede Kerstdag gespeeld door haar 'alternate' die ook zeker niet verkeerd was.

Ik ben van mening dat Joop van den Ende een succesvolle transfer van 'Wicked' voor elkaar heeft gekregen die volle zalen verdient. Of dit laatste echt gaat lukken, vraag ik me af. Er zijn al heel snel allerhande kortingsacties gestart: niet het beste voorteken. Reden hiervoor zou kunnen zijn dat het verhaal van de 'Wizard of Oz', zowel van L. Frank Baum als de totemische filmversie met Judy Garland, lang niet zo stevig in het collectieve bewustzijn van Nederland is verankerd als in de Verenigde Staten. Ik denk dat daarom heel veel mensen niet weten wat ze kunnen verwachten en daarom de gang naar het Circustheater niet eenvoudig zullen maken. Van den Ende is echter meer dan oud en wijs genoeg om van alles een succes te maken, dus dit zal ook lukken. Maar in tegenstelling tot een aantal andere producties verdient 'Wicked' ongekwalificeerd succes.

zaterdag 24 december 2011

Concert 23 december 2011: Haitink en Uchida. Een weergaloze combinatie!


Mozart: Piano Concerto Nr. 20, K466
R. Strauss: Eine Alpensinfonie, op. 64

Mitsuko Uchida
Bernard Haitink, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Naar dit concert, onderdeel van de KCO-serie 'De grote maestro's', keek ik al maanden uit. Niet alleen omdat Haitink op de bok zou staan, gezien zijn status als levende legende van de klassieke muziek, maar ook vanwege de solist: Mitsuko Uchida. En dat ook nog eens met een bij voorbaat geweldig programma met mijn favoriete pianoconcert, de twintigste van Mozart, en het specatulaire toondicht van Richard Strauss 'Eine Alpensinfonie'. Het gevaar bij zulke hoge verwachtingen is natuurlijk dat er nooit helemaal aan kan worden voldaan, maar daar was gisteren geen sprake van. Het werd een weergaloos concert dat wat mij betreft één van de mooiste concerten was die ik tot op heden heb bijgewoond.

Haitink en Uchida vormden voor de pauze een ware symbiose met een perfecte uitvoering van het 20e pianoconcert van Mozart (1756-1791). Het dreigende begin van het eerste deel van het concert, waar de piano de eerste minuten nog niet te horen is, gaat over in een prachtige 'call and response' tussen piano en orkest waarbij de piano steeds meer ruimte krijgt. Haitink en Uchida beschikken, naast uitstekende technische vaardigheden, allebei over dezelfde muzikale insteek: eerbied voor de componist en oor voor het geheel. Nimmer overstemde het orkest onder de lyrische directie van Haitink het fenomenale pianospel van Uchida. Lezers van mijn blog zal het opvallen dat ik me bij tijd en wijle nogal eens kan opwinden over de grote mate van gekuch in de Nederlandse concertzalen. Gisteren merkte ik dat het ook anders kan. De zaal luisterde dermate intens naar de muziek dat je een speld kon horen vallen. Dit was het meest duidelijk tegen het einde van het eerste deel van het pianoconcert waar de piano een uitgebreide solo tot de beschikking heeft. Uchida gebruikte deze om eerst te komen tot een fluisterend delicaat spel om daarna in een steeds subtieler crescendo het orkest weer 'toe te laten' om te komen tot een prachtige climax. Tijdens dit gehele deel was er geen ander geluid te horen in de zaal. Misschien wel het beste bewijs voor de kwaliteit die te horen was. Uchida is, net als Haitink, bescheiden op het podium (en bij het overdonderende applaus) maar gaat wel vol op in de muziek. Wanneer zij niet speelt beweegt ze mee met de muziek zonder dat het 'showy' is. Wanneer ze speelt doet ze dat met overgave, maar immer serieus. Publieksfavorieten zoals, de door mij niet zeer bewonderde, Lang Lang zouden hier wat van kunnen leren. Om een idee te krijgen van het spel van Uchida onderstaand een YouTube-filmpje van het laatste deel van het pianoconcert gespeeld door Uchida maar dan met de Berliner Philharmoniker onder Sir Simon Rattle:


Na de pauze was het de beurt aan Haitink alleen met de gegarandeerde showstopper 'Eine Alpensinfonie' van Richard Strauss (1864-1949). Lezers van mijn blog zal het niet ontgaan dat de Duitse Romantiek op mijn warme belangstelling mag rekenen en ook zeker de laatste vertegenwoordiger van deze stroming: Richard Strauss. Naast zijn opera's en liederen is Strauss ook vooral bekend om zijn toondichten. In 1915 schreef hij 'Eine Alpensinfonie' die het einde markeerde van opeenvolgende toondichten waaronder 'Don Juan', 'Also sprach Zarathustra' (bekend van het gebruik van het begin door Kubrick in '2001 A Space Odyssey') en 'Ein Heldenleben'. Zoals zoveel van zijn werk heeft ook 'Eine Alpensinfonie' een sterk biografisch karakter. Het beschrijft een avontuur in de Alpen die Strauss meemaakte toen hij nog kleine jongen was. Het aardige eraan is dat ook al weet je niet wat je te horen krijgt en je er niks over hebt gelezen dat je op veel momenten precies hoort wat er gebeurt. Of het nu een zonsopgang is die stil begint, maar glorieus tot zijn volle wasdom komt, een storm op de berg, het bereiken van het hoogste punt of de zonsondergang: de muziek is programmatisch van aard en leidt je door het gehele avontuur. Overigens wordt 'Eine Alpensinfonie' niet zo vaak uitgevoerd als het andere werk van Strauss. Dit komt met name door de enorme hoeveelheid musici die nodig zijn om dit stuk uit te voeren: meer dan 100. Alles komt er aan de pas: van harpen tot een dondermachine en een orgel. Het orgel van het Concertgebouw wordt niet vaak gebruikt, maar nu in volle glorie. Ondanks dit gegeven en de relatieve zeldzaamheid waarmee dit stuk wordt opgevoerd, was dit wel de eerste cd die ooit werd geperst in een uitvoering door het Berliner Philharmoniker onder Herbert von Karajan. Deze versie geldt nog steeds als benchmark waarbij ook een recentere versie van Christian Thielemann met het Wiener Philharmoniker hoge ogen gooit. En Haitink zelf staat, met het Concertgebouworkest, garant voor een bechmark-opname uit 1985. Deze is helaas alleen nog maar verkrijgbaar als onderdeel van de NRC-box 'Das Himmlische Leben'. Bestellen kan hier. Overigens heeft Haitink recent nog een versie uitgebracht met het London Symphony Orchestra op hun eigen label LSO Live.

De uitvoering van gisteravond was (meer dan) voorbeeldig. Een dergelijk werk, heeft enorme baat bij een live-uitvoering. Dit gekoppeld aan het prachtige en foutloze spel van het Koninklijk Concertgebouworkest en de meeslepende en lyrische directie van Haitink zorgden voor een fenomenale uitvoering die op alle fronten spectaculair was. Ook hiervoor geldt dat het moeilijk is om dit soort muziek goed onder woorden te brengen. Ook hier biedt YouTube weer een helpende hand met 'Eine Alpensinfonie' onder Haitink maar ditmaal met, het Strauss-orkest bij uitstek, de Staatskapelle Dresden:


Het goede nieuws is echter dat Haitink dit jaar bij het KCO op de bok staat voor de traditionele Kerstmatinee op Eerste Kerstdag. Het programma is 'Eine Alpensinfonie' gevolgd door de 'Vier Letzte Lieder' van Richard Strauss. De matinee wordt op 25 december vanaf 15.00 uur live uitgezonden door de AVRO op Nederland 2. Ondanks de gevordere leeftijd blijft Haitink, hij is inmiddels 82, maakt hij nog steeds een fiere indruk en levert hij het ene prachtige concert na het andere af. In 2012 zal ik hem nogmaal horen met de vijfde symfonie van Bruckner. Hopelijk gaat hij, en niet te vergeten Mitsuko Uchida, nog jaren door. Daarbij mogen we ons in Nederland gelukkig prijzen met zo'n toporkest, zo'n wereldvermaarde dirigent en de mogelijkheid om topsolisten zoals Uchida naar Nederland te halen. Welk land doet ons dit na?

vrijdag 23 december 2011

Concert 22 december 2011: 'Jauchzet, Frohlocket' in Rotterdam


Bach: Weihnachtsoratorium
I. Teil: Am ersten Weihnachtsfeiertage
III. Teil: Am dritten Weihnachtsfeiertage
IV. Teil: Am Feste der Beschneidung Christi
VI. Teil: Am Feste der Erscheinung Christi

Carolyn Sampson (sopraan)
Susan Bickley (alt)
Andrew Tortise (tenor)
Christopher Purves (bas)
Vlaams Radiokoor

Richard Egarr, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

In de aanloop naar de Kerst zijn er in talloze concertzalen en kerken in Nederland concerten die in het teken staan van de Kerst. Zo ook gisteravond in De Doelen waar het kerstwerk par excellence, Bach's Weihnachtsoratorium, werd uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest met op de bok 'de Bernstein van de oude muziek' Richard Egarr. Sinds ik een repetitie en een concert van Egarr heb ik bijgewoond, ben ik ongereserveerd fan van deze energieke en multigetalenteerde dirigent. Hierover valt meer te lezen in een blog over een concert van 10 april 2011 van dezelfde Egarr.

Zoals in de aanloop naar Pasen de Matthaüs-Passion van Bach in grote getale op de lessenaars van de Nederlandse concertzalen en kerken verschijnt, zo leiden de donkere dagen voor Kerst naar het verlangen om het Weihnachtsoratorium te horen. Bach is, zeker in Nederland met haar Bach-traditie, hofleverancier van de traditionele (christelijke) feestdagen. En dat is ook niet zo vreemd: het werk van Bach is van een grote schoonheid en maakt gevoelens los bij zelfs de meest cynische luisteraar. Daar waar de Matthaüs-Passion niet tot feestlijkheden noopt, is het met het Weihnachtsoratoirum volstrekt anders. Het veelvuldige gebruik vann pauken en trompetten (niet te horen in de Matthaüs- of Johannes-Passion) brengen, zoals het programmaboekje in Rotterdam al stelde, licht in de duisternis. Zodra de eerste cantate met haar feestlijke 'Jauchzet, Frohlocket' (juicht en jubelt) klinkt, ben je meteen in de Kerststemming.

