woensdag 15 mei 2013

Lekker, even geen diepgang!: 'Skios' van Michael Frayn



Michael Frayn’s komische nieuwe boek over een persoonsverwisseling op het fictieve Griekse eiland Skios is een ideaal vakantieboek.

Vaak wanneer een boek (of een film) ‘weinig diepgang’ wordt toegeschreven, is het duidelijk dat een aanbeveling achterwege zal blijven. En toch is het soms heerlijk wanneer een goed geschreven boek juist geen diepgang kent, want uiteindelijk willen we ook gewoon vermaakt worden.

Afgelopen week zag ik de Die Hard-kloon Olympus has fallen met Gerard Butler en las ik de nieuwste roman van Michael Frayn Skios. Hoewel deze film en dit boek in volstrekt verschillende werelden ‘leven’ hebben ze één ding gemeen: een totaal gebrek aan diepgang. En wat is dat soms toch lekker.

Daar waar Gerald Butler als een poor man’s Bruce Willis in z’n eentje (en zonder greintje humor) de strijd aangaat met een Noord-Koreaanse terreurgroep die de president van de Verenigde Staten gijzelt én het Witte Huis tot ruïne reduceert, trakteert Michael Frayn ons op een hilarische persoonsverwisseling tussen de eminente geleerde Dr. Norman Wilfred en de rokkenjagende socialite Oliver Fox met als decor het zonovergoten fictieve Griekse eiland Skios. En doordat zowel Olympus has Fallen en Skios overtuigend vasthouden aan hun uitgangspunt en elke vorm van diepgang zorgvuldig wordt vermeden, leidt dit tot ongecompliceerd vermaak.

Om tot dit Nirwana van vermaak te komen, is het overigens wel van belang om niet lang stil te staan bij de onwaarschijnlijkheid van het plot. Twee personen die qua karakter én uiterlijk niet verder uit elkaar hadden kunnen liggen zijn allebei in hetzelfde vliegtuig onderweg naar Skios. Dr. Wilfred om een lezing te geven bij de Fred Toppler Foundation en Fox om een romantische vakantie door te brengen met ene Georgie die hij slechts kent van een geslaagde versierpoging in een kroeg die niet meer dan een kwartier in beslag heeft genomen. Daar aangekomen blijkt Oliver Fox per ongeluk de koffer te hebben gepakt van Dr. Wilfred die daardoor blijft wachten bij de bagageband. Tegelijkertijd staat Nikki, medewerker van de Toppler Foundation, verwachtingsvol uit te kijken naar Dr. Wilfred wanneer Fox in het vizier komt. Deze Fox is niet vies van een grapje en besluit de gedaante van Dr. Wilfred aan te nemen. Toeval wil dat de echte Dr. Wilfred juist weer voor Fox wordt aangezien en terecht komt in de vakantievilla waar niet veel later Georgie ook zal arriveren. Beide heren zullen lange tijd het leven van de ander volgen met verschillende gradaties van succes waarbij de maatschappij en haar omgangsvormen subtiel door Frayn op de schop worden genomen. 

Michael Frayn, naast een groot aantal romans ook bekend als schrijver van het scenario van het John Cleese-vehikel Clockwise, heeft met Skios een komische draai gegeven aan het thema van de persoonsverwisseling. Een thema dat in de literatuur vooral bekend is geworden door The Prince and the Pauper van Mark Twain. Het aardige aan Skios is dat het een oprecht komisch boek is, dat je vaak zal doen (glim)lachen. En hoewel de Nederlandse vertaling natuurlijk nooit helemaal recht kan doen aan de Britse understated humor, is de Nederlandse vertaling (van de hand van Dirk-Jan Arensman) er vakkundig in geslaagd om de essentie van dit boek rechtovereind te houden.

