maandag 30 mei 2011

Concert 27 mei 2011: Strauss en Berlioz in Brussel

Berlioz: Harold en Italie
R. Strauss: Ein Heldenleben

 Nathan Braude (altviool)
Brussels Philharmonic - Vlaams Radio Orkest
Michel Tabachnik
Bozar - Paleis voor Schone Kunsten, Brussel

Hoewel ik al een aantal keren in Brussel ben geweest, heb ik het altijd een wat afstandelijke stad gevonden. Na een weekend er doorgebracht te hebben onder begeleiding van een vriend die er woont en werkt, moet ik dat oordeel volledig bijstellen. Ik zal niemand vermoeien met mijn bourgondische uitspattingen aldaar, maar het bezoek aan een concert van het Brussels Philharmonic - Vlaams Radio Orkest mag voor deze blog niet onbeschreven blijven.

Het concert vond plaats in de thuisbasis van het Vlaams Radio Orkest (VRO): Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten. Een mooie zaal waar met name een intiemer werk zoals Berlioz' 'Harold en Italie' geweldig tot zijn recht komt. De zaal is niet bepaald klein, maar wel 'direct': je zit dicht op het orkest en het kleinste geluid hoor je goed. Met name in de zeer subtiele delen van Harold en Italie kwam dit prachtig naar voren. 'Ein Heldenleben' kent die delen ook, maar ook grootse orkestrale uitbarstingen waar de zaal bijna niet tegen bestand is. Met name het prachtige begin tastte langs de grenzen van wat kan in Bozar. Strauss' 'Eine Alpensinfonie' zou waarschijnlijk 'too much' zijn. Opvallend was overigens ook dat de Brusselaars net wat charmanter omgaan met de onvermijdelijke bijgeluiden die tijdens concerten te horen zijn.

De combinatie van deze orkestrale werken van Berlioz en Strauss pasten erg goed bij elkaar. In beide  werken is een grote rol weggelegd voor een soloviool, maar het is zeker geen vioolconcert. Een symfonisch werk voor viool en groot orkest is een betere omschrijving. Berlioz vond zijn inspiratie in Paganini en Byron's 'Childe Harold's Pilgrimage' en R. Strauss, hoe kan het ook anders, vond zijn inspiratie in zichzelf. Immers volgens Strauss was hij net zo interessant als Caesar en Napoleon. Hoor zijn prachtige muziek en je vergeeft hem deze arrogantie meteen. Beide componisten schreven overigens direct herkenbare muziek. Berlioz door zijn kenmerkende geluid van samenspelende strijkers en (hout)blazers en Strauss door zijn rijke en 'vet-Romantische' orkestratie. De vioolsolo's werden door Nathan Braude (Berlioz) en de concertmeester van het VRO (Strauss) met verve gespeeld. De show werd echter gestolen door de Tsjechische chef-dirigent van het VRO, Michel Tabachnik, die met zijn energieke dirigeerstijl het beste in zijn orkest naar boven wist te halen.

Mocht je niet naar Brussel gaan voor de heerlijke 'way of life' dan kan je altijd nog een bezoek overwegen vanwege het Brussels Philharmonic - Vlaams Radio Orkest!

zondag 22 mei 2011

Concert 22 mei 2011: Mahler in Den Haag

Mahler:
Rückert-Lieder
Adagio van Symfonie Nr. 10
'What the Wild Flowers Tell Me'
(bewerking Benjamin Britten)
Lieder eines fahrenden Gesellen

Karen Cargill (mezzosopraan)
Nederlands Danstheater II,
Gerald Tibbs (artistiek leider), Jiri Kylián (choreografie)
 Residentie Orkest, Pablo Heras-Casado
Dr. Anton Philipszaal, Den Haag

Binnenkort komt staatssecretaris Zijlstra met zijn cultuurnota waarbij duidelijk zal worden welke culturele instellingen in welke mate moeten vrezen voor hun toekomst. Het Koninklijk Concertgebouworkest lijkt weinig te vrezen te hebben, het Residentie Orkest daarentegen des te meer. Als Zijlstra echter aanwezig zou zijn geweest bij de uitvoering vandaag of vrijdag zou die vrees wellicht minder nodig zijn. Met een prachtige combinatie van orkest, zang en dans zette het Residentie Orkest onder de jonge Spaanse dirigent Pablo Heras-Casado (1977) een fenomenale uitvoering neer. Een uitvoering als afsluiting van de week 'Mahler in Den Haag'.

