dinsdag 28 juni 2016

Simenon in het nieuw. 'Maigret en het dode meisje' & 'De trein' van Georges Simenon



De Bezige Bij verkeert op dit moment in zwaar weer door het omstreden voornemen een pamflet van Abou Jahjah te willen uitgeven. Het besluit om een deel van het werk van Georges Simenon opnieuw uit te geven in een nieuwe vertaling is allesbehalve omstreden. Het realisme en de vertelkracht van Simenon hebben aan kracht nog niet ingeboet en ook deze nieuwe reeks van heruitgaven bevestigt de statuur van de inmiddels al meer dan kwarteeuw overleden bedenker van commissaris Maigret. 

Nu zowel Tommy Wieringa en Jessica Durlacher, al dan niet tijdelijk, hebben besloten uitgever De Bezige Bij de rug toe te keren, bevindt één van grootste uitgevers van Nederland zich in een crisis. Aanleiding voor het vertrek van deze twee auteurs en grote onvrede bij de resterende auteurs is het besluit om na de zomer een pamflet van de Belgische activist van Libanese afkomst Abou Jajah uit te geven. Deze oprichter en voorman van de Arabisch-Europese Liga is – op z’n zachtst gezegd – omstreden en de mededeling dat zijn pamflet een pleidooi voor radicalisering zal zijn, voorspelt weinig goeds. In september wordt duidelijk of Wieringa en Durlacher terecht zijn opgestapt en of de schade voor de uitgever beperkt dan wel vergroot is. Eén auteur zal zijn biezen bij De Bezige Bij in ieder geval niet pakken, maar dat komt omdat hij al meer dan 25 jaar geleden is overleden: Georges Simenon (1903-1989). Deze Franstalige Belg wordt gezien als één van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw. Zijn beroemdste karakter, de humeurige commissaris Maigret, is nog altijd een begrip en van zijn grote oeuvre zijn wereldwijd meer dan een half miljard exemplaren verkocht. 

Nieuwe uitgave én nieuwe vertaling
Het is daarom zowel vanuit literair als commercieel oogpunt niet verwonderlijk dat De Bezig Bij eind 2014 is gestart met een reeks van nieuwe uitgaven van het werk van Simenon. Inmiddels telt de catalogus zestien heruitgaven die zich niet alleen kenmerken door een frisse styling, maar veel belangrijker door de nieuwe vertaling het werk van Simenon met glans de tand des tijds hebben doen doorstaan. Uiteraard heeft het basismateriaal daar zelf de grootste rol in aangezien het donkere realisme van Simenon nog altijd aanspreekt, maar de eigentijdse vertaling is de spreekwoordelijke kers op de slagroom. Gelijk vorige uitgaven houdt ook deze nieuwe serie van vier boeken, vorige maand verschenen, een balans tussen Maigret-mysteries (Maigret en het dode meisje en De kop van een man) en stand alone-werken (De trein en De weduwe Couderc).

Inspecteur Izegrim
In Maigret en het dode meisje (1954) wordt commissaris Maigret door de vondst van het lichaam van de jonge Louise Laboine in een wereld getrokken die weinig met de glamour van hoofdstedelijk Parijs van doen heeft. Deze jonge vrouw – gevonden in een gehuurde avondjurk – kwam in Parijs haar geluk beproeven, maar vond daar slechts haar dood. Zoals altijd in de verhalen over Maigret is de kenschets van het Franse leven evenzo belangrijk als de speurtocht naar de dader. De onnavolgbare en immer ietwat humeurige Maigret houdt van een klein drankje en – een teken des tijds die door geen enkele vertaling weggenomen kan worden – laat ieder gesprek in een kroeg of bij iemand thuis hier dan ook graag vergezeld van gaan. De oplossing is zoals altijd vindingrijk en in dit geval toch behoorlijk onverwacht. Extra dimensie die Simenon aan dit verhaal geeft is de (ongelijke) broederstrijd tussen commissaris Maigret en de ondergeschikte inspecteur Lognon onder wiens jurisdictie deze moord valt. Maigret en Lognon (door Maigret omgedoopt tot ‘inspecteur Izegrim’) hebben een lastige verhouding sinds een vorige moordzaak die Maigret spectaculair en vooral ten koste van Lognon wist op te lossen. Met deze nieuwe zaak lijkt de geschiedenis zich te herhalen en is het niet alleen het verhaal van Louise Laboine, maar ook zeker de wedijver tussen Maigret en Lognon om als eerste de waarheid rondom haar dood te achterhalen. Zonder meer een fijne toevoeging aan deze serie van heruitgaven in een mooie vertaling door Rokus Hofstede.

