zondag 31 maart 2013

Concert 30 maart 2013: Een wervelend Italiaans afscheid in de Musikverein


© Zina Saunders/Wall Street Journal

Giuseppe Verdi (1813-1901): 
Ouverture uit Nabucco
Ouverture uit I Vespri Siciliani
"Quando le sere al placido", aria van Rodolfo uit Luisa Miller

Giacomo Puccini (1858-1924):
Intermezzo uit de Derde Akte van Manon Lescaut
"E lucevan le stelle", aria van Cavaradossi uit Tosca

Gioacchino Rossini (1792-1868):
Ouverture uit Guillaume Tell

Ottorino Respighi (1879-1936): 
Feste Romane

Toegift:
Verdi: Ouverture uit La Forza del Destino
Mascagni: Intermezzo sinfonico uit Cavalleria Rusticana

Roberto De Biasio (tenor)
Fabio Luisi, Wiener Symphoniker
Musikverein, Wenen


Net zoals het Koninklijk Concertgebouworkest geduchte concurrentie ondervindt van de Wiener Symphoniker als beste orkest van de wereld zo doet de Musikverein in Wenen niet onder voor het Concertgebouw in Amsterdam. En laat nou net in diezelfde Musikverein het concert ter gelegenheid van het afscheid van Fabio Luisi als dirigent van de Wiener Symphoniker plaats vinden. 

Sinds 2005 is Luisi de chef-dirigent van de Wiener Symphoniker: het orkest dat evenals de bekendere naamgenoot, de Wiener Philharmoniker, in de Weense Musikverein optreedt. Die verbintenis is na het huidige concertseizoen echter voorbij waarna Luisi alleen nog als gastdirigent zal optreden bij het Wiener Symphoniker. Het afscheid is ook niet zo gek gezien het feit dat Luisi's ster rijzende is: hij is sinds 2011 onder meer chef-dirigent van de Metropolitan Opera in New York en is dit seizoen tevens begonnen als chef van de opera van Zürich. 

Blijkbaar is de band tussen Luisi, de Symphoniker en Wenen hecht want er is flink uitgepakt voor zijn afscheid. Niet alleen mocht hij zelf het programma van concert samen stellen uit zijn meest geliefde composities, ook is het concert van 30 maart, waar deze recensent bij was, opgenomen door de Oostenrijkse publieke omroep, de ORF, die het concert op 31 maart uitzendt tegelijkertijd met de tweede editie van dit concert dat dan tevens het echte laatste concert van Luisi is als chef-dirigent van de Symphoniker.

En wat zullen ze Luisi nog gaan missen. Want met een programma bestaande uit alleen maar hoogtepunten uit het Italiaanse repertoire bleef niemand in de Grote Zaal van de Musikverein onberoerd door de enorme energie die Luisi teweeg bracht bij zijn Weense orkest. En hoewel het programma bestond uit de golden oldies van het Italiaanse repertoire liet Luisi met zijn directe en gepassioneerde dirigeerstijl de Wiener Symphoniker deze oude gebakjes fris als nooit tevoren klinken waardoor het hele concert een feestje werd. Of het nu de spectaculaire uitvoering van Respighi's Feste Romane betrof, de uitstekend door tenor Roberto De Biasio gezongen aria's of de gevoeligheid van Luisi's toegift van het Intermezzo sinfonico uit Mascagni's Cavalleria Rusticana: het hele concert klopte van a tot z als een bus. 

Het aardige daarbij was dat de ORF het concert niet alleen opnam, maar ook Barbara Rett in stelling had gebracht om het programma tussentijds toe te lichten en voor de (geplande) toegiften een kort gesprekje met Luisi te voeren. Een gesprekje dat natuurlijk de open deur intrapte dat Luisi zal terugkeren als gastdirigent, maar ook enigszins koddig het Italiaanse gebruik ten tonele voerde dat  Verdi's opera La Forza del Destino, uit bijgeloof tegen ongeluk, nimmer in die exacte bewoordingen wordt gebezigd. En zowel Rett als Luisi, ondanks verzekeringen van gebrek aan bijgeloof, kregen het voor elkaar om de titel niet te benoemen zonder dat het tot verveling leidde. Rett bleek daarmee een goede keuze die haar sporen als kenner van klassieke voor de Oostenrijkse publieke omroep zonder meer waarmaakte. De AVRO zou overigens notie hier van kunnen nemen, want AVRO's klassieke muziekman Hans van den Boom steekt schril af bij deze Barbara Rett.

Luisi heeft zijn chef-dirigentschap bij het Wiener Symphoniker waardig afgesloten. En wanneer dit laatste concert, de kwaliteit van de Wiener Symphoniker en het pure plezier dat dit concert voortbracht, tekenend is voor de wijze waarop Luisi de Symphoniker muzikaal geleid en gevormd heeft dan mag de Weense goegemeente Luisi zeer dankbaar zijn en is het geen wonder dat voor dit afscheid flink is uitgepakt. Forza Fabio!

vrijdag 29 maart 2013

Concert 27 maart 2013: Een massieve muur van muziek

© Wikimedia Commons

Rachmaninoff: Pianoconcert Nr. 3
Zemlinsky: Die Seejungfrau

Alexander Gavrylyuk (piano)
Vladimir Jurowski, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam

Een veelbelovende maestro en een technisch zeer begaafde maar overenthousiaste pianist doen Rachmaninoff en Zemlinksy te kort.

De Russische dirigent Vladimir Jurowski (1974) duwt al een tijdje tegen de deur die toegang geeft tot het pantheon van de hedendaagse interessante en uitmuntende dirigenten. Zijn verbintenis met het London Philharmonic Orchestra en een recente opname van Gustav Mahler’s indrukwekkende, maar moeilijke Tweede Symfonie met datzelfde orkest zette deze deur al op een kier. Helaas leidde zijn gastrol bij het Koninklijk Concertgebouworkest in het Amsterdamse Concertgebouw tot een zich weer sluitende deur.