Gisteravond was dit niet anders, mede door een goede uitvoering door het solisten, het Vlaams Radiokoor en het Rotterdams Philharmonisch onder Egarr die ook de klavecimbel speelde. Een prachtig gezicht om Egarr de diverse rollen zo soepel en enthousiast te zien balanceren. De solisten waren over het algemeen goed, waarbij vooral de kracht van Christopher Purves (bas) opviel. Opvallende aan zijn carrière is dat hij na zijn studie zich schoolde als zanger in het koor van King's College waarna hij zich aansloot bij de rockband Harvey and the Wallbangers. Een opmerkelijke carrière die hem alleen maar goed heeft gedaan. De andere solisten kwamen iets minder uit de verf, maar dat heeft ook met de akoestiek van De Doelen te maken die niet overmatig geschikt is voor dit werk. Het klonk bij tijd en wijle wat 'dun'. Dit met name ook door de keuze van Egarr, vanuit zijn wens tot een meer authentieke uitvoering van oude muziek, tot een kleine bezetting. Dit staat garant voor een energieke, want sneller genomen, uitvoering, maar de akoestiek van De Doelen kan hier niet helemaal mee omgaan. Een dergelijk werk blijft toch het beste wanneer uitgevoerd daar waar het hoort: in een kerk. De aanpak van Egarr valt het beste te vergelijken met die andere voorvechter van authentieke uitvoering Sir John Eliot Gardiner. Wanneer een meer gedragen en 'volle' uitvoering wordt gezocht zoals de klassieke opname van het Münchener-Bach Orchester onder Karl Richter ben je bij Egarr niet aan het goede adres.

Overigens speelde Egarr slechts vier van de zes cantates die samen het Weihnachtsoratorium uitmaken. Niet zo vreemd aangezien het gehele oratorium ruim drie uur in beslag neemt. In vroegere tijden werden de cantates gekoppeld aan lithurgie en werd per dag slechts één cantate gespeeld. Dit leidt wellicht tot het beeld dat de cantates afzonderlijk van elkaar zijn, maar de cantates vormen één geheel, zowel qua muziek als tekst. De tekst is hoogtwaarschijnlijk, net als bij de Matthaüs-Passion, van de hand van Picander en betreft delen uit het Matteüs en Lucas uit het Nieuwe Testament en vertelt over de geboorte van Jezus tot aan het bezoek van de drie wijzen. Zo glorieus als het oratorium begint zo glorieus eindigt deze ook: een triomferend slotkoraal bevestigt de overwinning van Christus op het kwaad en zorgde dat alle aanwezigen in De Doelen in ernst hun Kerstviering konden starten.

maandag 19 december 2011

'Kameraad Baron' van Jaap Scholten


De Libris Geschiedenis Prijs is de laatste jaren een goede toetssteen gebleken voor liefhebbers van historische non-fictie. Dit jaar won 'Kameraad Baron. Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristrocratie' van Jaap Scholten deze prijs. De jury, onder leiding van in haar eigen vakbondskringen in ongenade gevallen Agnes Jongerius, betitelde het als een 'lyrisch boek, waarin de auteur ongegeneerd zijn liefde belijdt voor het Transsylvaanse landschap en zijn bewondering voor de overzettelijkheid van de Roemeense adel in de communistische tijd.' De jury heeft daar meer dan gelijk in. 'Kameraad Baron' is het neerschrijven van de persoonlijke ontdekkingstocht van Jaap Scholten van zowel Transsylvanië als haar (aristocratische en adellijke) inwoners. Het persoonlijke komt tot uiting in het feit dat zijn vrouw Ilona afstammeling is van Hongaarse aristocratie gelinkt aan de Transsylvaanse aristocratie en een eerste ontdekkingstocht in Roemenië, na de val van Ceausescu, heeft geleid tot het permanent wonen in de hoofdstad van Hongarije, Boedapest.

De kern van het boek is gebaseerd op een gebeurtenis die voor mij onbekend was: in de nacht van 2 op 3 maart 1949 werden alle grootgrondbezitters, 7.804 mensen, veelal van adel of behorend tot (het hogere echelon van) de aristrocratie door de Roemeinse veiligheidsdienst, de gevreesde Securitate, uit hun huizen gehaald en gedeporteerd. Zij waren door de regering als 'klassevijanden' geclassificeerd, hun bezit werd afgenomen en men mocht alleen nog maar werken binnen de meest (arbeidsintensieve) en simpele beroepen soms leidend tot dwangarbeid. Pas na de val van Ceausescu werden deze voormalige 'klassevijanden' in de gelegenheid gesteld, niet altijd van harte, om delen van hun ontvreemde bezit terug te krijgen. De titel van het boek, Kameraad Baron, verwijst naar de benaming die in Hongarije werd gebruikt voor de gedeclasseerde adel: Báró Elvtárs. Volgens Scholten combineerde dit de verplichte gelijkheid van het communisme met het verboden verlangen naar de klassenmaatschappij. Een goede communist sprak zijn broeder immers met Kameraad aan!

Het boek valt in drie delen uiteen, naar de Transylvanië-trilogie van de Hongaarse aristocratische politicus Miklos Banffy (1873-1950), over de aristorcratie voor 3 maart 1949 ('Ze werden gewogen'), de periode van onderdrukking ('Ze werden verdeeld') en de periode na de val van Ceausescu ('Ze werden te licht bevonden'). Roemenië en Hongarije, waar de terreur iets minder was, maar nog steeds niet je dat, lopen in het boeken overigens nogal door elkaar omdat Transsylvanië in de roerige geschiedenis soms bij het ene en dan weer bij het andere land hoorde. Behalve in de tijd van Oostenrijk-Hongarije toen alles aan de Habsburgers behoorde. De Transsylvanische adel was echter via familiebanden met de adel in zowel Hongarije als Roemenië gelinkt en uiteindelijk zelfs met het Britse koninklijk huis.

Het boek is de weerslag van vele gesprekken die Scholten, mede vanwege de connecties van zijn vrouw, heeft gevoerd en geeft daarmee een beeld van deze vergeten episode. De jury stelt terecht dat zijn liefde en bewondering voor deze mensen goed doorklinkt. Dat is ook meteen mijn grootste kritiekpunt op het boek. De schrijver laat net even te vaak vallen dat hij via zijn vrouw gelinkt is aan aristocratie en dat vindt hij nogal overduidelijk prachtig. Iets wat zijn vrouw overigens niet begrijpt zoals hij zelf schrijft. Ook wordt de oom van Schotlen, voormalig ambassadeur van Nederland in Roemenië tijdens de neergang en val van Ceausescu, Coen Stork, ten tonele gebracht. Dit alles zorgt ervoor dat het geen afgewogen verhaal betreft en dat is toch een gemis. Daarbij zou wat nadere duiding van de historische context welkom zijn geweest om hetgeen hij in de gesprekken heeft gehoord meer te duiden. Ten slotte is het boek nogal episodisch van opbouw waardoor een echte rode draad ontbreekt. Soms krijg je het idee dat alle reisaantekeningen van Scholten zonder al te veel werk gekaft zijn. Dat leidt nog wel eens in doublures in informatie. De nacht van 2 op 3 maart 1949 komt nogal vaak terug.

Ondanks deze (toch wel stevige) kritiekpunten vind ik het boek wel een aanrader. Het is prettig geschreven en geeft een beeld van een periode en gebeurtenissen die voor mij, maar vast en zeker voor velen, volstrekt onbekend is. Daarmee doet het uitstekend dienst als de weerslag van een 'oral history' van deze groep bijzondere mensen.

dinsdag 13 december 2011

Concert 9 december 2011: Het Universum van Judd en het KCO


Schönberg: Verklärte Nacht
Holst: The Planets

Cappella Amsterdam
James Judd, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Een paar dagen voor dit concert ontving ik een mail die je liever niet ontvangt: de aankondiging dat Mariss Jansons bij dit concert niet op de bok zou staan. Wegens zware bronchitis heeft de, sowieso met een broze gezondheid kampende, Jansons al zijn concerten van die week moeten afzeggen. Gelukkig was een vervanger gevonden: de voor mij volstrekt onbekende Britse dirigent James Judd die tevens het programma ongewijzigd over zou nemen. Nadere informatie over het CV van deze dirigent stelde mij nou niet bepaald gerust: music director emeritus van het New Zealand Symphony Orchestra, voormalig chef-dirigent van het Florida Philharmonic Orchestra en artistiek directeur van het Grand Opera in Florida zijn toch niet aanstellingen die een vergelijk met Jansons ook maar een beetje doorstaan. De zin 'James Judd debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest' maakt het er dan niet beter op. Eerder was hij blijkbaar niet in beeld. Het concert deden mijn twijfels echter verdwijnen. Judd zette een goed concert neer en kreeg het welverdiende applaus van het dankbare publiek. Het programma reikte (letterlijk) naar de hemelen met Holst's overbekende 'The Planets' en Schönberg's 'Verklärte Nacht'.

Voor de pauze was het de beurt aan 'Verklárte Nacht' van Arnold Schönberg (1874-1951). Schönberg wordt veelal in verband gebracht met atonaliteit, maar dat geldt niet voor zijn hele oeuvre (denk aan de Gurrelieder) waaronder dus 'Verklärte Nacht'. Dit orkeststuk voor strijkers is oorspronkelijk een kamermuziekstuk voor zes strijkers maar bewerkt voor groot strijkorkest. Het stuk is gebaseerd op een gedicht van Richard Dehmel en gaat over een nacht waarin een vrouw aan haar minnaar toegeeft dat zij zwanger is van een andere man. De man geeft echter aan dat door hun liefde het kind van hem zal zijn. Het is een prachtig gloeiend stuk van ruim een half uur dat prachtig door Judd en het KCO ten gehore werd gebracht.

Na de pauze was het de beurt aan één van de meest bekende stukken van de 20e eeuw: 'The Planets' van Gustav Holst (1874-1934). Het betreft een zevendelige toondicht gewijd aan de zeven (toen bekende) planeten: Mars, Venus, Mercurius, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. De muziek per planeet is gemodelleerd naar het vermeende karakter. Het werk wordt vaak in verband gebracht met de Eerste Wereldoorlog die, met name in 'Mars, The Bringer of War' goed te horen zou zijn. Holst had dit onderdeel echter al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog afgerond. Ondanks zijn Zweedse naam is Gustav Holst in alle opzichten een Brit en zijn muziek is ook zeer Brits en kenmerkend voor die tijd: lyrisch, verhalend en verheffend. Het is niet voor niets dat een deel van Jupiter de bron is voor één van de officieuze Britse volksliederen 'I Vow to Thee my Country'. Naast 'Jerusalem' van Sir Hubert Parry één van de meest bekende Britse liederen en vaste prik tijdens de 'Last Night of the Proms'. De populariteit van het werk, en daarmee het in de schaduw zetten van zijn overige werk, stak Holst dermate dat toen Pluto in 1930 werd ontdekt hij er niet aan moest denken om nog een extra deel aan 'The Planets' toe te voegen. Overigens zal iedereen die het werk voor het eerst hoort veel herkennen: delen van het werk worden al decennialang gebruikt in allerhande uitingen maar ook als inpsiratie voor andere werken. Niet in de laatste plaats de filmmuziek van John Williams (Star Wars etc.). In de uitvoering van Judd werd maar eens duidelijk waarom Britse dirigenten bij uitstek geschikt zijn om muziek van eigen bodem te spelen. Wat volgde namelijk was een prachtige uitvoering van dit bekende werk. Geen geringe prestatie omdat ik al jaren in het bezit ben van de legendarische uitvoering van 'The Planets' door Adrian Boult en het London Philharmonic Orchestra en dat de vergelijking daarmee zeker positief was.