Afgelopen woensdag had ik wederom het genoegen om een repetitie van het Residentie Orkest bij te wonen. Door de repetie van dit programma heb ik meteen kaartjes gekocht voor de uitvoering van zondag 22 mei. Aangezien het de eerste repetitie betrof kon je precies zien hoe Heras-Casado zijn werk ziet. Hij staat bekend als een Pietje Precies. Tijdens de repetie, waar ik de liederen en het Adagio uit de Tiende Symfonie hoorde, waren de strijkers veelvuldig aan bod om de details helemaal goed te krijgen. Het effect daarvan hoorde je ook goed tijdens de uitvoering. Hetzelfde gold ook voor de liederen gezongen door Karen Cargill. Daarbij ging het overigens wederom over het orkest en met name de strijkers. Cargill zong tijdens de repetitie al prachtig met een natuurlijk mooie en soepele stem waarbij de dictie ook meer dan goed voor elkaar was. Ze voelde de woorden en zo kwam het ook over. Tijdens het zingen van het Rückert-Lied 'Ich bin der Welt abhanden gekommen' werd  het spel door Heras-Casado geen moment onderbroken en ontving Cargill na afloop van het lied veel instemmend geroffel van de orkestleden. 

Tijdens de uitvoering bleek de repetitie geen eendagsvlieg te zijn geweest: Cargill was fantastisch en werd geweldig begeleid door dirigent en orkest. Ik kan ook van harte aanraden om Cargill op twitter (@LaCargila) te volgen. Ook de twee orkestrale werken die op het programma stonden, liepen gesmeerd. De niet door Mahler gecompleteerde versie van  zijn Tiende Symfonie wordt door veel dirigenten niet uitgevoerd omdat het geen ware vertegenwoordiging kan zijn van Mahler. Het door Mahler vrijwel gecompleteerde Adagio wordt door velen echter wel gespeeld. En de pracht van deze muziek leidt er toch zeker toe dat dit geen slechte beslissing is. Het orkest speelde ook de bewerking van Britten van het Scherzo (tweede deel) van Mahler's Derde Symfonie getiteld 'What the Wild Flowers Tell Me'. Dit verwijst naar de Duitse programmatitel die Mahler aan dit deel had meegegeven: 'Was mir die Blumen auf der Wiese erzählen'. De reden voor deze bewerking lag in het feit dat in die tijd (Britten maakte de bewerking in 1941) de symfonieën van Mahler, met name de 3e, door de enorme bezetting amper werden uitgevoerd. Dat was bijvoorbeeld ook de reden voor de orkestrale bewerking van de opera's van Wagner. In deze tijd geldt dat natuurlijk niet meer waardoor de bestaansgrond en noodzaak tot uitvoeren van deze bewerkingen minder evident is. Binnen het gekozen programma pastte het echter prima.

Het concert eindigde met een absoluut hoogtepunt van samenspel tussen orkest, dirigent, mezzosopraan en dansers. Op Mahler's vroege 'Lieder eines fahrendes Gesellen' maakte Jiri Kylián een choreografie bestaande uit vijf duetten voor tien dansers. Deze choreografie werd in 1982 in première gebracht door het Nederlands Dans Theater I. Nu in 2011 was het de beurt aan het Nederlands Dans Theater II dat een vooruitstrevende kweekvijver van danstalent (tot 23 jaar)  is en repertoire danst van gevestigde choreografen en nieuwe creaties van opkomende choreografietalenten. De warme en heldere orkestrale klank gecombineerd met de prachtige stem van Cargill en de uitmuntende choreografie perfect gedanst door het NDT II met ook nog eens een zeer passende belichting maakte dit concert buitengewoon memorabel. Het bevestigde ook meteen de meerwaarde van het Residentie Orkeste en de unieke culturele omgeving van Den Haag waarbij een dergelijke samenwerking tussen dans en orkest mogelijk is. Het bevestigde voor mij tevens de resultaten van de 'Atlas voor gemeenten' waar Binnenlands Bestuur (20/2011) over bericht: culturele instellingen in een stad leveren de gemeente veel meer op dan dat ze aan subsidies kosten. In een stad met een groot cultureel aanbod zijn huizen meer waard, geven bewoners en bezoekers meer geld uit, willen mensen graag wonen en bedrijven vestigen zich er graag.

