zondag 22 februari 2015

Voorbij Sissi en Schönbrunn: 'Danubia' van Simon Winder


De fascinatie van Simon Winder voor het Europa van de Habsburgs klinkt luid en duidelijk door in zijn persoonlijke geschiedenis Danubia, maar een tandje minder 'Simon Winder' had het boek goed gedaan.

Hoewel de Habsburgers bijna 400 jaar een dominante rol hebben gespeeld in Europa door het heersen over Midden- en Oost-Europa is de kennis over deze bijzondere familie nu niet bepaald wijdverbreid. In Nederland zal men in de regel niet verder komen dan Karel V, Filips II en keizerin Sissi. De eerste twee vanwege de relatie met onze eigen Vader des Vaderlands Willem van Oranje en die laatste vooral omdat we allemaal zo graag op vakantie gaan naar Oostenrijk en nog altijd minimaal jaarlijks mogen zwelgen in de heerlijk zoetsappige Sissi-films als verbeelding van de pracht en praal van het Oostenrijkse keizerlijke leven. Aan de andere kant van het Kanaal is de kennis over de Habsburgers en hun rol in de geschiedenis helemaal beperkt en omgeven door een mist van mysterie en Europese gekkigheden. Alle reden dus voor de bij Penguin werkzame Simon Winder om Danubia te schrijven, een persoonlijke geschiedenis van het Europa van de Habsburgs. 

Van Karel V tot Karel I
Eerder heeft Simon Winder zich al gestort op de geschiedenis en cultuur van Duitsland in het gelijknamig getitelde Germania. Een geschiedenis waarbij de Habsburgers ook aan bod zijn gekomen niet in de laatste plaats omdat zij tot 1806 hofleverancier waren van de keizers van het Heilige Roomse Rijk dat de Duitstalige gebieden (althans in naam) verenigde. De geschiedenis van de Habsburgers is weliswaar ook vooral een Duitse geschiedenis, maar miskent daarmee tegelijkertijd de  bredere invloed die de Habsburgers en hun multi-etnische rijk in Midden- en Oost-Europa heeft gehad. Alle reden dus voor een eigen geschiedenis van een familie die met Karel V een rijk bestierde waar de zon nooit onder ging. Na diens vrijwillige terugtreden in 1555 werd het rijk in tweeën gedeeld door de "Spaanse" Filips II en de "Oostenrijkse" Ferdinand I. Juist het rijk dat gesticht is onder Ferdinand I is het onderwerp van Simon Winder's geschiedenis. Dat deel van het rijk van Karel V dat in 1526 tot stand was gekomen en tot 1806 als de Habsburgse monarchie zou functioneren om - eveneens onder leiding van de familie Habsburg - te transformeren tot het Keizerrijk Oostenrijk. Het Keizerrijk dat vervolgens in 1867 voor de laatste keer werd omgevormd tot de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije om in 1918 als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en het afstand nemen van deelneming aan het regeren van de staat door Karl I volledig te verdwijnen. 

Te veel Simon Winder
In ruim 500 pagina's neemt Winder de lezer op sleeptouw door 'zijn' Europa van de Habsburgs. Winder pretendeert niet aan geschiedschrijving te doen, maar laat zijn eigen fascinatie voor dit deel van Europa zijn leidraad zijn en schotelt de lezer weliswaar de belangrijke historische ontwikkelingen rondom de Habsburgs en hun rijk voor, maar doet dit het liefst aan de hand van anekdotes en observaties over onder andere kunst en cultuur. Juist omdat het een persoonlijke (lees: voorzien van een goede dosis humor) geschiedenis betreft, is dit zo'n boek waar je echt naar uit kunt kijken. Ondanks de vele lovende recensie die de kaft van het boek verfraaien, valt het allemaal best tegen. Winder heeft zijn briljante momenten waardoor je door blijft lezen, maar achteraf gezien had het ook wel met minder dan 500 pagina's toegekend. Zeker ook omdat Winder nog wel eens de neiging heeft om te leuk uit de hoek te komen wat afbreuk doet aan de rest. Daarbij steekt Winder zijn verbazing en eigenlijk misnoegen over de familie Habsburg niet onder stoelen of banken. Aangezien het een persoonlijke geschiedenis is, kun je daar weinig tegen hebben, maar na het lezen van al die vooringenomenheid kun je eigenlijk niet voorstellen dat Winder's familie van inteelt en in sommige gevallen hoge mate van idiotie en debiliteit het toch vooral elkaar heeft gekregen om ruim 400 jaar lang te heersen over een groot deel van Europa. Allen die geïnteresseerd zijn in Europa in het algemeen en de Habsburgers in het bijzonder zullen dit boek zonder meer aanschaffen. En gelukkig valt het er toch het nodige te genieten, maar het gevoel van teleurstelling over what might have been overheerst helaas uiteindelijk toch.