Hoewel Skios behoorde tot de longlist voor de prestigieuze Booker Prize in 2012 waren de recensies ervan behoorlijk gemengd. Vele recensenten vielen over de onwaarschijnlijkheid van het verhaal en het gebrek aan diepgang. En hoewel de gebeurtenissen in het grootste deel van het boek volgens een perfect tempo (en bovenal enorm leesbaar) verlopen, moet in alle eerlijkheid gezegd worden dat het einde wat rommelig aandoet. Dit wordt deels veroorzaakt doordat dan ook de schrijver als narrator opeens een grote rol krijgt toebedeeld. Gevolg is een einde met een hoge – en vooral onverwachte – body count en een beetje afgeraffelde beschouwing van de hoofdpersonen.

Toch mag dit alles de pret niet drukken. Wanneer je op zoek bent naar een komisch boek dat in het vliegtuig, aan het zwembad of op de camping heerlijk weg leest, kijk dan niet verder dan Michael Frayn’s Skios. Het eerste vakantieboek is binnen!

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

maandag 13 mei 2013

Opinie: European citizenship? Please don't make an effort!


Afgelopen dagen was ik in Pula (Kroatië) voor de Council Meeting van de Alliance of Liberals and Democrats for Europe (ALDE). De VVD is lid van de ALDE die de liberale partij vormt in het Europees Parlement. Als voorzitter van de partijcommissie Europese Zaken bracht ik onderstaande opinie in tijdens een seminar over 'European Citizenship':


European citizenship? Please don’t make an effort!

Imagine a European Union where all it’s citizens cheer when a EU-country wins the Eurovision Song Contest. A European Union where we all go mental when a European country wins the World Cup Soccer. I don’t imagine I will see this in my lifetime. But I also don’t expect to see The Netherlands win the Eurovision Song Contest in that timeframe either. Surviving the semi-finals is already a long shot these days. And regarding European citizenship and the relationship between national identity and a joint European identity I have to take the view that a truly European identity is not in the cards.

And although this may sound a bit Eurosceptic it is not meant to be because I firmly believe that the concept of Europe surpasses the national identity. The EU has created it’s own framework and therefore the European Union should not concern itself with ethereal concepts like European citizenship and a common European identity. We should also consider the words of Luuk van Middelaar, advisor and speechwriter to the president of the European Council who recently gave an interview to the website PressEurop.eu. Van Middelaar correctly stated that due to the Cold War and the emergence of the European Community for a long time ‘European’ meant the builders of Europe. These builders who Van Middelaar calls the ‘internal sphere’ and therefore not the people who inhabit the geographical territory called Europe. This has changed through historical developments, like the Fall of the Berlin Wall, but also due to side effects of closer co-operation like the Erasmus exchange programme.  It is my conclusion that these changes never had the sole intent to forge a European identity.

As liberals we believe that society regulates itself spontaneously and that the role of government is to support this regulation and act on behalf of the common good. This also goes for the emergence of a European identity. Although Europe shares a common history, this common history has not evolved into a European identity because Europe is still, and will be for some time, a Europe of nation states with strong national identities. The strengthening of regional and local identities is at this time a safer bet than a European identity.

However I do believe that the European Union brings together the citizens of its member states through common values like the rule of law, democracy and human rights and our common interests like the internal market and the solution of trans boundary problems. If that should spontaneously lead to some form of shared identity than that is exactly as it should be. And these shared interests and rights guaranteed by the EU make us all in some sense European citizens, but not in the classical meaning of the nation state. And let’s not forget that we all feel ‘European’ when we are in another part of the world.

What the European Union should not do, certainly in these times of austerity, is trying to emulate the nation state and forge a forced joint European identity by copying the symbols and institutions of the nation state. Of course there is the Erasmus exchange programme, a European flag and we all like to listen to Beethoven’s treatment of Ode an die Freude in his Ninth Symphony as symbols of the European corporation. But a post-national identity institution like the EU should stay far away from trying to create a European identity as Bismarck united Germany. The whole raison d’etre of the EU is to forego national interests for a common European interest that is beneficial for its member states and its citizens. And I don’t think that I have to discuss the effects on the perception of the European citizens of the EU of any endeavours on the part of the EU to divert money and manpower to the forced creation of a shared European identity… It would have the opposite effect.

Let the EU focus on its core business and not duplicate the nation state. If due to the way the EU operates there should arise some form of a joint European identity that surpasses our common history and interest than good for you EU!