Het universum van Judd deed dus niet onder voor het aangekondigde universum van Jansons, hoewel het natuurlijk altijd de vraag is wat gemist is door het ontbreken van Jansons op de bok.

dinsdag 6 december 2011

'A Walk-On Part. Diaries 1994-1999' van Chris Mullin


Het Verenigd Koninkrijk kent een lange en succesvolle traditie van politici die een (openhartige) inkijk geven in hun politieke en privéleven. Een van de bekendste 'diarists' uit een verder verleden is Sir Henry "Chips" Channon (1897-1958) een Member of Parliament (MP) voor de Conservatieven. In de jaren negentig kwam daar Alan Clark, eveneens een MP voor de Conservatieven, bij. Zij driedelige 'diaries' zijn een genot om te lezen en zijn zelfs, mede vanwege de populariteit ervan, door de BBC omgezet in een TV-serie met in de hoofdrol John Hurt als Alan Clark. Het geheim van de 'Alan Clark Diaries' is dat hij dicht genoeg bij de macht zat, onder andere als minister, om een goed beeld te geven, maar ver weg genoeg om wel alles te kunnen zeggen. Overigen kan van Alan Clark kan veel gezegd worden, maar niet dat hij een blad voor de mond neemt. In de aanloop naar het schrijven van mijn afstudeerscriptie voor politicologie, met als onderwerp de Britse Conservatieve Partij, las ik de 'Alan Clark Diaries' al en heb van iedere pagina genoten.

De afgelopen jaren is, aan de andere kant van het Brtise politieke spectrum, een nieuwe ster aan het 'diaries'-firmament verschenen: Chris Mullin, MP voor Labour. Gelijk Alan Clark is hij een parlementslid dat ook een tijd (junior) minister is geweest, zijn weg kent in de Labour Party maar geen behoefte heeft om zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Zijn eigen optreden incluis. De afgelopen jaren verschenen al zijn 'diaries' over zijn jaren als minister ('A View from the Foothills', 1999-2005) en zijn jaren als backbencher tijdens de neergang van Labour ('Decline & Fall', 2005-2010). Recent zijn de 'diaries' over de opkomstjaren van New Labour verschenen: 'A Walk-On Part' (1994-1999) die handelen vanaf de (onverwachte) dood van Labour-leider John Smith tot aan zijn 'verheffing' tot minister onder Tony Blair. Mullin is in het Verenigd Koninkrijk vooral bekend geworden van zijn verdediging van de 'Birmingham Six' die onterecht veroordeeld waren. Tevens is hij de schrijver van een zeer bekende fictieve politieke roman: 'A Very British Coup' dat handelt over de verkiezing van een zeer linkse Labour premier en de pogingen van het establishment om hem onderuit te halen. Van dit boek is overigens ook een serie gemaakt, dus Clark en Mullin lijken in meerdere opzichten op elkaar.

Net als de 'diaries' van Alan Clark heb ik de 'diaries' van Chris Mullin verslonden. Enige nadeel van 'diaries' is dat ze wat moeilijk te bespreken zijn op een blog zoals deze. Het blijft een beetje bij een warme aanbeveling: een verhaal ontbreekt uiteraard. Al is het geval van Mullin de opkomst en ondergang van New Labour wel een erg treffende rode draad. Ook het verloop van zijn eigen politieke carrière is duidelijk terug te lezen: van backbencher tot 'chairman of the select committee for Home Affairs' (soort vaste Kamercommissie) en uiteindelijk minister en vervolgens weer backbencher en tenslotte zijn afscheid als MP. Aardige aan deze laatste (maar in de tijd eerste) 'diaries' is, zoals Mullin zelf ook constateert in de inleiding, dat gebeurtenissen en keuzes die gemaakt worden op het moment heel anders worden beoordeeld dan 'in hindsight'. Zo stelt hij zelf al terecht dat de aandacht die op dat moment uitging naar het verbod op vossenjacht veel groter naar voren komt dan je nu zou denken. Ook zijn taxatie van een aantal beslisssingen van Blair (bijvoorbeeld over het moderniseren van 'Clause IV' van de beginselverklaring van Labour over de nationalisatie van bedrijven) was op dat moment compleet anders dan de geschiedenis heeft uitgewezen. Uiteindelijk was het een meesterzet van Blair om Labour weer 'electable' te krijgen terwijl Mullin het als het begin van het einde zag. Ook de enorme winst van Labour in 1997 zag Mullin niet aankomen, hij maakte zich zorgen dat ze net geen meerderheid zouden halen. Ten slotte valt op dat Mullin zich in die periode enorm druk maakte over de invloed van de Vrijmetselaars. Iets wat in zijn latere 'diaries' niet terugkomt en voor de lezer van nu, althans deze lezer, nogal bevreemdend overkomt.

Wat mij overigens het meeste opviel was een bepaalde verwevenheid tussen Alan Clark en Chris Mullin. Zo komt Alan Clark ook voor in de 'diaries' van Mullin. Dat is ook niet zo vreemd aangezien ze gedeelde periodes in de House of Commons kennen. De passage is wel aardig die Mullin er aan wijdt: 'Alan Clark has been selected - aged sixty-eight - to fight Chelsea in place of Nick Scott. I can't for the life of me understand why he wants to come back. By the time I'm sixty-eight I shall be long gone. He's got everything - a lovely wife, a castle, 17.000 acres in Scotland. He could have fun just managing his assets. What's more, he has made a far greater impact on the world since he left Parliament (via zijn 'diaries' - FdL) than he ever did when was here. I suppose he just wants material for another volume of diaries (klopt, 'The Last Diaries' - FdL)'. Maar ook worden ze verenigd in hun afkeer van 'yobs'. Een typisch Brits woord voor straattuig dat veel groteskere vormen aannam in het Verenigd Koninkrijk dan ooit in Nederland zo is geweest en daarom misschien ook niet zo voorstelbaar: hele delen van steden die compleet en permanent geterroriseerd worden. Nu was Mullin MP voor Sunderland in het noorden van Engeland en daar zij die problemen groot. Clark was een echte 'country squire' maar kwam dit probleem, in alle eerlijkheid wel in veel mindere mate, ook tegen: 'We are menaced, almost, as the law is structured; at the mercy of the rabble, and their yob nominees. Vandalism, road rage, casual larceny. There is a huge tide of scum rising, motivated by vulgar preference, schadenfreude, envy and class loathing. There is nothing we can do as they and their modish sympathisers have monopoly control over the legal process. But we are the counter-revolutionaries (...). And we must be patient, and prepared for when our day may come, and by the action we then take we will stand to earn the gratitude of all our people' (16 mei 1999, 'The Last Diaries', Alan Clark). Chris Mullin is korter en minder hoogdravend maar het sentiment lijkt toch hetzelfde: 'Yob culture is engulfing us and everyone is powerless. The yobs know it and they are without fear. They are winning. Where will it end? Floggings, kneecappings, death squads...' (16 juni 1995, 'A Walk-On Part', Chris Mullin). Ook daarin worden zij verbonden.

Wanneer je ook maar enige interesse hebt in politiek in het algemeen en de Britse politiek in het bijzonder dan kun je niet om de 'diaries' van zowel Alan Clark als Chris Mullin heen!

zaterdag 3 december 2011

Concert 2 december 2011: Russische herfst in Rotterdam


Beethoven: Concert voor Piano en Orkest Nr. 2
Shostakovich: Symfonie Nr. 4

Martin Helmchen, piano
Sir Mark Elder, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Met de vierde symfonie van Shostakovich (of in de vernederlandsing Sjostakovitsj) eindigde de concertreeks 'Russische Herfst' van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Vanaf oktober tot nu figureerden alle grote Russische componisten in De Doelen. Dit laatste concert uit de reeks, met het tweede pianoconcert van Beethoven als opwarmer, maakte toevallig onderdeel uit van mijn abonnement net zoals het eerste concert uit deze reeks dat ook deed. Een recensie van dat concert, met het eerste pianoconcert en de vierde symfonie van Tchaikovsky, is hier terug te lezen.

Bij voorbaat was ik zeer benieuwd naar dit concert vanwege het feit dat Sir Mark Elder op de bok zou staan. Elder is sinds 2000 chef-dirigent van het vermaarde, maar in verval geraakte, Hallé Orchestra. Het Hallé, gevestigd in Manchester, is één van de oudste orkesten ter wereld en opgericht door de pianist en dirigent Charles Hallé. Naast Hans Richter, die de première van Elgar's eerste symfonie verzorgde, is het Hallé vooral bekend geworden door het chef-dirigentschap van de in het Verenigd Koninkrijk zeer geliefde Sir John Barbirolli. Pas met de aanstelling van Elder is het Hallé bezig om in hoog tempo zijn oude luister te herstellen, geholpen door goede concertrecensies en een eigen muzieklabel. Op dat label zijn bekroonde opnames uitgegeven van het orkest onder leiding van Elder van Wagner's Götterdämmerung, maar vooral veel muziek van Britste componisten. Niet alleen vanwege zijn goede werk bij het Hallé was ik benieuwd naar Elder, maar ook vanwege de BBC-documentairereeks 'Symphony' van Simon Russell Beale over de geschiedenis van de symfonie, de meest nobele vorm van componeren. In deze reeks wordt de muziek verzorgd door een BBC-orkest onder leiding van Elder en geeft Elder toelichting op de gespeelde werken. Dit laatste kwam nog overwacht terug in het concert.

Maar eerst naar het programma voor de pauze: het tweede pianoconcert van Beethoven met achter de piano het jonge Duitse talent Martin Helmchen. In het tweede pianoconcert, dat terecht wordt aangemerkt als Mozartiaans maar met een duidelijke Beethovenklank, liet Helmchen duidelijk horen te beschikken over talent met lyrisch en vloeiend spel. Ondanks het vele gekuch in De Doelen, pijnlijk aanwezig tijdens de pauzeloze overgang van het tweede deel naar het slot van het pianoconcert, mocht Helmchen zich verheugen in een staande ovatie die hij beantwoorde met een pianosonate waarvan ik de herkomst niet thuis kon brengen. In dit alles werd hij zeer goed begeleid door Elder waarbij de balans tussen orkest en piano opvallend goed was.