Dit terwijl de ingrediënten voor een prachtig concert meer dan aanwezig waren. Een competente dirigent die samen met een technisch zeer begaafde pianist, de Oekraïense Alexander Gavrylyuk (1984), de strijd aangaat met het Derde Pianoconcert van Sergei Rachmaninoff (1873-1943). En dit gekoppeld aan het zelden uitgevoerde toondicht Die Seejungfrau van Rachmaninoff’s tijdgenoot Alexander von Zemlinksy (1871-1942).

Het ging bij het pianoconcert van Rachmaninoff eigenlijk meteen al mis. De balans tussen solist en orkest, maar ook binnen het orkest, leek volledig zoek en Jurowski was pas in het laatste deel bij machte om dit ten goede te keren. Dit resulteerde in een massieve muur van muziek waardoor de diverse klankkleuren van Rachmaninoff totaal verdronken. Daarbij moet overigens ook geconstateerd worden dat Gavrylyuk een begaafde pianist is, maar evenzo houdt van volume. Soms kan een solist, hoe goed de dirigent er ook op let, qua volume door een orkest naar de achtergrond worden verbannen. Niet Gavrylyuk die een enorm geluid produceerde uit zijn piano die het enthousiasme van het Amsterdamse Concertgebouwpubliek overigens alleen maar aanwakkerde. Het derde deel van het pianoconcert maakte redelijk wat goed en het publiek reageerde uitgelaten op Gavrylyuk die hen beloonde met zijn volledig eigen en bij vlagen humorvolle interpretatie van de Hochzeitsmarsch uit Ein Sommernachtstraum van Mendelssohn.

Na de pauze stond Jurowski er alleen voor met het zelden uitgevoerde Die Seejungfrau van Alexander von Zemlinksy. Zemlinksy was niet alleen tijdgenoot van Rachmaninoff, maar belangrijker, ook tijdgenoot van Gustav Mahler. Net als Mahler was Zemlinksy niet alleen componist, maar ook een zeer competent dirigent. Na een door meningsverschillen met Mahler gedwongen vertrek bij de Weense Hofoper zou Zemlinksy nog veel successen vieren als dirigent én componist in Praag en Berlijn. Helaas is Zemlinksy, net als veel van zijn (Joodse) tijdgenoten slachtoffer geworden van de Nazi’s. Zijn muziek werd bestempeld als Entartete Musik en moest vluchten uit Duitsland om uiteindelijk in 1942 te sterven in de Verenigde Staten.

Zemlinksy’s toondicht over een zeemeermin is in 1905 in première gegaan en is pas in 1984 voor het eerst gehoord. De reden hiervoor schijnt gelegen te hebben in het feit dat het tegelijkertijd in première ging met Schönberg’s Pelleas und Melisande en daarmee de aandacht niet uit is gegaan naar Die Seejungfrau

Voor Jurowski dus alle reden om dit stuk op de Amsterdamse lessenaars te zetten, maar ook hier was het resultaat niet onverdeeld positief. Ook bij dit, bij tijd en wijle wat mijmerende en meanderende toondicht, lukte het niet altijd om de balans goed te krijgen, waardoor het stuk niet volledig tot zijn recht kwam. Dit viel het publiek ook op en beloonde Jurowksi weliswaar met een staande ovatie, maar wel één van het verplichte soort.

Kortom: Gavrylyuk heeft in Amsterdam betere zaken gedaan dan Jurowski die zich zal moeten revancheren voor dit op voorhand interessante en spannende programma dat in de uitvoering toch wel in gebreke bleef.

Dit concert werd op woensdag 27 en donderdag 28 maart 2013 uitgevoerd in het Concertgebouw te Amsterdam. Deze recensie is op basis van het concert van 27 maart.

Zie hier de pianist Alexander Gavrylyuk op Youtube met de Wedding March van Mendolssohn:






Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 27 maart 2013

Koninklijke relatiegeschenken: 'Treasures of the Royal Courts' in het Victoria & Albert Museum



Relatiegeschenken zijn van alle tijden, maar de pracht en praal van Treasures of the Royal Courts in het Victoria & Albert Museum zet de hedendaagse kitsch in een (nog) negatiever daglicht.

Na de bespreking door Het Goede Leven-collega Bart Schut van het retrospectief van het werk van Roy Lichtenstein in het Tate Modern zullen vele bezoeken aan Londen op stapel staan. Wanneer dan toch een bezoek wordt gebracht aan Londen, mag de expositie Treasures of the Royal Courts. Tudors, Stuarts and the Russian Tsars van het Victoria & Albert Museum niet ontbreken.

In 1899 werd het toenmalige South Kensington Museum hernoemd ter ere van koningin Victoria en haar (inmiddels overleden) prins-gemaal Albert tot het Victoria & Albert Museum. Al vanaf het ontstaan is het museum gericht op de band tussen kunst en kunstnijverheid. Daarom is het niet verwonderlijk dat er vaak exposities over mode zijn, maar sinds kort ook een expositie over David Bowie. Sinds 9 maart is een expositie gestart over koninklijke schatten.

Nu zijn koninklijke schatten in Londen niet ongebruikelijk. Een groot deel van het toerisme in Londen teert op de relatie tussen de hoofdstad en de diverse koninklijke families die het Verenigd Koninkrijk de afgelopen eeuwen, met wisselend succes en gradaties van absolute (on)macht, hebben geregeerd. The Tower of London is vooral zo’n publiekstrekker door het uitstallen van de kroonjuwelen.