And in the meantime: if you could vote for the Netherlands in the semi-finals of the Eurovision Song Contest next week it would be much appreciated!

Ferdi de Lange (VVD) is chairman of the policy committee on European Affairs.

woensdag 8 mei 2013

G'day! De criminele 'Underbelly' van Australië: 'Underbelly. A Tale of Two Cities'


Na de zoetsappigheid van Neighbours en The Flying Doctors laat Australië zich in de misdaadserie Underbelly van een heel andere kant zien.

Televisieseries uit minder voor de hand liggende landen zijn booming. Met de constatering dat de twee grootste hits uit deze categorie, de Deense series The Killing en Borgen, met beide drie seizoenen, aan hun einde zijn gekomen, is er volop vraag naar nieuw bloed. Eerder deed Frankrijk al een duit in het Nederlandse zakje met The Spiral (Engrenages).

Na Frankrijk doet nu ook Australië een poging een deel van de markt te veroveren. En vreemd is dat natuurlijk niet, want zeker de Nederlandse (maar ook Vlaamse en uiteraard de Britse) markt is stiekem best wel geporteerd van Down Under. Niet voor niets zaten we allemaal in de jaren tachtig gekluisterd aan de buis voor The Flying Doctors. De belevenissen van de – letterlijk – vliegende artsenpost uit het rustieke doch fictieve woestijnstadje Coopers Crossing leidde ertoe dat de typische Australische begroeting G’day! en de radio-oproep Victor Charlie Charlie gemeengoed werden. En natuurlijk was daar nog de oermoeder van de Australische soap, Neighbours, waar we onder andere Kylie Minogue en Jason Donovan aan hebben te danken.

Naast al deze zoetsappigheid produceert Australië natuurlijk ook andere series met een wat meer gewelddadige inslag. Sinds 2008 loopt de serie Underbelly die inmiddels al aan een zesde seizoen is begonnen. Daarbij zijn de seizoenen van Underbelly telkens (losjes) gebaseerd op waargebeurde misdaadverhalen. In Australië, maar ook Nieuw-Zeeland, is deze reeks een groot succes, wat uitgever JustBridge Entertainment (onderdeel van dezelfde uitgever achter Borgen en The Killing) heeft verleid om deze serie ook op de Nederlandse markt te brengen.

Underbelly. A Tale of Two Cities gaat over de misdaadgolf in de steden Sydney en Melbourne in de periode 1976-1987. In die periode wordt Australië overspoeld door hard drugs die ook gevolgen hebben voor de natuur van de Australische misdaad die tot die tijd gebaseerd was op de ‘klassieke’ misdaad, zoals overvallen en het runnen van illegale casino’s. In Underbelly volg je de opkomst van de uit Nieuw Zeeland afkomstige Terry ‘Kiwi Terry’ Clark en de Australische maffiabaas Bob ‘Aussie Bob’ Trimbole die het Mr. Asia Syndicate vormen. Deze omslag in criminaliteit gaat gepaard met excessief geweld.

Tegelijkertijd werpt Underbelly een blik op de Australische politie waar, zeker in die periode, omkoping en samenwerking met criminelen aan de orde van de dag waren. Ook komt de Australische politiek zijdelings aan bod, met name in de persoon van de premier die buitengewoon krachtdadig optreedt tegen criminaliteit en van corruptie niets moet hebben. Ten slotte is er ook de nodige aandacht voor de slachtoffers van deze nieuwe vorm van criminaliteit en voor de vertegenwoordigers van de ‘oude’ misdaad. De charmante crimineel George Freeman, gespeeld door Peter O’Brien, bekend van jawel The Flying Doctors, houdt zich ondanks de opkomst van de hard drugs nog behoorlijk staande met zijn illegale casino’s, maar is wel de vertegenwoordiger van een dying breed criminelen met een bepaalde erecode die boven- en onderwereld uit elkaar houdt en reguleert.

