donderdag 25 juli 2013

'De Afvallige' van Jan van Aken


Het Romeinse Rijk is een dankbare bron voor geschiedschrijvers. Dat is natuurlijk niet zo vreemd gezien de uitgestrektheid en duur van de Pax Romana. Een imperium dat zich op haar hoogtepunt strekte van het hedendaagse Syrië in het Oosten tot Noord-Engeland in het Westen. Juist ook de ondergang van dit rijk fascineert tot op de dag van vandaag. Een ondergang die gemakshalve wordt vastgesteld op 476 na Christus met het afzetten van de laatste keizer Romulus Augustulus. In werkelijkheid was het Romeinse Rijk al opgedeeld in een westelijk en oostelijk deel en duurde de doodstrijd al meer dan een eeuw voordat het doek definitief viel. Overigens zou het Romeinse Rijk nog voortleven in het Byzantijnse Rijk (het Oost-Romeinse Rijk en erfgenaam van Rome) dat pas zou eindigen in 1453 met de val van Constantinopel. 

Niet alleen zijn de Romeinen een dankbaar onderwerp voor historici, maar ook een inspiratiebron voor de wereldliteratuur. Een inspiratie die allerhande vormen heeft aangenomen: van de semi-fictieve biografieën van Claudius (I, Claudius en Claudius the God van Robert Graves), Hadrianus (Herinneringen aan Hadrianus van Marguerite Yourcenar) en Julianus (Julian van Gore Vidal) tot aan fictieve verhalen met als backdrop de Romeinse tijd zoals de boeken van Robert Harris over Cicero (Imperium en Lustrum) en The Last Legion van Valerio Massimo Manfredi die de val van het West-Romeinse Rijk koppelt aan de legende van Koning Arthur. Tot op heden was de literaire vertaling van 'Rome' vooral een niet-Nederlands feestje. Jan van Aken maakt hier korte metten mee met de recent verschenen roman De Afvallige.

Van Aken vertelt op knappe wijze zijn verhaal tegen de achtergrond van de neergang van het Romeinse Rijk in de periode van 360 tot 378 na Christus. In deze periode komt Julianus ('De Afvallige') op de troon die in tegenstelling tot zijn voorgangers het christelijke geloof, door Constantijn als het geloof van het Romeinse Rijk vastgesteld, niet aanhangt, maar weer ruimte geeft voor de oude 'heidense' praktijken met de (half-)Goden van het klassieke Rome. Zijn korte bewind eindigt tijdens een veldtocht tegen de Perzen waarbij hij dodelijk wordt geraakt door een speer. Een speer waarbij het altijd de vraag is gebleven of deze door de vijand van buiten of een Christelijke vijand van binnen is gegooid. Deze instabiele periode eindigt met de dood van keizer Valens in de slag bij Adrianopel in 378 waarbij een groot Romeins leger gruwelijk verslagen wordt door de Goten die het Romeinse Rijk zijn binnengevallen als reactie op de oprukkende Hunnen. Dit alles zou een kettingreactie veroorzaken die zou eindigen in de val van het West-Romeinse Rijk. Voor de liefhebber die meer willen weten over het einde van het Romeinse Rijk en de oorzaken ervan is het uitstekende The Fall of the Roman Empire van Peter Heather zeer aan te bevelen.