Het Victoria & Albert Museum plaatst koninklijke schatten echter in een ander perspectief: dat van relatiegeschenken ter ondersteuning van de (handels)diplomatie tussen de Britse en Russische royals. In een overzichtelijke maar inventief opgestelde expositie wordt het verhaal verteld van de Tudor en Stuart dynastieën die handel met het Russische rijk hoog op het wensenlijstje hadden staan. Om deze handel mogelijk te maken, werd er alles aan gedaan om de (koninklijke) banden met de tsaren aan te halen. De beste manier om dit te doen was via het sturen van allerlei koninklijke presentjes om de Tsaar gunstig te stemmen. Hierdoor ontstond een uitgebreide relatiegeschenkenhandel, maar dan niet van het schrale en kitscherige soort dat we tegenwoordig moeten doorstaan. In de periode dat de expositie beslaat, 1509 tot 1685, bedienden onder andere Hendrik VIII, Elizabeth I en Charles I zich van mooier spul dan de ballpoints, plastic wekkertjes en notitieblokjes van de moderne tijd. De koninklijke geschenken toonden de ontvanger de pracht en praal, maar vooral de macht van de gever en het belang van het aangaan van een (handels)relatie.
Om deze relatie in het juiste perspectief te plaatsen wordt in de expositie ook veel aandacht besteedt aan de symbolen van de koninklijke familie en de aristocratie en de gebruiken van diplomatie. Zo tref je niet alleen spectaculair goud- en zilverwerk, maar ook prachtige schilderijen van diplomatieke ontvangsten, koningen en tsaren. Zo begint de expositie ook met vier houten beelden die het familiewapen van Lord Thomas Dacre voorstellen, voor menigeen het hoogtepunt van de expositie.

De expositie vindt plaats ter ere van de viering van 500 jaar Brits-Russische betrekkingen. Een relatie die overigens zeer duidelijk waarneembaar is door het grote aantal Russische miljonairs en miljardairs die in Londen (en daarbuiten) een onderkomen hebben gevonden. De recentelijk overleden oligarch Berezovsky was daar een tekenend voorbeeld van. 

Veel van de objecten zijn uitgeleend door de Kremlin musea die daar, na het einde van de Tsarentijd, een onderkomen hebben gevonden. En dat is een geluk bij een ongeluk aangezien de Engelse Burgeroorlog die het einde (en de executie) inluidde van Charles I en de opkomst van Lord Protector Oliver Cromwell er zeker zorg voor had gedragen dat deze objecten hetzelfde lot hadden ondergaan als de huidige relatiegeschenken: totale vernietiging.

‘Treasures of the Royal Courts. Tudors, Stuarts and the Russian Tsars’ is tot en met 14 juli te zien in het Victoria & Albert Museum te London. Meer informatie op de website van het museum.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zaterdag 23 maart 2013

Concert 22 maart 2013: Tsjechisch temperament in Rotterdam met wisselend resultaat


Skrjabin: Reverie
Korngold: Vioolconcert
Dvořák: Symfonie Nr. 6

James Ehnes (viool)
Jakub Hruša, Rotterdams Philharmonisch Concert
De Doelen, Rotterdam

Een dirigent hoort expressief te zijn. Zo neemt hij orkest én publiek mee in zijn visie op een muziekstuk. Echte topdirigenten kunnen daardoor soms met het kleinste gebaar precies aangeven hoe de muziek gespeeld moet worden en daarmee een interpretatie van formaat neerzetten. Een beetje bombarie hoort daar ook zeker bij. Wie echter in De Doelen de Tsjechische dirigent Jakub Hruša heftig gesticulerend bezig zag, kon zich, zeker voor de pauze, afvragen of dit nu allemaal wel de bedoeling moest zijn. Hruša stond zo te hakken op zijn podium dat een kleine dosis Valium in de pauze wel op zijn plaats leek.

Want voor de pauze was het programma Dvořák in Wenen niet een onverdeeld succes. Dat lag niet aan het repertoire dat zonder meer keurig was: Reverie van Alexander Skrjabin (1872-1915) en het Vioolconcert van Erich Wolfgang Korngold (1897-1957). En ook al had ik wel heel recent dit vioolconcert uitgevoerd gezien door Hilary Hahn en het Dallas Symphony Orchestra onder Jaap van Zweden (zie voor recensie hier), dit vioolconcert kan ik met veel plezier veel vaker horen. Zeker vanwege het feit dat de solist ditmaal de door mij bewonderde James Ehnes betrof. Ik hoorde hem al eerder in Dallas (met het eerdergenoemde Dallas Symphony Orchestra) en recenter met het Residentie Orkest (zie voor recensie hier). Na een prima uitvoering van Reverie volgde een wat matige uitvoering van Korngold's Vioolconcert. En dat lag niet aan Ehnes die voorbeelding speelde. De overmatig actieve Hruša kreeg, in tegenstelling tot Jaap van Zweden, de balans niet goed. Daarbij leken de leden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPhO) soms ook wat van slag door deze dirigent wat leidde tot een verstoorde klankbalans. Daarbij is blijkbaar voor Hruša elke deel een hoogtepunt waardoor reflectie niet meer plaats vindt. Geen overtuigende uitvoering voor de pauze dus.

Hoewel Hruša na de pauze zeker geen blijk gaf van inname van Valium was het repertoire meer geschikt voor hem, niet in de laatste plaats door het feit dat het werk van landgenoot Antonin  Dvořák (1841-1904) betrof: Symfonie Nr. 6. De Tsjechische volksaard komt in deze, voor Dvořák laatste echt openlijke muzikale vertaling van de wil tot Boheemse onafhankelijkheid, symfonie volledig tot zijn recht. Met name in het derde deel gebaseerd op de volksdans Furiant spat de muziek van het papier. De over the top-stijl van Hruša paste hier uitstekend wat daardoor leidde tot een lekker schmierende en stevige uitvoering van deze wel heel erg lekker in het gehoor liggende muziek.