Dit uitgebreide tableau aan invalshoeken is de kracht en de zwakte van de serie. In 13 afleveringen van elk 45 minuten krijg je weliswaar een boeiend en ook best opwindend beeld van de Australische criminaliteit, maar tegelijkertijd is al die volledigheid niet erg overzichtelijk. Ook de verdieping van de karakters komt daardoor wat in de verdrukking. Bovendien heeft het waargebeurde karakter wat geforceerds door onder andere het gebruik van een narrator (de dochter van een politieagente), waardoor soms een documentaire-achtig karakter lijkt te worden beoogd. Maar gezien het feit dat de serie is gebaseerd op de werkelijkheid is dat toch helemaal niet nodig?

Desalniettemin is het geen wonder dat Underbelly een succes is in Australië. Het is een prima gemaakte crimeserie, die tot het einde toe blijft boeien. Wie een waardige opvolger van The Killing zoekt, zal nog even geduld moeten hebben, maar tot die opvolger is gevonden, is Underbelly een prima surrogaat.

Onderstaande trailer van dit (tweede) seizoen van ‘Underbelly’, bedoeld voor de Australische televisie, geeft een mooie impressie:


 'Underbelly: A tale of two cities’ is het tweede seizoen uit de Australische misdaadreeks ‘Underbelly’. Ieder seizoen is gebaseerd op waargebeurde episodes uit de Australische criminaliteit. Dit tweede seizoen is geënt op de periode 1976-1987 en is op 23 april jl. uitgegeven door JustBridge Entertainment. De seizoenen kunnen los van elkaar gekeken worden. (NB. het eerste seizoen over de periode 1995-2004 is door een andere uitgever uitgegeven en alleen via import te verkrijgen).

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard.  Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

zondag 5 mei 2013

Toneel 4 mei 2013: Geordende waanzin aan de Wannsee

© Het Nationale Toneel

Het Nationale Toneel:
De Wannseeconferentie

Johan Doesburg (regie)
Paul Mommertz (tekst)
Tom Kleijn (vertaling)

Met o.a. Mark Rietman, Pieter van der Sman, Stefan de Walle, 
Hans Croiset, Kees Coolen en Jeroen Spitzenberger
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Met een reconstructie van de Wannseeconferentie aansluitend op de Dodenherdenking maakt het Nationale Toneel de geordende waanzin van het Naziregime inzichtelijk.

Op 20 januari 1942 vond in Villa Marlier aan de Wannsee nabij Berlijn een conferentie plaats van veertien hooggeplaatste ambtenaren en SS-functionarissen. Onder leiding van de gevreesde SS-Obergruppenführer Reinhard Heydrich en met behulp van zijn ‘Judenreferent’ Adolf Eichmann werd de uitwerking van de ‘definitieve oplossing van het Jodenprobleem’ besproken. Vanwege de vertrouwelijkheid zijn alle kopieën van het verslag vernietigd. Eén exemplaar is aan deze vernietiging echter onttrokken. Op basis van dit verslag en de getuigenissen van Eichmann bij diens proces in Jeruzalem in 1961 heeft de Duitser Paul Mommertz een reconstructie van deze beladen vergadering samengesteld. 

In 1992 voerde het Nationale Toneel, in de vertaling van Tom Kleijn en onder regie van Hans Croiset, De Wannseeconferentie al eens op. Aansluitend op de Dodenherdenking heeft het Nationale Toneel De Wannseeconferentienogmaals eenmalig opgevoerd, ditmaal onder regie van Johan Doesburg in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag.

Juist aansluitend op de Dodenherdenking is deze reconstructie nog pregnanter dan op ieder ander willekeurig gekozen moment. Want door de werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen, wordt de geordende waanzin van het Naziregime in alle gruwelijk inzichtelijk gemaakt. In anderhalf uur tijd laten de zestien betrokken acteurs zien hoe een onvoorstelbaar onderwerp als het ‘Jodenprobleem’ onderwerp kan zijn van een reguliere, bijna banale, vergadering.