Oordeel FerdiBlog: ***

'Danubia' van Simon Winder in september 2013 bij Pan McMillan verschenen. De paperbackversie is in juni 2014 verschenen, terwijl de Nederlandse vertaling in oktober bij Spectrum is verschenen. Bestellen kan hier

zaterdag 21 februari 2015

Ballet 19 februari 2015: Het Nationaal Ballet in een fonkelende ode aan George Balanchine


Nationale Opera & Ballet
Jewels
(George Balanchine, 1904-1983)

Het Nationale Ballet
Barbara Karinska (kostuumontwerp)
Toer van Schayk (decor)
Bert Dalhuysen (lichtontwerp) 

Michael Mouratch (piano)
Andrea Quinn, Het Balletorkest
Lucent Danstheater, Den Haag

Met het fonkelende drieluik Jewels brengt het Nationaal Ballet een ode aan choreograaf George Balanchine én het ballet waarbij de Amerikaanse school zowel publiek als dansers de meeste plezier bezorgt.

Hoewel het Nationaal Ballet natuurlijk vaak op tournee gaat, geldt deze reislustigheid meestal het buiten- en niet het binnenland. Met Jewels wordt thuishonk het Muziektheater deels ingeruild voor de Stadsschouwburg in Utrecht en het Haagse Lucent Danstheater. Zo hoeft het balletminnende publiek niet per se naar Amsterdam te reizen aangezien de berg nu eens tot Mohammed komt in plaats van andersom. Hoewel het podium van het thuishonk van het Nederlands Dans Theater (NDT) toch een stuk kleiner is dan die van het Muziektheater was daarvan in de uitvoering - op een enkele verbaasde danser na die het podium toch wat sneller vond ophouden dan gedacht - niets te merken. Ook het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest wisselen hun optredens in De Doelen en de Dr. Anton Philipszaal en daardoor is het publiek de echte winnaar. Zeker wanneer in het geval van het Nationaal Ballet een prachtige voorstelling als Jewels te bewonderen valt. 

Emeralds
Met het drieluik Jewels dat in 1967 haar premiere bij het New York City Ballet beleefde, brengt choreograaf George Balanchine een ode aan drie 'scholen' van ballet: de Franse, Amerikaanse en Russische. Een drieluik dat schijnbaar geboren is in de dagelijkse wandeling van Balanchine langs  de Fifth Avenue in New York waarbij de vitrines van juwelier Van Cleef & Arpels hem zouden inspireren tot de choreografische vertaling van smaragd, robijn en diamant. Op welluidende en gevoelige delen uit Pelléas et Mélisande en Shylock van Gabriel Fauré brengt Balanchine de beschaving en stijlvolle Franse school over het voetlicht als Emeralds waarin solisten Jurgita Dronina en Marijn Rademaker worden afgewisseld met bredere ensembles waarbij vooral de vrolijkheid en souplesse van Youn Gyu Choi - eerder te zien in Cinderella - opviel.

Rubies
De nog altijd prachtige groene kostuums die smaragd moeten symboliseren van de hand van Barbara Karinska worden voor Rubies vervangen voor een rode variant. Wat blijft is het simpele doch doeltreffende decor van Toer van Schayk dat de facetten van alle edelstenen illustreert, ondersteund door het lichtontwerp van Bert Dalhuysen. Bij Rubies is het gedaan met het stijlvolle, wellicht wat gezapige van de Franse school en is het de beurt aan de Amerikaanse school met overduidelijk Jazz-invloeden. Op de - nog altijd moderne - klanken van het Capriccio voor piano en orkest uit 1929 van Igor Stravinsky spat het plezier er vanaf. Solisten Remi Wörtmeyer, maar vooral de altijd uitmuntende Maia Makhateli genieten zichtbaar van hun ode aan de robijn. De souplesse, expressie en vrolijkheid van Makhateli voegen daarbij echt iets toe aan de uitvoering. Want hoewel de choreografie niet voor de faint-hearted is, lijkt het in deze uitvoering zo makkelijk. Hoewel het drieluik een mooi en divers evenwicht biedt, is Rubies stiekem het hoogtepunt van de avond. Desondanks (of juist dankzij?) muziek die - in tegenstelling tot Fauré en Tsjaikovski - niet meteen 'makkelijk' in het gehoor ligt. 

Diamonds
Het hoogtepunt van Rubies laat onverlet dat er bij Diamonds ook veel te genieten valt. Want op de laatste vier delen van de Derde Symfonie van Tsjaikovski maken vooral de delen met het bijna voltallige ensemble grote indruk achter. Hier komen de roots van de Russische Balanchine zonder meer naar boven: hier domineert de Russische school. Opvallend daarbij was overigens wel dat de solisten Anna Tsgyankova en Jozef Varga een technisch perfecte uitvoering ten beste gaven, maar een echte klik tussen deze solisten ontbrak. Maar misschien is dat ook wel typisch voor de Russische school waar (zichtbare) hartstocht toch vooral achter en niet voor de schermen zich manifesteert.