De raison d'être van dit concert was uiteraard na de pauze te vinden met de vierde symfonie van Dmitri Shostakovich (1906-1975). Bij opkomst van Elder wendde hij zich, getooid met microfoon, tot het publiek. Even dacht ik dat hij iets zou zeggen over het gekuch, wat niet meer dan gerechtvaardigd zou zijn, maar hij begon, gelijk zijn rol in de BBC-documentaire 'Symphony', met een toelichting op het werk dat gespeeld zou worden. Hoewel hij zich verexcuseerde dat dit werk al vaker in Rotterdam was gespeeld en al vaker was toegelicht, wilde hij graag voor bezoekers die de symfonie nog niet eerder hadden gehoord, waaronder ikzelf, de bijzondere geschiedenis van het stuk toelichten. In een gepassioneerd verhaal gaf hij aan dat de zeer getalenteerde, en in de Sovjet-Unie woonachtige, Shostakovich in 1935 bezig was met het schrijven van zijn symfonie toen via de Pravda de vernietigende kritiek van Stalin werd gepubliceerd over de 'obscene modernismen' die de muziek binnenslopen en een halt moesten worden toegebracht. Dit mede naar aanleiding van Shostakovich' opera 'Lady Macbeth van Mtensk'. Dit leidde ertoe dat de, al aangekondigde, symfonie wel werd gespeeld tijdens een generale repetitie maar, uit angst voor maar al te voorstelbare represailles, voor het concert werd teruggetrokken door Shostakovich. Zoals Elder opmerkte zou deze symfonie wereldberoemd worden juist omdat niemand wist hoe deze klonk. Pas in 1961 zou de symfonie, door het wat meer coulante regime van Chroestsjov, in première gaan. Toendertijd betoogde Shostakovich dat de late première veroorzaakt was door onvrede van hem over de partituur, maar later is gebleken dat hij geen noot heeft gewijzigd. Hoewel Shostakovich na 1935 grote successen vierde als Sovjetcomponist leefde hij, gelijk zijn landgenoten, altijd in angst voor het midden in de nacht bonzen op de deur en daarmee het einde van je leven. Elder gaf treffend aan dat het niet voor niets was dat Shostakovich altijd bij de deur een koffer had staan met alle basisbenodigden voor het moment dat de klop op de deur daar zou zijn. Zijn latere werken volgende zogezegd de partijlijn, maar zaten vol met ironie en stille protesten. De enige middelen ter beschikking van een componist. Opvallend voor mij is het daarbij dat een aantal delen van de vierde symfonie bekend klonken van de vijfde symfonie. De symfonie bestaat uit slechts drie delen waarvan het eerste en laatste deel groot van omvang zijn en worden verbonden door een klein tussendeel dat doet denken aan een, in de woorden van Elder, verloren gewaand, scherzo van Mahler. Terecht dat Elder ook stelt dat de rest van de symfonie ook hoorbaar is beïnvloed door Mahler.

Na deze prachtige, en in de Nederlandse concertzalen, zeldzame inleiding werd een volstrekt overweldigdende en overtuigende uitvoering van de vierde symfonie neergezet. Niet voor niets werd er na het slot van het eerste deel al kort door een aantal mensen geapplaudiseerd. Met deze geweldige uitvoering kreeg Elder het ook voor elkaar dat het gekuch in De Doelen volstrekt verstomde. De symfonie eindigt in complete stilte. Een stilte die ook over de hele Doelen viel en intens werd meegeleefd. Wat volgde was een terechte en stormachtige staande ovatie. De Russische Herfst eindigde met een prachtig slotakkoord door de prachtige symbiose tussen Sir Mark Elder en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

zaterdag 12 november 2011

'Een nieuwer testament' van Hella S. Haasse


Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik tot dit boek nog nooit iets van Hella Haasse (1918-2011) had gelezen. Ook niet tijdens mijn middelbare schooltijd waar Mulisch et al wel vol in de aandacht stonden. Zoals zo vaak leidt het overlijden van een schrijver tot een run op diens boeken. Bij het overlijden van Hella Haasse op 29 september jl. was ik geen uitzondering op die trend en kocht ik het boek 'Een nieuwer testament'. Wellicht een vreemde keuze omdat Haasse vooral bekend staat om haar 'Indië'-romans zoals het overbekende Oeroeg. De keuze voor mijn Haasse-première was ingegeven door de uitspraak van Haasse zelf die 'Een nieuwer testament' haar lievelingsboek noemde. Een andere reden was de thematiek: de geloofsstrijd tussen de heidenen en door de staat gesanctioneerde Christenen in de nadagen van het (West-)Romeinse Rijk. Nadagen waarin Rome in 410 fataal was geplunderd door de Visigoten en het voormalige heidense geloof van het Rijk met wortel en tak werd uitgeroeid ten faveure van het Christendom.  Hoewel het nog tot 476 zou duren voordat het West-Romeinse Rijk defintief zou vallen, was het einde met deze inval onomkeerbaar ingezet. Een einde dat overigens niet voor het Oost-Romeinse Rijk, met als hoofdstad Constantinopel, gold: deze zou als Byzantijns Rijk nog tot 1453 voortduren waarna Constinopel viel en hernoemd werd tot Istanbul.

Het boek, in slechts drie hoofdstukken verdeeld, handelt over een proces tegen heidense Romeinen in Rome op 5 en 6 juli 417. De hooggeplaatste Marcus Anicius Rufus, zijn vrouw en vier vrienden worden ervan beschuldigd heidense rituelen te hebben beoefend in tegenspraak met het geloof van het Rijk: het Christendom. De magistraat die de zaak behandelt, Hadrianus, wordt in de loop van de zaak geconfronteerd met een zwerver betrokken bij deze zaak: Niliacus. Niliacus is niemand minder dan de (werkelijk bestaande) Claudius Claudianus die hij tien jaar daarvoor heeft verbannen en in een verder verleden in relatie tot elkaar stonden als bijna vader en zoon. Dit leidt tot een aantal herinneringen waarbij het verleden van Hadrianus en Claudius Claudianus almaar duidelijker wordt. Beide zijn geen waarlijke Romeinen, maar Egyptenaren die zich in de Romeinse maatschappij hebben genesteld zonder ooit volledig geaccepteerd te zijn. De carrière van Hadrianus is tot het proces voorspoedig verlopen: een waardig onderdeel van het Romeinse establishment. Claudius Claudianus' carrière als dichter kwam tot een hoogtepunt onder, de nog zittende, keizer Honorius en diens voogd en feitelijke machthebber, de semi-barbaarse (!), Stilicho. In die periode werden zijn gedichten hoog aangeslagen wat zelfs leidde tot een standbeeld.  De verwijdering tussen Stilicho en zijn pupil leidt uiteindelijk tot de kiem van de verbanning van Claudius Claudianus terwijl Stilicho uiteindelijk ter dood veroordeeld wordt door Honorius. Uiteindelijk worden Rufus c.s. veroordeeld even zoals Niliacus/Claudius Claudianus. Hadrianus beslist hem echter te pardonneren en in een laatste gesprek vertelt hij Claudius de waarheid: hij is niet als slaaf naar Rome gekomen, zijn eigenaar (tevens zijn grootvader, zonder dat Claudius hiervan wist) heeft hem in zijn testament vrijheid geschonken. Daarop schrijft Claudius een testament gericht aan zijn grootvader die hij als zijn vader beschouwt en pleegt vervolgens zelfmoord. Het boek eindigt met de schijnbare val van Hadrianus wiens besluit om Claudius te pardonneren hem fataal wordt.

Bovenstaande is een poging om het verhaal bondig samen te vatten, maar doet het boek geen recht. Het boek laat zich niet zo makkelijk samenvatten en Haasse zelf, in haar argumentatie om aan te geven waarom zij dit haar beste boek achtte, geeft dit goed weer: 'Een nieuwer testament, waar ik van 1962 tot 1966 aan gewerkt heb, is mijn tot nu toe misschien meest ambitieuze poging tot het uitbeelden van een ingewikkelde samenhang (...) Ik vind dat het beste boek dat ik geschreven heb, omdat het in beknopt bestek ontzettend veel mededelingen geeft. Je kunt het boek niet navertellen, dat wordt een hopeloze kluwen. Dit is typische een boek dat je lezen moet.' Daarbij komt overigens dat het boek prachtig geschreven is, een handelsmerk van Haasse. Ondanks dat het boek een kleine hondervijftig pagina's telt, is het geen makkelijk boek, mede ook door de wisselende perspectieven: hoofdstuk 1 en 3 worden verteld vanuit de alwetende verteller terwijl hoofdstuk wordt verteld door Claudius en meer inzicht geeft in zijn verleden. Het toenmalige Algemeen Handelsblad schreef in een recensie 'haar schildering van Rome is zo voortreffelijk dat men ondanks de grote tijdsafstand het gevoel krijgt er zelf in rond te lopen'. Ik kan dit onderschrijven, maar ook die recensie is tijdsgebonden aan de periode waarin het boek uitkwam: de zestiger jaren. Huidige generatie lezers zullen, net als ik, wel eens moeite hebben om het boek tot in de finesses te volgen. Maar een goedgeluimde poging om het boek te doorgronden, maakt het boek, met het lezen van de laatste blazijde en daarmee begrip voor het hele verhaal, meer dan de moeite waard.

woensdag 9 november 2011

Concert 8 november 2011: Duits-Oostenrijkse pracht in het Concertgebouw


Brahms: Piano Concert Nr. 1
Bruckner: Symfonie Nr. 3 (versie 1877)

Lars Vogt, piano
Marc Albrecht, Nederlands Philharmonisch Orkest
Concertgebouw, Amsterdam

Het land van de Aldi en de Lidl weet ook op het gebied van dirigenten zorg te dragen voor een goede prijs/kwaliteit-verhouding. Met het aantreden van de Duitse dirigent Marc Albrecht bij De Nederlandse Opera werd deze tevens dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest (NedPhO) en het Nederlands Kamerorkest. Dat is overigens niet zo vreemd aangezien het NedPhO vaak optreedt als begeleidend orkest van De Nederlandse Opera (DNO). Sinds zijn spectaculaire vertolking van Die Frau Ohne Schatten bij DNO is Albrecht een grote belofte. Een belofte die hij met zijn eerste optreden als nieuwe DNO-chef met een verpletterende Elektra waarmaakte. Deze Strauss-opera heb ik, in tegenstelling tot Die Frau, wel bijgewoond, dus is er geen sprake van 'hear say'. De recensie lees je hier. Het symfonisch repertoire moest er natuurlijk ook van komen en gisteren was het zover: een uitvoering van het eerste pianoconcert van Johannes Brahms (1833-1897) en de derde symfonie van Anton Bruckner (1824-1896).