In liefde en oorlog is alles geoorloofd 
Zo anders is De trein die zeven jaar na Maigret en het dode meisje is verschenen. Niet alleen is Maigret in geen velden of wegen te bekennen, ook de toon en opzet is compleet anders. En toont daarmee de veelzijdigheid van Simenon aan. Want De trein (1961) – in de vertaling door Peter Verstegen – handelt over de eerste weken na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de inval in België en Frankrijk. Het vlak bij de grens met België gelegen Franse dorpje Fumay is het dorp van Marcel Féron, zijn zwangere vrouw Jeanne en zijn dochtertje Sophie. Door de inval worden zij gedwongen te vluchten. Een vlucht die via de trein gaat en hen door grote delen van Frankrijk voert, maar tegelijkertijd ook Marcel scheidt van zijn vrouw en dochter zonder dat ze van elkaar weten waar ze gebleven zijn. In de periode dat Marcel zijn gezien kwijt is, ondergaat hij – nogal gelaten – het gemis van zijn familie, maar ook de gevolgen van de oorlog. Tijdens zijn reis ontmoet hij ene Anna die in dat korte tijdsbestek dat zijn vlucht duurt een bijzondere plek in zijn leven zal innemen. De trein is niet zonder reden vanuit het perspectief van Marcel geschreven en is een poging van hem om zijn herinneringen aan die vreemde tijd een plek te geven. Een roman met een volledig andere beleving dan de Maigret-verhalen en ondanks de gelaten en afstandelijke houding en toon van Marcel – een mooi voorbeeld van het schrijftalent van Georges Simenon. 

Daar waar De Bezige Bij nog eens goed moet nadenken of ze types als Abou Jahjah een podium moeten willen geven, is dat bij het werk van Georges Simenon volstrekt evident: continuez svp!

De Bezige Bij heeft recent wederom een viertal boeken van Georges Simenon opnieuw vertaald en uitgegeven: ‘ De trein’ , ‘ De weduw Couderc’ en twee Maigret-mysteries ‘Maigret en het dode meisje’ en ‘De kop van een man’. Sinds eind 2014 zijn daarmee 16 titels van Simenon opnieuw uitgebracht.

zondag 26 juni 2016

Facebook meets '1984'. 'The Circle' van Dave Eggers


Hoewel inmiddels al weer bijna drie jaar oud is de orwelliaanse roman The Circle nog even actueel of misschien nog wel actueler. Want het fictieve en gelijknamige bedrijf dat het hart vormt van het boek is - weliswaar overdreven - een samenvoeging van de impact die bedrijven als Google, Twitter en met name Facebook op ons leven hebben. En daarbij de vraag centraal staat of een wereld waarin alles bekend is over iedereen een wereld is waarin we zouden willen leven.

Een roman over technische ontwikkelingen en het effect ervan op de maatschappij heeft in de regel problemen met de houdbaarheid ervan. Wat vandaag nog hip and happening is en daarmee relevant, is morgen compleet verouderd. Zeker wanneer het boek in kwestie zich richt op de invloed van social media en de bedrijven die daar groot mee geworden zijn. De Instagram van vandaag kan zomaar de Yahoo of Hyves van morgen zijn. Tegelijkertijd is de onderliggende trend van innovatie natuurlijk wel degelijk duurzaam. Want hoewel de spelers veranderen, komen er telkens nieuwe spelers voor in de plaats. En dat laat onverlet dat voorheen dominante spelers zoals bijvoorbeeld IBM en Microsoft ook in een periode waarin andere spelers het stokje hebben overgenomen nog steeds impact hebben. In The Circle van Dave Eggers (1970) uit 2013 draait het allemaal om het gelijknamige bedrijf dat feitelijk een samenvoeging is van Facebook, Google en Twitter. Een bedrijf dat in hoge mate het dagelijkse leven van mensen beheerst door de grote mate van inzichtelijk erin. Een inzichtelijkheid die schijnbaar weinig discussie oplevert, ook niet wanneer een experiment om overal ter wereld camera's op te hangen én een aantal proefpersonen om te hangen met diezelfde (zeer kleine en wendbare) camera's en zo inzicht te geven in ieder onderdeel van het leven. De slaapkamer en de wc uitgezonderd. 