Het Residentie Orkest kan terugkijken op een geslaagde week 'Mahler in Den Haag' met een absoluut hoogtepunt als afsluiting!

'The Maestro Myth. Great Conductors in Pursuit of Power' van Norman Lebrecht


Wanneer je niet gefascineerd bent door (klassieke) muziek in het algemeen en dirigenten in het bijzonder en je bent geen liefhebber van een anecdotisch (lees: roddelachtig) boek stop dan met lezen en kijk elders in dit blog voor iets van je gading. Want dat in een notendop is 'The Maestro Myth' van Norman Lebrecht. Lebrecht is een commentator op het gebied van cultuur en (klassieke) muziek (zie http://www.normanlebrecht.com/). Zijn columns zijn stevig geopinieerd en lezen soms als de Privé of Story van de klassieke muziek. Dit heeft geleid tot een aantal boeken van zijn hand over de klassieke muziek(industrie) en een paar romans. 'The Maestro Myth' is voor het eerst in 1991 uitgegeven en is alleen nog tweedehands verkrijgbaar. De editie die ik (inmiddels voor de tweede keer) heb gelezen stamt uit 1997 en betreft een geactualiseerde versie. In 2001 is de laatste geactualiseerde versie verschenen. De afbeelding bij deze blog betreft de 2001-editie.

Na het boek gelezen hebben, zal iedereen begrijpen waarom Lebrecht naast commentator ook provocateur wordt genoemd. 'The Maestro Myth' is bedoeld als geschiedenis van de dirigent en poogt antwoord te geven op de vraag waar alle grote dirigenten zijn gebleven. Lebrecht schetst een geschiedenis van een professie die dienstbaar en onzichtbaar begon en eindigde in supersterrenstatus waardoor iemand als Herbert von Karajan in 1989 een erfenis van ruim 200 miljoen pond kon nalaten. Alleen al voor deze geschiedenis en de anecdotes waarmee Lebrecht deze geschiedenis vertelt, is het boek meer dan het lezen waard. Zo komen alle bekende dirigenten langs: van Von Bülow via Nikisch, Richter, Mahler, Strauss naar Toscanini, Furtwängler, Böhm, Knappertsbuch en Von Karajan, Haitink, Solti, Bernstein en Boulez en vele anderen.

Zoals gezegd zit het boek vol met anecdotes tegen het roddelachtige aan. Zo kan je lezen dat Walter Legge, beroemde platenproducter voor EMI en ontdekker van Von Karajan, na zijn ontslag werd gesignaleerd in de wachtkamer van het kantoor van Von Karajan en meldde 'Ich bin drei Tage ante-chambriert'. Von Karajan hielp de man, die hem als geen ander geholpen had, niet en Legge zou nooit meer aan de bak komen. Tevens gaat het boek ook in, het kan ook bijna niet anders, op de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog en hoe dirigenten zich in Duitsland opstelden. Knappertsbusch was daarbij het meest gevat. In Nederland vroeg hij aan een Duitse diplomaat of hij ook een 'Muss-Nazi' was. Deze opmerking kostte hem zijn aanstelling in München. In een ander boek, over de dirigent Rudolf Kempe, staat een nog gevattere opmerking opgetekend. Na de oorlog schijnt Knappertsbusch gezegd te hebben bij het aantreden bij een orkest: 'Zo daar zijn we weer na duizend jaar' (verwijzend naar het Derde Rijk dat duizend jaar zou duren).