De moord op Julianus is voor Van Aken de aanjager voor een verhaal dat zich afspeelt in diverse hoeken van het Romeinse Rijk en verschillende momenten in de tijd. De enige houvast die de lezer heeft, is dat de hoofdpersonen met elkaar verbonden en gecentreerd zijn rondom de mysterieuze Swintharik en de geestelijke Vitalis. In grote lijnen speelt het verhaal zich af rondom de groep om Vitalis en de aanloop naar de moord op Julianus waarbij Vitalis' groep, en in het bijzonder Swintharik, is betrokken. Daarnaast speelt een groot deel van de actie zich af in de aanloop naar de slag bij Adrianopel waar de moord op Julianius een bijrol speelt aangezien voorspeld is dat de moordenaar van Julianus soelaas kan bieden in de strijd tegen de Goten. Dit alles tegen de achtergrond van de voortdurende geloofsstrijd binnen het Romeinse Rijk. De avonturen van Swintharik zijn de kern van het verhaal en vormen de aanleiding voor de hoofdrolspelers om elkaar in beide tijdvakken continu tegen te komen. Daarbinnen neemt Van Aken ook nog de ruimte om flashbacks te situeren zodat de achtergrond van de diverse personages inzichtelijk wordt gemaakt. Dit alles klinkt redelijk onoverzichtelijk en wanneer je begint met lezen, vraag je je af hoe je de rode draad in de smiezen houdt. En de uitgekiende wijze waarop Van Aken dit doet is, naast zijn innemende beschrijving van de Romeinse wereld en vloeiende pen, is de reden om dit boek te lezen. Dat de verhaallijnen en de (hernieuwde) ontmoetingen van de hoofdpersonen in een dermate uitgestrekt wereldrijk soms wel heel erg toevallig zijn, neem je op de koop toe. Zonder meer een aanrader en een prachtige toevoeging op de  literaire verbeelding van het Romeinse Rijk.

donderdag 18 juli 2013

'Dawn, Dusk or Night. A Year with Nicolas Sarkozy' van Yasmina Reza


In de aanloop naar de afgelopen Franse presidentsverkiezingen volgde Laurent Binet (bekend van zijn droomdebuut HhhH) de socialistische kandidaat François Hollande die uiteindelijk Nicholas Sarkozy zou verslaan en daarmee president van Frankrijk werd. In Niets gaat zoals verwacht  spreekt Binet een aantal keer de angst uit dat zijn boek zal worden vergeleken met dat van Yasmina Reza die bij de vorige presidentsverkiezingen ook de winnaar volgde: Nicolas Sarkozy. 

De aanleiding voor de angst van Binet was overigens niet onterecht. Reza is in Frankrijk een bekende (toneel)schrijver en actrice die haar naam vestigde met het toneelstuk Le Dieu du Carnage, een toneelstuk dat overigens nog bekender is gemaakt door de geslaagde verfilming ervan door Roman Polanski als Carnage met o.a. Jodie Foster in de hoofdrol. De angst van Binet en mijn voorliefde voor politieke (campagne)boeken deden mij Reza's verslag van de campagne van Sarkozy kopen. Naast de oorspronkelijke Franse versie is er (gelukkig!) ook een Engelstalige versie verschenen: Dawn, Dusk or Night. A Year with Nicolas Sarkozy

Voor dit boek geldt meteen een waarschuwing vooraf. Wie een chronologisch helder verslag van een politieke campagne zoekt waarbij ook de context van de campagne geduid wordt, moet vooral verder zoeken. Reza kiest voor een ongebruikelijke impressionistisch verslag van de periode dat ze Sarkozy volgt: van de phoney war tot het moment dat hij zich meldt voor de primaries van zijn partij UMP tot het moment dat Reza haar laatste gesprek voert met Sarkozy wanneer hij inmiddels president is en zetelt in het Palais d'Élysée in Parijs. Het boek bestaat eigenlijk uit een aaneenschakeling van impressies van Reza die variëren van de kleding die Sarkozy draagt tot de het wezen van de politiek. En hoewel veel van de namen die langskomen via voetnoten worden toegelicht, is een behoorlijke kennis van de Franse politieke en haar leidende politici nodig om hetgeen wordt besproken te duiden. Daarbij doet zich ook het euvel voor dat bij lezen van de tekst lang niet duidelijk is welke persoon wat zegt. Het kan zomaar zijn dat in dezelfde alinea meerdere personen, waaronder Reza zelf, aan het woord komen die allemaal met 'ik' worden aangeduid. 