De Cirkel is bijna compleet...
In deze fictieve, maar stiekem toch wel erg herkenbare wereld stapt Mae Holland binnen. Bijna wegkwijnend in een baan die allesbehalve toekomstgericht is, krijgt zij via haar oude studievriendin Annie de kans om bij The Circle te werken. Een bedrijf waar alle hippe jongens en meisjes hun rechterarm voor zouden geven om te werken omdat The Circle meer is dan een baan, het is een way of life. Dit Amerikaanse bedrijf is gevestigd in een enorm hoofdkwartier in Californië en is meer een habitat dan een kantoor. Het nieuwe hoofdkantoor van Apple komt in de buurt van opzet en omvang. Al snel merkt Mae dat ze compleet wordt ondergedompeld in haar nieuwe wereld waarin zij verzeild is geraakt. Een wereld waar zij redelijk onderaan start bij de klantenservice, maar al snel een drive en talent in zichzelf ontdekt waardoor ze - mede met hulp van vriendin Annie die zich in de hoogste echelons van The Circle begeeft - snel carrière maakt en haar leven steeds meer in dienst stelt van haar nieuwe werkgever. Een werkgever die meer weg heeft van een sekte. Want het niet bijwonen van facultatieve (!) sociale activiteiten leidt telkens tot opmerkingen van haar leidinggevenden waarbij negatieve feedback van collega's verstrekkende gevolgen kan hebben. In de tussentijd merkt ze dat haar nieuwe werkgever ook kansen voor haar ouders biedt door hen onder te brengen bij de zorg die medewerkers van The Circle genieten. Een zorg die haar zieke vader zeer wel kan gebruiken, maar in ruil waarvan ze een groot deel van hun privacy moeten prijsgeven. Terwijl Mae steeds verder oprukt binnen de hiërarchie en haar bereidheid om deel te nemen aan de experimenten die een einde maken aan privacy haar wereldwijde bekendheid vergroten en dus leidt tot meer invloed binnen het bedrijf, heeft ze eigenlijk weinig twijfels over The Circle. Een bedrijf dat ijvert om 'de cirkel compleet te maken' zonder dat duidelijk is wat dit betekent. Gelukkig heeft Mae ook een love interest of twee binnen het bedrijf waarbij de mysterieuze Kalden een bijzondere plek inneemt. Deze jongen die niet valt terug te vinden in een bedrijf waarbinnen alles bekend is, heeft grote moeite met de koers die The Circle vaart en de gevolgen voor de samenleving. Uiteindelijk wordt Mae gedwongen - door de negatieve effecten op iedereen om haar heen - een keuze te maken: de wereld van The Circle die inmiddels zelfs de politiek beheerst of een wereld waarin privacy nog iets voorstelt en een bedrijf altijd ondergeschikt is aan de democratie. 

Een parabel voor de huidige tijd
Uit het voorgaande kan opgemaakt worden dat The Circle zonder meer geslaagd is. Niet alleen omdat Dave Eggers een ware pageturner heeft geschreven, maar juist ook omdat zijn toekomstbeeld realistisch en tegelijkertijd een wereld schept wat de Facebook-versie van George Orwell's 1984 lijkt te zijn. Deze orwelliaanse roman is daarmee meteen een aanjager voor de discussie over hoever we onze privacy wensen op te geven in ruil voor inzicht dat de wereld ook overzichtelijker en veiliger maakt. Een terechte discussie die natuurlijk al een tijdje wordt gevoerd, maar waarvan je tegelijkertijd moet constateren dat het concept van privacy al langere tijd aan verandering onderhevig is. Soms als bewuste keuze in het kader van het vergroten van onze veiligheid, maar soms ook volstrekt niet bewust door een langzaamaan veranderend normbesef. Want wat we nu heel normaal vinden door Facebook, Twitter en Google vonden we wellicht enkele jaren geleden helemaal niet normaal. Eén ding staat vast: we weten ontzettend veel meer van elkaar en hoewel dit meestal in bepaalde mate een bewuste keuze is, is dat ook even vaak niet het geval. En dan is juist een fijne fictieve roman zoals deze de ideale manier om op te gaan in een wereld die (nog) niet de onze is, maar wel vragen oproept over de wijze waarop wij leven. 

Oordeel FerdiBlog: ****

'The Circle' van Dave Eggers is in 2013 verschenen en in datzelfde jaar in een Nederlandse vertaling ('De Cirkel') door Lebowski uitgegeven. 

zaterdag 25 juni 2016

Theater 23 juni 2016: De theatrale tijdmachine van Dr. Miracle


Opera2Day
Dr. Miracle's Last Illusion

Woedy Woet, Dr. Miracle
Tom Jansen, stem van Dr. Miracle
Lucie Chartin, sopraan
Kristina Bitenc, sopraan
Martina Prins, sopraan
Violet Boersma, Dans 
(De Dutch Don't Dance Division)

Serge van Veggel (concept en regie)
Thom Stuart (choreografie)
Hernán Schvartzman, New European Ensemble
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Met Dr. Miracle's Last Illusion komen opera, illusionisme, dans, humor en een klein beetje horror samen in een theatrale tijdmachine die je terugvoert naar de periode rond 1900. Een relatief rechttoe-rechtaan verhaal maskeert een complexe en prachtig vormgegeven productie die zichzelf en het publiek zeer serieus neemt. 