Hoewel ik het boek aan allen geïnteresseerd in klassieke muziek en dirigenten van harte kan aanbevelen, moet me wel van het hart dat de conclusie van het boek en de persoonlijke voorkeuren van Lebrecht nogal storen. Lebrecht concludeert dat met de supersterrenstatus van de generatie van Von Karajan een einde is gekomen aan de goede dirigenten en dat de hele industrie wordt beheerst door geld gevoed door de agenten van de dirigenten. Niet in de laatste plaats Ronald Wilford van Columbia Artists Management Inc. (CAMI) die als een alleenheerser van de klassieke muziek wordt bestempeld in een hoofdstuk die met de titel 'The Master of Them All?' weinig tot de verbeelding overlaat. Hoewel de echte top van dirigenten nog steeds bestaat uit een voorgaande generatie (niet in de laatste plaats onze eigen Bernard Haitink), staat er toch echt een grote jonge garde klaar om het langzamerhand over te nemen. Weliswaar met een andere insteek en een andere plek die klassieke muziek inneemt, maar zo is iedere periode anders. Ik ben benieuwd of Lebrecht wanneer hij het boek nu opnieuw zou uitbrengen nog steeds dezelfde conclusie zou trekken. Het lijkt toch meer een momentopname gekleurd door eigen voorkeuren. Die eigen voorkeuren storen nog wel eens. Zo is wel erg duidelijk dat hij Von Karajan niet hoog heeft zitten, indifferent is richting Haitink en Rattle (die toen nog lang niet begonnen was bij de Berliner Philharmoniker) niet anders kan dan prijzen. Toch moet dat niemand weerhouden om dit boek te lezen, maar neem het wel met een korreltje zout!

donderdag 19 mei 2011

Concert 18 mei 2011: Mahler door het Duitse brein met het Italiaanse hart


Mahler: Totenfeier, Symphonische Dichtung für grosses Orchester
Mahler: Das Lied von der Erde

Anna Larsson (alt), Robert Dean Smith (tenor)
 Koninklijk Concertgebouworkest, Fabio Luisi
Concertgebouw, Amsterdam

Fabio Luisi wordt 'de dirigent met het Duitse brein en het Italiaanse hart' genoemd. Dit lijkt sinds kort mode aangezien de nieuw voorgedragen ECB-chef, Mario Draghi, juist de Italiaanse bankpresident met het Duitse hart wordt genoemd. In beide gevallen is het een groot compliment. Tijdens het voorlaatste concert van de Mahlerserie van het Koninklijk Concertgebouworkest werd volstrekt duidelijk waarom Luisi deze geuzentitel verdient. Op de lessenaar stonden twee werken: het symfonische gedicht Totenfeier dat Mahler later omvormde tot het eerste deel van zijn Tweede Symfonie en zijn symfonische liedercyclus Das Lied von der Erde.

De Tweede Symfonie is één van mijn favoriete symfonieën van Mahler en niet in de laatste plaats vanwege het indrukwekkende eerste deel. Wie de Tweede kent, zal vrijwel alles in het originele symfonische gedicht herkennen. De orkestratie en instrumentatie zijn voor de symfonie uitgebreid. Normaliter luister ik Totenfeier wel, maar geef ik de voorkeur aan de symfonische versie. Vanavond zeker niet. Met een agressief temperament en tempo en een bijna-Wagneriaanse klank gaf Luisi een indrukwekkende Totenfeier ten gehore. Door zijn aanpak meende ik het begin zelfs Wagner's  Ring te horen, met name Die Walküre en Siegfried. Transparant en temperamentvol was het effect van Luisi's energieke dirigeren dat bij tijd en wijle (fysiek) deed denken aan de dirgeerstijl van de onlangs overleden dirigent van o.a. het Nederlands Philharmonisch Orkest Yakov Kreizberg. Luisi maakte hiermee zijn geuzentitel waar: zonder zijn afkomst te verloochenen maar met medeneming van zijn Duitse carrière. Op dit moment is Luisi namelijk chef van de eminente Staatskapelle Dresden en de Semper Opera aldaar. Vanaf het seizoen-2012/2013 wordt hij ook chef van de opera van Zürich.