Al met al een wisselvallige avond in Rotterdam die het talent van Ehnes onderstreept, maar voor Hruša hoogstens een mixed bag betekent.  

vrijdag 22 maart 2013

Het Franse antwoord op 'The Killing': 'The Spiral' (Engrenages)

© Bridge Entertainment

Na het succes van de Scandinavische misdaadseries doet Frankrijk ook een duit in het bebloede zakje met het spannende The Spiral.

Nederland kan geen genoeg van misdaad krijgen, tenminste wanneer het gaat om fictie. Al decennialang zijn we met z'n allen verslaafd aan moordmysteries. In de jaren tachtig en negentig volgden we Jessica Fletcher uit Murder, She Wrote die overal waar ze kwam een moord tegen het lijf liep en oploste. Haar slaperige ficieve thuisstadje Cabot Cove (Maine) zou vrijwel uitgestorven moeten zijn door het grote aantal moorden dat daar plaatsvond. En keken we niet naar Jessica Fletcher dan was het wel naar de in permanent verfomfaaide staat verkerende Amerikaanse inspecteur Columbo (met het glazen oog), of naar andere (Britse) toppers zoals Inspector Morse en Midsomer Murders.

Deze Angelsaksische hegemonie werd later flink doorbroken door de Duitse krimiseries (Aus der Reihe!) met aan kop Derrick, Der Alte en Tatort. De populariteit van de Duitstalige misdaad is, ondanks een Oostenrijkse opleving met de vierpotige Kommissar Rex eind jaren negentig, inmiddels flink afgenomen. De laatste jaren heeft Eurocrime een comeback gemaakt met een Scandinavische invasie van The Killing c.s. die in vergelijking de historische rondzwervingen van de Vikingen tot een voetnoot reduceren.

Op de slippen van dit succes heeft de uitgever van o.a. The Killing het werkgebied uitgebreid naar Frankrijk met het uit 2005 stammende The Spiral. Deze serie, in het Frans bekend als Engrenages (wat zoiets betekent als raderen, als in de 'raderen van justitie'), is wellicht een verbreding van het Europese misdaadsucces. In het Verenigd Koninkrijk, maar in vele andere landen, is The Spiral een groot succes en dit verklaart ook meteen de vertaalde Engelse titel van de serie. Een klein, maar vasthoudend kijkerspubliek van BBC Four zorgde er zelfs voor dat het tweede seizoen van The Spiral mede door de BBC werd gefinancierd. Inmiddels is de serie al aan een vierde seizoen toe.

In het eerste seizoen van The Spiral maken we kennis met het (afwijkende) Franse justitiële systeem en beginnend magistraat Pierre Clément die samen met zijn baas, rechter Roban, en inspecteur Laure Berthaud – met wie Clement, uiteraard, ook het bed in duikt – allerhande misdaad oplossen. Zo staat in iedere aflevering de gang van zaken rond een misdaad (van onderzoek tot rechtszaak) centraal, maar kent het seizoen ook een overkoepelend verhaal, een zogenaamde story arc, over de moord op een Roemeense jonge vrouw en de zelfmoord van haar zuster die bij leven een relatie gehad blijken te hebben met de beste vriend van Clément. Gaandeweg worden de schemerachtige grenzen tussen misdaad, politiek en justitie in alle facetten afgetast.

De vraag is natuurlijk of The Spiral voor de Nederlandse markt een aanwinst is. Wie misdaadseries zoekt waar de dader voor de kijker al na luttele minuten bekend is en waarin types zoals Jessica Fletcher of de weinig dynamische doch zeer scherpe Miss Marple – op hun dooie gemakje en ondertussen thee nippend – hun queeste naar de moordenaar desondanks voortzetten, moet ver weg blijven van The Spiral.

Daarbij ligt de focus bij The Spiral, in tegenstelling tot bijvoorbeeld The Killing, minder op het oplossen van de misdaden als wel op het in beeld brengen van de wereld van misdaad, politiek en justitie, het grijze gebied waar veel van de personages opereren. Wat The Spiral deelt met de Scandinavische soortgenoten is het grauwe realisme en perspectief (wat in het Engels vrijwel onvertaalbaar gritty heet), waarbij de Amerikaanse voorkeur voor een happy end nagenoeg ontbreekt. Juist dat rauwe realisme zou een verklaring kunnen zijn waarom deze voorbeelden van Eurocrime zo aanslaan bij het Europese publiek.

Klein nadeel van deze serie – en dat gold ook al voor de Scandinavische variant – is wel dat je gedwongen bent heel geconcentreerd te kijken. In tegenstelling tot Miss Marple c.s. kun je niet tegelijkertijd met je iPad en dergelijke in de weer zijn: je moet je aandacht erbij houden en de ondertiteling goed in de gaten houden om het spoor niet bijster te geraken.

Maar dit geringe nadeel mag de pret niet drukken en is zeker geen obstakel voor alle liefhebbers van Eurocrime die het binnensmondse Deens van Sarah Lund eens willen inruilen voor haar meer lyrische klinkende vakbroeder uit Frankrijk. Laat de volgende seizoenen dus vooral doorkomen!  