En dit alles werd (wederom!) prachtig begeleid door het Balletorkest dat eigen nooit teleurstelt. Ditmaal niet onder leiding van hun vaste chef-dirigent Matthew Rowe, maar de (vrouwelijke!) dirigent Andrea Quin die zonder meer haar 'mannetje' stond. En met een uitstekende bijdrage van pianist Michael Mouratch in Rubies. Het Nationaal Ballet brengt met Jewels een fonkelende en terechte ode aan George Balanchine. Voor wie van dansende pracht en praal houdt, zonder twijfel een aanrader!

Oordeel FerdiBlog: ****



Het Nationaal Ballet brengt 'Jewels' van 12 t/m 26 februari 2015 niet alleen in thuishonk het Muziektheater, maar ook in het Lucent Danstheater te Den Haag en de Utrechtse Stadsschouwburg. Meer info hier. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 19 februari 2015 in het Haagse Lucent Danstheater.

woensdag 11 februari 2015

Churchill én Johnson in de schijnwerpers: 'De Churchill Factor' van Boris Johnson


Politicus Boris Johnson steekt zijn (bijna blinde) adoratie voor staatsman Winston Churchill niet onder stoelen en banken. En doet daarmee zowel Churchill als zichzelf een groot plezier.

Uit bezorgdheid dat Winston Churchill (1874-1965) onder de nieuwe generaties eerder geassocieerd wordt met de gelijknamige hond uit een reclame voor een Britse verzekeraar dan met één van de grootste staatslieden uit de wereldgeschiedenis heeft Boris Johnson De Churchill Factor geschreven. De aanleiding lijkt wat overtrokken maar na het lezen van het eerbetoon van Johson aan Churchill moet worden geconstateerd dat niet onbelangrijke onderdelen van het leven van Churchill niet (meer) algemeen bekend zijn. De motivatie van Boris Johnson (1964) lijkt daarmee waarachtig hoewel een politieke overweging zonder meer aan deze hagiografie ten grondslag ligt. Want de burgemeester van London is – naast voormalig journalist en hoofdredacteur van The Spectator – natuurlijk ook een zwaargewicht binnen de Britse Conservatieve Partij. Een politicus die zich warm loopt voor de verkiezingen die in mei zullen plaats vinden en – gezien zijn selectie voor de safe seat Uxbridge & South Ruislip – na de verkiezingen een grote rol zal willen spelen binnen die partij. Wellicht als opvolger van David Cameron wanneer de Tories het niet lukt om Labour geleid door de ineffectieve Ed Milliband te verslaan. Het is dan helemaal niet verkeerd om net voor de verkiezingen een bestseller op je naam te hebben die je ook nog eens verbindt met de grootste Brit die ooit geleefd heeft. Dat laat onverlet dat Johnson daadwerkelijk een prachtig boek heeft geschreven dat voor een ieder die geïnteresseerd is in Winston Churchill een grote aanrader is.

Onverbloemde aanhanger
Boris Johnson
Het fijne aan dit boek is dat Boris Johnson in het geheel niet pretendeert een objectieve geschiedschrijving van Churchill af te willen leveren. Daar refereert hij terecht naar werken van Roy Jenkins en Martin Gilbert. Het doel van Johnson is duidelijk: de genialiteit van Churchill overbrengen op lezerspubliek dat deze genialiteit wellicht maar ten dele inziet. Want hoe revisionistisch je ook wil zijn en hoeveel er ook op Winston Churchill valt af te dingen: we hebben te maken met een staatsman die een ongehoord grote stempel heeft gedrukt op de Britse geschiedenis van de eerste helft van de 20e eeuw. Precies die periode waarin het Verenigd Koninkrijk niet alleen één van de dominante machten in de wereld was (hoewel dat snel voorbij zou zijn), maar tegelijkertijd de wereld werd geconfronteerd met de grootste rampen in haar bestaan: de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Johnson verlaat in De Churchill Factor de chronologie en loopt in ruim twintig hoofdstukken de diverse onderdelen van Churchill langs die in zijn ogen zijn genialiteit verklaren en kenmerken. De slotsom hiervan vormt de Churchill factor. Johnson is daarbij niet kinderachtig en benoemt ook gewoon de minder prettige kanten van Churchill. Sterker nog in één hoofdstuk (‘Roulette met de geschiedenis’) loopt Johnson alle blunders van Churchill af. De enige enigszins ergernisopwekkende eigenschap van Johnson daarbij is wel dat hij werkelijk waar voor iedere blunder of vervelende karaktertrek een vergoelijkend woord klaar heeft staan. En dat ondermijnt soms de kracht van zijn verhaal. Niemand is perfect en sommige van Churchill’s karaktertrekken die nu als vrouwonvriendelijk of racistisch zouden worden geclassificeerd, moeten ook in de historische context bezien worden. 