De makers en bedenkers van Dr. Miracle's Last Illusion zijn ongetwijfeld geïnspireerd door Richard Wagner's artistieke uitgangspunt van het Gesamtkunstwerk. Want met de moeilijk te categoriseren voorstelling Dr. Miracle's Last Illusion haalt het jonge Haagse opera- en muziektheatergezelschap Opera2Day alles uit de kast om de bezoekers onder te dompelen in de wereld van Dr. Miracle. Een wereld die de periode rond 1900 moet voorstellen, maar vooral ook een fantasiewereld waar de (fijne) vormgeving van die periode wordt samengebracht met de magische wereld van illusie. Een wereld die al begint voordat je überhaupt de Koninklijke Schouwburg betreedt. Want op het 'binnenplein' van het statige pand is een rode circustent opgetrokken waarbinnen zich een scene afspeelt met een sopraan in een koets voortgetrokken door de lange en ietwat lugubere gestalte van Dr. Miracle. De rest van de Koninklijke Schouwburg is op dezelfde manier één doorlopend decor en daarmee verlengstuk van de voorstelling. Bezoekers worden geleid langs allerhande parafernalia uit de periode rondom 1900 én een handvol aanvullende mysterieuze scenes. 

Een waarlijke illusionist met de stem van Tom Jansen
Als dan uiteindelijk de voorstelling begint, is het publiek daardoor meer dan klaar om zich over te geven aan de wereld van Dr. Miracle. Een wereld naar het concept en onder regie van Serge van Veggel waarbij Opera2Day de samenwerking heeft gezocht met het New European Ensemble en De Dutch Don't Dance Division. Deze samenwerking levert een productie op waarbij theater, opera, illusie en dans samen worden gebracht in één allesomvattend concept. Door de veelzijdigheid van dit muziektheater is het verhaal ervan vrij lineair. De voorstelling start met de (schijnbare) zelfmoord van Dr. Miracle waarna de aanloop naar deze daad wordt uitgebeeld. Prachtige decors maken duidelijk dat - gelijk de wijze waarop de Koninklijke Schouwburg is omgetoverd - de makers zich er niet makkelijk vanaf hebben gemaakt. Daardoor voelt de voorstelling ook daadwerkelijk als '1900' aan. Het publiek reist daarmee in een soort theatrale tijdmachine die niet alleen een (geïdealiseerd) beeld van 1900 schept, maar tegelijkertijd ook daadwerkelijk een flashback is naar de periode die voorafgaat aan de zelfmoord van Dr. Miracle. Een tijdreis die start met de show van deze illusionist die gestalte wordt gegeven door een echte illusionist: Woedy Woet en wiens stem wordt ingesproken door de fijne donkere stem van Tom Jansen. Een naam die in beginsel misschien niet tot herkenning noopt, maar zijn karakteristieke gezicht zonder meer bekend is als de veelzijdige Nederlandse acteur in tal van rollen waaronder in series zoals De Brug en Penoza. Een poging van Dr. Miracle om een assistente te laten verdwijnen eindigt in haar dood en de start van zijn fascinatie voor de schoonheid van haar overgang naar het eeuwige licht. Dit vormt het startschot voor een lugubere serie van gebeurtenissen waarin Dr. Miracle diverse vrouwen een handje helpt om het tijdelijk voor het eeuwige te verwisselen. En daarmee de vraag poneert: is Dr. Miracle magiër of moordenaar?

Wendbaar en muzikaal
Rode draad in de voorstelling is een soort muziektheater waarbij aria's van o.a. Offenbach en Bellini uit de Bel Canto-traditie worden afgewisseld met Verdi's MacBeth en dans op de Stravinsky's L'Oiseau de feu. Telkens wanneer een nieuw slachtoffer van Dr. Miracle valt te betreuren wordt de overgang naar het eeuwige licht gesymboliseerd door een aria gezongen door één van de uitstekende sopranen die aan dit project verbonden zijn: Lucie Chartin, Kristina Bitenc en Martine Prins. Kristina Bitenc schitterde vorig seizoen nog als Eurydice in de uitmuntende opvoering van Orphée et Eurydice van de Nederlandse Reisopera. De danser (Violet Boersma) en choreografie (Thom Stuart) komen uit de koker van het eveneens Haagse dansgezelschap De Dutch Don't Dance Division. De hele voorstelling wordt muzikaal ondersteund door het in omvang kleine New European Ensemble onder leiding van Hernán Schvartzman maar zich - door de slimme keuze in repertoire en het aanhaken bij de klankkleur van 1900 - muzikaal zeer goed staande houdt in repertoire dat normaliter om een (veel) groter orkest vraagt.  Zelfs zo dat de klaagzang van Isolde uit Wagner's Tristan und Isolde op een prima uitvoering mag rekenen. Want gaandeweg versterkt de manie van Dr. Miracle zich en keren zijn slachtoffers terug om hem met zijn daden te confronteren. Een afsluitende afrekening die plaats vindt op de passende muziek van Wagner en daarmee tegelijkertijd de succesvolle conceptuele uitwerking en uitvoering van dit Gesamtkunstwerk markeert. 