'The Spiral' is op 19 februari jl. verschenen zowel op DVD als Blu-Ray. Onhandigerwijs is er recent een Europese miniserie, een co-productie van diverse Europese omroepen, verschenen met dezelfde titel. Deze serie is overigens niet echt aan te bevelen.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

donderdag 21 maart 2013

Concert 16 maart 2013: Een Matthäus-Passion voor de 21 eeuw


Adams: The Gospel according to the other Mary

Kelley O'Connor - Mary
Tamara Mumford - Martha
Russell Thomas - Lazarus
Daniel Bubeck, Brian Cummings, Nathan Medly - Narrators
Michael Schumacher, Anani Sanouvi, Troy Ogilvie - Dancers

Los Angeles Master Chorale
Gustavo Dudamel, Los Angeles Philharmonic
Barbican Centre, Londen

John Adams is, naast collega-componist Philip Glass, misschien wel de succesvolste hedendaagse componist van de Verenigde Staten en wellicht ook daarbuiten. Zijn orkestrale muziek, maar vooral zijn opera’s zijn al jarenlang vast onderdeel van het klassieke repertoire. In tegenstelling tot veel collega’s heeft Adams de gave om (gelijk overigens wederom Philip Glass) moderne klassieke muziek toegankelijk te maken voor een relatief groot publiek. Door zijn opera’s te onderwerpen aan een (politiek) actueel thema verzekert Adams zich van aandacht van pers en publiek én weet hij het publiek te binden aan zijn werk. Zo handelde Nixon in China (1987) over het befaamde bezoek van president Nixon aan China. Het bezoek betekende de doorbraak in de relatie tussen de Verenigde Staten en China en leverde Nixon, als enige Amerikaanse president, een spreekwoord op: It takes Nixon to go to China. Adams’ volgende opera The Death of Klinghoffer (1991) volgt de kaping in 1985 van passagiersschip Achille Lauro door de PLO en de moord op de Joods-Amerikaanse Leon Klinghoffer.

Gelijk de grote Johann Sebastian Bach is geen muzikaal leven compleet zonder Christus op muziek te zetten. In 2000 gaf Adams hier gestalte aan door een oratorium te wijden aan de geboorte van Jezus: El Niño. Ruim twaalf jaar later volgt de dood van Jezus met het oratorium The Gospel according to the other Mary. Hoewel in mei 2012 de wereldpremière plaats vond in Los Angeles heeft het een klein jaar geduurd voordat de Europese première in het Barbican Centre te Londen zijn beslag kreeg.

Het grote voordeel van levende componisten boven hun overleden collega’s (in aanvulling uiteraard op het hebben van een hartslag) is dat de componist zelf kan aangeven wat hij met zijn muziek bedoelt en dat de luisteraar niet volledig afhankelijk is van de interpretatie van anderen. Daarom vond voor het concert een pre-concert talk plaats met John Adams, zijn vaste creatieve partner en regisseur Peter Sellars en Angela Dixon (Head of Music van het Barbican Centre). John Adams gaf hierbij aan dat The Other Mary niet alleen de pendant is van El Niño maar ook zijn interpretatie van de passie voor de 21 eeuw. Daarbij kiest Adams bewust voor een andere aanvliegroute dan Bach. Daar waar bij Bach de Matthaüs-Passion begint bij het zalven van de voeten van Christus door Maria Magdalena en eindigt met Jezus aan het kruis, neemt Adams een langere aanloop en zorgt voor een epiloog. Zo komen zowel de herrijzenis van Lazarus, de broer van Maria en Martha, als de herrijzenis van Christus zelf aan bod. Enerzijds om aan te geven dat de herrijzenis van Lazarus voor Christus een generale repetitie was voor zijn eigen herrijzenis en anderzijds om op een wat vrolijkere noot te eindigen dan Bachs meesterwerk. Het is wat dat betreft niet voor niets dat na afloop van Bachs versie, om de sfeer wat te verlichten, nog wel eens de kreet ‘Zo die hangt weer’ langs komt voordat de welverdiende borrel aanvangt. 

Wie overigens een passie verwacht langs de lijnen van Bach zou het Barbican Centre teleurgesteld hebben verlaten. The Other Mary is vintage John Adams-muziek, waarbij het minimalisme (wat overigens niet betekent dat je luistert naar alleen een triangel en een harp, het blijft volledig orkestraal) ten dienste staat van het libretto en het overbrengen van de ermee samenhangende dramatiek en emoties. Een libretto dat, in tegenstelling tot veel opera’s van andere componisten, ook zonder boventiteling gewoon te verstaan is. Ook doet Adams een poging om de hedendaagse maatschappij, waarbij hij de focus legt op het onrecht en ongelijkheid van armoede, door scenes uit de Bijbel af te wisselen met onderdrukking van vrouwen in de 20e eeuw en het heden. Hoewel dit niet echt afleidt van de passie, komt deze link tussen het Bijbelse en het hedendaagse niet echt uit de verf. Het doet er overigens ook niet echt aan af. Opvallend is ook een hoofdrol in het orkest voor de van oorsprong Hongaarse cimbalom die, ondanks (of dankzij?) de connectie met zigeunermuziek wat vervreemdend werkt en misschien daarom de setting van het Bijbelse land benadrukt. Een laatste innovatie van Adams is het gebruik van drie contratenoren die samen de verteller vormen en verhalen over Christus, zonder dat Christus actief een rol in het oratorium heeft. Adams vertelde in de pre-concert talk dat dit idee voortkomt uit het gebruik ervan in Nixon in China, maar dat de oorsprong ervan bij Ray Charles ligt. En zo is muziek in alle vormen met elkaar verbonden.

Het voordeel van een Europese première volgend op een wereldpremière is dat Adams de tussenliggende periode heeft gebruikt om aan het stuk te schaven en deze vooral ook in te korten. Daarbij constateerde Adams bij de pre-concert talk dat het schaven aan een muziekstuk gelijk staat aan een verbouwing die altijd duurder is en langer duurt dan wanneer je from scratch begint.