Hoewel bovenstaande nu niet echt tot aanbeveling van het boek strekt, is het gekke ervan wel dat je continu het boek erbij pakt om verder te lezen. Reza weet je dus wel te grijpen, zonder dat precies duidelijk wordt wat ze allemaal heeft gezien, wat dit betekent en wat je er als lezer mee moet. Opvallend daarbij is overigens dat Sarkozy er zeker niet slecht vanaf komt. Opvallender is misschien wel dat zijn tegenstander - Ségolène Royal van de Parti Socialiste (PS) -  amper genoemd wordt. Dat zegt misschien ook wel iets over de campagne. Want hoewel Sarkozy tot dezelfde partij hoort als de toen vertrekkende en langzittende president Jacques Chirac is hij door het electoraat, en zijn eigen partij, toch altijd gezien als een outsider en daarmee een breuk met zijn voorganger. Inmiddels heeft Sarkozy het Élysée moeten verlaten en heeft Hollande zijn intrekt genomen. Gelijk zijn voorganger dalen zijn populariteitscijfers snel na zijn intrek en lijkt een succesvol presidentschap nog ver weg. Sarkozy lijkt zich in de coulissen al voor te bereiden om de eenheid in de uiteengevallen UMP te herstellen en in 2017 een poging te wagen om alsnog een tweede termijn president van Frankrijk te worden. 

Wellicht dat in de aanloop naar 2017 nieuwe schrijvers zich melden voor het schrijven van een boek over een Franse politieke campagne, want ondanks de bijdragen van Binet en Reza is er nog alle ruimte voor een definitief Frans campagneportret. Want voor dit boek van Reza geldt toch eigenlijk wel dat het aanspreekt voor de echte politieke junkies met een grote interesse in de Franse politiek. Voor alle andere geïnteresseerden blijft Haags Duet. Verslag van de verkiezings- en formatieperiode een grote aanrader. In dit duodagboek van VVD-lijsttrekker Frits Bolkestein en NOS-verslaggever Margriet Brandsma worden de verkiezingen en formatie van 1998 vanuit hun perspectief gevolgd. Het zal moeilijk zijn om dit boek nog op te sporen, maar je krijgt er geen spijt van. En anders kan altijd nog Race of a Lifetime. How Obama won the White House van John Heilemann en Mark Halperin aangeschaft worden. Heilermann en Halperin geven hier een prachtige behind the scenes-verslag van de Democratische en Republikeinse primaries en de eindstrijd voor het presidentschap tussen Barack Obama en John McCain. 

zondag 14 juli 2013

'Of Mice and Men' van John Steinbeck


Kan de verantwoordelijkheid voor de dood van een goede vriend een uitdrukking van vriendschap zijn? Deze thematiek van euthanasie avant la lettre is slechts één van de thema's die John Steinbeck aanstipt in Of Mice and Men. Een thema dat vandaag de dag nog steeds tot verhitte discussies zou leiden, maar door Steinbeck al in 1937 naar voren werd gebracht in deze novelle. 

John Steinbeck (1902-1968) is één van de grote namen uit de Amerikaanse literatuur en de titels van zijn meest belangwekkende werken zijn overbekend: The Grapes of Wrath, East of Eden en deze Of Mice and Men. Via het tragische verhaal van George en Lennie, twee rondzwervende arbeiders in het zuiden van Californië, werkt Steinbeck de betekenis en gevolgen van vriendschap uit. Een uitwerking tegen de achtergrond van zijn geboortegrond: de Salinas Valley. De vriendschap van George en Lennie lijkt in veel opzichten op een vader/zoon-relatie. De boomlange en immens sterke Lennie is niet al te snugger en vertrouwt volledig op de tengere, kleine maar vooral slimme George. Samen zwerven zij als landarbeiders for hire het zuiden van Californië af op zoek naar een nieuwe werkgever. Hun uiteindelijke doel is om genoeg geld bij elkaar te sparen zodat zij samen een kleine boerderij kunnen aanschaffen waar zij de rest van hun leven als meester van hun eigen leven kunnen doorbrengen.

De novelle van Steinbeck is doordrenkt met het verlangen naar de American Dream. Een verlangen dat niet alleen door George en Lennie wordt gevoeld, maar ook de andere personages die zij bij de start van een betrekking bij een nieuwe werkgever tegenkomen. Een American Dream die overigens vooral tot uiting komt in de wens tot zelfbeschikking. Een zelfbeschikking die in tijdens van de Great Depression voor vele Amerikanen onhaalbaar is. Daarbij schets Steinbeck het leven van en de onderlinge verhoudingen tussen de diverse landarbeiders die afhankelijk zijn van hun werk en leven van dag tot dag. Voor de enige zwarte landarbeider is deze zelfbeschikking nog verder weg dan voor zijn collega's: zijn huidskleur zet hem op permanente achterstand. 