Oordeel FerdiBlog: ****


Opera2Day in samenwerking met het New European Ensemble en De Dutch Don't Dance Division presenteren 'Dr. Miracle's Last Illusion'. In de Koninklijke Schouwburg te Den Haag van 23 t/m 25 juni en 5 t/m 11 september 2016. Deze recensie is op basis van de voorpremière op 23 juni. 

maandag 20 juni 2016

Three (Cormoran) Strikes, You're Out? 'Career of Evil' van Robert Galbraith


Met privédetective Cormoran Strike lijkt – alhoewel in een compleet ander genre – J.K. Rowling haar nieuwe Harry Potter gevonden te hebben. Met Career of Evil (in Nederland: Het Slechte Pad) levert zij – onder haar pseudoniem Robert Galbraith –een derde avontuur van Strike af waarbij dit overduidelijk niet het laatste avontuur is. Maar zit er nog muziek in de ambities van J.K. Rowling als misdaadschrijver?

Hoewel J.K. Rowling al lang en breed met pensioen kan, is dat voor haar geen enkele reden om het schrijverschap aan de wilgen te hangen. Het gemengd ontvangen The Casual Vacancy was haar eerste uitstapje buiten de Harry Potter-reeks. Haar onmiskenbare talent was ook zonder meer terug te lezen in deze roman over een klein Engels dorpje, maar een sterk begin en een spannend slot konden een saai middengedeelte niet redden. Pas met The Cuckoo’s Calling in 2013 vond J.K. Rowling haar (nieuwe) schrijfstem. Ironisch genoeg onder het pseudoniem Robert Galbraith waarvan – zeer tegen de zin van Rowling, maar gezien de spectaculair toegenomen verkoopcijfers tot vreugde van haar uitgever – al spoedig duidelijk werd dat niemand minder dan J.K. Rowling de bedenker van privédetective Cormoran Strike is. Via Robert Galbraith heeft Rowling zich – met veel plezier – gestort op het misdaadgenre en ziet het als haar eigen literaire speeltuin. Na The Cuckoo’s Calling verscheen in 2014 een nieuw Cormoran Strike-avontuur The Silkworm terwijl eind vorig jaar Career of Evil verscheen die recent in een Nederlandse vertaling als Het Slechte Pad is verschenen. 

Leest weer als een trein
Hoewel het plot van de Cormoran Strike-verhalen – en dan met name die van The Silkworm – vaak vergezocht en wat rommelig is, heeft Rowling/Galbraith met Cormoran Strike en zijn secretaresse/ (wannabe) partner Robin Ellacott twee interessante karakters tot leven gebracht die de serie dragen door er mensen van vlees en bloed van te maken. Hoewel de boeken in deze serie op zichzelf staande verhalen vormen en daarmee zeker niet als een Harry Potter-achtige reeks te betitelen zijn, is de (werk)relatie tussen Cormoran en Robin de rode draad die de serie bij elkaar houdt. En in Career of Evil wordt deze relatie danig op de proef gesteld wanneer de onderkant van een been wordt bezorgd bij het kantoor van Cormoran. Niet geheel toevallig het lichaamsdeel dat Cormoran – door zijn militaire werkzaamheden in Afghanistan – al jaren moet missen. Het blijkt het begin te zijn van een kat en muisspel tussen Cormoran , Robin en een geheimzinnige moordenaar die op wraak zint. Wraak op Cormoran door zijn succesvolle privédetectivepraktijk (in opbloei door zijn spectaculaire zaken beschreven in The Cuckoo’s Calling en The Silkworm) te torpederen en Robin te vermoorden. In het eerste lijkt hij door de negatieve publiciteit rondom het ontvangen lichaamsdeel al goed te slagen, maar het gevaar voor Robin is niet meteen evident. Het dwingt Cormoran en Robin om – naast hun steeds kleiner wordende cliëntenkring – deze geheimzinnige wraakengel op te sporen, terwijl Robin daarmee steeds dichter bij haar eigen dood wordt gebracht. Gelukkig heeft Cormoran immer een lijst bij de hand met zijn grootste vijanden wat de zoektocht makkelijker maakt. 