Van tank tot hilarisch citaat
Resteert nog steeds de enorme schatkist aan heerlijke anekdotes en bijdragen die Churchill aan de geschiedenis heeft nagelaten. Van een beslissende rol bij de ontwikkeling van de tank, zijn bijdragen aan de verzorgingsstaat (de toenmalige, niet de huidige…) tot zijn leiderschap tijdens de Tweede Wereldoorlog die van beslissende betekenis geweest en nog talloze voorbeelden daar tussenin. Een man die taal als wapen gebruikte en daarbij niet alleen garant staat voor historische speeches (“Never in the field of conflict has so much been owed by so many to so few”), maar ook nog altijd wordt geciteerd vanwege zijn humor. Helaas maakt Johnson duidelijk dat de fameuze woordenwisseling tussen Churchill en het eerste vrouwelijke parlementslid Nancy Astor (“Als ik uw vrouw was, deed ik gif in uw koffie” waarop Churchill zou hebben geantwoord “Als ik uw man was, had ik het opgedronken”) niet van zijn hand is. Bessie Braddock’s “Sir, you are drunk” door Churchill beantwoord met “And yo, Bessie, are ugly. But I shall be sober in the morning and you will still be ugly” is gelukkig dan wel weer werkelijk aan de man toe te schrijven. In het verlengde hiervan moet overigens een groot compliment gemaakt worden aan Conny Sykora, de vertaler van De Churchill Factor. Een boek als deze waarbij de taal van Churchill een zo grote rol speelt gecombineerd met de heerlijke schrijfstijl van Boris Johnson is eigenlijk het beste in de oorspronkelijke taal te lezen. Maar de uitmuntende vertaling van Sykora is een zeldzame uitzondering op de regel, waarbij een vertaling van een dergelijk boek nu eens geen afbreuk doet aan het origineel.

The Gathering Storm
Boris Johnson toont Churchill in al zijn grootsheid en beschrijft tevens de invloed die zijn (vreselijke) vader Randolph, maar ook zijn lieve kinderjuf Elizabeth Everest en natuurlijk zijn allerliefse Clementine (Mrs. Pussycat) op zijn leven heeft gehad. Churchill heeft op zijn beurt een onevenredig grote invloed op zijn thuisland én de wereld gehad. Als journalist, schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, soldaat, bevelhebber, politicus, staatsman en visionair. Het komt allemaal voorbij in De Churchill Factor. Het zal daarom niet verbazen dat na het lezen van dit boek de niet te onderdrukken neiging bestaat om verder over Churchill te lezen of de heerlijke HBO/BBC-film The Gathering Storm met een geweldige Albert Finney die gestalte geeft aan de wilderness years van Churchill in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog weer eens te kijken.

Oordeel FerdiBlog: ****½

‘De Churchill Factor. Hoe één man geschiedenis schreef’ is de Nederlandse vertaling door Conny Sykora van ‘The Churchill Factor’ en uitgegeven door Het Spectrum. Bestellen kan hier.

Deze recensie is eerder verschenen op Jalta, het nieuwe online magazine. Met enige regelmaat zullen recensies op het gebied van Kunst & Cultuur ook daar gepubliceerd worden.

zondag 8 februari 2015

Concert 6 februari 2015: Orkestrale overvloed met Yannick en Grimaud


Ravel: Ma mère l’oye
Ravel: Concert voor piano in G
Tsjaikovski: Symfonie Nr. 5

Hélène Grimaud (piano)
Yannick Nézet-Séguin, Rotterdams Philharmonisch Orkest
De Doelen, Rotterdam

Yannick inspireert zijn Rotterdammers tot een orkestrale overvloed met een puntgave uitvoering van de Vijfde van Tsjaikovski. En laat Hélène Grimaud stralen in Ravel. 