Met veel plezier trok ik gisteren wederom naar Amsterdam om, op de dag dat ik 31 werd, plaats te nemen in de Grote Zaal van het Concertgebouw klaar voor een avond van Duits-Oostenrijkse pracht. En ik werd zeker niet teleurgesteld. Vanaf de eerste noot van het pianoconcert van Brahms was duidelijk dat Albrecht een zeer energieke en 'begeisterde' dirigent is die zijn energie op het orkest over weet te brengen. Daarbij houdt Albrecht overigens wel van een flink tempo. Zowel het pianoconcert als de derde symfonie van Bruckner werd in een steviger tempo genomen dan normaal. Hierover later meer.

Het eerste pianoconcert van Brahms hebben we te danken aan de vriendschap van Brahms met Clara en Robert Schumann die hem stimuleerden om, naast kamermuziek, pianomuziek en liederen, ook orkestmuziek te componeren. We mogen het echtpaar Schumann dankbaar zijn, want de twee pianoconcerten van Brahms zijn hoogtepunten uit het symfonische repertoire. Het tweede pianoconcert hoorde ik vorig seizoen al bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest met achter de piano Emanuel Ax. De recensie vind je hier. Voor het eerste, in eerste instantie niet goed ontvangen, pianoconcert van Brahms zat de Duitse pianist Lars Vogt achter de piano. Blijkens de programmatoelichting is Vogt dit seizoen 'artist-in-residence' bij het NedPhO en dat was te merken. Er was een duidelijke connectie tussen dirigent, solist en orkest wat zorgde voor een prachtige energieke uitvoering die de zaal positief stemde.

Na de pauze was het de beurt aan Albrecht alleen met de derde symfonie van Bruckner, overigens één van mijn favoriete Bruckner-symfonieën. Sowieso staat Bruckner, naast Mahler, zeer hoog bij mij aangeschreven. Hoewel de composities van Bruckner, wiens oeuvre (gelijk Mahler!) vrijwel alleen uit symfonieën bestaat, nog wel eens last hebben van 'ongemakkelijke' overgangen is er sprake van zo'n rijke klankkleur dat gesproken mag worden van kathedralen van muziek. Daarbij is ook duidelijk te horen dat Bruckner tevens organist was: ondanks de enorme aantallen orkestleden wordt er vaak unisono gespeeld wat doet denken aan een orgel. Het effect is niet mis te verstaan. Wat bij Bruckner overigens ook altijd gemeld moet worden is dat hij, nog veel meer dan Brahms, vreselijk onzeker was en elke kritiek zich erg aantrok wat vaak leidde tot (ingrijpende) herzieningen van zijn symfonieën. De bekende Weense criticus Eduard Hanslick was zijn voornaamste kwelgeest. Dit heeft ertoe geleid dat van een groot aantal van Bruckner's symfonieën diverse versies in omloop zijn. Daarbij zijn er twee samenstellers die de toon zetten: Nowak en Haas. De grote Bruckner-dirigenten hebben allemaal hun eigen voorkeur. Daarbij heeft de (overleden) dirigent George Tintner er zelfs een sport van gemaakt om voor Naxo met het Ireland National Symphony alle oerversies op cd te zetten. Albrecht koos voor de oerversie van de derde: die uit 1877. Deze versie was volgens Mahler de enige goede versie en schijnt de versie te zijn waarbij zeker vast te stellen is dat Bruckner achter alle noten stond. De derde symfonie van Bruckner is overigens opgedragen aan Bruckner's idool: Richard Wagner. Bruckner toog naar Bayreuth om de Meester de partituren van de afgeronde tweede symfonie en de incomplete versie van de derde symfonie te tonen met de vraag welke Wagner aan zichzelf wenste opgedragen te zien. Het werd de derde. De versie voor de 1877-versie, die nooit in première is gegaan, bevatte allerhande citaten van Wagner's werk, maar die zijn uiteindelijk allemaal verwijderd. Dit gegeven en het opdragen van de symfonie aan Wagner hebben ertoe geleid dat ook vaak wordt gesproken over de 'Wagner-symfonie'.

Zoals eerder gezegd is Albrecht een energieke dirigent. Heel anders dan zijn voorganger bij het NedPhO, de afgelopen jaar vroeggestorven Yakov Kreizberg die met militaire precisie zijn orkest leidde. Naast de hoge energie houdt Albrecht van een flink tempo. Met name bij de derde van Bruckner was sprake van een fors tempo dat afwijkt van de normale uitvoeringen. Grote voordeel hiervan is dat de spanningsboog van de symfonie fors toeneemt en je op het puntje van je stoel laat zitten. Bruckner-symfonieën kun je nu eenmaal in veel snelheden spelen. Albrecht lijkt daarbij Haitink te volgen in zijn eerste Philips studio-opname  met het Concertgebouworkest van de achtste symfonie van Bruckner: ongekend snel, maar toch erg goed. Nadeel is wel dat zowel bij de achtste van Haitink en nu de derde van Albrecht 'verrommeling' op de loer ligt. Uiteindelijk ging het zonder al te veel ongelukken gepaard, maar moesten bijvoorbeeld de strijkers alle zeilen bij zetten om het geweld bij te houden. Een iets lager tempo was ook prima geweest en had wellicht het majestueuze karakter van deze symfonie meer onderstreept. Op dit punt van kritiek na was het een mooie avond en is het duidelijk dat Nederland met Marc Albrecht een erg goede dirigent rijker is.

zondag 6 november 2011

'Rebecca' van Daphne du Maurier


'Last night I dreamt I went to Manderley again' is de fameuze openingszin van 'Rebecca' van Daphne du Maurier (1907-1989). Het is een gothische roman, voor het eerst uitgegeven in 1938, verteld vanuit het perspectief van de naamloze Mrs. De Winter. Zij is de tweede vrouw van Maxime de Winter en vertelt van haar ontmoeting met Maxime, hun trouwen en verblijf op het voorvaderlijke landhuis van de De Winters: Manderley. Het verhaal van Mrs. De Winter wordt gedomineerd door een figuur die al overleden is, maar haar aanwezigheid is onontkoombaar: de formidabele eerste 'Mrs. De Winter': Rebecca.

Zoals vaker met (oudere) boeken heb ik 'Rebecca' gekocht na het zien van de filmversie door één van mijn favoriete regisseurs Alfred Hitchcock. 'Rebecca' is één van zijn vroege films en is uitgekomen in 1940: slechts twee jaar nadat het boek voor het eerst is uitgegeven. Dat is ook niet zo vreemd aangezien 'Rebecca' meteen een groot (verkoop)succes was. Gaandeweg de jaren is daar de communis opinio bijgekomen dat het één van Du Maurier's beste werken is. En dat is ook niet zo gek: 'Rebecca' is een knap geschreven gothische thriller in het schilder- doch spookachtige zuiden van Engeland (hoogstwaarschijnlijk Cornwall) met de mysterieuze aanwezigheid van de eerste 'Mrs. De Winter' wiens dood al snel in een ander daglicht komt te staan. Met knap geschreven bedoel ik overigens ook dat ondanks de hoge leeftijd van het boek, deze niet ouderwets aan doet. Zowel in schrijfstijl als in thematiek. Natuurlijk zijn er bepaalde elementen in de wijze van leven die wijzen op een periode uit een wat verder verleden, maar het verhaal zou net zo goed jaren later kunnen spelen dan nu het geval is.

Het verhaal begint met het (tweede) echtpaar De Winter dat zich gevestigd heeft in Europa en een voor de buitenwacht treurig voorspelbaar bestaan leidt in de betere Europese hotels. Al snel gaat de verteller, de eerste Mrs. De Winter, terug in de tijd: naar de eerste ontmoeting met Maxime in Monte Carlo waar zij als gezelschapsdame van een (typische) Amerikaanse welvarende vrouw, Mrs. Van Hopper, in hun hotel de bekende Maxime De Winter ontmoeten. Zijn bekendheid hangt vooral samen met zijn indrukwekkende voorvaderlijke landhuis, Manderley, en het gegeven dat zijn eerste vrouw een jaar daarvoor tragisch om het leven is gekomen door verdrinking. De vonk tussen de (veel jongere) toekomstige Mrs. De Winter, haar naam wordt nooit genoemd, maar wel wordt aangegeven dat haar naam vreemd is, en de middelbare Maxime slaat over. Ze trouwen ter plekke en Mrs. De Winter verlaat Mrs. Van Hopper om met Maxime intrek te nemen in Manderley. Eén van de thema's van het boek is dat de nieuwe Mrs. De Winter, door haar jonge leeftijd en betrekkelijk mindere afkomst, zich onzeker voelt. Het verblijf op Manderley maakt het niet beter: ze wordt daar continu geconfronteerd met de geest van Rebecca. Het wordt niet nagelaten door deze en gene, maar vooral door de huishoudster - de diabolische Mrs. Danvers - tevens hartsvriendin van Rebecca, om dit flink te benadrukken. De twijfel neemt alleen maar verder toe door de afstandelijkheid van Maxime van wie zij denkt dat hij nog steeds verliefd is op Rebecca.

Gaandeweg het verhaal wordt er steeds meer duidelijk over Rebecca en de omstandigheden van haar dood. Aangezien het verhaal behoorlijk bekend is, kan ik - zonder in details te treden - de hoofdlijnen prima verraden. Zeker in het licht dat dit boek geen detective is, maar juist een 'gotische' schets van een huwelijk dat overvleugeld wordt door de geest van de eerste 'Mrs. De Winter'. De afstandelijkheid van Maxime komt niet voort uit liefde voor zijn eerste vrouw, maar de haat die hij koestert tegen haar en het geheim dat hij meetorst: hij heeft haar vermoord. Met deze wetenschap lijkt Mrs. De Winter haar nieuwe huwelijksleven toch prettig in te kunnen gaan, zonder overigens dus een oordeel te vellen over de daad van haar man, ware het niet dat Rebecca toch nog roet in het eten gooit. Tijdens een schipbreuk, Manderley ligt aan de ruige Zuid-Engelse kust, wordt het zeilschip van Rebecca gevonden met haar lijk in de cabine. Dit terwijl Maxime enkele weken na haar dood een ander gevonden lichaam had geïdentificeerd als zijn vrouw. Dit leidt tot een onderzoek dat Maxime in eerste instantie vrijpleit en de dood van Rebecca toeschrijft aan zelfmoord (door zichzelf op te sluiten in haar zeilboot en deze te laten zinken), maar een latere tussenkomst van de neef (en minnaar!) van Rebecca, Jack Favell, leidt tot een verdachtmaking van Maxime. Uiteindelijk lost het zichzelf op doordat duidelijk wordt dat op de laatste dag van haar leven Rebecca bij een dokter op bezoek was die haar moest melden dat ze nog maar enkele weken of maanden te leven had. Zo wordt het oordeel van zelfmoord bevestigd en lijkt het erop of Mr. en Mrs. De Winter eindelijk kunnen starten aan een gelukkig huwelijk. Bij terugkeer, midden in de nacht, naar Manderley lijkt de morgenstond al vroeg gekomen te zijn. In werkelijkheid staat, door tussenkomt van Favell en Mrs. Danvers, Manderley in lichterlaaie: 'But the sky on the horizon was not dark at all. It was shot with crimson, like a splash of blood. And the ashes blew towards us with the salt wind from the sea'.

zondag 30 oktober 2011

Concert 28 oktober 2011: Mozart en Schubert in Zweedse uitbundigheid


Mozart: Symfonie Nr. 39
Schubert: Symfonie Nr. 9

Herbert Blomstedt, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Met twee (over)bekende symfonieën van Mozart en Schubert begon vrijdag de E-serie 'De grote maestro's' van het Koninklijk Concertegebouworkest. Met het komende seizoen dirigenten als o.a. Bernard Haitink, Kurt Masur, Nikolaus Harnoncourt en de eigen chef-dirigent Mariss Jansons in deze serie zegt het KCO met deze betiteling geen woord te veel. De serie werd afgetrapt door de Zweedse dirigent Herbert Blomstedt die met een, op het eerste gezicht, nogal gewoon programma op de bok stond: de 39e symfonie van Mozart gevolgd door de 'Grote Symfonie' (9e) van Schubert.