Daar waar voor George de aankoop van een eigen boerderij de deur opent naar zelfbeschikking geldt voor Lennie eigenlijk alleen zijn meer kinderlijke beeld dat dit hem in de gelegenheid stelt om konijnen te houden en die de hele dag door te kunnen aaien. Een voorliefde die voor menig object van zijn affectie fatale gevolgen heeft aangezien Lennie geen besef heeft van zijn kracht. George houdt hem daarbij op het goede pad en vanwege de angstige inborst van Lennie wordt deze zelden agressief en zijn - althans voor mensen - fatale gevolgen nog uitgebleven. 

Hoewel George en Lennie zich redelijk makkelijk aanpassen aan hun nieuwe werk- en leefomgeving komen zij terecht in een situatie die uiteindelijk fataal zal blijken. De zoon van de eigenaar heeft losse handjes, een opvliegend karakter en een vrouw die de huwelijkse trouw niet hoog heeft zitten. Dit leidt tot veel achterdocht bij deze Curley die hij op een avond botviert en waar Lennie het ongewilde en onbedoelde slachtoffer van wordt. Curley ziet zijn confrontatie met Lennie beloond met een verbrijzelde hand. Toch lijkt dit alles niet het einde in te luiden van de droom van George en Lennie die - paradoxaal genoeg - dichterbij lijkt te komen door één van hun collega's die vanwege een ongeluk met zijn hand relatief bemiddeld is en graag partner wil worden in hun American Dream

Helaas voor George en Lennie loopt alles anders dan gepland waarmee meteen ook de titel van deze novelle is geduid. Steinbeck baseerde zich hierbij op een strofe uit het gedicht To a Mouse van Robert Burns (1759-1796) 'The best laid schemes of mice and men, often go awry'. De onbedoelde kracht van Lennie heeft fatale gevolgen voor de vrouw van Curley waarna Lennie moet vluchten en George gedwongen wordt om de achtervolging in te zetten en Lennie eerder te vinden dan Curley c.s. en vervolgens de moeilijkste beslissing uit zijn leven moet nemen. George staat voor de onmogelijke keuze om zijn vriend Lennie van het leven te beroven en verder leed te voorkomen of hem over te leveren aan een wraakzuchtige maatschappij die geen compassie heeft voor de gebrekkige verstandelijke vermogens van mensen als Lennie en daarmee geen  begrip voor de ontoerekeningsvatbaarheid voor zijn daden. 

Leidse radicalen in de Gouden Eeuw: 'De Radicale Republiek' van Arthur Weststeijn



Met De Radicale Republiek schrijft Arthur Weststeijn een zeer leesbare filosofische biografie van de gebroeders De la Court en hun polemiek voor een radicale republiek en tegen de Stadhouderlijke Oranjes.

De glorietijd van de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden mag dan enkele eeuwen achter Nederland liggen, maar de invloed is tot op de dag van vandaag nog terug te zien. Nog steeds is handel de belangrijkste basis voor de voortdurende Nederlandse welvaart en is de toonaangevende Nederlandse schilderkunst in het recent heropende Rijksmuseum in de eregalerij te bewonderen. De mannen die vorm gaven aan de Gouden Eeuw zijn - soms letterlijk – niet uit het straatbeeld weg te denken. De Stadhouderlijke Oranjes, Raadspensionaris Johan Van Oldebarnevelt, de gebroeders De Witt, maar ook denkers zoals Hugo de Groot, René Descartes en Baruch Spinoza zijn onlosmakelijk verbonden met een tijdperk van grote welvaart, vrijheid van denken en politieke (wereld)macht. De namen van Pieter en Johan De La Court zijn veel minder bekend, maar getuige de biografie De Radicale Republiek. Johan en Pieter De la Court: Dwarse denkers uit de Gouden Eeuw van Arthur Weststeijn (1980) zou dit weleens onterecht kunnen zijn.