Haastklus?
Het boek leest (wederom) als een trein en het is duidelijk dat Rowling in dit genre in haar element is. Daarbij heel erg geholpen bij haar inventiviteit en fantasie om aansprekende karakters zoals Cormoran en Robin te bedenken en uit te werken. Opvallend is wel dat het plot, zeker in dit deel, wat dun en vooral ook rommelig is. De lijst van vijanden uit het verleden is wel erg gemakzuchtig en niet echt goed onderbouwd, maar staat wel centraal in dit avontuur. Daartegenover staat wel dat de uitwerking van de relatie tussen Comoran en Robin uitstekend is. We komen meer te weten over de achtergrond van Robin, terwijl tegelijkertijd het aanstaande huwelijk tussen Robin en haar verloofde Matthew effect op Robin én Cormoran heeft. Grote minpunt van Career of Evil dat de ontknoping nogal abrupt en als een duiveltje uit een doosje onverwacht en niet helemaal logisch aan de lezer gepresenteerd wordt. Daarbij vindt Rowling het niet nodig vindt om de losse eindjes rondom de overige verdachten netjes aan elkaar te knopen. In het nawoord geeft Rowling aan dat het boek in een drukke tijd tot stand is gekomen terwijl ze ook druk was met allerhande andere klussen. Het lijkt er een klein beetje op of ze met dit nawoord impliciet toegeeft dat het boek een beetje een haastklus is geweest. Dat zou in ieder geval wel het nodige verklaren. Al met al een fijn boek en – gelukkig voor Cormoran Strike en Robin Ellacott – geldt voor deze reeks niet ‘three (Cormoran) strikes, you’re out’. Hopelijk heeft het volgende avontuur een strakker, beter uitgewerkt en vooral geloofwaardiger plot. 
Oordeel FerdiBlog: ***½

In oktober 2015 is Robert Galbraith’s ‘Career of Evil’, het derde deel uit de reeks boeken over privédetective Cormoran Strike , verschenen. In april is bij Meulenhoff Boekerij de Nederlandse vertaling ‘Het Slechte Pad’ verschenen. Deze recensie is eerder verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

dinsdag 14 juni 2016

God Save the... Countryside. 'The Road to Little Dribbling' van Bill Bryson


Met zijn Notes from a small island brak de tot Brit genaturaliseerde Amerikaan Bill Bryson door. Zijn komische ontdekkingstocht door Groot-Brittannië raakte een snaar bij zijn geadopteerde landgenoten, terwijl zijn humor al Brits was voordat hij het Britse staatsburgerschap verkreeg. Twintig jaar later – en wereldwijd bekend door A short history of nearly everything – ontdekt hij opnieuw zijn nieuwe vaderland en is zijn verwondering eerder toe- dan afgenomen. 

Onderkoelde humor in combinatie met een fijne pen is in de regel voorbehouden aan Britse schrijvers. Britten hebben eerbied voor hun tal en beschikken ook nog eens over een onuitputtelijk reservoir aan anekdotes en woordspelingen. Mooi voorbeeld – weliswaar geen boek, maar ook in boekvorm verschenen – blijft Yes, Minister of beter gezegd: de Nederlandse variant Sorry Minister uit 2009. Want deze VPRO-serie liet zien dat dergelijke humor niet te vertalen is en vooral flauw uitpakt en daarmee op alle fronten niet in de buurt kwam van de dertig jaar oudere originele serie. En hoewel de Britten en Amerikanen dezelfde Angelsaksische roots delen, lijkt het er sterk op dat voor de (onderkoelde) humor geldt: lost in translation. Wie de eerste pagina’s van The Road to Little Dribbling. More notes from a small island leest zal – uitzonderingen daargelaten aangezien over smaak niet valt te twisten – bovenstaande ongetwijfeld onderstrepen en zich vervolgens verheugen op de rest van deze grappige en informatieve ontdekkingstocht door Groot-Brittannië. Maar dan is buiten Bill Bryson gerekend: want hoewel al jarenlang woonachtig in het Verenigd Koninkrijk en inmiddels genaturaliseerd tot Brit is hij geboren en getogen in het uitermate Amerikaanse Des Moines, Iowa… 

Verliefd op Groot-Brittannië
Een bezoek aan Engeland leidde er uiteindelijk toe dat Bryson ging werken in een psychiatrische instelling waar hij zijn vrouw leerde kennen. Sindsdien heeft hij zowel in de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk gewoond, waarbij de balans uitsloeg naar merry old England en hij - tijdens het schrijven van The Road to Little Dribbling – is genaturaliseerd tot onderdaan van het Britse Koninkrijk. Na zijn uitspatje bij de psychiatrische instelling heeft hij zich toegelegd op de journalistiek om na het succes van zijn (reis)verhalen zich helemaal te richten op het schrijverschap. Zijn grote doorbraak kwam met Notes from a small island (1995) waarin hij op ontdekkingstocht ging in zijn nieuwe thuisland. Met A short history of nearly everything uit 2003 brak hij wereldwijd door, maar zijn reisverhalen blijven toch zijn grootste kracht. En nu aan de vooravond van zijn formele ‘bekering’ tot het Britse staatsburgerschap gaat Bryson opnieuw op reis door Groot-Brittannië. In deze reis die van enige logica is ontdaan en veelal nieuwe plaatsen aandoet die hij in 1995 niet bezocht, is zijn enige richtsnoer de door hemzelf gedoopte Bryson Line. Deze lijn is de langste (kaarsrechte) afstand binnen het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en loopt van Bognor Regis in het Zuiden van Engeland tot het toepasselijke en omineus klinkende Cape Wrath in het noordelijkste puntje van Schotland. De plekken die Bryson aandoet, liggen overigens veelal niet op deze lijn, maar in de (verre) nabijheid ervan. Zo ver dat ook een bezoek aan Wales binnen zijn plan vallen. 