Los van het onderwerp zijn daar dezelfde mechanismen te ontwaren die vrijwel elke andere vergadering (over oneindig meer onschuldige onderwerpen) domineren: hoe wordt de uitvoering ter hand genomen en wie is uiteindelijk eindverantwoordelijk. Ook deze vergadering van de hoge ambtenaren en de SS-top van het Derde Rijk stond daarvan in het teken. De uitkomst stond, mede met dank aan Eichmann, al vast: onder leiding van Heydrich en met hulp van ultieme ordening en efficiency zou het probleem ter hand worden genomen. De gevolgen van deze conferentie zijn bij een ieder bekend en daarom onderwerp van onze jaarlijkse Dodenherdenking en meer dan dat.

Niet alleen de geordende waanzin en daarmee de afstandelijkheid van de deelnemers deed het publiek gruwen, ook de constatering dat er slechts sprake lijkt te zijn van gradaties van fanatisme bij het oplossen van het ‘Jodenprobleem’. Hoewel de bijeenkomst een samenkomst is van zowel burgers als militairen is het opvallend hoe eensgezind men is over het doel van de vergadering. Alleen over de uitvoering en de onderlinge machtsverhouding ontstaat discussie. En natuurlijk is de ene deelnemer fanatieker en haatzuchtiger ten opzichte van de Joden dan de ander, maar het gezamenlijke doel wordt onderschreven.

Juist door zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven, wordt de realiteit van toen alleen maar intenser overgebracht. Daarbij heeft het Nationale Toneel ook gebruik gemaakt van een behoorlijk deel van het topsegment van het Nederlandse acteertalent waaronder Mark Rietman en Pieter van der Sman als Heydrich en zijn trouwe secondant en Hans Croiset als Stuckart (Staatssecretaris van het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken) die als enige nog een enkel voorbehoud lijkt te maken. Een voorbehoud dat overigens meer gestoeld lijkt te zijn op de aantasting van de autoriteit van zijn ministerie dan moeite met de doelstelling an sich.

De Wannseeconferentie is overigens ook onderwerp van de HBO-film Conspiracy (2001) met Kenneth Branagh als Heydrich en Stanley Tucci als Eichmann. Eigenlijk is Conspiracy de filmische pendant van De Wannseeconferentie doch op enkele punten wat steviger aangezet.

Zowel Conspiracy als De Wannseeconferentie eindigen met een uiteenzetting van het lot van de deelnemers van de conferentie. Het lot van Eichmann is, mede door de De Zaak 40/61 van Harry Mullisch, bekend: ontvoerd uit Argentinië waar hij na de oorlog naartoe was gevlucht en in Jeruzalem berecht en ter dood veroordeeld. Heydrich zou de Wannseeconferentie slechts enkele maanden overleven en in Praag de dood vinden na een aanslag door Tsjechische verzetsstrijders. Onderwerp overigens van de prachtige debuutroman HhhH van Laurent Binet.

Tot hoorbare verbazing van het publiek van de Koninklijke Schouwburg kwamen veel van de andere deelnemers er na de oorlog af met lichte straffen of zelfs invrijheidstelling. Er lijkt hier sprake te zijn zijn van dezelfde soort discussie in de aanloop naar deze Dodenherdenking waarbij de stellingname is betrokken dat wanneer je iedereen herdenkt, je feitelijk niemand meer herdenkt. Wanneer iedereen verantwoordelijk is, wie is er dan eigenlijk nog schuldig?

‘De Wannseeconferentie’ is een vertaling door Tom Kleijn van de reconstructie van de gelijknamige conferentie door de Duitser Paul Mommertz. Met o.a. Mark Rietman, Pieter van der Sman, Stefan de Walle, Hans Croiset, Kees Coolen en Jeroen Spitzenberger. Regie: Johan Doesburg.

Vanwege het eenmalige karakter van deze uitvoering kan slechts verwezen worden naar ‘Conspiracy’, de uitstekende filmversie van de Wannseeconferentie door HBO met in de hoofdrol Kenneth Branagh. Hier een trailer van ‘Conspiracy’:


Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.

woensdag 1 mei 2013

When opportunity knocks, you play the piano: 'Hitlers Pianist' van Peter Conradi


Peter Conradi brengt met de biografie van ‘Putzi’ een andere kijk op de coulissen van de macht in Hitler-Duitsland, maar lijkt net iets te veel sympathie te hebben voor Hitlers pianist.