Voor velen zal de naam De la Court niet echt een belletje doen rinkelen. Hoogstens voor diegenen die – gelijk deze recensent – gestudeerd hebben aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit Leiden waarvan het gebouw waar de faculteit in gehuisvest is, vernoemd is naar Pieter de la Court. Dat overigens juist de Universiteit Leiden één van de faculteitsgebouwen vernoemd heeft naar Pieter de la Court is niet zo vreemd. Pieter en Johan de la Court waren in de zeventiende eeuw prominente inwoners van Leiden dat door de combinatie van groeiende handel en de vestigingsplaats van de universiteit één van de belangrijkste steden van de jonge Republiek was. Juist deze Pieter de la Court was in zijn geschriften een fel voorstander van vrijhandel en de academische vrijheid en daarmee een warm pleitbezorger van de universiteit.

De gebroeders De la Court waren zonen van een Vlaamse immigrant die spoedig in Leiden naam maakte en rijkdom verwierf in de florerende Leidse textielindustrie. De zoons zouden deze traditie voortzetten, maar na een uitgebreide studie en de gebruikelijke vormende reis door Europa (de Grand Tour) zich ook richten op de politiek-filosofische fundamenten van de Republiek. Toen in 1662 Johan de la Court onverwacht overleed liet deze zijn niet-gepubliceerde geschriften na aan zijn broer Pieter de la Court (1618-1685). Op basis hiervan ontwikkelde Pieter een opvatting over de inrichting van de staat en de vrijheden die daarbij zouden moeten horen. Weststeijn gebruikt in zijn boek originele citaten van De la Court die inzicht geven in zijn opvattingen en de wijze waarop die tot stand kwamen binnen de bestaande politie-maatschappelijke context van de Nederlanden.

Juist die context is van groot belang omdat anders snel de fout gemaakt kan worden dat de ideeën van vroeger gezien worden als mogelijke oplossingen voor hedendaagse kwesties. Weststeijn maakt in zijn inleiding daarom ook meteen duidelijk dat geschiedenis weliswaar leerzaam kan zijn, maar vooral om inzicht te krijgen in de afwijkende aannames die de basis zijn voor gedachten in het verleden. Daarmee worden juist onze eigen aannames in een ander daglicht gesteld en op die wijze zijn historische inzichten van belang.

Dit is een terechte waarschuwing van Weststeijn omdat de casual reader in deze geschriften (politiek) liberalisme avant la lettre zou kunnen ontdekken aangezien Pieter de la Court het eigenbelang van de burger juist niet ziet als negatief en zich uitspreekt voor vrije handel, tegen overheidsbemoeienis en een democratisch stelsel zonder monarchale trekjes. Wanneer de ideeën van De la court verder ontleed worden, is het echter duidelijk dat de versterking van de vrijhandel alleen geldt voor Holland en hij juist een pleitbezorger is van protectionistische maatregelen teneinde de Hollandse handel te beschermen. Mondiale vrijhandel is deze De la Court een doorn in het oog. Hetzelfde geldt voor zijn democratische trekken. Hij is zonder meer voorstander van volledige democratische rechten voor burgers, maar is tegelijkertijd van mening dat lang niet alle ingezetenen het burgerschap dienen te krijgen en pleit derhalve eigenlijk voor een aristocratische vertegenwoordigende democratie waarbij burgers op grond van merite (handel!) en kennis (universiteit!) hun burgerschap ontlenen. Overigens waren dergelijk noties in de tijd van De la Court natuurlijk zeer revolutionair en is niet uit te sluiten dat een hedendaagse De la Court de huidige verworvenheden zou waarderen.

De geschriften van Pieter de la Court hebben tot veel polemiek geleid in een moeilijke periode in het tijdperk van de Republiek. Daarbij laveerde de Republiek tussen een regeervorm met sterke invloed van de Stadhouderlijke Oranjes en een Republiek bestuurd door een elite. Het Rampjaar 1672 zou de terugkeer inluiden van de Oranjes en daarmee de anti-orangistische Pieter de la Court - die het Huis van Oranje betitelde als ‘Het Paard van Troje op het Binnenhof’ – op forse achterstand zetten. Daarmee is wellicht ook meteen antwoord gegeven op de vraag waarom deze Pieter de la Court nooit verder is gekomen dan naamgever van een gebouw van de Universiteit Leiden: hij bevond zich aan de losing side.