Wat niet veranderd is ten opzichte van de wereldpremière is de uitvoering door het Los Angeles Philharmonic en het Los Angeles Master Choral onder leiding van Gustavo Dudamel. Adams is aan het LA Philharmonic verbonden als creative chair wat tot een uitstekend partnerschap leidt. Hoewel deze recensent de hype rondom Gustavo Dudamel wat aan de overtrokken kant vindt, was de uitvoering voorbeeldig. Dudamel oefende complete controle uit over de muzikale krachten uit Los Angeles en de solisten waren, met de indrukwekkende Russell Thomas als Lazarus voorop, zonder uitzondering uitstekend. Hoewel het een semi-geënsceneerde uitvoering betrof (het stuk kan zowel als opera als oratorium opgevoerd worden) liet Peter Sellars zich hier wederom gelden met een uitstekend gevoel voor dramaturgie, waarbij met name het koor door haar belangrijke rol en choreografie één van de sterren van de avond was.

Met The Other Mary heeft John Adams een waardig addendum op Bachs meesterwerk gecomponeerd en daarmee een passie voor de 21e eeuw.

In het kader van de ‘Barbican International Associate Residency’ was het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Gustavo Dudamel van 14 tot en met 17 maart in het Barbican Centre te London. Als onderdeel hiervan vond op 16 maart de Europese première plaats van het nieuwste werk van de Amerikaanse componist John Adams (1947): het oratorium ‘The Gospel according to the other Mary’. Deze recensie is op basis van die uitvoering.

De NTR ZaterdagMatinee is mede-opdrachtgever van ‘The Other Mary’ en de Nederlandse première vindt plaats tijdens de ZaterdagMatinee op zaterdag 8 juni 2013. Kaarten bestellen kan hier.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 13 maart 2013

Concert 12 maart 2013: Dallas verovert het Concertgebouw

© Concertgebouw

Korngold: Vioolconcert
Mahler: Symfonie Nr. 6
Wagner: 'Liebestod' uit Tristan und Isolde (toegift)

Hilary Hahn (viool)
Jaap van Zweden, Dallas Symphony Orchestra
Concertgebouw, Amsterdam

Met ijzersterke en fabelachtige vertolkingen van Mahler en Korngold zeggen Jaap van Zweden en zijn Dallas Symphony Orchestra een welgemeend Howdy y'all! tegen het Concertgebouw.

Sinds 2008 is Jaap van Zweden chef-dirigent van het Dallas Symphony Orchestra (DSO). Van Zweden viert grote successen in de Verenigde Staten en daarbuiten, maar wordt vooral in Dallas op handen gedragen. Deze recensent is enkele jaren geleden in het fantastische Dallas geweest waar een volledig Arts District met musea, een opera en de thuisbasis van het DSO, het Meyerson Symphony Center, is verrezen. En dit allemaal vrijwel volledig privaat gefinancierd. De hedendaagse J.R. Ewings van Dallas doen dus meer met hun oliegeld dan zich bezatten in de Oil Baron's Club. Durf kan men ze in Dallas niet ontzeggen.

En durf heeft het DSO ook: met een Amerikaans orkest één van de moeilijkste symfonieën van Mahler uitvoeren in een concerthal doordrenkt met Mahleriaanse historie. Met typische Texaanse swagger gaf het Dallas Symphony Orchestra met Jaap van Zweden op de bok een fabelachtig concert met uitvoeringen van het Vioolconcert van Korngold en de Zesde Symfonie van Mahler die het publiek tot extase brachten en het Concertgebouw op haar grondvesten deed schudden.

Het op voorhand overvolle concert ging optimaal van start met een prachtige uitvoering van het Vioolconcert van Erich Wolfgang Korngold (1897-1957). More corn than gold: zo betitelde een criticus van de New York Sun geestig, doch vernietigend dit Vioolconcert. En op de één of andere manier beweegt het werk van muzikaal wonderkind (en zoon van eminent Weens muziekcriticus Julius) Korngold zich immer in het schemergebied van de klassieke muziek. Hoewel zijn werk in veel opzichten vergelijkbaar is met de laat-Romantiek van Richard Strauss is hij altijd minder serieus genomen. Dit schijnt vooral te maken te hebben met het feit dat hij, gevlucht voor de Nazi-opmars vanuit Wenen naar de Verenigde Staten, zich in de oorlogsjaren verdienstelijk maakte als de toonaangevende filmcomponist van Hollywood. Na de oorlog en zijn terugkeer naar Wenen kreeg hij binnen de klassieke wereld geen voet meer aan de grond en is zijn reputatie sindsdien altijd wat halfslachtig geweest. Dit belette Hilary Hahn niet om virtuoos dit spannende en uitdagende vioolconcert ter hand te nemen. Daarbij werd zij subliem ondersteund door het DSO met een dirigent op de bok die uit eigen ervaring perfect weet wat een solist als Hahn nodig heeft. En bovendien weet hij wat het werk van Korngold nodig heeft: energie en een volvette Technicolor sound die bij het wegsterven van de laatste noot leidde tot de eerste welverdiende staande ovatie van de avond.

Daar waar veel dirigenten er nog wel eens voor kiezen om op een avond alleen de Zesde Symfonie van Gustav Mahler (1860-1911) te spelen, koppelt Van Zweden dit rustig aan een groter programma. Natuurlijk was deze Zesde (in de volksmond de Tragische) het absolute hoogtepunt van het programma. Van Zweden pakte bij het eerste unheimische deel, het marsachtige Allegro, flink uit. Met een straf tempo denderde dit deel onverbiddelijk naar een hoogtepunt. De interpretatie van Van Zweden leek meer aan te sluiten bij de emotionele Bernstein dan de rationale Haitink doch zonder ooit uit de bocht te vliegen. Na een spetterend begin, leek Van Zweden iets gas terug te nemen in het eveneens marsachtige Scherzo wat sommige dirigenten als derde deel programmeren (de wensen van Mahler zijn daar wat onduidelijk over). Rust werd gebracht door een lyrisch en doorvoeld Andante waarna een Finale volgde die het publiek van het Concertgebouw als vanzelf tot een tweede staande ovatie bracht.