Hoewel de invloed van de Tweede Wereldoorlog niet te onderschatten is en de gevolgen ervan nog dagelijks gevoeld kunnen worden, is het de vraag of een nieuw boek nog iets toevoegt aan het geheel. Peter Conradi, vooral bekend als co-auteur van het boek The King’s Speech, lijkt die vraag positief te beantwoorden en vanuit het gezichtspunt van Ernst Hanfstaengl een nieuwe blik te willen werpen op het Derde Rijk.

Met Hitlers Pianist presenteert Conradi een biografie over Ernst Franz Sedgwick Hanfstaengl (1887-1975) die door het lot (en opportunisme) een tijd lang vertrouweling zou zijn van Adolf Hitler en later, na in ongenade te zijn gevallen, ten dienste zou staan van Franklin D. Roosevelt en zijn strijd tegen de Nazi’s. Opvallend genoeg is deze biografie in het Verenigd Koninkrijk al in 2005 uitgegeven, maar is deze nu pas in een Nederlandstalige vertaling bij Meulenhoff verschenen. 

Het wonderlijke aan het leven van Hanfstaengl, die in zijn kindertijd de bijnaam Putzi kreeg en zo immer genoemd is gebleven, is dat zijn leven zo afwijkend was van Hitler, dat het nogal vreemd is dat zij een tijd op vertrouwelijke voet hebben gestaan. Daar waar Hitler afkomstig was uit een eenvoudig Oostenrijks milieu, was Putzi de nakomeling van een rijke Duitse kunsthandelaar en zijn Amerikaanse vrouw. Zijn rijke ouders zorgden ervoor dat Putzi zijn jeugd doorbracht in Duitsland en volwassen werd in de Verenigde Staten, waar hij studeerde aan Harvard en onderdeel werd van de Amerikaanse high society. En dat terwijl hij over zijn status in Duitsland ook al geen klagen had.

Na zijn Amerikaanse periode, die onder andere samenviel met de Eerste Wereldoorlog, keert Putzi terug in een Duitsland dat in niets meer lijkt op het oude Keizerrijk dat hij verliet. Na de verloren Eerste Wereldoorlog en de voor de Duitsers vernederende Vrede van Versailles is, in hindsight, de opkomst van Hitler en zijn Nationaal-Socialisme niet zo vreemd. Putzi woont bij toeval een van zijn vroege speeches in een bierkelder in München bij, waar hij, haast gehypnotiseerd, onder de indruk raakt van Hitler. Juist deze met velen gedeelde fascinatie voor Hitler zet Duitsland op ramkoers met de rest van Europa en zal uiteindelijk de bekende vernietigende gevolgen hebben. Hitler voelt zich intussen aangetrokken tot de aandacht van een vertegenwoordiger van de hogere klasse en diens pianospel en neemt Putzi steeds meer in vertrouwen. Ondanks een mislukte putsch neemt de (electorale) invloed van Hitler hand over hand toe om uiteindelijk te culmineren in het kanselierschap en het begin van het Derde Rijk.

In de coulissen van de macht speelt Putzi ook een toontje mee. Op het hoogtepunt van zijn invloed is hij de acceptable face of fascism en beheert hij de buitenlandse (pers)contacten van Hitler. Binnen de coterie van Hitler is het daarbij niet alleen van belang wat je formele functie is, maar ook - letterlijk - hoe nabij Hitler je bent. Hoewel Duitsland betere pianisten kent, geniet het pianospel van Putzi altijd de voorkeur waarbij Wagner’s Die Meistersinger von Nürnberg en Tristan und Isolde de Führer-favorieten zijn. Dit overigens tot toenemende ergernis van een groot deel van de andere vertrouwelingen van Hitler die steeds openlijker trachten Putzi onderuit te halen, onder andere door een pianovirtuoos voor Hitler te laten spelen. Hitler wijkt echter niet van zijn Putzi en verklaart over de hemel in geprezen pianist: ‘Ik hoor Hanfstaengl liever honderd verkeerde noten aanslaan dan deze man maar één goede’.