Vol humor en weetjes
In zijn queeste om van Bognor Regis naar Cape Wrath te komen, vergast Bryson zijn lezers vol met allerhande weetjes. Weetjes die handig zijn bij het spelen van triviant, maar vaker kenmerkende en ietwat bizarre anekdotes, monumenten, huizen van bekende en vergeten Britten en nog veel meer inhouden die vooral inzicht geven in het karakter van Groot-Brittannië en voor hem telkens weer onderstrepen waarom het Verenigd Koninkrijk zo speciaal is en waarom hij zo houdt van het land. Enige nadeel is overigens wel dat de stortvloed aan weetjes dermate is dat er uiteindelijk weinig blijft hangen en er blijkbaar niets anders op zit dan zelf de tocht over het Kanaal te maken. Maar de reden om dit boek te lezen zijn niet zozeer de weetjes, maar wel de overtuiging waarmee Bill Bryson over zijn geadopteerde thuisland schrijft en de Britse humor (en typische Britse uitdrukkingen) die hij zich eigen heeft gemaakt. Want wie na de eerste paar pagina’s al niet moet gniffelen, kan het boek maar beter wegleggen. Maar dat zal een zeer kleine groep lezers betreffen. Naast de humor en de weetjes is een andere belangrijke rode draad de liefde van Bryson voor de Engelse countryside die hij in het boek niet onder stoelen of banken steekt. En zijn (beeldende) beschrijving van het moois wat hij tegenkomt op zijn (her)ontdekkingsreis en al het lelijks dat door (lokale) overheden is bedacht. Daarmee is The Road to Little Dribbling niet alleen een boek vol verwondering, weetjes en gniffelmomenten maar ook een liefdesverklaring aan het unieke Britse landschap en haar bijzondere cultuur. 

Oordeel FerdiBlog: ****

In oktober 2015 is ‘The Road to Little Dribbling. More notes from a small island’ van Bill Bryson verschenen. Een maand later is de Nederlandse vertaling ‘De Weg naar Little Dribbling’ bij Atas Contact uitgegeven. Deze recensie is op basis van de oorspronkelijke Engelstalige versie. Deze recensie is ook verschenen bij online nieuwsmagazine Jalta.

woensdag 1 juni 2016

Harm van Riel, 'vroedvrouw' van D66? 'Harm van Riel. Een rechtse provo' van Mark Verheijen


Mark Verheijen breekt in Harm van Riel. Een rechtse provo een lans voor een bijzonder politicus. Een liberaal van de oude én behoudende stempel die ruim dertig jaar een belangrijke factor binnen de VVD was, maar nu in de vergetelheid is beland. Met deze tijdige en goed geschreven biografie krijgt Van Riel de plek die hij verdient én levert Verheijen een eigenzinnige bijdrage aan de ontstaansgeschiedenis van D66.

Een driedelig kostuum vergezeld van een bolhoed, kettinghorloge en immer een sigaar. Harm van Riel (1907-1980) was de vleesgeworden karikatuur van de liberale burgerman en is daarmee de droom van iedere cabaretier. Of beter gezegd: de nachtmerrie, aangezien de realiteit van Harm van Riel zo weinig ruimte liet tot eigen overdrijving. Harm van Riel leek een figuur uit lang vervlogen tijden en is daarom in de huidige politieke context volstrekt onvoorstelbaar. Het bijzondere aan Van Riel is echter dat hij voor de toenmalige politieke context eigenlijk ook al gold als een wandelend anachronisme is ver na zijn tijd geboren. Een man wiens behoudende opvattingen en voorliefdes hem eerder geschikt maakte voor de 19e dan de 20e eeuw. Het is daarom waarschijnlijk ook niet verwonderlijk dat Van Riel enigszins tot de vergetelheid is veroordeeld en in het Nederland van nu – op een naar hem vernoemende straatje in Zwolle – amper nog enige bekendheid geniet. Maar dan wordt buiten zijn politieke opereren en invloed gerekend. Want achter de (gemeende en met overtuiging opgevoerde) façade ging een politicus schuil die lange tijd van grote invloed was op de VVD en - samen met Hans Wiegel en Haya van Someren – aan de wieg stond van de doorbraak van de VVD als volkspartij en daarmee het fundament legde om in de 21e eeuw de grootste partij van Nederland te worden. Juist daarom heeft voormalig Tweede Kamerlid Mark Verheijen met Harm van Riel. Een rechtse provo een poging gedaan tot hernieuwde aandacht voor deze bijzondere politicus. Waarbij Verheijen tegelijkertijd Van Riel aan de wieg laat staan van die andere liberale partij: D66. 