De symfonieën van Mozart, en dan met name de latere, zijn prachtige werken, maar vaak bekruipt mij het gevoel dat, mede vanwege de prettige lengte, ze uitstekend geacht worden om het 'programma voor de pauze' op te vullen. Deze symfonie had ik al eens eerder uitgevoerd gehoord door het KCO met Haitink op de bok. Na de pauze kwamen toen de echte 'showstoppers': La Mer van Debussy en de zevende symfonie van Beethoven. En het gebeurt dus heel vaak. Speel je de eerste symfonie van Mahler? Niets fijner dan voor de pauze één van de 41 symfonieën van Mozart programmeren. Van alle symfonieën van Mozart heb ik nog het meest met diens 40e. De uitvoering van de 39e door Blomstedt was voorbeeldig en ouderwets gloedvol. Ondanks de kleinere bezetting voor de pauze is Blomstedt nog gewoon van de traditionele school die Mozart spontaan, gloedvol en uitbundig wil laten klinken. Opvallend was overigens daarbij dat Blomstedt er voor koos om niet op de normale verhoging te staan, maar gelijkvoers met het orkest te dirigeren. Gezien de beperkte bezetting niet meer dan begrijpelijk. Na de pauze was de bekende verhoging overigens gewoon weer present.

Na de pauze was het de beurt aan het orkestrale magnum opus van Schubert: de Negende symfonie. Bij de nummering van Schubert's symfonieën is er overigens altijd wat onduidelijkheid. Zijn zevende symfonie is nooit georkestreerd maar dus wel genummerd. Tevens is de achtste symfonie onvoltooid gebleven terwijl de negende wel volledig gecomponeerd is na de achtste. Schubert's negende is by far zijn langste, maar ook meest melodieuze symfonie. De finale is energiek terwijl in de andere delen tussendoor prachtige kleinschalige muziek is te horen. Blomstedt staat bekend om zijn uitvoeringen van Duits-Oostenrijkse componisten en Schubert is daar een goed voorbeeld van. Blomstedt staat te genieten op de bok en zweept het orkest met zijn enthousiasme op een energieke, gloedvolle en prachtige uitvoering neer te zetten. Dat Blomstedt zoveel plezier heeft in het dirigeren wordt ook duidelijk is zijn omgang met zijn geloof. Blomstedt is lid van het Kerkgenootschap van de Zevende-Dags Adventisten een religieuze stroming die de sabbat plaatst op de zaterdag waardoor Blomstedt op vrijdagavonden en zaterdagen niet repeteert. Het dirigeren van een concert ziet hij niet als werk dus is geoorloofd. En dat was vrijdag dus te zien: zijn enthousiasme was aanstekelijk en werd duidelijk bij het enthousiaste applaus van het publiek dat terecht zijn deel was. De inmiddels 84-jarige Blomstedt trekt zich niets van zijn leeftijd aan: waar Haitink inmiddels de beroemde trap van het Concertgebouw laat voor wat het is, dribbelt Blomstedt nog vrolijk heen en weer.

De E-serie is dus, ondanks het weinig verrassende programma, erg goed begonnen. De komende maanden staan Jansons, Haitink en Masur op het programma. Tegenvallers lijken bij voorbaat uitgesloten.

maandag 24 oktober 2011

'Netherland' van Joseph O'Neill


Naar aanleiding van het feit dat het afgelopen 11 september precies tien jaar geleden was dat de Twin Towers vielen, het Pentagon werd aangevallen en een derde vliegtuig door moedig optreden van de passagiers vroegtijdig crashte, verschenen op diverse plekken lijsten van 'post-9/11'-boeken. Eén boek kwam telkens terug: 'Netherland' van Joseph O'Neill. De superlatieven zijn niet van de lucht bij dit boek en daar maakt de uitgever dankbaar gebruik van. Mijn exemplaar rept op de achterkant van 'A brilliant, haunting novel' (Daily Telegraph) tot aan 'An exquisitely written novel' (New Yorker). Hier houdt het niet op. De voorkant van mijn Britse exempaar (en niet bovenstaande foto van de blijkbaar Amerikaanse editie) is getooid met lof van de door mij hooggeachte presentator van BBC Newsnight Jeremy Paxman ('mesmerising') en zelfs de voormalige politieke messias van de VS Barack Obama ('A brilliant book') doet een duit in het zakje. Blijkbaar is het zijn van president van de V.S. ook een goede leerschool om boekrecensent te zijn.

Het zal naar aanleiding van bovenstaande tekst al een beetje duidelijk zijn: de lof die dit boek wordt toegezwaaid is niet aan mij besteed. Ik begon met hoge verwachtingen aan dit boek, maar ondanks de beweringen van diverse recensenten die het boek in slechts een paar halen uitlazen, moest ik mezelf menigmaal er toe zetten om het boek verder te lezen. Ik geef meteen toe: het is goed geschreven, bij tijd en wijle grappig en ook nog eens met een Nederlander in New York, Hans van den Broek, in de hoofdrol met allerhande verwijzigingen naar mijn woonplaats Den Haag. En toch: het kon me allemaal weinig bekoren.

Het boek is een odyssee van Hans van den Broek in het New York na de dramatische gebeurtenissen van 9/11 waar herinneringen en verschillende verhaallijnen door elkaar lopen. Eén verhaallijn is zijn relatie met de Britse Rachel, met wie hij een zoon heeft, die langzamerhand op de klippen loopt. Een andere verhaallijn, die juist onderwerp was van veel lof, is zijn onverwachte vriendschap met Chuck Ramkissoon die probeert een New Yorkse cricketclub op te zetten die moet leiden tot een enorme impuls van het nobele spel in New York. Hans van den Broek, zelf cricketer, is gefascineerd en gaat met Chuck mee in zijn dromen. Het contact verwatert uiteindelijk en eindigt met de vondst in een rivier van een vermoorde Chuck. Het boek start overigens vrijwel meteen met deze gebeurtenis, dus ik verklap niets. Het boek lijkt daarmee verschillende genres te willen koppelen: een verhaal van liefde, een eerbeton aan cricket en een moordmysterie (aldus de Sunday Telegraph). Ik vond het allemaal wat verwarrend en vroeg me aan het einde van het boek af: wat is de 'pointe' nu eigenlijk? Misschien zijn de hoge verwachtingen het boek fataal geworden of is het gewoon mijn soort boek niet. Probeert het boek vooral eens, misschien kan iemand mij toelichten welk geweldige boek ik niet las dat anderen wel lazen.

maandag 17 oktober 2011

Concert 15 oktober 2011: Ongecompliceerd Tchaikovsky in Rotterdam


Tchaikovsky: Pianoconcert Nr. 1 en Symfonie Nr. 4

Denis Matsuev
Jukka-Pekka Saraste, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Mijn abonnement bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest begon afgelopen zaterdag Rotterdam-waardig: een ongecompliceerde uitvoering van twee werken van Tchaikovsky maakten duidelijk dat het motto van Rotterdam 'Geen woorden, maar daden!' luid en duidelijk over was gekomen bij dirigent en soloist. Eén van de meeste bekende pianoconcerten gevolgd door een iets minder bekende symfonie van de Russische componist Tchaikovsky (1840-1893) vormden het programma. Duidelijk was dat de Finse dirigent Jukka-Pekka Saraste en zijn Russiche pianist Denis Matsuev er zin in hadden: er werd flink uitgepakt. Dit was geen uitvoering voor mensen met gevoelige oren. Overigens leek het erop of de heren ook vantevoren afgesproken hadden wat ze zouden dragen. Zowel Saraste als Matsuev gingen gekleed in een pak die zo bij Dr. No uit de garderobe leek weg te komen. Een pak dat schijnbaar populair is onder dirigenten, maar waar ik me altijd van afvraag waar je zoiets in hemelsnaam koopt. Alleen musici en Dr. No lijken het antwoord te weten.

Voor de pauze was het de beurt aan één van de bekendste pianoconcerten. Een pianoconcert dat na de eerste noten nog wel eens verward wordt met dat andere bekende pianoconcert van Grieg en vice versa. Wat volgde was een uitermate stevige uitvoering waarbij Matsuev er flink op los ramde. Tegen het einde ging hij zo in de muziek op dat dit leidde tot een uithaal van zijn lichaam die nog het meeste weg had van een orka die zich ontrekt aan het zeeoppervlak. Misschien is het allemaal niet even gracieus, maar stiekem is het toch wel even genieten als de remmen er even vanaf gaan. Ondanks dat de zaal slechts voor drievijfde was gevuld volgde een vurig applaus dat werd beantwoord met een toegift. Een toegift dat ik niet kon thuisbrengen, maar klonk als een muziekmobiel boven een kinderbed. Het leek er vooral op dat het stuk door Matsuev was gekozen om te laten zien dat hij ook teder en zacht kon spelen. Na het geweld ervoor toch een beetje een anticlimax. Matsuev werd overigens prachtig ondersteund door Saraste die eveneens stevig uitpakte met een Rotterdams Philharmonisch Orkest dat opvallend mooi en vol van klank was.