Hoewel Putzi, aldus Conradi, lang niet al het verderfelijke beleid van Hitler ondersteunt, neemt hij er ook niet heel erg veel afstand van, al wordt wel de suggestie gewekt – niet in de laatste plaats door Hanfstaengl zelf – dat hij lang heeft gedacht zijn invloed op Hitler en diens meest verachtelijke ideeën te kunnen matigen. (Deze gedachte pakte overigens ook fataal uit voor de conservatieve bestuurlijke elite onder leiding van Von Papen c.s., die Hitler op het kanseliersschild zouden hijsen in de overtuiging hem daarmee te neutraliseren). Tegelijkertijd bleek de combinatie van het wantrouwen van een groot deel van de Nazi-top, Joseph Goebbels voorop, en de weigering van Hanfstaengl om zich volledig te geven fataal voor de relatie van Putzi met Hitler. Een breuk volgde waarna Putzi, via het Verenigd Koninkrijk, moest vluchten naar de Verenigde Staten. Op het moment dat voor hem duidelijk was dat terugkeer echt niet meer mogelijk was, voerde hij, op persoonlijk verzoek van president Roosevelt, anti-Duitse propaganda uit. Terwijl zijn voormalige vriend Adolf zich in de Götterdämmerung van Berlijn het leven benam, zouPutzi nog ruim dertig jaar leven en na een kort ziekbed vredig sterven.

Putzi had natuurlijk dondersgoed door dat zijn leven voorgoed getekend was door zijn (vrijwillige!) nabijheid bij Hitler. Niet voor niets zou hij in 1943 zijn leven bondig samenvatten: ‘Het is iets verschrikkelijks als je denkt dat je op de muziekwagen zit en het blijkt een vuilniswagen te zijn’. Bij het lezen van het boek kan daarbij alleen maar de conclusie getrokken worden dat Hanfstaengl toch vooral uit opportunisme handelde. Pas toen terugkeer naar Duitsland volstrekt onmogelijk was koos hij ervoor Hitler alsnog een dolk in de rug te steken. 

Op de een of andere manier lijkt Conradi wat blind voor dit opportunisme. Want hoewel je als lezer deze conclusie zeker zult trekken, is er toch sprake van een behoorlijke mate van sympathie van de schrijver voor Putzi. Daarbij laat Conradi ook her en der een steekje vallen. In het boek wordt nogal stellig gemeld dat een bezoek aan de Verenigde Staten tijdens de Nacht van de Lange Messen het leven van Putzi redde. Nergens wordt echter duidelijk, dan wel door bronnen ondersteund, waarom Hanfstaengl ook doelwit zou zijn en daarna nog jaren het vertrouwen van Hitler zou genieten. Daarbij wordt het boek soms ook wat gehinderd door een schrijfstijl die op sommige punten niet helemaal loopt en dat lijkt niet te liggen aan de vertaling. Ten slotte is de nogal sensationele aanprijzing in de ondertitel, ‘Het ongelooflijke verhaal van de man die Hitler aan de macht hielp en hem later hielp te vernietigen’, een onnodige hyperbool. Zowel in de opkomst, maar vooral in de neergang van Hitler had onze Putzi een erg bescheiden (doch interessante) rol.

Hoewel dit toch een stevig voorbehoud is, blijft Hitlers Pianist voor allen die geïnteresseerd zijn in een afwijkend perspectief op de Tweede Wereldoorlog en de (vreemde) werking van het Duitse leiderschap toch een aardige toevoeging op de bestaande lectuur.


Een 'gezellig' trio: Hanfstaengl, Hitler en Göring (1932) - © Wikimedia Commons

Deze recensie is ook gepubliceerd op Het Goede Levenhet culturele katern van De Dagelijkse Standaard. Naast mijn eigen FerdiBlog recenseer ik regelmatig o.a. boeken en concerten op Het Goede Leven en geef ik mijn opinie over actuele (cultuur)politiek.