Provocateur, maar immer een ‘gentleman’ 
Waar in landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk het zeer gebruikelijk is dat (voormalige) politici een boek schrijven over andere politici, is dat in Nederland allesbehalve traditie. Waar Boris Johnson en William Hague hoog aangeschreven biografieën over respectievelijk Winston Churchill en William Pitt de Jongere en Dominique de Villepin niet onverdienstelijk heeft geschreven over Napoleon is een Nederlandse evenknie ver te zoeken. Onze politici schrijven niemendalletjes ten behoeve van campagnes (Dit land kan zoveel beter van Wouter Bos en De mythe van het economisme van Jesse Kalver) of (auto)biografieën voor de plek in de parlementaire geschiedenis (Pluche van Femke Halsema). Mark Verheijen (1976) – voorheen wethouder, gedeputeerde, waarnemend partijvoorzitter en Tweede Kamerlid) – springt in dit gat met zijn biografie over Harm van Riel. Een op voorhand moedige onderneming omdat Verheijen zelf de negatieve kant van de politiek aan den lijve heeft ondervonden door zijn voortijdige vertrek van het Binnenhof, maar – nog belangrijker – moet laten zien dat een dergelijke biografie meer is dan een publiciteitsstunt. Gelukkig voor de lezer is Verheijen een begenadigd schrijver die zijn gevoel en liefhebberij voor politiek vertaalt naar een zeer leesbare én lezenswaardige uiteenzetting van het leven van Van Riel. In een kleine 250 pagina’s voert Verheijen de lezer door het leven van Harm van Riel. Geboren in Noord-Holland maar koketterend met een Drents accent, zijn conservatieve voorkomen in markant contrast met zijn liberale club. In zijn inleiding geeft Verheijen aan geen politieke boodschap te hebben behalve dat eigenzinnige, oorspronkelijke en welbespraakte politici zoals Van Riel nodig zijn in de politiek. 

Van Riel en het ontstaan van D66
Van Riel heeft in zijn lange politieke loopbaan zonder meer zijn stempel op de Nederlandse politiek gezet, al was het maar door zijn rol binnen en invloed op de VVD. Toch wanneer je zijn politieke functies op een rij zet, is het duidelijk dat er wat ontbreekt. Naast Statenlid en Gedeputeerde van Zuid-Holland was hij jarenlang fractievoorzitter voor de VVD in de Eerste Kamer en is hij lid geweest van het VVD-Hoofdbestuur. Functies die in die tijd zonder problemen gestapeld en gecombineerd konden worden. Als ontdekker en mentor van Hans Wiegel speelde hij een grote rol in de coulissen en vormde – op het hoogtepunt van zijn invloed – een machtige drie-eenheid met fractievoorzitter in de Tweede Kamer Hans Wiegel en partijvoorzitter Haya van Someren. Zijn levenslange ambitie voor het ministerschap is nimmer realiteit geworden, terwijl zijn behoudende standpunten niet alleen provoceerden, maar hem ook op afstand deed staan van een belangrijk deel van de VVD-achterban. Ofschoon hij – samen met Wiegel en Van Someren – ook aan de wieg stond van de doorbraak van de VVD als echte volkspartij. Daarmee heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan het politieke landschap van Nederland en is het daarom zonder meer terecht dat die bijdrage dit boek rechtvaardigt. Maar Verheijen is er tevens van overtuigd dat Van Riel – weliswaar onbedoeld – een andere belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse politiek: het ontstaan van D66. Want door zijn stellingname vervreemde hij belangrijke delen van de liberale achterban waaronder de fractievoorzitter van de VVD in de Amsterdamse gemeenteraad Hans Gruijters. Diens vertrek uit de VVD en zijn aansluiting bij Hans van Mierlo leidde het ontstaan van D66 in. Of de rol van Van Riel zo groot was dat wanneer hij er niet was geweest ook D66 niet was ontstaan, is kwestieus, maar Verheijen vertelt het verhaal met verve en weet het goed te onderbouwen. Dat Alexander Pechtold – naast Hans Wiegel – het eerste exemplaar van de levensgeschiedenis van een liberale Drent in ontvangst heeft genomen, is in ieder geval een indicatie dat zijn these alles behalve fictie is. 

Oordeel FerdiBlog: ****

Afgelopen donderdag is ‘Harm van Riel. Een rechtse provo’ van Mark Verheijen gepresenteerd in de Eerste Kamer waar Alexander Pechtold en Hans Wiegel het eerste exemplaar ontvingen. Ondergetekende was bij de totstandkoming van het boek meelezer.