Met dank aan de zeer lezenswaardige filosofische biografie van Arthur Weststeijn worden de ideeën van de gebroeders De la Court en het intrigerende tijdperk waarin zijn leefden terecht onder de aandacht van een breder publiek gebracht.

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

vrijdag 5 juli 2013

'The Great Gatsby' van F. Scott Fitzgerald


The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald is zonder meer een klassieker van de 20e eeuwse literatuur en een wervelende verbeelding van de Amerikaanse roaring twenties

Klassieke literatuur heeft nog weleens het nadeel dat de schrijvers en hun magnum opus wereldfaam genieten, maar dat het daadwerkelijk lezen ervan beperkt blijft tot de verplichte boekenlijsten voor de middelbare school. Dit geldt met name voor de klassieke literatuur van voor de 20e eeuw - denk aan Charles Dickens, Alexandre Dumas c.s. - maar wellicht ook voor de klassieke literatuur die de 20e eeuw heeft voortgebracht. Titels als For Whom the Bell tolls (Ernest Hemingway), The Grapes of Wrath (John Steinbeck) en Brave New World (Aldous Huxley) zijn alom bekend en zullen in vele boekenkasten terug te vinden zijn, maar wellicht minder vaak gelezen worden dan de alom aanwezigheid doet vermoeden. The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald (1896-1940) hoort ook zeker tot deze categorie.

Recent zag ik de (zoveelste) filmadaptatie van deze Amerikaanse literaire klassieker door regisseur Baz 'Moulin Rouge' Luhrmann met Leonardo DiCaprio als Jay 'The Great' Gatsby. Wie van spektakel houdt en een visuele over the top representatie van de roaring twenties in de Verenigde Staten (door Fitzgerald overigens betiteld als de Jazz Age) hoeft niet verder te kijken dan deze getrouwe verfilming van het boek dat zelfs deels gebruik maakt van letterlijke citaten. Juist naar aanleiding van deze film kocht en las ik The Great Gatsby en kan na het lezen van deze bondige inkijk in het leven van de Amerikaanse jet set in de crisis- en zorgeloze jaren twintig niet anders concluderen dat dit magnum opus van Fitzgerald terecht een klassieker van de moderne Amerikaanse literatuur is. Alleen al vanwege de tot de verbeelding sprekende schrijfstijl is het meer dan de moeite waard om The Great Gatsby te lezen. Zo weet F. Scott Fitzgerald prachtig de mijmering te beschrijven van de Nieuwe Wereld voordat deze ontdekt werd door Columbus en de basis legde voor de toekomstige almacht van de Verenigde Staten:
Its vanished trees, the trees that had made way for Gatsby's house, had once pandered in whispers to the last and greatest of all human dreams; for a transitory enchanted moment man must have held his breath in the presence of this continent, compelled into an aesthetic contemplation he neither understood nor desired, face to face for the last time in history with something commensurate to his capacity for wonder.
Op indrukwekkende wijze weet Fitzgerald een tableau te creëren waarbij Gatsby's buurman en vriend Nick Carraway het tragische verhaal vertelt van zijn kennismaking en betrokkenheid bij het leven van de zeer welgestelde Gatsby die voor iedereen een fascinerend mysterie is. Gatsby bewoont een immens landhuis aan de kust van het (fictieve) plaatsje West Egg op het (bestaande) Long Island voor de kust van New York. Tegenover West Egg is East Egg gelegen: de plek waar een nicht van Nick, Daisy, haar leven doorbrengt met haar zeer welgestelde man Tom Buchanan. Deze beide plaatsen zijn representatief voor de (nu in mindere mate nog steeds voortdurende) splitsing in de toenmalige Verenigde Staten tussen oud en nieuw geld. Bijzondere daarbij is dat - zeker in Europees perspectief - dit een vreemd onderscheid is. Toch bestaat zelfs in the land of opportunity een scheidslijn tussen de traditionele elite (nakomelingen van de Mayflower zeg maar) en de nieuwe rijken die door middel van hun rijkdom de oude elite op de hielen zitten. De geografische benamingen van beide plaatsen is daarbij niet toevallig: het Oosten van de Verenigde Staten is het klassieke voormalig koloniale Amerika terwijl het westen the new frontier is. 