Das Lied von der Erde is een cyclus van zes liederen gebaseerd op Chinese gedichten voor alt en tenor. Hoewel Mahler ook schijnbaar een uitvoering toestond met tenor en bariton. Een mogelijkheid waar Leonard Bernstein gebruik van gemaakt heeft door Das Lied op te nemen met Dietrich Fischer-Diskau en James King. Deze opname is zeer aan te raden, zoals eigenlijk elke opname met James King aan te raden is. Das Lied is zo symfonisch van aard dat het terecht onderdeel uitmaakt van de Mahler-serie van het KCO en door Mahler zelfs, om de vloek van de Negende Symfonie die alle grote componisten trof te ontlopen, werd aangeduid als één van zijn symfonieën. Hoewel ik naar Amsterdam kwam voor Das Lied von der Erde was het hoogtepunt toch echt voor de pauze. Luisi stelde bij Das Lied niet teleur met een prachtige orkestrale klank en begeleiding van de solisten. Solisten die mij allebei tegenvielen. De zang van tenor Robert Dean Smith - wellicht kampend met stemproblemen of een klein griepje? - kwam geforceerd over. Hij kwam met moeite over het orkest heen en was ook in de delen met minimale muzikale begeleiding niet altijd goed hoorbaar. Daarbij leek zijn timing ook vaak het net niet. Alt Anna Larsson daarentegen heeft een prachtige stem en de balans tussen haar en orkest was goed, maar op de een of andere manier wilde het mij niet raken. Kan gebeuren, je kunt nu eenmaal niet ieders smaak zijn. Dat is dan mijn particuliere opvatting, voor Robert Dean Smith is deze uitweg er helaas niet. Al met al een prachtige avond, misschien juist wel door die onverwacht goede en meeslepende uitvoering van Totenfeier.

Overigens is het voor de Mahlerliefhebber interessant om te weten dat op deze sterfdag van Gustav Mahler in de Nieuwe Kerk te Den Haag de première was van de Nederlandse hertaling van Das Lied von der Erde door Jan Rot uitgevoerd door het Residentie Orkest.

zondag 15 mei 2011

Concert 13 mei 2011: Mahler's Negende door Bernard Haitink


Mahler: Symfonie Nr. 9

Koninklijk Concertgebouworkest, Bernard Haitink
Concertgebouw, Amsterdam

'Die Symphonie muss sein wie die Welt. Sie muss alles umfassen' heeft Gustav Mahler (1860-1911) ooit gezegd. En wie zijn repertoire maar een beetje kent, snapt meteen wat hij er mee bedoelt. Zijn oeuvre bestaat, naast een aantal prachtige cycli van liederen, vrijwel volledig uit zijn symfonieën. Het feit dat in 2010 het 150 jaar geleden was dat hij is geboren en het dit jaar 100 jaar geleden is dat hij (veel te vroeg) is gestorven, gaat aan de wereld van de klassieke muziek niet ongemerkt voorbij. Zowel in 2010 als in 2011 staat Mahler in alle concertzalen veelvuldig op de lessenaar. En dat was in de jaren voor 2010 ook al niet gering. En dan te bedenken dat hij pas in de tweede helft van de 20e eeuw door het grote publiek herontdekt is, niet in de laatste plaats in Nederland. 

Nederland kent sinds Mengelberg, tijdgenoot en groot promotor van Mahler, een Mahler-traditie. Het Koninklijk Concertgebouworkest heeft dit met kracht ondersteund door in 2010 en 2011 alle symfonieën van Mahler en Das Lied von der Erde uit te voeren. Ik ben in de gelukkige omstandigheid in het bezit te zijn van dit abonnement en heb inmiddels 9 symfonieën onder louter topdirigenten (Harding, Jansons, Fischer, Gatti, Maazel & Boulez) mogen horen. De hoogtepunten van de serie zijn zonder twijfel de uitvoeringen door de eigen chef-dirigent Mariss Jansons die zowel in de 2e, 3e als 8e symfonie schitterde. De eerste twee zijn inmiddels op het huislabel RCO Live uitgebracht. Toch bleek dat het echte hoogtepunt plaats vond op vrijdag 13 mei: Mahler's Negende onder voormalig chef-dirigent van het KCO Bernard Haitink. 