Terwijl Yannick zijn verbintenis met het Philadelphia Orchestra heeft verlengd tot 2022 blijft hij zijn Rotterdamse orkest nog immer trouw. Want niet alleen zorgt zijn snel rijzende ster dat topsolisten zoals pianiste Hélène Grimaud met plezier naar Rotterdam afreizen, maar het maakt ook een Amerikaanse tournee van het Rotterdams Philharmonisch Orkest mogelijk. Een tournee die meteen is gestart na een tweetal concerten waar de Vijfde Symfonie van Tsjaikovski én de opwachting van Grimaud centraal staan. Op 5 februari verblijdde Grimaud de Rotterdammers met het Piano Concert Nr. 1 van Brahms, terwijl voor dit concert Ravel’s Concert voor piano in G op de lessenaars stond. Overigens zal Grimaud wel met enige verbazing kennis hebben genomen van het Rotterdamse publiek. Een publiek dat sowieso last heeft van overmatig gehoest en gekuch. Het is niet zonder reden dat tot voor kort direct voorafgaand aan het concert niet alleen werd gevraagd om de mobiele telefoon uit te schakelen, maar ook hoesten tot een minimum te beperken. De nieuwe vrolijke omroepstem vraagt daar met ingang van dit seizoen niet meer om, maar wijst er wel op dat het maken van foto’s tijdens het concert niet is toegestaan. Blijkbaar voelde het Rotterdamse publiek van De Doelen zich nu minder geremd dan normaal, want het gehoest tussen de delen door oversteeg de grens van het betamelijke en Yannick – inmiddels wel wat gewend – ergerde zich zichtbaar. Dieptepunt vond plaats na de pauze toen Yannick en een groot deel van de Doelen een aantal leden van het publiek met gepijnigde blikken tot stilte trachten te brengen die gezellig door bleven keuvelen terwijl Yannick toch echt een begin wilde maken met de Vijfde van Tsjaikovksi. 

Sprookjes en Jazz
Het tekent de grote kwaliteit van Yannick dat zulk vreemd gedrag van (vermeende) muziekliefhebbers geen invloed heeft op zijn concentratie en muzikale prestaties. Want juist in Ravel’s toondicht gebaseerd op de sprookjes van Moeder de Gans waar de feeërieke sfeer snel doorkruist kan worden, ging Yannick onverstoorbaar verder. Want Ma mère l’oye als suite voor concert uit 1911 werd in de handen van Yannick en het uitmuntende maar vooral zachtaardig spelende RPhO een delicate aaneenschakeling van serene en gevoelige muzikaliteit. Met het aantreden van de Franse sterpianiste Grimaud veranderde de sfeer volledig. Want zo als Ravel werd geïnspireerd door Moeder de Gans voor Ma mère l’oye zo vormen Jazz en Big Band de inspiratie voor het lichtvoetige Concert voor piano in G (1929-1932). Yannick was voor Grimaud de perfecte begeleider en gaf haar daarmee alle ruimte om haar niet geringe kwaliteiten tentoon te spreiden. Nu zal dit concert voor piano van Ravel – dat voor hem een tegengeluid is tegen de ‘zware’ pianoconcerten van Brahms – niet ieders cup of tea zijn, maar zonder twijfel leverden Grimaud, Yannick en de Rotterdammers een puike uitvoering af.

Triomf alom
Het absolute hoogtepunt van de avond – en de ferme basis voor het vijf sterren-oordeel – was zonder twijfel de Vijfde Symfonie (1888) van Tsjaikovski. Hoewel de meningen van publiek, critici en – niet in de laatste plaats – de componist zelf bij de première van de Vijfde niet onverdeeld enthousiast waren, is dat tegenwoordig compleet niet meer in het geval. De Vijfde is – samen met de Vierde en Zesde – één van de belangrijkste werken van Tsjaikovkski geworden door de ongekende thematische schoonheid en dynamiek die hij er mee teweeg brengt. En in markante tegenstelling met de Vierde en Zesde is de Vijfde een ongekend optimistisch werk waar het centrale thema timide wordt uitgewerkt in het eerste deel en steeds triomfantelijker wordt in de volgende delen. De herkenbare en uitermate romantische uitwerking van de thematiek in het tweede deel is universeel herkenbaar. Zo levert een door twijfel verscheurde componist een werk van alom triomf af. Een werk dat in uitstekende handen is bij Yannick en het Rotterdams Philharmonisch. Want Yannick’s tomeloze energie zweepte het gehele orkest, maar ook de voor dit werk belangrijke houtblazers en koperblazers, tot grote hoogten. Gevolg was een puntgave vertolking waarbij Yannick volstrekt oog heeft voor de dynamiek van het werk en de kracht van het werk benadrukte en noten niet te lang liet dralen. Ook de – zoals altijd uitstekende – Rotterdamse hoorns leverden goed werk met een prachtige solo voor de eerste hoorn waar zelfs een kleine imperfectie de pret niet mocht drukken. Wat restte was een heerlijke uitvoering die het publiek – met al hun imperfecties… - terecht enorm enthousiasmeerde en liet voelen waarom muziek het leven zo kan verrijken. 

Oordeel FerdiBlog: *****

Grimaud met Ravel's Concert voor piano in G (dirigent: Vladimir Jurowski):


Chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest Yannick Nézet-Séguin trad op 5 en 6 februari 2015 op in thuishonk De Doelen beide keren begeleid door pianiste Hélène Grimaud. Beide keren met de Vijfde Symfonie van Tsjaikovski na de pauze, maar op 5 februari Piano Concert Nr. 1 van Brahms en op 6 februari Ravel’s ‘Ma mère l’oye’ en Concert voor piano in G.

vrijdag 6 februari 2015

Concert 5 februari 2014: Met ferme tred de muzikale Alpen op

Semyon Bychkov in repetitie bij het KCO (foto: KCO)
Mozart: Concert voor Twee Piano's en Orkest
R. Strauss: Eine Alpensinfonie

Katia en Marielle Labèque (piano)
Semyon Bychkov, Koninklijk Concertgebouworkest
Het Concertgebouw, Amsterdam

Semyon Bychkov tekent voor een knetterende Eine Alpensinfonie waar enkele schoonheidsfoutjes niets afdoen aan de totale erlebnis. En de gezusters Labèque doen ook nog gezellig mee. 