Nick blijkt - zonder het te weten - via zijn zeer bescheiden kleine woning aan de kust van West Egg de buurman te zijn van Jay Gatsby die in New York en omgeving bekend staat om zijn wekelijkse exorbitante feesten waar iedereen voor genodigd is. De verhalen over zijn afkomst variëren van licht afwijkend van de realiteit tot aan complete fictie (hij zou een neef van Kaiser Wilhelm II zijn). F. Scott Fitzgerald laat her en der aanwijzingen achter die erop wijzen dat Gatsby zijn rijkdom vergaard heeft door bootlegging en behelst daarmee de thematiek van de drooglegging en de romantiek van de Amerikaanse georganiseerde misdaad. Want Gatsby, in de woorden van Nick Carraway (!), komt er zonder meer sympathiek vanaf in dit boek, hoewel zijn lot dat niet is. Gatsby leren we kennen als een man die een groot deel van zijn leven ten dienste heeft gesteld van het opbouwen van een imperium met het oog om na zoveel jaren weer oog in oog te kunnen komen met de liefde van zijn leven Daisy. Dezelfde Daisy die hij noodgedwongen uit het oog verloor en daarmee de weg vrijmaakte voor Tom Buchanan. Niet voor niets is het huis van Gatsby gesitueerd aan de andere kant van de baai waar het huis van Tom en Daisy is gelegen. Een groen licht aan het einde van de kade van het huis van Tom en Daisy is de fixatie van Gatsby want het representeert zijn zichtbare doch onbenaderbare liefde voor Daisy. 

Met dit gegeven creëert Fitzgerald een liefdesverhaal waarbij Gatsby zijn feesten organiseert in de hoop dat Daisy deze ooit zal bezoeken. Zij - zonder te weten wie Gatsby in realiteit is - doet dit niet en dit noopt Gatsby om Carraway te vragen om een ontmoeting tussen Gatsby en Daisy te arrangeren door Daisy voor de thee in Nick's bescheiden woning te nodigen. De ontmoeting volgt en zal grote gevolgen hebben voor met name Gatsby. Tegelijkertijd speelt op de achtergrond de ontrouw van Tom die een buitenechtelijke relatie erop na houdt met met ene Myrtle Wilson, de vrouw van een garagehouder in het arme gedeelte tussen New York en Long Island: de valley of ashes. Dit is meteen het derde thema dat Fitzgerald aanstipt: de verschillen tussen rijk en arm in het land van de American Dream. Het lot van alle betrokkenen wordt verwikkeld met die van Gatsby en leidt tot een tragische climax. 

Het knappe aan dit boek is dat Fitzgerald ervoor waakt geen woord teveel te gebruiken. Het boek is buitengewoon bondig en over ieder woord lijkt te zijn nagedacht. Dit vraagt overigens van de lezer om juist ook ieder woord aandachtig te lezen, want de schrijver zal niet snel iets twee keer zeggen of onnodig uitweiden. Door de verweving van thematiek en verbondenheid met het tijdperk van de roaring twenties schreef Fitzgerald de kwintessentiële Great American Novel. Een verhaal dat het verdient om nog steeds gelezen te worden en daarmee terecht geldt als een moderne klassieker.

Grumpy old man: 'Vroeger was alles beter, behalve de tandarts' van Jean Pierre Rawie



Jean Pierre Rawie toont zich een vermakelijke en erudiete mopperaar in de misplaatst als prozadebuut aangekondigde bundeling van zijn ‘kleine beschouwingen’.

Tot groot verdriet van Jean Pierre Rawie (1951) wordt poëzie in Nederland gezien als iets wat je ‘erbij doet’. Nu is dit wellicht iets te boud gesteld, maar een kern van waarheid kan deze constatering niet ontzegd worden. Daarbij heeft Rawie het voordeel dat zijn kenmerkende ironische en ‘donkere’ dichtstijl veelal bekender is en zijn werk meer gelezen wordt dan dat van veel van zijn dichtende collega’s.