Het DSO en Van Zweden namen terecht het grote applaus in ontvangst en beloonden dit, net als Hilary Hahn overigens, met een na zo'n programma weinig gebruikelijke toegift: de Liebestod uit Wagner's Tristan und Isolde. Een passend einde aan een fabelachtige avond.

Jaap van Zweden heeft (wederom) heel duidelijk zijn visitekaartje achtergelaten als up and coming dirigent. En de mannen en vrouwen uit Dallas laten zien dat hun stad meer is dan de gelijknamige serie met de Bourbon and branch-drinkende (met servetje!) en Hello Darlin!-roepende J.R. Ewing.

Dit concert is onderdeel van de (vijfde) Europese tour van het Dallas Symphony Orchestra. Van 8 tot 22 maart treedt het orkest onder Jaap van Zweden op in Amsterdam, Eindhoven, Wenen, München, Frankfurt en Hannover.  Deze recensie is op basis van het concert in het Concertgebouw op 12 maart 2013. 

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 6 maart 2013

Het sneue leven van Anton Mussert: 'Anton' van Bert Bukman



Via een ‘persoonlijke geschiedenis’ vertelt Bert Bukman op geraffineerde wijze het levensverhaal van de bekendste landverrader uit de Nederlandse geschiedenis: Anton Mussert (1894-1946). 

De naam Anton Mussert is voor weinig Nederlanders onbekend en staat synoniem voor landverraad. Toch zal de kans groot zijn dat bij het horen van de naam Mussert wordt gedacht aan de NSB en de Tweede Wereldoorlog, maar dat de kennis over Mussert verder stokt. Bert Bukman voorziet op uitstekende wijze in deze lacune met Anton. Mussert en de NSB: opkomst en ondergang van een populist.

Wie meent met Anton een ‘gewoon’ historisch boek in handen te nemen, heeft het mis. Bukman heeft, althans volgens de achterflap van het boek, een ‘persoonlijke geschiedenis’ geschreven van het leven van Mussert. Dit heeft hij gedaan door het gebaande pad van de historische non-fictie te verlaten door een roman te schrijven over het leven van Mussert zonder te romantiseren. Daarbij baseert Bukman zich op de feiten van Mussert’s leven en maakt gebruik van tal van bronnen zoals briefwisselingen en speeches.

Bukman’s Anton is nadrukkelijk geen historische roman zoals I, Claudius van Robert Graves waarbij een aantal basale feiten aanleiding zijn voor een literaire roman over het leven van de Romeinse keizer Claudius. Noch is het een boek in de lijn van Thomas Ross waarbij feit en (vermeende feitelijke) fictie worden samengebald in een avontuurlijke roman. Bukman tracht een getrouw beeld te geven van het leven van Mussert waarbij de dialogen in het boek het verzinsel van Bukman zijn, maar hij (aldus zijn verantwoording van het boek) meent dat de portee van dialogen wel in lijn is met de feitelijkheid van de daadwerkelijke gebeurtenissen. Dit is natuurlijk een slippery slope aangezien Anton Mussert al lang en breed dood is en er dus geen echt bewijs is hiervoor.

Want Anton Mussert is op 7 mei 1946 ter dood gebracht na de veroordeling door het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag vanwege ‘hulpverlening aan de vijand, een aanslag op de grondwettige regering en een poging Nederland onder vreemde heerschappij te brengen’. Als landverrader is Mussert zijn dood tegemoet gegaan en dat is het beeld dat voor altijd met Mussert verbonden blijft.

In Anton wordt de levensloop van Mussert nauwgezet gevolgd. Opgroeiend in een redelijk welvarend lerarenmilieu in een gezin dat na de dood van de kostwinnende vader het moeilijker krijgt maar toch Anton in de gelegenheid stelt om in Delft te studeren. Als ir. A.A. Mussert maakt hij carrière als hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat van Utrecht, trouwt met zijn tante en raakt teleurgesteld in de Nederlandse parlementaire democratie. Alvorens de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) op te richten voert hij buitenparlementaire actie via het Nationaal Comité van Actie tegen het ontwerp-verdrag met België waarbij het verdrag ten faveure van de Antwerpse haven door toedoen van Mussert c.s. in de Eerste Kamer een Waterloo vond en het aftreden betekende van jonkheer Van Karnebeek, minister van Buitenlandse Zaken.

Geïnspireerd door Hitler’s NSDAP richt Mussert de NSB op waarvan hij de eerst en enige Algemeen Leider zou zijn. Bukman vertelt het verval van Mussert met verve en schetst een beeld van een intelligente doch ietwat sneue leider van een beweging die haar ambities nooit waar heeft kunnen maken. Mussert’s droom van een Groot-Nederland al dan niet als onderdeel van het Derde Rijk is nooit een serieuze optie geweest. En hoewel hij welwillend is ontvangen door zowel Mussolini en zijn grote voorbeeld Hitler is hij nooit meer dan een schaamlap geweest voor de As-mogendheden. Daar doet de Hitler aan Mussert toevertrouwde (en machteloze) titel van Leider van het Nederlandse Volk helemaal niets aan af. Anton geeft ook goed inzicht in de radicalisering van de NSB die eerder ondanks dan dankzij Mussert plaats vond. Bukman maakt het volstrekt duidelijk dat Mussert meewaaide met de Duitse winden, maar dat het antisemitisme, facisme en wens tot eenwording met het Derde Rijk, vanuit Duits perspectief, in betere handen was bij lieden als Meinoud Rost van Tonningen. Het echte electorale succes bleef voor de NSB, in tegenstelling tot de NSDAP, uit. De NSB is nooit verder gekomen dan acht procent van de stemmen tijdens de eerste verkiezingen waar de NSB aan deelname: de Provinciale Statenverkiezingen van 1935. 