Eine Alpensinfonie is het laatste toondicht van Richard Strauss (1864-1949) voordat Strauss zich volledig op zijn opera's stortte. In 1915 leverde hij dit toondicht gewijd aan de Alpen af. Gebaseerd op een onrustige spazierang tijdens zijn jeugd maakt de luisteraar - samen met Richard Strauss - een beklimming van een Alpenberg die duurt van zonsopgang tot -ondergang. En net als een Alpenbeklimming is dit toondicht niet voor de faint-hearted. Want om Eine Alpensinfonie tot zijn recht te laten komen, heb je al snel zo rond de 125 musici nodig. Eén van de redenen waarom dit werk minder vaak wordt uitgevoerd dan je zou denken. Hoewel we in Nederland niet mogen klagen aangezien zowel het KCO (onder Haitink), het Rotterdams Philharmonisch (onder Yannick) en het Residentie Orkest (onder Järvi) het werk de afgelopen jaren op de lessenaar hebben gehad. Helaas bleek recent dat een uitvoering de vroegtijdige dood inluidde van de Israëlische dirigent Israel Yinon die in Lucerne tijdens Eine Alpensinfonie werd getroffen door een hartaanval en niet te redden viel. Juist op het hoogtepunt van Eine Alpensinfonie waar zowel letterlijk als figuur de top wordt bereikt (Auf dem Gipfel) stierf de 59-jarige Yinon in het harnas. Een toondicht als Eine Alpensinfonie vraagt ook het nodige van een dirigent, want 125 musici in goede banen leiden is geen sinecure. Zeker wanneer het maar al te makkelijk is om het hele stuk in de overdrive te gaan. 

Hup, die bergen in!
Van meet af aan was het duidelijk dat de Russische dirigent Semyon Bychkov - halfbroer van de enkele jaren overleden dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest Yakov Kreizberg - er zin in had en een ontspannen spaziergang door de Alpen voor kennisgeving aanneemt. Want hoewel Bychkov goed oog heeft voor de tegengestelde dynamiek binnen Eine Alpensinfonie kiest hij ervoor om de bergen met een flinke tred tegemoet te gaan. Energiek snelwandelt Bychkov de Alpen op en neemt het KCO overtuigend mee op sleeptouw. Want zijn Alpensinfonie knettert lekker en vindt zijn absolute hoogtepunt bij Auf dem Gipfel waar alles samen komt en je bijna kippenvel bezorgt.  Zeker wanneer daarna Gewitter uni Sturm uitbarst waarbij Bychkov het Concertgebouw deed sidderen. Keerzijde van die aanpak is dat - zeker bij zo'n eerste uitvoering - je het risico loopt op onvolkomenheden wanneer het orkest tegen de randen van het het gelijkspelen schuurt. Zulke schoonheidsfoutjes zijn in dit geval niet heel erg, omdat de totale erlebnis juist zo goed is. 

Een divertimento voor twee piano's
Katia en Marielle Labèque
In het geweld van de Alpen wordt dan bijna vergeten dat Bychkov zijn vrouw Marielle ook nog had meegenomen. Nu zal een dirigent wel vaker zijn vrouw meenemen, maar Marielle vormt samen met haar zus Katia de pianospelende zussen Labèque en treden samen op en kunnen bogen op een behoorlijke discografie. Het Concert voor Twee Piano's en Orkest van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) is dan ideaal. Dit concert schijnt Mozart speciaal geschreven te hebben voor zijn zusje Maria Anna ("Nannerl") om samen te kunnen spelen. Ideaal dus voor de gezusters Labèque. Dit half uur durende pianostuk is charmant en heeft iets van een onderhoudend divertimento. De Labèque-zusjes tekenden voor een vrolijke en bevlogen uitvoering, uitstekend begeleid door hun man resp. zwager en het KCO. Ook hier gold weer dat enkele schoonheidsfoutjes de volledige beleving niet in de weg zaten. En ondanks dat de dames telkens weer terug kwamen, hield het publiek het bij een zittende ovatie. Een zeldzaamheid tegenwoordig. Maar dat is ook een reflectie op het relatieve "makkelijke" werk dat dit pianostuk is. Het weerhield de zussen van een reprise: een erg mooie uitvoering van Le Jardin Feérique uit Ravel's Ma Mère l'Oye waar de vier Labèque-handen goed uitkwamen. Soms kan een concert dat niet perfect is, toch wel erg fijn zijn. 