Na de pauze was het de beurt aan de vierde symfonie van Tchaikovksy. Deze symfonie is minder bekend dan de 5e en de 6e (de Pathéthique) en dat geldt ook voor mijzelf: ik hoorde de symofnie niet eerder, ook inet op cd. Ook voor deze symfonie, opgedragen aan de Tchaikovsky's weldoener Nadezhda von Meck, gold dat Saraste, net als voor de pauze, flinkt uitpakte. Dat is ook niet zo gek, want juist deze symfonie met zijn hoorngeschal en uberhaupt stevige inbreng van de blazers leent zich hier goed voor. Ook hier was het weer even ongecompliceerd genieten. Wellicht zou het soms wat genuanceerder kunnen, maar een componist als Tchaikovsky is stiekem wel gebaat bij een dergelijke aanpak. Opvallend ook hier was weer dat Saraste een prachtige klank uit de Rotterdammers kreeg.

Overigens werd de show gestolen door een jongentje van een jaar of zes die een paar rijen voor me zat. Van begin tot einde dirigeerde en speelde hij de piano mee. Vol overtuiging en ritmisch doch muisstil. Wellicht dat er over een dikke 20 jaar nog eens een blog aan hem wordt gewijd van een van zijn concerten!

donderdag 13 oktober 2011

Opera 12 oktober 2011: Elektra van Richard Strauss


R. Strauss: Elektra

Evelyn Herlitzius (Elektra)
Michaela Schuster (Klytämnestra)
Camille Nylund (Chrysothemis)
Gerd Grochowski (Orest)
Hubert Delamboye (Aegisth)

Toonkunstkoor Amsterdam
Marc Albrecht, Nederlands Philharmonisch Orkest
Het Muziektheater, Amsterdam

De Nederlandse Opera (DNO) had een vooruitziende blik toen het seizoen 2011/2012 werd geprogrammeerd: gelijk de politieke actualiteit is het Griekenland wat de klok slaat. Na de zeer geslaagde Gluck-dubbelslag met 'Iphigénie en Aulide' & 'Iphigénie en Tauride' komt DNO nu met een opera die letterlijk in dezelfde familie blijft: de Iphigénie van Gluck is een zus van de Elektra van Richard Strauss. Daarbij speelt het verhaal van Elektra tussen de beide Gluck-opera's die op zichzelf een scheiding van 20 jaar kennen. Hoewel de verhalen zich vormen tot een trilogie zijn de muzikale werelden van Gluck en Strauss compleet verschillend.

Elektra is, samen met Salome, een van mijn favoriete opera's. Het zal daarom ook niet verbazen dat de componist van beide opera's, Richard Strauss, meteen ook een van mijn favoriete operacomponisten is. Richard Strauss (1864-1949) wordt veelal aangeduid als de laatste vertolker van de Duitse Romantische muzikale traditie. Deze aanduiding wordt ook wel eens gebruikt voor zijn iets jongere tijdgenoot Erich Wolfgang Korngold die vooral bekend is, mede door zijn vlucht naar de V.S. vanwege de opkomst van de Nazi's, vanwege zijn Hollywood-muziek en in mindere mate zijn opera's. Met Elektra, Salome en Der Rosenkavalier heeft Richard Strauss echter een ferme plek binnen de geschiedenis van de opera verworven. En dat is meer dan terecht: zijn muziek is van een grote schoonheid. Na zijn twee eerste stappen op het operavlak, Guntram en Feuersnot, werd Strauss pas echt 'volwassen' met Salome en Elektra. Beide opera's zijn gebaseerd op toneelproducties door Max Reinhardt van respectievelijk Oscar Wilde's Salome en Elektra van Sophokles. Niet alleen worden beide opera's verbonden door hun dramatische inhoud, ook door de muziek die Strauss componeerde voor beide opera's zou er gesproken kunnen worden van een tweeluik. In beide opera's, maar met name in Elektra, zoekt Strauss de uitersten op van de toenmalige muzikale traditie: het modernisme was binnen bereik. Na deze opera's zou Strauss nooit meer zulke muziek componeren, hij leek terug te treden van de muzikale afgrond van de atonaliteit en legde zich op muziek van grootste meeslependheid en schoonheid zoals Der Rosenkavalier waarvan meteen hoorbaar is dat het ook een opera van Strauss is, maar in maar weinig lijkt op de twee directe voorgangers. 

Gezien de levenswandel van Richard Strauss is het overigens ook niet vreemd dat hij zo kon wijzigen van muzikale klankkleur. Wie denkt dat alle kunstenaars vervuld zijn met Weltschmerz hebben nog geen kennisgemaakt met Strauss. Waar Wagner op de revolutionaire barricades stond en Gustav Mahler gebukt leek te gaan onder het leven kon Strauss ongecompliceerd componeren om vervolgens te genieten van een heel gewoon leven in zijn huis in Garmisch en uiteraard van zijn eigen muziek. Een huis bekostigd door de opbrengsten van Salome. Ook de opkomst van Hitler had weinig effect op hem, hij werd, apolitiek als hij ook was, maar niet naïef, president van de Reichs Kulturkamer. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog raakte hij enigszins in ongenade, maar hij bleef voor de machthebbers van het Derde Rijk een van de grootste symbolen van de Duitse (muzikale) cultuur. Dit bleef wel aan hem kleven na het einde van de oorlog, maar al bij de eerste ontmoeting met Amerikaanse soldaten die zijn huis innamen, nam hij ze met zijn goedmoedige karakter in. Hij eindigde zijn leven, na een paar jaar ballingschap in Zwitserland, samen met zijn vrouw in hun huis in Garmisch. Alle muziek van Strauss kenmerkt zich door de prominente rol van het orkest. Strauss maakt veelvuldig gebruik van enorme orkesten, denk aan Eine Alpensinfonie, en bij Elektra is het niet anders. Naast Elektra is de hoofdrol evenzo weggelegd voor het orkest.

Elektra handelt over Elektra die vanwege de moord op haar vader Agamemnon, door haar moeder Klytämnestra en haar minnaar Aegisth, alleen nog maar zint op wraak. De opera begint met een indrukwekkende muzikale vertaling van de naam van haar vader: Agamemnon. De fototrailer van DNO voor Elektra geeft deze, en de prachtige sobere enscenering, weer:


Elektra probeert haar zus Chrysothemis te overtuigen om te helpen bij het vermoorden van de moordenaars van hun vader, maar die weigert. Wanneer twee boodschappers melden dat hun gezamenlijke broer, en tegelijkertijd de enige hoop op redding, Orest (Orestes) is omgekomen, lijkt het uitzichtloos voor Elektra. Al snel blijkt dat een van de boodschappers Orest zelf is en dat het een list is om dichtbij Klytämnestra en haar minnaar te komen om hun te vermoorden. Uiteindelijk herkennen broer en zus elkaar waarbij Orest een einde maakt aan het leven van Klytämnestra en Elektra haar broer help om Aegisth in de val te lokken. Met beide moordenaars van hun vader dood vervalt Elektra, ontdaan van haar heilige doel, in een extatische dans waarna ze dood neervalt.

De uitvoering van DNO is weergaloos en markeerde tegelijkertijd het debuut van Marc Albrecht als de nieuwe DNO-chef (gecombineerd met zijn chef-dirigentschap van het Nederlands Philharmonisch Orkest). Albrecht is geen onbekende voor DNO: enkele jaren geleden zette hij, naar verluidt, een prachtige Die Frau ohne Schatten van eveneens Strauss neer. Ook nu zette hij de orkestrale klank van Elektra zo krachtig en mooi weer dat je op veel momenten de andere 'hits' van Strauss, waaronder Salome en Eine Alpensinfonie, meende te horen. Naast het orkest was de andere grote ster Evelyn Herlitzius die onafgebroken op het toneel de sterren van de hemel zong. Ook de Klytämnestra van Michaela Schuster, de enige atonale muziek in de opera, is het vermelden meer dan waard. De al eerder gebruikte strakke doch sobere enscenering in de regie van Willy Decker was zeer toepasselijk. Enige bevreemdende was dat aan het einde van de opera Elektra aan haar extatische dans begint om uiteindelijk dood neer te vallen in de wetenschap dat ze haar doel heeft bereikt. In de regie van deze Elektra danst ze met Orest, die normaliter dan niet meer op het toneel staat maar zijn nieuwe onderdanen begroet, waarna ze de hand van Orest pakt en met diens mes zichzelf doodsteekt. Orest bestijgt daarna de trap naar zijn lot: het koningschap van Mycene terwijl zijn zus Chrysomethis hem naroept, normaliter juist om hem te berichten dat zijn zus is gestorven. Deze keuze begreep ik niet helemaal. Het maakt het allemaal wel een stuk dramatischer en geeft weer wat normaal in de coulissen afspeelt. Na deze kanttekening kan alleen maar geconcludeerd worden dat het samenspel van muziek, solisten, dirigent, enscenering zorgde voor een prachtige avond waarbij de verleiding bijna ontstaat om de komende tijd nog een kaartje te kopen voor een van de volgende uitvoeringen. Zeker in de wetenschap dat bij de latere uitvoeringen de rollen van Elektra en Chrysothemis door andere solisten worden vertolkt: respectievelijk Linda Watson en Ricarda Merbeth.

zondag 2 oktober 2011

'De Vreemdeling' van Albert Camus

De eerste en tot nu laatste keer dat ik een boek van Albert Camus las, was (zoals zovelen) op de middelbare school voor Frans: 'La Chute' (De Val). Van dat boek kan ik me weinig herinneren behalve dat ik het gelezen heb, dus enige indruk heeft het wel op gemaakt in de lawine van boeken die ik toen las aangezien ik alle talen in mijn eindexamenpakket had. 'De Vreemdeling' kreeg ik voor mijn afstuderen en heeft dus 6 jaar ongelezen in de boekenkast gestaan. Nu is het er dan toch van gekomen en een helemaal soepele bevalling, ondanks dat het boek 'slechts' 125 pagina's telt, was het niet.