Dit alles verklaart ook waarom Mussert er schijnbaar zelf van overtuigd was dat hij geen landverrader was. Immers: hij stond voor een zelfstandige Nederlandse staat binnen de Groot-Nederlandse gedachte. Men kon hem daarom ‘slechts’ hoogverraad tegen de Nederlandse regering en parlementaire democratie verwijten. Overigens nog steeds genoeg aanleiding voor de straf die hij na de Tweede Wereldoorlog ontving.

Het is Bukman overigens niet goed gelukt om aan te geven waarom ondanks alle krachten die zich tegen Mussert keerden deze ietwat sneue en parmantige quasi-leider eigenlijk, op één couppoging na, zonder al te veel problemen aan de macht bleef en door de Duitsers zo werd getolereerd. Misschien ligt het antwoord juist wel besloten in de betekenisloosheid van Mussert in de ogen van Hitler en zijn trawanten. Een rol die niet ver afstaat van de hofnar. 

Bukman is zonder meer geslaagd in het schrijven van een zeer leesbare ‘persoonlijke geschiedenis’ die een licht werpt op één van de meest verachtelijke figuren uit de vaderlandse geschiedenis. Alleen daarom al is het meer dan de moeite waard om dit boek aan te schaffen en je te verbazen hoe een miezerig mannetje Adolf Hitler de titel van Leider van het Nederlandse Volk ontfutselt.

© Wikimedia Commons

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zaterdag 2 maart 2013

Concert 1 maart 2013: Italiaans vertoeven in het Concertgebouw

© AVRO

Bach: Eerste Orkestsuite
Haydn: Celloconcert in D
Mozart: Symfonie Nr. 38 'Praagse'

Giovanni Sollima (cello)
Giovanni Antonini, Koninklijk Concertgebouworkest
Concertgebouw, Amsterdam


Dirigent Giovanni Antonini en het Koninklijk Concertgebouworkest zorgen met een Italiaanse interpretatie van muziek van vervlogen tijden voor een genoeglijke avond in het Concertgebouw.

Hedendaagse componisten, maar ook hun voorgangers uit de vorige eeuw kunnen zich weinig voorstellen bij componisten als Haydn die door een mecenas in de gelegenheid werden gesteld om muziek te componeren én ten uitvoer te brengen. Tegelijkertijd kunnen hedendaagse bezoekers van concerten het zich amper voorstellen dat een volledig orkest en haar Kapellmeister ten dienste stond van hun patroon.

Dit is precies hoe het grootste deel van het muzikale leven van Joseph Haydn (1732-1809) zich voltrok. Ruim dertig jaar was hij in dienst van de Hongaarse aristocraat prins Paul Esterházy. Daardoor schreef hij tal van werken voor het exclusieve Esterházy-oor.

Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder de bezielende en vooral lyrische leiding van Giovanni Antonini gaf een inkijkje in het muzikale leven van lang vervlogen tijden met prettig in het gehoor liggende werken van Bach, Mozart en Haydn.

De Eerste Orkestsuite van Johann Sebastian Bach (1685-1750) is schatplichtig aan de Franse muziek van Lully met diens muziek voor het hof van de Zonnekoning. Door een transparante en lyrische interpretatie van de suite genoot de grote zaal van het Concertgebouw ongedwongen en zonder al teveel moeite van Bach’s orkestrale muziek.

Het Celloconcert in D van Joseph Haydn zette deze lijn voort. Solist van dienst, cellist Giovanni Sollima, bracht het Concertgebouwpubliek in beroering door een intense maar altijd melodieuze interpretatie van het Celloconcert uitstekend begeleid door het KCO onder Antonini. Bij het (ver)strijken van de laatste noot barstte een groots applaus los dat nog eens dunnetjes werd overgedaan bij een (obligate) toegift van Sollima. Deze recensent verbaasde zich daar wat over. Zonder meer werd het Celloconcert prachtig uitgevoerd door een zeer getalenteerde cellist. Het werk van Haydn zelf is mooi, maar geen uitmuntend en extreem uitdagend meesterwerk. Met name het eerste deel had een stukje korter gemogen.

De avond werd afgesloten met de 'Praagse’ van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). Deze 38e symfonie in D-groot blikt vooruit op de laatste symfonieën, maar is tegelijkertijd, door het Italiaanse gebruik van slechts drie delen, een blik op het verleden. In deze bijna opera-achtige symfonie hoor je met name de Da Ponte-opera’s (Don Giovanni, Le Nozze di Figaro, Così fan tutte) van Mozart als inspiratiebron. Dit gegeven met een sprankelende en vooral lichtvoetige en transparante uitvoering door Antonini maakte dit het echte hoogtepunt van de avond.

Al met al een avond zorgeloos muziek luisteren in het Concertgebouw. Op het puntje van de stoel zitten vanwege de complexiteit van de muziek hoeft daarbij niet. Ontspannen achterover leunend en denkend aan lang vervlogen tijden is het Italiaanse devies van de heren Antonini en Sollima.

Dit programma is op 28 februari en 1 maart uitgevoerd in het Concertgebouw. Op 3 maart vindt de laatste uitvoering als matinee plaats. Meer info en kaarten hier. Deze recensie is op basis van het concert van 1 maart 2013.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.