Oordeel FerdiBlog: ****

Semyon Bychkov over 'Eine Alpensinfonie':


Op 5, 6 en 8 februari 2015 staat Semyon Bychkov voor het Koninklijk Concertgebouworkest met 'Eine Alpensinfonie' van Richard Strauss en het Concert voor Twee Piano's met Katia en Marielle Labèque. Deze recensie is op basis van de uitvoering van 5 februari 2015. Meer info en kaarten bestellen kan hier

woensdag 4 februari 2015

A Tale of One Kitty: 'De Kat' van Takashi Hiraide


Takashi Hiraide beschrijft met De Kat hoe een onverwachte gast het dagelijks leven kan veranderen en verrijken. En geeft tegelijkertijd een tijdsbeeld van Japan met een vleugje magisch realisme. 

Hoewel Japan na het einde van de Tweede Wereldoorlog ferm tot het Westen wordt gerekend, is de Japanse cultuur en way of life in veel opzichten anders dan wij gewend zijn. Geslotenheid, reserve en hiërarchisch besef zijn kenmerken hiervan die bij ons minder snel of liever gezegd niet begrepen worden. Dit is overigens niet het begin van een bespreking van de verschillen tussen Japan en het Westen, maar wel een constatering die van belang is voor het lezen van Japanse literatuur. Want stukje bij beetje weet de Japanse literatuur ook onze literaire markt te vinden. Grootmacht onder de Japanse schrijvers is Haruki Murakami, maar Japan heeft meer te bieden zoals Yoko Ogawa en nu dus ook Takashi Hiraide die met De Kat zijn Nederlandstalige debuut maakt. Juist de bevreemding door de andere – Japanse – context in combinatie met een kleinschalig, menselijk verhaal leiden tot een bedachtzame novelle die zonder meer succesvol te betitelen valt.

Leenkat
In De Kat neemt Takashi Hiraide (1950) ons mee naar een voorstad van Tokyo waar een jong en kinderloos echtpaar zich gevestigd heeft. Een lommerrijk gebied waar zij, met hun bescheiden budget (want allebei werkzaam in de wereld van boeken), toch kunnen wonen in een redelijke idylle. De naamloze verteller is de man van het stel en beschrijft hun leven in die voorstad. Een bijzonder deel van Japan omdat zij wonen in de voormalige dienstwoning van een statig huis dat over een prachtige tuin beschikt. In het hoofdhuis woont een ouder echtpaar die tevens de huurbaas is. De compound wordt afgemaakt door een derde woning waar een ander echtpaar met zoontje wonen. Dit alles in de nadagen van keizer Hirohito en net voordat de vastgoedbubbel zou knappen die Japan aan het begin van de jaren negentig in een grote recessie zou storten. Het nogal saaie leven van het echtpaar wordt “verstoord” wanneer de andere buren een kat nemen. Een nogal bijzondere kat die weinig typische kattentrekjes vertoont en zich steeds vaker laat zien bij het boekige paar. Langzamerhand wordt de door hen gedoopte ‘Pukkie’ een vast onderdeel van hun leven en verandert dat leven stilletjes aan beetje bij beetje. 

Magisch realisme
Het knappe aan De Kat is dat het eigenlijk niet echt een verhaal is over een kat, maar een mooie novelle over het menselijk bestaan en de gevolgen van een onverwachte intrede. En door subtiel de Japanse context en de sluimerende veranderingen vederlicht aan te stippen, schildert Hiraide een breder palet dan je op het eerste gezicht zou verwachten. De Kat is daarom allesbehalve een boek dat alleen geschikt is voor mensen die graag ’s avonds met hun kat op schoot zitten. Zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat het onduidelijke lot van ‘Pukkie’ een typisch Japans bijna magisch realistisch randje heeft dat de novelle weer wat rijker maakt en lijkt aan te sluiten bij andere Japanse schrijvers zoals Yoko Ogawa. Met De Kat heeft Hiraide een fijne novelle afgeleverd die naast de bijzondere inkijk op het menselijk leven een subtiele beschrijving biedt van Japan. 

Oordeel FerdiBlog: ****

‘De Kat’ is de Nederlandse vertaling door Luk van Haute van ‘Neko no kyaku’ van de Japanse schrijver Takashi Hiraide en verschijnt op 6 februari en wordt door Meulenhoff. Bestellen kan hier.

Lees hier en hier eerdere recensies op FerdiBlog van de Japanse schrijver Yoko Ogawa. 

zondag 1 februari 2015

Dans 31 januari 2015: De eigen leg van het NDT


Nederlands Dans Theater
Strike Root

Walerski: Chamber (2012)
Goecke: Thin Skin (2015)
León & Lightfoot: Safe as Houses (2001) 

Nederlands Dans Theater 1
Lucent Danstheater, Den Haag

Strike Root toont het artistieke talent dat verbonden is aan het Nederlands Dans Theater. En hoewel Walerski en Goecke zonder meer goed werk afleveren blijft het duo León & Lightfoot domineren. 