'De Vreemdeling' handelt, vanuit het ik-perspectief, over Meursault die woont in de toen nog Franse kolonie Algerije. Het boek begint met de mededeling dat zijn moeder is overleden. Een moeder die al een tijd in een gesticht verblijft omdat Meursault niet meer de mogelijkheid en de financiële middelen had om verder voor haar te zorgen. Hij woont nog steeds in hun gezamenlijke appartement en maakt voor het laatst de reis naar het gesticht om daar afscheid te nemen. Een afscheid waarbij Meursault onbewogen is wat leidt tot bevreemdende reacties van de mensen werkzaam en betrokken bij het gesticht. Na het afscheid van zijn moeder krijgt hij een relatie met Marie en raakt hij bevriend met buurman Raymond. Geen hele frisse vent. In de prachtige vertaling is hij een 'souteneur' wat we nu gewoon een pooier noemen. Raymond heeft ruzie met zijn vriendin en overtuigt Meursault om voor hem een brief te schrijven om haar langs te laten komen. Dit gebeurt maar leidt tot fysiek geweld tussen Raymond en zijn vriendin waarop de politie moet ingrijpen. Door een voor Raymond gunstige getuigenverklaring van Meursault ontloopt hij een aanklacht. Daarmee zijn de problemen voor Raymond echter niet voorbij: de broer van zijn vriendin zint op wraak waardoor Raymond continu op zijn hoede is. Dit leidt tot de climax van het boek waar Raymond, Meursault en Marie naar het strand gaan en waar ze oog in oog komen met de bewuste broer. Dit leidt tot een schermutseling en iedereen gaat weer op zijn weg. Meursault, in het bezit van het pistool van Raymond, besluit door het warme weer weer terug te gaan naar de plek van de schermutseling omdat daar een koeltebron is, maar komt daar wederom de broer tegen die een mes trekt, maar kansloos is tegen het pistool van Meursault. Vanaf dat moment vindt het boek plaats in de gevangenis en rechtszaal. Uiteindelijk wordt Meursault veroordeeld voor de moord, maar impliciet ook voor de ongevoelige wijze waarop hij afscheid van zijn moeder nam. Na een tirade gericht aan de aalmoezenier die hem bijstaat voorafgaand aan zijn onthoofding eindigt het boek.

Zoals aangegeven vond ik het lezen van het boek geen soepele bevalling. Dat heeft vooral te maken met het gegeven dat het handelen van Meursault voor zijn omgeving bevreemdend werkt. Dat kom je ook tegen in de schrijfstijl: continu voel je je als lezer los staan van het verhaal. Titel  ('De Vreemdeling') en doel (de bevreemding van een wereld die geen rede of doel heeft) worden zo erg goed door Camus, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, overgebracht. Hoog tijd om 'De Val' te herlezen en de Camus-klassieker 'De Pest' voor het eerst open te slaan om te bezien of deze bevreemding wordt doorgezet.

vrijdag 23 september 2011

Opera 22 september 2011: De Gluck-dubbelslag van De Nederlandse Opera


Het culturele seizoen is weer losgebarsten en De Nederlandse Opera besloot deze met een knaller te openen door twee opera's van Christoph Willibald Gluck (1714-1787) in één uitvoering te programmeren: 'Iphigénie en Aulide' & 'Iphigénie en Tauride'. Het grote geluk van Gluck is dat zijn opera's meestal zo rond de 2 uur duren wat een combinatie ook daadwerkelijk mogelijk maakt. Aardige hierbij is ook dat de opera's allebei handelen over een figuur uit de Griekse mythologie, Iphigénie, maar dat tussen beide verhalen vijftien jaar zit. Met het verwezenlijken van deze culturele double whammy heeft De Nederlandse Opera alles uit de kast gehaald. Niet alleen stond erkend specialist van dit repertoire Marc Minkowski met zijn orkest 'Les Musiciens du Louvre. Grenoble' op de bok, maar waren ook tal van topsolisten waaronder Anne Sofie von Otter bereid gevonden mee te doen aan deze productie. En 'to top it all off' tekende artisitiek directeur Pierre Audi voor de regie. Gevolg? Een prachtige uitvoering in een aansprekende (moderne!) enscenering die mij een geweldige avond hebben bezorgd. Onderstaande DNO-video met fragmenten van beide opera's geeft, naast bovenstaande foto, een beetje een beeld van deze topproductie:



Gluck: Iphigénie en Aulide

Véronique Gens (Iphigénie)
Nicolas Testé (Agamemnon)
Anne Sofie von Otter (Clytemnestre)
Frédéric Antoun (Achille)
Martijn Cornet (Partrocle)
Christian Helmer (Calchas)
Laurent Alvaro (Arcos)
Salomé Heller (Diane)

Koor van De Nederlandse Opera
Marc Minkowski, Les Musiciens du Louvre.Grenoble
Het Muziektheater, Amsterdam

'Iphigénie en Aulide' speelt zich af in de Griekse havenstad Aulis (vandaar de titel: Iphigenia in Aulis) waar de Griekse vloot klaar ligt om uit te varen tegen Troje. Voor kenners van de Griekse mythologie, hoe oppervlakkig ook, zal het allemaal zeer bekend voorkomen. De vloot staat onder leiding van koning van Mycene Agamemnon die heerst over grote delen van Griekenland en aan wie vele koningen onderworpen zijn. Hij staat klaar om het tegen de Trojanen op te nemen, maar er heerst complete windstilte. Om de Goden gunstig te stemmen en daarmee de windstilte te laten eindigen moet Agamemnon zijn eigen dochter offeren. Zij is onder het voorwendsel van haar huwelijk met Achille (Achilles - bekend van de hiel) naar Aulis gekomen. Haar vader, niet de meest synmpathieke Griekse koning, probeert dit te voorkomen door zijn vrouw Clytemnestre het bericht te sturen dat Achille haar bedriegt waardoor Iphigénie rechtsomkeert maakt. Dit gebeurt niet en Iphigénie komt achter de waarheid, maar wil ondanks tegenwerpingen van haar toekomstige echtgenoot Achille, niet vluchten. Deze verwikkelingen leiden tot prachtig samenzag van de hele (disfunctionele) koninklijke familie van Mycene. Op het allerlaatste moment arriveert de Godin Diane (Diana) als een deus ex machina en meldt dat de edelmoedigheid van het gedroomde offer de Goden gunstig heeft gestemd waardoor alles goed afloopt.

Hoewel het voorgaande dat wellicht niet helemaal overbrengt is het verhaal en de invulling meer dan interessant genoeg om de opera te dragen. In deze uitvoering werd het verhaal daarbij ook geholpen door de uitstekende solisten die met name in de ensembles schitterden en overigens ook goede acteerprestaties neerzetten waardoor het verhaal nog meer ging leven en gevoeld werd in de zaal. Daarbij is het ook opvallend dat een opera in het Frans toch altijd erg fijn in het gehoor ligt, het leidt tot een vloeiend geheel. Dit ligt overigens ook erg aan Gluck: muziek en libretto vormen een prachtig geheel dat nooit verveelt. De vertolking van Iphigénie door Véronique Gens is zeer het vermelden waard, maar de show werd gestolen door de vertolking van Clytemnestre door Anne Sofie von Otter. Haar prachtige zang gecombineerd met haar waardige vertolking was het hoogtepunt van de avond. Overigens ook door Minkowski en zijn orkest die de sterren van de hemel speelden en duidelijk lieten horen dat dit repertoire terecht wordt gezien als hun repertoire.

Ten slotte ook nog een warm woord over de enscenering. Vaak kunnen (post)moderne ensceneringen me niet erg bekoren. Maar deze enscenering, te omschrijven als een post-apocalyptische militaire junta, was prachtig en gaf reliëf aan een normaliter statische opera. Daarbij zat, in tegenstelling tot normaal, het orkest niet in de orkestbak, maar midden op het toneel. De orkestbak werd gebruikt om (letterlijk) diepte in de enscenering te brengen, terwijl tevens een tribune was geplaatst waar het koor zat en stond. Overigens tussen reguliere bezoekers van de opera in. Ook nog een mooie mogelijkheid om extra kaarten te verkopen. De actie op het podium speelde zich met name af op twee grote steigers, maar de zangers maakten gebruik van het hele toneel en liepen ook door het orkest heen.

Gluck: Iphigénie en Tauride

Mireille Delunsch (Iphigénie)
Laurent Alvaro (Thoas)
Jean-François Lapointe (Oreste)
Yann Beuron (Pylade)
Salomé Heller (Diane)

Koor van De Nederlandse Opera
Marc Minkowski, Les Musiciens du Louvre.Grenoble
Het Muziektheater, Amsterdam

Het tweede deel van de dubbelslag, 'Iphigénie en Tauride', kende een kleine valse start. De pauze duurde een half uur langer dan gepland en voor de opera begon werd omgeroepen dat Mireille Delunsch erg verkouden was, maar toch de rol zou zingen. Gelukkig viel het mee: her en der was het zeker te horen dat ze niet op haar best was, maar na zo'n mededeling en met die vertraging had ik erger verwacht. Wellicht was het goed verwachtingsmanagement.

Deze 'Iphigénie' speelt 15 jaar later in Tauride (Tauris) waar Iphigénie sinds de gebeurtenissen in Aulis is verbannen om de cultus van Godin Diane als opperpriesteres te verspreiden. Dit lijkt in tegenspraak met het einde van de vorige opera, maar Gluck heeft op dat punt het einde aangepast om tot een happy end te komen. Iphigénie gaat gebukt onder de wrede koning Thoas die is bezeten van de voorspelling dat zijn ondergang wordt ingeluid door een vreemdeling. Vandaar zijn decreet om allen die op zijn eiland schipbreuk lijden te doden. Uiteraard is er een dergelijke schipbreuk: Oreste en Pylade. Oreste is de broer van Iphigénie en kan niet meer terugkeren naar Mycene omdat hij zijn moeder Clytemnestre en haar minnaar heeft omgebracht als vergelding voor hun moord op Agamemnon. Zijn zuster Elektra is nog steeds in Mycene. Overigens is dit deel van de mythe gebruikt door Richard Strauss in zijn opera Elektra. Een opera die overigens in oktober wordt opgevoerd door De Nederlandse Opera. Wat volgt in het verhaal is de wens van Iphigénie om Oreste te sparen zonder dat ze er beide weet van hebben dat ze broer en zuster. Uiteindelijk wint, wederom na de opkomst van deus ex machina, het goede van het kwade. Thoas komt ten val en Oreste en Iphigénie, die elkaar nu herkennen, kunnen, met de zegen van de Goden, terugkeren naar Mycene.

Deze uitvoering was bijna net zo goed als 'Iphigénie en Aulide', maar op de een of andere manier werkte met name de militaire aankleding, die steviger was, minder en waren ook de prestaties van de solisten een fractie minder dan hun collega's eerder op de avond. Wat overigens goed lukte, was het gebruik van dezelfde enscenering die op belangrijke punten wel was aangepast. Ook het gebruik van een andere solist als Iphigénie markeerde duidelijk dat het verhaal 15 jaar later speelde. Er overigens, op orkest en dirigent na, bijna geen overlap tussen beide ensembles. Alleen Laurent Alvaro tekende voor de kleine rol van Arcas in 'Aulide' en de grotere rol van Thoas in 'Tauride'. De enige verbindende factor op dat vlak was de vertolking van Diane door Salomé Heller. Aangezien Goden tijdloos zijn en het eeuwige leven hebben, was dit de juiste verbinding tussen beide producties.

Met deze gecombineerde prachtproductie heeft De Nederlandse Opera wederom laten zien tot de absolute wereldtop te behoren.