De combinatie van Mahler en Haitink staat synoniem voor prachtige, subtiele en krachtige vertolkingen. Een terechte reputatie die begon met zijn Mahlercyclus in de jaren zestig en zeventig voor Philips met het KCO gevolgd door talloze uitvoeringen en opnames met o.a. de Berliner Philharmoniker en het Chicago Symphony Orchestra. Zelf ben ik al jarenlang groot bewonderaar van Haitink. Naast de vele opnames van hem in mijn bezit heb ik hem inmiddels al vijf keer mogen zien optreden. Stuk voor stuk prachtige avonden met o.a. de Negende van Bruckner, de concertante uitvoering van de eerste Akte van Wagner's Die Walküre, de Kerstmatinee 2009 en zijn 'signature'-muziekstuk La Mer van Debussy.

Deze vijfde 'ontmoeting' met Bernard Haitink, met Mahler's Negende op de lessenaar,  was fenomenaal. Deze laatste volledig gecomponeerde symfonie van Mahler is meer ingetogen dan de andere symfonieën en lijkt ook het meeste vooruit te blikken op de overgang naar atonaliteit die Schönberg uiteindelijk zou bereiken. Het is daarom niet verrassend dat vele muziekkenners ervan uitgaan dat had Mahler langer geleefd hij het pad naar de atonaliteit zou hebben geëffend. Haitink's uitvoering was prachtig in subtiliteit en transparantie en leidde tot een spanning en intensiteit die het Concertgebouw, zeker in het laatste deel, volledig in z'n greep hield. Je kon - en dat is redelijk uniek - letterlijk een speld horen vallen. Het duurde daarom ook lang voordat het applaus op gang kwam. Iedereen, Haitink en de geweldige spelers van het KCO voorop, moest de muziek een plek te geven voordat de zeer terechte waardering kon worden geuit. Het leidde tot een langdurige staande ovatie waarbij Haitink bij één van de laatste 'curtain calls' de partituur omhoog hield en daarmee aangaf: het applaus is bedoeld voor de componist en zijn prachtige compositie. Dat is zeker zo, maar de compositie klonk zelden zo goed en werd zo intens beleefd als onder Haitink. Hij wordt helaas steeds ouder en de kenmerkende lange trap op en af gaat niet meer, maar hij musiceert nog steeds als de beste. Met Haitink heeft Nederland een dirigent van wereldklasse die terecht in binnen- en buitenland geroemd wordt.

zaterdag 14 mei 2011

'The City of Falling Angels' van John Berendt


Tijdens mijn vakantie in de V.S. was ik in Washington, D.C. In de indrukwekkende National Gallery of Art was een prachtige tentoonstelling over Venetiaanse stadsgezichten, Vedute, geëxposeerd. Deze tentoonstelling, 'Canaletto and his rivals', was gericht op de Vedute van Giovanni Antonio Canal (1697-1768), beter bekend als Canaletto, en die van zijn rivalen. In de museumwinkel lagen allemaal boeken  gerelateerd aan Venetië in de ramsje waaronder 'The City of Falling Angels' van John Berendt. Na het uitlezen van de biografie van Roald Dahl (zie de blog hieronder) heb ik me ondergedompeld in het Venetië van John Berendt. John Berendt, bekend van 'Midnight in the garden of good and evil', is een schrijver van non-fictie die realiteit verwoordt tot prachtige boeken.

'City of Falling Angels' begint met de brand van 29 januari 1996 die het Venetiaanse operahuis 'La Fenice' (de feniks) in de as legt. De ontwikkelingen rondom deze brand vormen de achtergrond voor een  beschrijving van de aparte Venetiaanse wereld waar een keur van inwoners en hun verhalen door John Berendt verteld worden. Daaruit blijkt dat Venetië, juist vanwege haar glorierijke verleden als regionale grootmacht, een volstrekt eigen cultuur en identiteit kent. De titel verwijst overigens naar het briefje met de tekst 'Pas op voor vallende Engelen' die een inwoner van Venetië had opgehangen bij de Santa Maria della Salute-kerk voor de restauratie van deze marmeren ornamenten in de jaren zeventig. Dit zegt overigens ook veel over de bijzondere bureaucratie en de weinige effectiviteit ervan die in Venetië heerst.