De kwaliteit van het Nederlands Dans Theater is evident en behoeft geen nadere toelichting. Onder leiding van artistiek directeur Paul Lightfoot maar vooral door de choreografie van Lightfoot en zijn artistieke pendant Sol León weet het NDT telkens weer te verrassen. Maar ook in de eigen gelederen broeit het. Eén van de meest kenmerkende dansers van het NDT, Medhi Walerski (1979), liet in 2012 met Chamber zien dat niet alleen het dansen hem goed afgaat, maar dat hij ook talent voor choreografie heeft. Met het voor Strike Root hernomen Chamber brengt Walerski een ode aan Le Sacre du Printemps. Op muziek van Igor Stravinsky en een choreografie van Vaslav Nijinksy veroorzaakten zijn met de première van de Sacre een ware rel in Parijs. Voor zijn ode is Walerski de samenwerking aangegaan met de componist Joby Talbot die al eerder originele muziek schreef voor het ballet Alice's Adventures in Wonderland dat al snel is uitgegroeid tot een geliefde klassieker. Bij Chamber echter geen sprookjesachtige gezelligheid: de rauwe interactie tussen individu en groep waar (offer)rituelen centraal staan wenkt nadrukkelijk naar de oerkracht waar ook de Sacre op gebaseerd is. In 2012 zag ik Chamber al eens toen het in première ging als onderdeel van de viering van het vijfentwintig jarige jubileum van de theaters aan het Spuiplein en was toen zonder meer onder de indruk. Ruim twee jaar later is de combinatie van de donkere en sinistere muziek van Talbot in combinatie met de choreografie van Walerski nog steeds krachtig. Niet te onderschatten onderdeel hiervan is het uitmuntende gebruik van het licht en een decor bestaande uit deuren dat de oerkracht verder onderstreept. Het is wat dat betreft jammer dat Walerski sindsdien geen vervolg aan dit succes heeft gegeven, want net als dansen heeft hij zeker talent voor (theatrale) choreografie. 


Licht geraakt
Sinds vorig seizoen is Marco Goecke (1972) associate choreograaf van het NDT. Met Thin Skin heeft het NDT daarmee een wereldpremière in huis. In tegenstelling tot Walerski en León & Lightfoot legt Goecke de focus op individuele dansers en is licht en decor ook tot een minimum teruggebracht om die focus extra te versterken. Voor Thin Skin haalt Goecke zijn inspiratie uit het werk van The Godmother of Punk Patti Smith. Het werk van Patti Smith (1946) is een acquired taste dus het kan zo maar zijn dat een half uur Patti voor sommigen wat aan de lange kant is. De combinatie van de surrealistische choreografie waarbij waanzin in beweging vooral het doel van Goecke lijkt, werkt overigens niet verkeerd. Deze technisch uitdagende choreografie werd - zoals inmiddels verwacht mag worden - uitstekend uitgevoerd door de dansers van NDT 1. De choreografie zou makkelijk onder de (dunne!) huid moeten kruipen, maar dat was - althans bij ondergetekende - helaas niet geheel het geval. Deze combinatie van muziek, choreografie en decor is zonder meer goed, maar mist nog dat speciale. 


Nog steeds heer en meester
Strike Root eindigt - hoe kan het ook anders - met het artistieke duo dat het NDT al zoveel succes heeft laten vieren: Safe as Houses León & Lightfoot. Hoewel Safe as Houses al in 2001 in première is gegaan en daarmee valt te kwalificeren als 'oud gebakje', is het een gebakje dat nog steeds smaakt. Lezers van deze blog zullen niet verbaasd zijn omdat het werk van León & Lightfoot mij zelden onberoerd laat. Ook hier weet het duo met hun kenmerkende choreografie een brug te slaan naar een inventief decor waarbij een muur als klokwijzer continue zijn rondes maakt en daarmee de dansers voortstuwt op de muziek van Bach. 


Dit alles maakt Safe as Houses een fijn slotstuk van de trilogie van Strike Root. Een trilogie waar vooral Walerski laat zien de potentie in zich te hebben om León & Lightfoot naar de kroon te steken. Maar ook een trilogie waar alles zonder meer op zijn plaats valt, maar de wow!-factor van eerdere programma's niet losmaakt, zonder dat dit een reflectie op de kwaliteit is. 

Oordeel FerdiBlog: ****  

'Strike Root' van het NDT is op 28 januari 2015 in première gegaan en toert tot en met 28 februari door heel Nederland. Klik hier voor meer informatie. Deze recensie is op basis van de uitvoering op 31 januari 2015 te Den Haag.