Met Vroeger was alles beter, behalve de tandarts is geen sprake van een nieuwe dichtbundel, maar volgens het persbericht van uitgeverij Bert Bakker het ‘prozadebuut’ van Rawie. Hoewel een verzameling columns – door Rawie overigens aangeduid als ‘kleine beschouwingen’ – inderdaad geen poëzie is en daarmee inderdaad technisch sprake is van een prozadebuut, is de aanduiding natuurlijk een gotspe. De bedenker van dit persbericht zou derhalve zijn of haar zonden nog eens goed moeten overdenken, want het boek zelf wordt hier geen plezier mee gedaan. Het lezen van verzamelde columns in de veronderstelling van het lezen van een prozadebuut is – to put it mildly – niet bevorderlijk voor de ontvangst ervan. 

Los van deze communicatieve faux pas kunnen ook de nodige vraagtekens gezet worden bij het bundelen van al eerder uitgebracht werk. Hoewel de columns van bijvoorbeeld Youp van ’t Hek al jarenlang (financieel) succesvol worden gebundeld, is het natuurlijk wel een beetje vreemd om werk zo gemakzuchtig te hergebruiken, zeker wanneer columns steeds vaker vrijwel meteen na publicatie digitaal terug te lezen zijn. Vraag en aanbod komen hier natuurlijk gewoon bij elkaar, dus bedrijfsmatig zal het een zinnige propositie zijn, maar knellen doet het wel een beetje.

Overigens geldt voor de columns van Rawie deze constatering iets minder aangezien deze voor het grootste deel zijn verschenen in het Dagblad van het Noorden dat in de rest van Nederland toch een tikkeltje minder wordt gelezen. Dat is overigens begrijpelijk maar niet altijd verdiend. Kranten zoals het Dagblad van het Noorden, maar ook de Provinciale Zeeuwse Courant zijn trotse restanten van een regionale journalistieke traditie die nog steeds meerwaarde heeft.

Deze lange beschouwing voorafgaand aan de beoordeling van dit ‘nieuwe’ werk van Rawie verraadt ook dat over de inhoud ervan niet zo heel veel valt te vermelden. Dat komt enerzijds door de vluchtigheid van columns en daarmee het gebrek aan een rode draad die beschrijving verdient dan wel mogelijk maakt. Anderzijds komt dit ook doordat na het lezen van een kleine 140 columns er – althans bij deze recensent – niet zoveel is blijven hangen. Verstandig genoeg zijn de columns gegroepeerd op een aantal generieke thema’s (‘Letteren’, ‘Macht’, ‘Weleer’, ‘Kroon’, ‘Kunst’, ‘Kennis’, ‘Geloof’ en ‘Sic Transit’), maar wat vooral blijft hangen is de heerlijk ironische en erudiete beschouwing door Rawie van alles wat hem opvalt in het leven. Een aantal wel erg vaak terugkerende uitdrukkingen, waaronder met name ‘mutatis mutandis’ en ‘De Jonge Vrouw Die De Beste Jaren Van Haar Leven Aan Mij Vergooit’, is storend en te wijten aan een slordige eindredactie.

Bij het lezen van de zoveelste ‘kleine beschouwing’ van Rawie gingen mijn gedachten steeds vaker uit naar de komische BBC-serie Grumpy Old Men waarbij een groot aantal bekende Britse middelbare mannen zoals Jeremy Clarkson en Bill Nighy als een soortStatler & Waldorf allerlei alledaagse zaken op de hak nemen. Dit alles ironisch aan elkaar gepraat door narrator Geoffrey Palmer.

Voor allen die nog nooit een column van Rawie gelezen hebben en houden van een erudiete en mopperige kijk op het leven is deze bundeling een lekker tussendoortje. Abonnees van het Dagblad van het Noorden kunnen het geld in de zak houden en wachten op het echte prozadebuut van Rawie. 

Fragment uit 'Grumpy old men' van de BBC:


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.