Ondanks dat het non-fictie betreft en alle karakters echt zijn, lees het boek als een fijne roman waarin John Berendt verslag doet van zijn jarenlange verblijf in Venetië. Tijdens dit verblijf volgt hij de ontwikkelingen rondom de brand in 'La Fenice' en de nasleep ervan en hij spreekt hij met veel van de atypische inwoners van Venetië die de stad kleur geven. Van meesterglasblazer Archimede Seguso en  Larry Lovett (voorzitter van de Amerikaanse 'Save Venice' stichting ter ondersteuning van het Venetiaanse erfgoed) tot de Venetiaanse adel wier voorouders de 'Dogen' van Venetië waren.

Wat mij betreft is het boek een mooie introductie op Venetië en prachtige schets van het Venetiaanse leven met als rode draad de brand in 'La Fenice'. Het leidt er voor mij toe dat ik zeker meer zal lezen over de rijke Venetiaanse geschiedenis.

'Storyteller. The Life of Roald Dahl' van Donald Sturrock


Zoals zovelen ben ik opgegroeid met de magische en fantastische (kinder)boeken van Roald Dahl. Van Sjakie en de Chocoladefabriek en Matilda tot De Heksen: het zijn prachtige, grappige en macabere voorbeelden van het talent van Roald Dahl. Toen ik wat ouder was heb ik ook wat van zijn andere werk gelezen waaronder zijn korte verhalen. Het is dus geen wonder dat bij het uitkomen van dit boek, en een zeer lovende recensie in The Economist, ik niet anders kon dan 'Storyteller. The Life of Roald Dahl' van Donald Sturrock kopen en meteen lezen.

Met heel veel plezier heb ik dit boek tijdens een vakantie in de VS gelezen en kan het boek niet anders dan aanraden aan allen die genieten van Roald Dahl en/of een goede biografie. En dat is in dit geval best bijzonder omdat Donald Sturrock de officiële biograaf van Roald Dahl is. Hij heeft Dahl in zijn laatste jaren, toen hij zelf net begon als documentairemaker, ontmoet en is gesanctioneerd als biograaf door de nabestaanden. Meestal levert een officiële biograaf een (te) positief verhaal dat de scherpe kantjes wegpoetst en een gebalanceerd verhaal onmogelijk maakt. Sturrock is er echter in geslaagd om in bijna 700 pagina's een extreem leesbare biografie te schrijven dat geen van zijn (vele) onhebbelijkheden achterwege laat en toch leidt tot een sympathiek portret waardoor je na het lezen meer van Dahl weet en zijn werk ook beter kan plaatsen. Zo wist ik zelf weinig van zijn avonturen in de V.S. tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn vriendschap met Henry A. Wallace, vice-president onder Franklin Delano Roosevelt. Maar ook zijn nauwe banden met de Amerikaanse filmindustrie en de uiteindelijk niet voltooide film van de RAF-legende over 'gremlins' met Walt Disney geven een fascinerende inkijk in zijn carrière. Hij blijkt over niet alleen een meester van fictie in zijn eigen boeken te zijn: de verhalen die hij zelf vertelde over zijn eigen leven kenden ook vaak een hoge mate van fictie. Zoals The Economist schrijft: 'As Mr Sturrock explains, he had no compunctions about rewriting history and using “a liberal measure of embroidery”. “Shot Down Over Libya”, his first published work, an account of his plane crash in the second world war, would have been more accurately titled “Veered Off Course Over Desert Before Disastrous Emergency Landing”. But the former made a better story.'

Het leven van Dahl, dat veel (persoonlijke) tegenslagen kende waaronder de dood van één van zijn dochters, de hersenbloeding van zijn vrouw (en bekende actrice) Patricia Neal en een gruwelijk ongeluk van zijn zoon die deze tenauwernood overleefde, is duidelijk van grote betekenis geweest voor zijn loopbaan als succesvol schrijver waarbij zijn kinderboeken hem hebben gedefinieerd. Daarbij ook veel frustratie aan zijn kant over het feit dat zijn wens om ook als schrijver voor volwassenen serieus te worden genomen niet gehonoreerd is. Die ene grote roman is er nooit gekomen, het bleef bij een collectie (zeer sterke) korte verhalen.

Kortom: het leven van Dahl zelf is terecht de basis voor een geweldig boek dat geen enkele fictie nodig heeft.